CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing voor de ontwerp vvgb voor de bouw van een woning op de Minne Finne in Grou

Besluitvorming (raad) 12 oktober 2022, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van een woning op de Minne Finne in Grou14.465 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Details zoals de lichte windveren, zwarte kozijntoepassingen in de grotere gevelopeningen en gevel- en dakvlakken in bruine en grijze terughoudende tinten geven invulling aan de beeldkwaliteitseisen en zorgen voor voldoende samenhang tussen de woning op dit erf en de naastgelegen vrijstaande woningen.

Woning Minne Finne

33

Topgevel en zijgevel nieuwe woning (bron: Driessen Architectuur)

Al met al ontstaat binnen het erf, maar ook binnen Minne Finne, waar het erf onderdeel van uit zal maken, een evenwichtig en afgerond ruimtelijk beeld, dat feitelijk nog een betere invulling geeft aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden, dan de reeds vergunde 2 woningen.

34

Woning Minne Finne

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- & omgevingsaspecten

Milieu

Bodem Door Envita Nijmegen B.V. is een verkennend bodemonderzoek (rapportnummer 202680-10/ R01 d.d. 8 november 2012, zie Bijlage 4 Bodemonderzoek) uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat: de bovengrond van het gehele perceel diffuus licht verontreinigd is met kwik en lood; de matig puinhoudende bovengrond (dijkje zuidoostelijke terreindeel) daarnaast licht verontreinigd is met koper, zink, minerale olie, PCB en PAK. De zwak puinhoudende bovengrond blijkt daarnaast licht verontreinigd met koper; een lokaal sterk puinhoudende laag in de ondergrond blijkt licht verontreinigd met kwik en lood. Voor de ongeroerde klei uit de ondergrond zijn geen verontreinigende stoffen zijn aangetoond. In de venige ondergrond is een licht verhoogd gehalte molybdeen aangetoond. het grondwater licht verhoogde concentraties bevat aan barium. Daarnaast zijn in het grondwater lokaal licht verhoogde concentraties kwik en zink aangetoond. Er zijn geen stoffen in gehalten en/of concentraties boven de tussenwaarde aangetoond. Dit houdt in dat er conform de Wet bodembescherming geen aanleiding is voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De bodemkwaliteit, zoals aangetoond op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek, levert geen belemmeringen op voor de geplande bouwactiviteiten.

Met de gemeente is evenwel besloten om enkele plekken nader te onderzoeken op de voorkomende waarden. Daarnaast is het plangebied in noordelijke richting uitgebreid ter plaatse van het terreindeel dat in het verleden behoorde tot het terrein van Stork Bepak en dat is gesaneerd door het aanbrengen van een leeflaag.

De dunne puinlaag, die onder het voormalige tegelpad aanwezig was, is inclusief de onderliggende puinlaag (gebroken puingranulaat) door de aannemer opgenomen en afgevoerd. Het betrof hier een in 2005 aangebrachte laag ter versterking van het ook toen aangelegde tegelpad. Daar 2005 ruim na het in 1993 ingevoerde asbestbesluit is, is het niet aannemelijk dat er asbest in het puin aanwezig geweest zou zijn.

Door Envita Nijmegen B.V. is een aanvullend bodemonderzoek (rapportnummer 202680-12/ R02 d.d. 27 juni 2016, zie Bijlage 5 Bodemonderzoek (aanvulling)) uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is het volgende geconstateerd:

Aangezien de verontreinigingen zijn aangetoond ter plaatse van of op de grens met de gesaneerde terreindelen en derhalve de na sanering in de ondergrond achtergebleven bekende verontreinigingen betreffen, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Omdat de inrichting van het plangebied deels plaatsvindt ter plaatse van de door middel van een aangebrachte leeflaag gesaneerde terreindelen, dienen de werkzaamheden in de leeflaag en onderliggende achtergebleven verontreinigde bodem in het kader van de Wet bodembescherming aan het bevoegd gezag te worden gemeld. Dit kan een middels een BUS-melding (proceduretijd 5 weken) of melding met saneringsplan (standaard

Woning Minne Finne

35

proceduretijd 15 weken).

Er vinden nog ontgrondingen plaats in het gebied. Daarbij zal bekeken worden of een ontgrondingenvergunning nodig is of dat sprake is van een vergunningsvrije ontgronding.

Luchtkwaliteit Er is een onderzoek naar de omgevingskwaliteit (JK Consultancy, nr. OK11.134, d.d. juli 2017, zie Bijlage 6) uitgevoerd met betrekking tot luchtkwaliteit.

Onderhavig project is NIBM aangezien het betrekking heeft op de bouw van minder dan 500 woningen. Het plan voldoet hiermee aan de in de Wet milieubeheer gestelde luchtkwaliteitsnormen en heeft geen nadelig effect op de huidige luchtkwaliteit in de dorpskern van Grou.

Geluid Er is een onderzoek naar de omgevingskwaliteit (JK Consultancy, nr. OK11.134, d.d. juli 2017, zie Bijlage 6bijlage 6) uitgevoerd met betrekking tot wegverkeerslawaai en scheepvaartverkeerlawaai.

Wegverkeerslawaai Binnen het plangebied geldt een 30 km/uur zone. Het plangebied is gelegen buiten de zones van verkeerswegen. De meest bepalende weg betreft de rijksweg A32 gelegen op meer dan 1500 meter afstand tot het plangebied. Nader onderzoek omtrent de geluidbelasting vanwege wegen is derhalve op basis van de Wet geluidhinder niet van toepassing. Daarnaast is binnen het plangebied slechts sprake van bestemmingsverkeer, hetgeen gezien de omvang van het plan minimaal is. Dit verkeer past binnen het huidige verkeersbeeld van de kom Grou en zal dan ook het aanwezige woon- en leefklimaat niet doen veranderen.

Scheepvaartverkeerlawaai Minne Finne is geprojecteerd aan het Pikmeer en op geringe afstand van hetl Prinses Margrietkanaal. Voor varende een afgemeerde schepen is geen regelgeving opgesteld. Echter op grond van jurisprudentie van de Raad van State moet het bevoegd gezag bij het nemen van een besluit voor het verlenen van goedkeuring aan of het vaststellen van een plan, zich uitspreken over de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting op de gevoelige bestemmingen vanwege o.a. de scheepvaart.

Bij een onderzoek in het kader voor een hogere waarde voor de Wgh nabij een drukke waterweg dient in het akoestisch onderzoeksrapport aandacht te worden besteed aan het geluid van varende en eventueel afgemeerde schepen. Op basis van deze gegevens kan B&W een deugdelijke motivering bij haar besluit opstellen.

Voor het vaststellen van de geluidbelasting vanwege de beroeps- en pleziervaart binnen het plangebied, is een akoestisch rekenmodel opgesteld. Voor dit rekenmodel, opgenomen in bijlage A, is uitgegaan van de telgegevens van RWS “Scheepsvaartinformatie Hoofdvaarwegen” ter hoogte van het telpunt Prinses Margrietsluis. Uit tellingen blijkt dat jaarlijks ca. 26.000 pleziervaartuigen en ca. 19.000 binnenvaartschepen over het Pikmeer varen. De binnenvaart is vervolgens verder te verdelen in ca. 14.000 vrachtschepen, 4000

36

Woning Minne Finne

tankschepen en 1000 niet vrachtvervoerende schepen. Dit betekent dat dagelijks 52 binnenvaart-schepen in de vaargeul langs het plangebied varen. Van de pleziervaar-tuigen is ca 80% seizoensgebonden. Dat wil zeggen dat in de periode vanaf mei t/m augustus dagelijks 220 pleziervaartuigen rondom het plangebied varen.

Uit de berekeningen volgt dat het geluidniveau op het plangebied als gevolg van de beroeps en pleziervaart (binnen het seizoen), gedurende de dag- en avondperiode (07.00 - 23.00 uur) varieert tussen 45 en 55 dB(A) en gedurende de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur) varieert tussen 35 en 45 dB(A). Hierbij is, op basis van de tellingen RWS, uitgegaan van de verdeling 70%, 20% en 10% voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Aanvullend is een 'Onderzoek geluidbelasting vanwege waterwegen op plangebied Minne Finne, Grou' uitgevoerd (Rapport OK11.134/3, augustus 2018, zieBijlage 7 ). Hieruit volgt dat ten aanzien van geluid vanwege vaarwegen in onderhavig projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat (GES score = 2) gedurende de nachtperiode (Lnacht < 45 dB). Slaapverstoring zal niet optreden. De geluidbelasting Ldag en Lavond blijft beperkt tot 50 dB en resulteert samen met Lnight in een Lden < 49 dB, hetgeen resulteert in een GES score van minder dan 2. Dergelijke geluidniveaus passen binnen het huidige woon- leefklimaat van Grou.

Externe veiligheid Er is een onderzoek naar de omgevingskwaliteit (JK Consultancy, nr. OK11.134, d.d. juli 2017, zie Bijlage 6) uitgevoerd met betrekking tot externe veiligheid.

De resultaten van dit onderzoek zijn als volgt:

(Bevi) inrichtingen Aan de hand van de risicokaart kan gesteld worden dat binnen een afstand van 200 meter tot het project geen BEVI inrichtingen aanwezig zijn. Er wordt dus ruim voldaan aan de normstelling voor het plaatsgebonden risico. Toetsing aan een groepsrisico kent in onderhavige situatie geen toepassing.

De meest nabijgelegen risicovolle inrichting betreft het pompstation met lpg-opslag, gelegen op ca. 640 meter afstand van het plangebied.

Transportroutes Ten westen van het projectplan op ruim 1500 meter afstand is de rijksweg A32 en de spoorlijn Wolvega-Leeuwarden gelegen. Hierop vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is echter gezien de afstand (> 400 meter) als “niet kwetsbaar” aan te merken.

Ten oosten van het plangebied is op ca. 110 meter afstand de vaargeul van het prinses Margrietkanaal gelegen. Hierop vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. In bijlage 6 van het RNVGS is een lijst met vaarwegen opgenomen waarvoor risicoafstanden gelden. Voor vaarwegen die niet op deze lijst staan en die voor de binnenvaart worden gebruikt gelden geen risicoafstanden. Het prinses Margrietkanaal is niet in bijlage 6 van het RNVGS opgenomen en is daarmee niet

Woning Minne Finne

37

relevant voor het plaatsgebonden risico.

Naast het plaatsgebonden risico dient voor wat betreft transportroutes waarop vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt evenwel ook rekening te worden gehouden met de effecten van plasbrand scenario's. Het Plasbrand Aandachtsgebied PAG betreft de zone waarbinnen de effecten van een ongeluk met brandbare vloeistoffen een dodelijk effect hebben. Voor de wegen en het spoor ligt deze grens op 30 meter voor vaarwegen op 25 meter. De afstand tot het plangebied is ruim groter en derhalve niet van toepassing als PAG.

Aanvullend is voor de scheepvaart op het Prinses Margrietkanaal een onderzoek gedaan naar externe veiligheidsaspecten (JK Consultancy, nr. OK11.134/2, d.d. april 2018, zie bijlage 8). Daarin is geconcludeerd dat de afstand tot woningen minimaal 200 meter is en dat op basis van berekeningen en gegevens uit het Basisnet het risico nihil is.

Buisleidingen Op basis van de risicokaart en door middel van een oriëntatiemelding (KLIC-melding) kan gesteld worden dat in de directe omgeving van het project geen ondergrondse buisleiding is gelegen. De meest nabijgelegen maatgevende buisleiding, te weten een hoge druk gasleiding (40 bar) van de Nederlandse Gasunie is gelegen op 560 meter afstand. De minimale risicoafstand voor dergelijke buisleidingen bedraagt 200 meter.

Milieuzonering In de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn indicatieve richtafstanden voor woningbouw nabij verschillende typen bedrijven opgenomen. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Binnen deze richtafstanden is hinder ten gevolge van het betreffende bedrijf niet uit te sluiten. Woningbouw binnen deze richtafstand is inpasbaar, indien aangetoond wordt dat (eventueel na het treffen van maatregelen) voor het betreffende bedrijf een kleinere richtafstand van toepassing is.

Er is een onderzoek naar de omgevingskwaliteit (JK Consultancy, nr. OK11.134, d.d. juli 2017, zie Bijlage 6) uitgevoerd met betrekking tot milieuzonering.

De geprojecteerde woningen (gevoelige bestemmingen) in het plangebied vormen geen belemmering voor de bedrijfsmatige activiteiten bij agrarische- en niet agrarische vergunningplichtige inrichtingen in de directe omgeving. De locatie heeft een agrarische bestemming die gesitueerd is tussen twee nabije de jachthavens. Dit is in principe een 3.1 bedrijf waar minimaal 50 m tot aan woningen van derden moet worden aangehouden.

In hoofdstuk 4 van de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering is opgenomen dat in gemengd gebied categorie B bedrijven zijn toegestaan die voldoen aan de volgende criteria: cat. 1 voor gevaar, cat 2 voor geur en stof, cat 3.1 voor geluid en een index van voor verkeer van max. 1G en 2 P. Een 'jachthaven' scoort voor gevaar cat. 2. Achterliggend idee is dat hier sprake is van gasopslag en levering van brandbare vloeistoffen. Dit is op deze locatie niet het geval. Hier worden alleen bootjes aan- en afgemeerd. Door de bouw van de

38

Woning Minne Finne

woningen is er ook fysiek geen ruimte meer voor gasopslag e.d. Hierdoor kan deze categorie op 0 gesteld worden. Voor verkeer scoort een jachthaven 3P.

De locatie is gelegen aan een doodlopende weg. Het aspect verkeersaantrekkende werking is hier niet van toepassing. Op basis van deze argumentatie is woningbouw op deze locatie zeer goed mogelijk.

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

5.2

Waterhuishouding

Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets.

Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.

In het nationale waterbeleid, vastgelegd in onder meer het Nationaal Waterplan, de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en de Europese Kaderrichtlijn water staat het duurzaam omgaan met water centraal: het waarborgen van voldoende veiligheid en het zo klein mogelijk houden van de kans op wateroverlast.

Het voorgaande moet mede gezien worden in het kader van de problematiek met betrekking tot ontwikkelingen als klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Hiervoor is de trits 'vasthouden - bergen afvoeren' maatgevend. Kort gezegd betekent dit dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. Uitgangspunten in dit verband zijn: geen afwenteling van problemen naar andere compartimenten in ruimte en tijd; zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken; beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de waterkwaliteit. Hierbij staat de trits 'schoonhouden - scheiden - zuiveren' centraal. Bij schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zo veel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Uitgangspunten in dit verband zijn: vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; voorkomen van verspreiding van verontreinigingen;

Woning Minne Finne

39

benutten van schoon water. Het beleidsdoel duurzaam omgaan met water dient niet alleen in waterbeheerplannen te worden uitgewerkt, maar er dient ook in de ruimtelijke ordening, waaronder de bestemmingsplannen, rekening mee te worden gehouden. Afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening kan door: het bieden van ruimte voor water in verband met veiligheid, wateroverlast en zoetwaterbeheer; water als ordenend principe in de functietoekenning; kansen benutten die water biedt voor de vergroting van de belevingswaarde en functiecombinaties (bijvoorbeeld cultuurhistorische waarden van voormalige waterlinies); randvoorwaarden aan de inrichting en het beheer op basis van water (bijvoorbeeld kruipruimteloos bouwen, zodat de grondwaterstand hoog kan blijven); effecten op waterkwaliteit meewegen bij besluitvorming in de ruimtelijke ordening. In onderstaande afbeelding is de waterhuishoudingkaart van het Wetterskip Fryslân weergegeven:

Op de waterhuishoudingkaart is zichtbaar dat het plangebied in zijn geheel in de zone boezemkaden is gelegen. Hierom en vanwege de toename van het verharde oppervlak in het plangebied kan de versnelde watertoets niet worden toegepast.

De uitgangspunten voor de waterparagraaf van het recentelijk vergunde bouwplan voor geheel Minne Finne zijn daarom door initiatiefnemers besproken met het waterschap in een overleg op 1 november 2012 en in 2016 en 2017 heeft nader overleg plaatsgevonden. De resultaten uit dit overleg zijn verwerkt in onderstaande watertoets. Omdat het nu voorliggende plan leidt tot reductie van 2 vrijstaande naar 1 vrijstaande woning en de overige kwalitatieve en kwantitatieve uitgangspunten ongewijzigd zijn, danwel verbeteren (bijvoorbeeld meer groen en minder bebouwing), zijn de conclusies voor het gehele ontwikkelplan voor Minne Finne ongewijzigd overgenomen voor deze aanpassing naar één woning.

40

Woning Minne Finne

Watertoets Het planvoornemen vindt plaats binnen de zone boezemkaden. De boezemkade heeft met een bepaalde hoogte - in dit geval 0,8 m boven het waterpeil van het Pikmeer (- 0,52 m NAP) - een kerende werking die te allen tijde gehandhaafd moet blijven. De zone is vastgesteld om bij ingrepen binnen deze zone te kunnen constateren of er een gevaar dreigt voor achterliggende gebieden. Omdat het betreffende gebied buiten de regionale waterkering ligt, kan het waterschap geen eisen stellen ten aanzien van de waterkerende hoogte in verband met boezemkering.

Overeengekomen is dat de kade rond De Minne Finne in hoogte ongewijzigd zal blijven en alzijdig versterkt zal worden. Daarnaast wordt in het plangebied, dat nu nog bemalen wordt, een zandophoging aangebracht (pakket van zo'n +/- 2,0 m dat voor ¾ zal zakken door klink in de ondergrond), waardoor bemaling niet langer nodig is. Tevens wordt daardoor voldoende drooglegging gegarandeerd en biedt het zandpakket voldoende mogelijkheid voor berging, infiltratie en afvoer hemelwater.

Door het waterschap wordt het uitgangspunt gehanteerd dat een toename van verhard oppervlak gecompenseerd moet worden door waterberging aan te leggen. Het hele, nieuw aangelegde, verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door 10 % van het gehele oppervlak als nieuw oppervlaktewater aan te leggen en dient in beginsel in hetzelfde peilgebied plaats te vinden.

In het plangebied Minne Finne wordt op gebiedsniveau het oppervlaktewater vergroot door aanleg van de binnenhaven. Aan de 10 % norm wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast zal, zoals aangegeven, het zandpakket in het plangebied waterbergende capaciteit hebben en zal het hemelwater infiltreren en via vrije grondwaterafstroom geleidelijk het plangebied verlaten. Bemaling is daarbij niet langer nodig. Vandaar dat het waterschap ermee kan instemmen dat geen oppervlaktewater in het peilgebied (binnendijks) wordt gerealiseerd, maar direct aangrenzend als vergroting van het Pikmeer. Regenwater zal direct naar het zandpakket worden afgevoerd middels een hemelwaterafvoer van gebouwen en waterdoorlatende verharding in straten en parkeervakken.

Om het aantal overstorten van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken, is het uitgangspunt om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. Vandaar dat alleen de DWA zal worden aangesloten op een rioolstelsel. De nu voorgestane afname van 2 naar 1 woning leidt ertoe dat er ook minder DWA dient te worden aangesloten.

Om een goede kwaliteit van water te realiseren moet voorkomen worden dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Tevens dient gebouwd te worden met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.

Bij de bouw moet rekening worden gehouden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding of natte kruipruimtes te voorkomen. De dikte van het op te brengen zandpakket wordt hierop afgestemd, alsmede de bouwwijze. Ten aanzien van de normering regionale wateroverlast geldt voor bebouwd gebied als norm dat inundatie vanuit het oppervlaktewater niet vaker mag voorkomen dan eenmaal per 100 jaar.

Woning Minne Finne

41

Het maatgevend boezempeil (het peil dat eenmaal per 100 jaar kan voorkomen) is hier -0,05 m NAP. Het waterschap gaat er vanuit dat dit waterpeil tot 1,0 m voor de gevel mag voorkomen om nog te voldoen aan deze norm. De drooglegging is in dit geval de zwaarste norm. Het waterschap adviseert dan ook een aanleghoogte vast te stellen waarmee voldaan wordt aan deze norm, waarmee ook wordt voldaan aan de normering voor regionaal wateroverlast.

Voor alle ingrepen in de waterhuishouding dient tijdig een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Evenwel wordt er vooralsnog van uitgegaan dat bij de beoogde aanpak met ophoging van het plangebied en stopzetten van de bemaling geen ontheffing vereist is.

In het kader van de watertoets zijn de volgende uitgangspunten voor het plangebied vastgesteld. Na afstemming tussen gemeente, waterschap en initiatiefnemers is het terrein daarop bouwrijp gemaakt waarbij onderstaande aspecten zijn uitgevoerd. Vloerpeil bij kruipruimteloos bouwen: +0,70 m boven streefpeil boezem (= -0,52 NAP); dichtbij open water van de boezem +0,80 à +0,9 m boven streefpeil boezem. Vloerpeil bij bouwen met kruipruimte: +1,10 m boven streefpeil boezem (= -0,52 NAP). Weghoogte: +0,70 boven streefpeil boezem (= -0,52 NAP); dichtbij open water +0,80 à +0,9 m boven streefpeil boezem. De gemeente heeft de ontwikkelaars geadviseerd om de woning kruipruimteloos te bouwen. Daarmee komt het plan op de onderstaande hoogten uit.

Minne Finne NO (de vrijstaande woningen en de overige woningen aan de haven): Drooglegging 0,9 m In de Minne Finne NO is nu nog geen weg. De nieuwe weghoogte wordt + 0,40 m NAP (-0,52 + 0,9 = + 0,38; afgerond +0,40 m NAP) +zettingscompensatie (0,05 m), dus: ca + 0,45 m NAP. Geotechnische aspecten (voorbelasting, zetting) moeten nader onderzocht worden. Het vloerpeil van de woningen wordt 0,15 m boven wegniveau (na zetting): Vloerpeil nieuwe woningen: + 0,55 m NAP. Vaarwegenverordening Fryslân 2014 Fryslân kent van oudsher een vaarwegenverordening waarin vaarwegbeheer en nautisch beheer zijn geïntegreerd. Vaarwegbeheer gaat over het beheer van het profiel van de vaarweg (zowel onder als boven water). Nautisch beheer gaat over alle maatregelen t.b.v. vlotte en veilige afwikkeling van scheepvaartverkeer, zoals het markeren van vaargeulen en toezicht op vaargedrag. Daarnaast wordt deze verordening gebruikt om de voor Fryslân belangrijke verboden van varen bij ijsgang af te kondigen. Met de Waterwet is de figuur van de waterverordening geïntroduceerd, waarmee de mogelijkheid ontstaat om het vaarwegbeheer in de waterverordening op te nemen. Nautisch beheer en wat daarmee samenhangt (vaarverboden bij ijs) zouden dan in een uitgeklede separate verordening terecht komen.

De provincie Fryslân kiest ervoor om nautisch beheer en vaarwegbeheer te blijven integreren in één verordening, waarmee de regelgeving over vaarwegen in één document kan worden gevonden.

In de Vaarwegenverordening Fryslân 2014 zijn de vaarwegen rondom de planlocatie aangegeven als vaarwegbeheer categorie A (provincie). De wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is

42

Woning Minne Finne

gebaseerd is de Waterwet, art. 1.1 en 3.2 en de Scheepvaartverkeerswet, art. 2.

De vaarwegen op lijst A worden beheerd door de provincie. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de vastgestelde normen. In lijst A (lijst van vaarwegen in beheer bij Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, met aanduiding van naam, te onderhouden profiel, en aanduiding op kaart) is het volgende opgenomen:

De aangegeven vaarwegdiepte, ingrijpdiepte en onderhoudsdiepte worden door onderhavig plan niet gewijzigd.

Het is verboden zonder ontheffing van de vaarwegbeheerder het profiel van een vaarweg op lijst A, te wijzigen of het onderhoud te belemmeren, door: a. b. c.

in, op of boven de vaarweg werken op te richten, in stand te houden, te wijzigen of te verwijderen; in, op, of boven de vaarweg (vaste) stoffen of voorwerpen te deponeren, of te laten staan of liggen; in, op of boven de vaarweg op andere wijze dan het bepaalde onderdeel a of onderdeel b, handelingen te verrichten die het profiel van de vaarweg wijzigingen of het onderhouden belemmeren.

Het is tevens verboden zonder ontheffing van de vaarwegbeheerder in situaties binnen de beheergrens van de vaarwegen, werken, voorwerpen of stoffen te maken of te behouden, waarbij de in artikel 1.2 genoemde belangen in het geding zijn. Geen ontheffing is vereist voor nader in algemene regels door de vaarwegbeheerder te bepalen werken en activiteiten, waarbij volstaan kan worden met een melding aan de vaarwegbeheerder. De vaarwegbeheerder kan hierbij nadere regels stellen voor de meldingsplichtige activiteiten.

In overleg met de vaarwegbeheerder wordt afgestemd of voor de te verrichten werkzaamheden nog een ontheffing vereist is in het kader van de mastroute (zone tot 15 meter landinwaarts). Vooralsnog zijn er geen gronden die de uitvoerbaarheid van dit plan zouden belemmeren.

5.3

Flora & Fauna

Er is een Verkennend Flora- en faunaonderzoek uitgevoerd in het plangebied (JK Consultancy, Verkennend flora- en faunaonderzoek, project Minne Finne kvl 12-13-14, Rapport FF 11.134, april 202, zie Bijlage 9) . Op basis van de resultaten uit dit onderzoek kan het volgende geadviseerd worden:

Natura 2000 gebied De Alde Feanen is het meest nabijgelegen beschermde natuurgebied. De voorgenomen kleinschalige ontwikkelingen in relatie tot de afstand tussen het projectplan en dit gebied, (minimaal 2,5 kilometer) heeft in de toekomstige situatie geen nadelige invloed op het natuurgebied. Ook kunnen er geen negatieve effecten optreden door stikstofdepositie in het Nature-2000 gebied als gevolg van het projectplan. Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna zou sprake kunnen zijn van beschermde flora en fauna in het plangebied. Door het uitgevoerde veldonderzoek is duidelijk geworden dat het plangebied zich niet leent voor beschermde diersoorten. Geadviseerd wordt om even wel buiten het

Woning Minne Finne

43

broedseizoen de werkzaamheden uit te voeren. De in de wet genoemde “algemene zorgplicht” is van toepassing op alle beschermende en onbeschermde dieren plantensoorten. Op grond hiervan dient eenieder zoveel als redelijkerwijs mogelijk te handelen op een wijze zodat nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. Aanbevolen wordt dan ook om in ieder geval de zorgplicht in acht te nemen en daarbij de door het ministerie goedgekeurde Gedragscode voor de bouw- en ontwikkelsector. Geconcludeerd kan worden dat in het huidige gebruik van het plangebied de aanwezigheid van beschermende planten en diersoorten onwaarschijnlijk is en derhalve geen sprake is van verstoring. Gesteld kan dan ook worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op beschermende soorten en beschermende natuurgebieden.

5.4

Cultureel erfgoed

Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde “veroorzakerprincipe”.

Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) die op 1 september 2007 van kracht is geworden.

Met name de Monumentenwet is door de WAMZ aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in planologische procedures. Mede in verband met de WAMZ heeft de gemeente Leeuwarden een archeologische waardenkaart uitgebracht waar onder meer informatie te vinden is over te verwachten archeologische waarden. Deze informatie is weergegeven op Archeologische Waardenkaart Gemeente Leeuwarden.

Het onderhavige plangebied is op de archeologische waardenkaart gelegen in een gebied dat is aangegeven als 'vrijgegeven', wat inhoudt dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen, ongeacht de grootte van de ingreep, geen archeologisch onderzoek hoeft te worden verricht. Dit kan worden verklaard door de zeer lage ligging van het gebied, wat historische bewoning onwaarschijnlijk maakt. Daarnaast is het gebied meermalen mechanisch gespit en vergraven, laatstelijk in 2011. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

Cultuurhistorie Vanwege de ligging in beschermd dorpsgezicht Grou heeft voorafgaand aan de planprocedure reeds overleg en afstemming met de RCE plaatsgevonden. In de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor deze locatie (zie inleidend hoofdstuk in deze onderbouwing) zijn de randvoorwaarden vanuit het aspect cultuurhistorie en beschermd dorpsgezicht reeds meegenomen.

44

Woning Minne Finne

In de toelichting op het beschermd dorpsgezicht wordt gesteld dat: 'het open groen van De Minne Finne de historische relatie markeert van de oude kerkterp van Grou in het lage waterrijke gebied.' Daarnaast is de hoge bomenrand rond De Minne Finne als een verstoring aan te merken. De gemeente kiest er daarom voor om door de beoogde transformatie het sinds jaar en dag afgesloten gebied De Minne Finne in de toekomst een actievere belevingsrol te laten spelen binnen het dorp Grou. Het centrumgebied, dat nu ter hoogte van de Volmaweg als het ware is afgekapt, wordt met de planontwikkeling De Minne Finne afgerond en hersteld. Daarbij wordt een fysieke relatie gelegd tussen Grou en het Pikmeer.

Daardoor wordt zowel de ruimtelijke samenhang als fysieke verbinding (toegankelijkheid vanuit de kern naar de haven en de oevers van het Pikmeer) versterkt. Grou zal daardoor niet alleen fysiek aan het Pikmeer komen te liggen, maar ook de centrumdorpse activiteiten zullen meer in de context van de ligging aan het water plaatsvinden. Grou verbindt zich zo met de Friese meren in plaats van dat het met de rug er naartoe is gekeerd en kan zich op deze wijze optimaal ontwikkelen tot toeristisch recreatief watersportdorp.

Het daarnaast genoemde aspect van de verstorende hoge bomenrand rond De Minne Finne wordt tevens aangepakt met dit plan. Aan de zijde van het Pikmeer zal het hoge en dichte bomenscherm worden gedund, zodat een transparant groenscherm ontstaat. Vanaf het Pikmeer ontstaat er zo zicht op een herkenbare dorpsrand waarin bebouwing zichtbaar is achter het transparante groenscherm. Door de inmiddels uitgevoerde verwijdering van de hoge populieren aan de Volmaweg is daarnaast het zicht hersteld naar de kerktoren. Zo ontstaat al met al een zeer karakteristiek dorpssilhouet met veelal lage, door transparant groen omgeven fijnkorrelige bebouwing en centraal in dit beeld de markante kerktorenspits die weer beter zichtbaar wordt vanaf het Pikmeer.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft in het overleg van 27 juni 2012 het volgende advies gegeven: “Motiveer de keuzes in het plan, waarbij de positieve implicaties van het plan voor de buiten het plangebied gelegen delen van Grou moeten worden benadrukt.”. Deze positieve effecten zijn hiervoor reeds beschreven. De borging van deze effecten zijn toegelicht in de stedenbouwkundige randvoorwaarden en welstandsrichtlijnen (paragraaf 1.5). Ook na 2012 is overleg geweest met de RCE. Het plan is diverse malen besproken met de Rijksdienst Cultureel Erfgoed. In 2017 heeft de RCE zich nog positief uitgelaten over de invulling van het gebied.

Belangrijk uit het oogpunt van cultuurhistorie zijn de zichtlijnen vanaf het Pikmeer op de Sint Piterkerk. Deze zichtlijnen blijven bestaan door qua bouwhoogte in het plangebied aan te sluiten bij de bouwhoogte van de woningen aan de westzijde van de Volmaweg en richting het Pikmeer ook lagere bebouwing te realiseren. Door aanpassingen van het Bouwbesluit in combinatie met milieu- en arbowetgeving zijn de bouwhoogtes van woningen noodgedwongen wel hoger dan in het verleden gebruikelijk was.

Door de bebouwing juist aan de westzijde van het plangebied te concentreren rond de binnenhaven en de ruime groene oever met daarin (de vergunde) 4 solitaire villa's juist aan de oostzijde blijft er een groener en meer extensief beeld vanaf het Pikmeer behouden, zo is bij de vergunningverlening geconstateerd.

Woning Minne Finne

45

De nu aangevraagde bouw van één woning in plaats van 2 vrijstaande woningen draagt temeer bij aan de door de gemeente gewenste samenhang tussen het Pikmeer, een groene dorpsrand en een achterliggend centrumgebied met zichtrelaties naar het meer.

De Minne Finne wordt aldus alleen aan de centrumzijde meer verdicht bebouwd, passend bij het centrumgebied, terwijl de andere zijde aan het Pikmeer een uitdrukkelijk groene en blauwe inrichting kent, met daarin enkele solitaire bebouwingsaccenten.

5.5

Leidingen

In het plangebied zijn geen leidingen met een planologisch relevante beschermingszone gelegen, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding met het plangebied.

46

Woning Minne Finne

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van de bepalingen in de Wro over grondexploitatie (artikel 6.12 lid 1 Wro) moet een exploitatieplan worden opgesteld wanneer sprake is van een bouwplan. Wat als bouwplan moet worden aangemerkt is uitgewerkt in artikel 6.2.1. Bro. Op grond daarvan moet het voorliggende plan worden aangemerkt als plan dat een bouwplan mogelijk maakt. In beginsel moet dus een exploitatieplan worden opgesteld.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is echter een exploitatie-overeenkomst gesloten, zodat een exploitatieplan niet aan de orde is. Verder komt het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer. De ambtelijke kosten worde gedekt uit de leges.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De eerder vergunde plannen op o.a. de Minne Finne zijn vroegtijdig met het dorp gecommuniceerd. Hierover zijn in het dorp twee informatiebijeenkomsten gehouden. Voorliggende aanpassing is naar aard en omvang dusdanig gering en ver weg gelegen van welke bestaande belanghebbende dan ook, dat ervoor gekozen is dit niet weer opnieuw voor te leggen aan de ruime omgeving. De buren en direct omwonenden zijn bekend met het plan en hebben hiertegen geen bezwaren.

Ten behoeve van de nieuwbouw zijn door de gemeenteraad stedenbouwkundige randvoorwaarden en welstandsrichtlijnen vastgesteld. Deze randvoorwaarden en richtlijnen hebben voor een periode van 6 weken ter visie gelegen. Er zijn geen inspraakreacties ingediend gericht tegen de nieuwbouw op de Minne Finne.

De aanvraag omgevingsvergunning doorloopt de in de Wabo voorgeschreven procedure. Dit betekent dat de aanvraag gedurende zes weken ter inzage ligt voor zienswijzen. Tijdens deze periode bestaat voor een ieder de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen. Aan de hand van de ingekomen zienswijzen kan het plan eventueel worden aangepast. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gehouden. Tegen de omgevingsvergunning is beroep mogelijk bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Woning Minne Finne

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=2dcb15ef-e224-4c3e-8764-3898b4d5beb2