Ruimtelijke Onderbouwing.pdf
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING OMGEVINGSVERGUNNING
VERBOUW POLITIEBUREAU TE GROU
UITVOERENDE:INTERRA AUTEUR: JUR VAN DER VELDE PROJECTNUMMER: VPG2019/10065 VERSIE:06 BETREFT:VERBOUW POLITIEBUREAU LOCATIE:STATIONSWEG 35 PLAATSNAAM:GROU OPDRACHTGEVER:MACHIELA / DE JONG DATUM:22SEPTEMBER20
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VERBOUW POLITIEBURO GROU
Inhoud 1. Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 3 1.2 Ligging projectgebied .................................................................................................................... 3 1.3 Projectomschrijving ....................................................................................................................... 3 1.4 Welstand ....................................................................................................................................... 4 1.5 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................... 4 2.
Beleidstoets ..................................................................................................................................... 5 2.1 Rijksbeleid...................................................................................................................................... 5 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ................................................................................ 5 2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................... 5 2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ........................................................................ 5 2.2 Provinciaal beleid .......................................................................................................................... 6 2.2.1 Streekplan Fryslân 2007 ......................................................................................................... 6 2.2.2 Verordening Romte Fryslân.................................................................................................... 6 2.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 6 2.3.2 Afwegingskader Woningbouw Gemeente Leeuwarden ........................................................
6 2.3.3 Parkeernota ............................................................................................................................ 7 2.3.4 Conclusie ................................................................................................................................ 7
3.
Omgevingsaspecten ........................................................................................................................ 8 3.1 Algemeen....................................................................................................................................... 8 3.2 Externe veiligheid .......................................................................................................................... 8 3.3 Brandveiligheid .............................................................................................................................. 8 3.4 Bodem ........................................................................................................................................... 9 3.5 Geluid ............................................................................................................................................ 9 3.6 Stikstof ......................................................................................................................................... 10 1
3.7 Water ........................................................................................................................................... 10 3.8 Ecologie ....................................................................................................................................... 10 3.9 Cultuurhistorie............................................................................................................................. 11 3.10 Archeologie................................................................................................................................ 11 3.10 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 12 3.11 Kabels en leidingen.................................................................................................................... 12 3.12 MER (Milieu effect rapportage) verantwoording ...................................................................... 12 3.13 Riolering Wijkzaken ................................................................................................................... 13 4.
Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................ 14 4.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 14 4.2 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 14
5.
Afweging en conclusie ................................................................................................................... 15 5.1 Afweging ...................................................................................................................................... 15 5.2 Conclusie ..................................................................................................................................... 15
6.
BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 16
2
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het voornemen is om het niet meer in gebruik zijnde politiebureau aan de Stationsweg 35 te Grou te verbouwen naar een woongebouw. Het nieuwe gebruik is in strijd met het geldende bestemmingsplan Grou. De gemeente Leeuwarden heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Dit kan door af te wijken van het bestemmingsplan. Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om het besluit hiertoe op een goede wijze te kunnen onderbouwen. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging projectgebied De aanvraag heeft betrekking op het perceel Stationsweg 35 te Grou. De ligging van dit perceel is hieronder weergegeven.
1.3 Projectomschrijving Het project betreft de verbouw c.q. de transformatie van het voormalige politiebureau te Grou naar veertien woonappartementen. Om deze appartementen te realiseren, wordt het noordelijk hoger gelegen bestaande dakdeel van het bestaande gebouw gesloopt en wordt door het toevoegen van twee nieuwe verdiepingsvloeren en een dakvloer een gebouw van vier bouwlagen (inclusief begane grond) gerealiseerd. De onderste drie bouwlagen krijgen vier appartementen per verdieping. De bovenste bouwlaag bevat twee penthouses. De verbouwactiviteiten resulteren in een toename van de bouwhoogte van 5,2 meter en een vergroting van het bebouwde oppervlak van 120 m2. Op het terrein worden veertien bergingen gerealiseerd. De bergingen voor de twaalf appartementen bevinden zich in de zuidwestelijke hoek van het terrein. Deze bergingen worden gerealiseerd in het gebouw dat daar reeds aanwezig is. De twee bergingen voor de penthouses zijn meer oostelijk op het terrein gesitueerd. Voor meer informatie over het projectplan wordt verwezen naar het ingediende bouwplan. Bij deze plannen is ook een herinrichtingsplan voor het terrein van het gebouw gevoegd. Het perceel wordt in zijn geheel opnieuw ingericht. De inrichting van het perceel is conform de gemeentelijke wensen voor wat betreft de zichtlijnen van en naar het gebouw en het afschermende groen.
Op het eigen terrein worden vierentwintig parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zijn ingepast in het ontwerp. De parkeerplaatsen worden afgeschermd door leibomen. Deze 3
vervangen de drie bolsdoorns die voor de aanleg van het parkeerterrein moeten worden gekapt. De ontsluiting op de Stationsweg vindt aan de westzijde van het perceel plaats. De parkeerplaatsen zijn gesitueerd aan deze ontsluiting. De zuidelijk op het terrein gelegen carport/fietsenoverkapping wordt gesloopt. Hiervoor komen 28 plaatsen terug in 14 berging.
1.4 Welstand Het bouwplan is in het kader van het vooroverleg aan de Welstandscommissie voorgelegd. Deze commissie heeft aangegeven dat het bouwplan in grote lijnen uitzicht biedt op een positieve welstandsadvisering. Wel werd nog aandacht gevraagd voor de kleuren en de materialen. Voorkomen dient te worden dat een sterk licht-donkercontrast ontstaat. Verder werd aandacht gevraagd voor een uitwerking van de terreininrichting. Aan beide verzoeken van de Welstandscommissie is voldaan. Het bouwplan en het terreininrichtingsplan zijn overeenkomstig de wensen aangepast. De verwachting is dat op basis van het huidige plan de Welstandscommissie een positief advies geeft.
1.5 Vigerend bestemmingsplan Het politiegebouw ligt in het bestemmingsplan Grou van de voormalige gemeente Boarnsterhim en heeft daarin de bestemming Maatschappelijk. Tevens geldt de dubbelbestemming Waarde Archeologische verwachtingswaarde 1. Met deze laatste bestemming is een beschermingsregeling getroffen voor ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,3 meter. De gewenste woonfunctie is in strijd met de bestemming Maatschappelijk. Ook worden de bouwregels overschreden. De bouwhoogte is 5,2 meter hoger dan de toegestane 8 meter en de bouwgrens wordt met 2,5 meter aan de voorzijde en 4,6 meter aan de achterzijde overschreden. Het bebouwd oppervlak zal toenemen van de oorspronkelijke 427 m², naar een bebouwd oppervlakte van 547 m². Er vinden geen bodemingrepen plaats die een zodanige omvang hebben dat in aanraking wordt gekomen met de dubbelbestemming. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet nodig.
4
2. Beleidstoets In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid van het rijk, de provincie en de gemeente beschreven.
2.1 Rijksbeleid 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van het rijk is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening steeds meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit project raakt geen van de 14 belangen. 2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Een algemeen belang in de SVIR is het proces van duurzame verstedelijking. In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat bij ruimtelijke projecten voorzien moet worden in duurzame verstedelijking. In geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en wanneer deze plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ontwikkeling binnen het projectgebied kan aangemerkt worden als een stedelijke ontwikkeling. Om deze reden wordt onderstaand toepassing gegeven aan het proces van duurzame verstedelijking. Omdat er sprake is van de herinrichting van een bestaand gebouw, wordt hierbij alleen ingegaan op de behoeftevraag.
Het project vindt plaats binnen stedelijk gebied. De behoefte aan nieuwe woningen is in de gemeente Leeuwarden duidelijk aanwezig. De gemeente staat voor een forse woningbouwopgave. Er is ook een grote vraag naar woningen. Uit het woonbeleid van de gemeente, zoals verwoord in paragraaf 3.3, blijkt dat er voldoende vraag is naar nieuw aanbod van goede appartementen groter dan 65 m2. Dit wordt onderschreven door de ontwikkelaar. De verwachting is dat de appartementen snel zullen worden verkocht. De markt is goed. De appartementen zijn geschikt voor meerdere doelgroepen. De appartementen zijn levensloopbestendig. Veel mensen zijn op zoek naar veilig wonen in een appartementencomplex. Ook is er een tendens om van woningen met een grotere tuin te verhuizen naar woningen zonder tuin. De ligging van het gebouw op de onderhavige locatie in Grou maakt het aanbod onderscheidend. In Grou is het aanbod van appartementen gering. De realisatie van het woongebouw binnen het dorp Grou voldoet aan het proces van duurzame verstedelijking. Het realiseren van het woongebouw op deze locatie past in het kader voor een duurzame verstedelijking. 2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
Dit plan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
5
2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Streekplan Fryslân 2007 Het geldende ruimtelijk beleid van de provincie is opgenomen in het op 13 december 2006 vastgestelde Streekplan Fryslân 2007. Het bevat de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Grou wordt in het streekplan aangemerkt als een van de regionale centra. De provincie zet voor deze centra in op het behoud en de verdere ontwikkeling van aantrekkelijke woonmilieus voor opvang van de woningbehoefte in de regio. Voor de invulling van wonen en overige functies wordt in eerste instantie gezocht naar mogelijkheden binnen bestaand bebouwd gebied. Binnen bestaand bebouwd gebied dient ruimtelijke kwaliteit toegevoegd te worden en nieuwe functies mogen met elkaar worden gecombineerd, zodat efficiënt ruimtegebruik wordt bevorderd. Het project sluit aan op de ambities uit het streekplan. 2.2.2 Verordening Romte Fryslân In de Verordening Romte Fryslân 2014 (vastgesteld op 25 juni 2014) stelt de provincie regels aan de provinciale belangen. Deze regels moeten naar ruimtelijke plannen worden vertaald. In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Het plangebied ligt in het Bestaand Stedelijk Gebied. Hier wordt ruimte geboden voor het ontwikkelen van stedelijke functies.
In artikel 3 is bepaald dat een woningbouwproject met meer dan 11 woningen binnen bestaand bebouwd gebied in overeenstemming moet zijn met een goedgekeurd gemeentelijk woonplan. Dit plan past binnen de woningbouwafspraken met de provincie. In deze afspraken is voor de periode 2019 t/m 2025 o.a. ruimte voor het toevoegen van 120 woningen op inbreidingslocaties in de dorpen, ‘vooral herontwikkelingen’. Voor de periode 2018-2021 zijn hiervan inmiddels 24 van de 40 woningen vergeven. Hieraan worden nu deze 14 woningen toegevoegd. Het totaal komt daarmee op 38 woningen qua inbreidingslocaties in de dorpen, ‘vooral herontwikkelingen’. Naar verwachting kan de omgevingsvergunning voor dit plan in december van dit 2020 of januari 2021 worden verleend.
2.3 Gemeentelijk beleid 2.3.1 Structuurvisie Boarnsterhim 2018 De Structuurvisie Boarnsterhim biedt ruimte voor woningbouw in alle kernen. De kwaliteit gaat daarbij voor de kwantiteit en er wordt ingezet op specifieke woningbouwprojecten. De structuurvisie bevat geen nieuwe uitbreidingslocaties. De woningbouw dient paats te vinden binnen het bestaande stedelijk gebied. Het behouden van de basisvoorzieningen in de kernen is daarbij een belangrijk doel van de visie. Voor Grou als één van de grootste dorpen wordt ingezet op een hoger voorzieningenniveau dan de andere dorpen.
2.3.2 Afwegingskader Woningbouw Gemeente Leeuwarden Het Afwegingskader Woningbouw Gemeente Leeuwarden (Juni, 2016) dient als beleidskader op de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (2025) op het gebied van wonen. In dit Kader is onder andere gesteld dat door een overaanbod aan kleine, reguliere woningen, de gemeente alleen meewerkt aan de realisatie van woningbouwplannen van woningen met een oppervlakte van meer dan 65 m2 . Ook wordt in dit afwegingskader aangegeven dat in beginsel geen medewerking wordt verleend aan nieuwe woonbestemmingen op onbebouwde grond en op gronden buiten bestaand stedelijk gebied. De huidige dorpen maken nu in Leeuwarden 15% van de bevolking en 14% van de woningvoorraad uit. De groei van de bevolking en woningvoorraad heeft zich de afgelopen jaren vooral in de stad Leeuwarden geconcentreerd. Er zijn geen aanwijzingen dat dit in de komende 6
jaren wezenlijk gaat veranderen. Desalniettemin biedt de gemeente ruimte om een bij de schaal en aard passende uitbreiding van de woningvoorraad van de dorpen te bieden. Hierbij wordt vooral ingezet op het consolideren en het behouden van de kwaliteit. De gemeente tornt niet aan de bestaande uitbreidingslocaties in de dorpen. Wanneer zich kansen in de dorpen voordoen, wil de gemeente deze benutten. Grou heeft met zijn voorzieningenaanbod en goede sociale woningvoorraad een belangrijke centrumfunctie. Dit wordt gezien als tweede kerngebied.
2.3.3 Parkeernota Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de normen van de Parkeernota. Er worden vierentwintig parkeerplaatsen gerealiseerd voor veertien appartementen. Dat betekent 1,7 parkeerplaats per appartement. Het voormalige politiebureau is gelegen in het gebied ‘rest bebouwde kom’. Hier geldt voor woningen tussen de 60 en 80 m2 een norm van 1.3, voor woningen tussen de 80 en 120 m2 een norm van 1.6 en voor woningen groter dan 120 m2 een norm van 2. Er worden 12 woningen gerealiseerd van ca 100m² met een parkeernorm van 1.6. Er worden 2 appartementen gerealiseerd met een oppervlakte van ca 130 m², met een parkeernorm van 2. Dit betekend in totaal benodigde parkeerplaatsen 23 stuks. Het plan weergegeven in bijlage B-12B dd 01.09.2020, kent 23 parkeerplaatsen.
2.3.4 Conclusie Gelet op het vorenstaande, past het initiatief past binnen het gemeentelijke beleid Afwegingskader Woningbouw. Wonen is een gewenste herbestemming voor het voormalige politiebureau. De appartementen zijn groter dan 65 m2 en passen daarmee binnen de gemeentelijke kaders. Een bestaand gebouw krijgt een goede en passende invulling.
7
3. Omgevingsaspecten 3.1 Algemeen De maatschappelijke functie van het voormalige politiekantoor wijzigt in een woonfunctie. Daarbij vindt er een aantal bouwwerkzaamheden plaats om het gebouw daadwerkelijk voor wonen te kunnen gebruiken. Het gebouw wordt daarbij uitgebreid en verhoogd en het omliggende terrein opnieuw ingericht. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de effecten van het nieuwe gebruik en van de bouwwerkzaamheden zijn op de omgeving.
3.2 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico's gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het Groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit ex- terne veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (cRNVGS) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het kader van het aspect externe veiligheid is de FUMO om advies gevraagd. Het advies van de FUMO is bijgevoegd. In de directe omgeving van het projectgebied zijn verschillende risicobronnen gesitueerd.
Hierbij kan worden gedacht aan het LPG-station op het perceel Stationsweg 86, de hoge druk aardgastransportleidingen langs de A32 en het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg. Uit het advies van de FUMO blijkt dat de projectlocatie buiten de invloedsgebieden van deze risicobronnen ligt. Er zijn derhalve vanuit het ascpect externe veiligheid geen belemmeringen of aandachtspunten voor het bouwplan gebleken.
3.3 Brandveiligheid De gemeente heeft ook reeds Brandweer Fryslân geconsulteerd over het bouwplan. Ook dit advies is bijgevoegd. Hieruit blijkt dat het advies van de Brandweer blijkt dat de opkomsttijd ter plaatse circa 7 minuten betreft waarmee aan de gestelde normtijd van 12 minuten wordt voldaan. Omdat er voorts op een afstand van circa 30 meter van de hoofdingang van het bouwwerk een brandkraan met aanzienlijke capaciteit aanwezig is, worden geen knelpunten ten aanzien van de bluswatervoorzieningen geconstateerd. Wel is opgemerkt dat uit gegevens van Vitens volgt dat een aanwijzing van de brandkraan ontbreekt. Om hiervan snel gebruik te kunnen maken, is een goede aanwijzing wel van belang. Hieraan zal worden voldaan. De bereikbaarheid van de planlocatie is geen probleem omdat twee onafhankelijke routes aanwezig zijn. De noodzakelijk opstelplaats voor de brandweerwagen kan samenvallen met de openbare weg. Het ontwerp gaat uit van een zogeheten portieksituatie. De Brandweer constateert in haar advies dat niet volledig aan het Bouwbesluit wordt voldaan om het gedachte tweede trappenhuis als aparte vluchtroute aan te kunnen wijzen. Dit betekent dat alle bewoners op één vluchtroute 8
zijn aangewezen. Om te voorkomen dat bij brand een voordeur open blijft staan nadat de bewoner is gevlucht, is geadviseerd om de voordeuren van de woningen te laten voorzien van zogenaamde vrijloopdeurdrangers die zijn aangesloten op de rookmelders in de verkeersruimte in de woning. Het bouwplan is hierop aangepast. De maximale WBDBO (Weerstand tegen BrandDoorslag en BrandOverslag) voor brandscheidingen bedraagt 30 minuten. Om de vluchtroute te beschermen omdat de bewoners zijn aangewezen op één vluchtroute en om de brandweer langer de tijd te geven om eventuele achterblijvers te redden en brand van binnen te bestrijden, wordt een WBDBO-eis en sterkte-eis tegen bezwijken bij brand van 60 minuten geadviseerd. Ook aan deze eis is in het bouwplan tegemoet gekomen.
3.4 Bodem Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de onderhavige procedure is het van belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. Met de beoogde ontwikkeling vindt een functiewijziging plaats en wordt het bestaande gebouw uitgebreid. Daarom heeft er onlangs een verkennend bodemonderzoek plaatst gevonden. Dit is bijgevoegd (Milieu hygiënisch onderzoek revisie 1, d.d. 14022020 AnteaGroup). Ter plaatse van de locatie zijn geen verdachte activiteiten naar voren gekomen. Op basis van een in 2004 uitgevoerd verkennend bodemonderzoek zijn er ter plaatse ook geen verontreinigingen van betekenis aangetoond. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aanwezig. In de ondergrond en het grondwater zijn maximaal licht verhoogde waarden aangetoond. Er is sprake van een onverdachte locatie.
3.5 Geluid Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoor- wegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. De appartement zijn geluidgevoelige functies als bedoeld in de Wgh. Rondom het projectgebied liggen verschillende wegen. Direct aan het projectgebied ligt de Stationsstraat. Vanwege het verkeer is er onderzoek gedaan naar de geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai en naar de geluidwering van de gevels. De locatie ligt binnen de geluidszone van de Stationsweg en de Oostergostraat. Het gebouw is gelegen op circa 20 meter uit het hart van deze wegen. De berekende geluidsbelasting bedraagt 61 dB (zonder aftrek). Inclusief aftrek bedraagt deze dus 56 dB. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Bij transformatie van een bestaande gebouw naar woningen geldt in het kader van een te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen de bestaande geluidwering als minimale eis.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarbij gestreefd te worden naar een binnenniveau van maximaal 33 dB. Met het oog hierop is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidniveaucorrectie (CL) te bepalen. Dit onderzoek is bijgevoegd. Hieruit is naar voren gekomen dat de geluidwering van een aantal appartementen (05, 06, 09 en 10) niet voldoet aan de minimale geluidwering. Er zijn voor de betreffende appartementen maatregelen gedimensioneerd. Deze hebben betrekking op het toepassen van een beglazing met een hogere geluidwerende werking in de logeer- en slaapkamer. Voor appartementen 09 en 10 dient (en voor 05 en 06 wordt geadviseerd) de houtskeletbouwconstructie in de woonkamer en de keuken 9
te verzwaren door extra beplating op te nemen. Indien ten minste de beschreven maatregelen worden toegepast wordt voldaan aan de gestelde GA;k-eis volgens het Bouwbesluit. Deze maatregelen zijn inmiddels toegepaste en verwerkt in het bouwplan.
3.6 Stikstof Om te kijken of de verbouw en uitbreiding invloed heeft op het nabij gelegen Natura2000 gebied Alde Feanen is aan de hand van de nieuwe aerius-rekenmethode bepaald wat de uitstoot is. Deze uitstoot bedraagt voor zowel de bouw- als de gebruiksfase 0,00 mol. De berekening is bijgevoegd. Bij de verbouw is uitgegaan van 5 kg stikstofdepositie door materieel, 25 transportbewegingen zwaar verkeer en 150 transportbewegingen lichtverkeer. Voor de gebruiksfase is gerekend met 14 appartementen, 4 mvt/etmaal en een verdeling van verkeer van 50% naar de rijksweg A32 en 50% naar het centrum van Grou. Het bouwplan levert derhalve geen problemen op ten aanzien van het natuurgebied Alde Feanen.
3.7 Water Het projectgebied is gelegen in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater. De ontwikkeling is op 31 maart 2020 aan het waterschap kenbaar gemaakt via de digitale watertoets (kenmerk: 20200331-2-22906). De korte procedure volstaat. Het bestaande verharde oppervlakte op het terrein wordt verkleind en er vinden geen wijzigingen plaats in het oppervlaktewater. Watercompensatie is niet nodig. Het wateradvies is opgenomen in de bijlagen. Opgemerkt kan nog worden dat er bij de bouw en de herinrichting van het terrein gebruik wordt gemaakt van schone bouwmaterialen en dat hemel- en afvalwater wordt gescheiden van vuilwater.
3.8 Ecologie Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuur- waarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van gebieden en de bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen Soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- plaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.
10
In het kader van de voorbereidingen van het project is een quick-scan ecologie uitgevoerd. Deze quick scan is opgenomen in de bijlage. Naar aanleiding van deze quick-scan is aanvullend onderzoek verricht. De eindrapportage van dit onderzoek is als bijlage bijgevoegd. In overleg met de Provincie Fryslân is de opdrachtgever overeengekomen dat de volgens het vleermuisprotocol verplichte paarbezoeken om paarverblijven van vleermuizen op te sporen niet te hoeven worden uitgevoerd mits de nieuwe situatie die door de opdrachtgever zal worden gecreëerd natuurinclusief zal zijn. De resultaten van de het aanvullend onderzoek zijn bijgevoegd. Als ook de te treffen maatregelen met betrekking tot het realiseren van een natuurinclusief gebouw Om de aanwezigheid van beschermde verblijfplaatsen te bevestigen dan wel of al dan niet uit te sluiten is door JM ecologie nader onderzoek uitgevoerd waaruit de volgende conclusies kunnen worden getrokken: Gierzwaluw: Er zijn geen nestlocaties van gierzwaluwen geconstateerd binnen het plangebied. Verblijfplaatsen van gierzwaluwen kunnen worden uitgesloten. Kraamperiode vleermuizen: Er zijn geen verblijven van vleermuizen geconstateerd binnen het plangebied. Verblijfplaatsen in de kraamperiode kunnen worden uitgesloten. Najaarszwermen: Er zijn geen zwermende vleermuizen geconstateerd binnen het plangebied.
Massawinterverblijven in het gebouw kunnen worden uitgesloten. Paarverblijven: Er zijn tijdens de najaarszwerm controles kort enkele paarroepende dwergvleermuizen waargenomen (gewone en ruige), binding met het plangebied kon echter niet worden vastgesteld. In overleg met de Provincie Fryslân is de opdrachtgever overeengekomen dat de volgens het vleermuisprotocol verplichte paarbezoeken om paarverblijven van vleermuizen op te sporen niet te hoeven worden uitgevoerd mits de nieuwe situatie die door de opdrachtgever zal worden gecreëerd natuurinclusief zal zijn. De resultaten van de het aanvullend onderzoek zijn bijgevoegd. Als ook de te treffen maatregelen met betrekking tot het realiseren van een natuurinclusief gebouw.
3.9 Cultuurhistorie De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van bestemmingsplannen en afwijkingen daarvan. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. De nieuwe functie, de uitbreiding en de terreininrichting brengen geen schade toe aan het aspect cultuurhistorie.
3.10 Archeologie Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Dit 11
geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Op basis van de FAMKE-kaarten is in het vigerende bestemmingsplan Grou de dubbelbestemming Waarde- Archeologisch verwachtingswaarde 1 gekregen. Dat betekent dat zonder onderzoek bouwwerken met een oppervlakte van niet meer dan 500 m2, waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,3 meter zal kunnen worden verstoord niet zijn toegestaan. Het onderhavige project blijft met de vergroting van het 120 m2 aan bebouwd oppervlak beneden deze normen, zodat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
3.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Er worden slechts 14 appartementen mogelijk gemaakt. Van kleine woningbouwlocaties is bepaald dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit de luchtkwaliteit bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.
3.11 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het projectgebied liggen geen kabels of leidingen die een planologische zone hebben.
3.12 MER (Milieu effect rapportage) verantwoording In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. 12
In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. De vraag is of in het onderhavige geval sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Hierbij dient gekeken te worden naar de aard en omvang van het project. Het betreft hier een ander gebruik van een bestaand gebouw dat ten behoeve van deze functie in relatief beperkte mate wordt verhoogd en uitgebreid. Het ruimtebeslag van het project is in zijn totaliteit beperkt. Parkeren wordt op eigen terrein uitgevoerd en er vinden geen veranderingen in verkeersstromen plaats. De omgeving verandert niet en de appartementen hebben ook geen negatieve invloed op de omgeving. Gelet hierop is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er behoeft dan ook geen (vormvrije) m.e.r. beoordeling te worden opgesteld en een milieueffectrapportage (MER) is niet aan de orde.
3.13 Riolering Wijkzaken In overleg me de gemeente in relatie tot Wijkzaken en de ophanden zijnde aanpassingen van het rioolstelsel in de omgeving van het politiebureau is een principe positie aangegeven van het aanbod van de HWA. Dit vind plaats aan de achterzijde van het perceel. Waar het aangesloten kan worden op het voorgenomen tracé van de gemeente. Verwezen wordt naar bijlage 9, terreininrichtingsplan bestaand/nieuw dd 07 september 2020 [B-12C].
13
4. Uitvoerbaarheid 4.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er bestaan op voorhand geen maatschappelijke belemmeringen voor het verlenen van planologische medewerking aan het bouwplan. De medewerking kan worden verleend door toepassing te geven aan de procedure ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het kader van deze procedure kan een ieder zienswijzen indienen tegen het bouwplan. Op 6 december 2019 is er een informatiebijeenkomst gehouden waarin omwonenden zijn geïnformeerd over het bouwplan. Een verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in de bijlagen. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het bouwplan maatschappelijk draagvlak heeft.
4.2 Economische uitvoerbaarheid Het plan is economisch en financieel uitvoerbaar. Het bouwplan wordt gerealiseerd door een particulier bedrijf. Eventuele gemeentelijke kosten worden verrekend op basis van een door de initiatiefnemer met de gemeente te sluiten overeenkomst. De eventuele planschade wordt betaald door de initiatiefnemer, e.a. volgens de (op te stellen) planschade-overeenkomst.
14
5. Afweging en conclusie 5.1 Afweging Uit deze ruimtelijke onderbouwing mag blijken dat het bouwplan ruimtelijk en functioneel aanvaardbaar is. Beleidsmatig staat er niets in de weg om het voorgenomen initiatief mogelijk te maken. Er is behoefte aan een dergelijk woningbouwplan. Het bouwplan kan worden gezien als een zinvolle herbestemming van leegstaande bebouwing binnen het stedelijk gebied van Grou. Het bouwplan levert geen belemmeringen op voor bestaande situatie of voor nieuwe ontwikkelingen in de omgeving. Het bouwplan is niet in strijd met de relevante omgevingsaspecten. De uitkomsten van de onderzoeken naar gierzwaluwen en vleermuizen zullen worden nageleefd.
5.2 Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor dit bouwplan door af te wijken van het geldende bestemmingsplan is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
15
6. BIJLAGEN 1. Advies FUMO externe veiligheid 2. Advies Brandweer 3. Onderzoek bodem [v3: revisie 01, dd 14.02.2020] 4. Onderzoek geluid gevelreductie 5. Onderzoek stikstof 6. Watertoets 7. Onderzoek ecologie [Quick-scan Flora en Fauna, dd 20.03.2020] [Eindrapportage Flora en Fauna, dd 24.08.2020] 8. Verslag informatiebijeenkomst 9. Plan Terreininrichting herzien [v5: aanvullingen: terreininrichtingstekening bestaand/nieuw, B-12C, dd 07.09.2020] [v3: correctie: herstel weggevallen teksten, dd 27.03.2020]
16
BIJLAGE 01 Advies FUMO
Op al onze opdrachten is uitsluitend van toepassing de DNR 2011, waarin onder meer aansprakelijkheidsbeperkingen zijn opgenomen, zoals gedeponeerd ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder nummer 139/2004.
FUMb
Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing
Gemeente Leeuwarden t.a.v. Mevr. Drs. T.C. Buma Postbus 21000 8900 JA LEEUWARDEN
VERZONDEN 17 JUN2019
Grou, 17 juni 2019
Ons kenmerk Afdeling Behandeld door Uw kenmerk
2019-FUMO-0033931 Specialistisch Advies G. Rutten Aanvraag ontwikkeling Stationsweg 35, Grou
Betreft
: Advies externe veiligheid inzake planontwikkeling Stationsweg 35 te Grou
Geachte mevrouw Buma, U heeft de FUMO verzocht om een advies externe veiligheid op te stellen ten behoeve van de planontwikkeling van het perceel Stationsweg 35 te Grou, Wij hebben uw verzoek beoordeeld aan de hand van de relevante wet- en regelgeving en vastgesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van voorliggend plan. Voor een nadere onderbouwing verwijzen wij naar het bijgevoegde advies. Het advies externe veiligheid als ook een begrippen- en afkortingslijst externe veiligheid zijn bijgevoegd. Het advies en de begrippen- en afkortingslijst zijn u separaat per mail toegezonden. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de heer G. Rutten, telefoonnummer 0566-750300. onder bovenstaand telefoonnummer. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend,
ir. M. van Alphen-Hell Hoofd Specialistiscö^
Bijlage(n)
S'' MA ies '
EV-advies ontwikkeling Stationsweg 35, Grou Begrippen- en afkortingslijst externe veiligheid
Postbus 3347, 8901 DH Leeuwarden ■ J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE Grou ■ 0566 750 300 info@fumo.nl ■ www.fumo.nl ■ NL93 RABO 0135 5152 38 ■ BTW nr NL 8526.08.263.B.01 ■ KvK nr 5749 9470
Advies Externe Veiligheid inzake ontwikkeling Woningbouw Stationsweg 35 te Grou Algemeen toetsingskader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: - het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen): het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant; 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Basisnet Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het basisnet is vastgelegd in onder andere de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Externe veiligheidsadvies ontvirikkeling Woningbouw Stationsweg 35 te Grou
4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet \wettelijk vastgelegd. 5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB’s. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en het Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht GR opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag.
Opsteller: George Rutten Telefoon: 0566 750300 Datum: 13 juni 2019 Zaaknummer: 2019-FUMO-0033931 Organisatie: FUMO Status: DEFINITIEF 2 Externe veiligheidsadvies ontwikkeling Woningbouw Stationsweg 35 te Grou
Risicobronnen ten aanzien van de ontwikkeling Stationsweg 35 te Grou Inleiding Het voornemen bestaat om het bestaande gebouw op het perceel aan de Stationsweg 35 te Grou, te ontwikkelen naar een appartementencomplex. Het perceel heeft in de huidige situatie de bestemming “Maatschappelijk”. Het gebouw was in gebruik als politiebureau. In de beoogde situatie zal het gebouw vergroot en verhoogd worden en ruimte bieden aan 14 appartementen. Ten behoeve van de ontwikkeling is een wijziging van het bestemmingsplan benodigd. De gemeente Leeuwarden heeft de FUMO gevraagd om de situatie aangaande Externe veiligheid te beoordelen. De ligging van het plangebied is in de bestemmingsplankaart in figuur 1 aangeduid met het rode kader. ^ 4 *
+ r% + A+ + + 4
4 4 4' > 4 +
4 4
+ ♦
♦ ♦ 4
Figuur 1: Ligging plangebied
Externe veiligheidsadvies ontwikkeling Woningbouw Stationsweg 35 te Grou
Beoordeling Risicobronnen Uit de professionele Risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied (rood ingekleurd) enkele risicobronnen zijn gelegen (zie figuur 2). De risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn: - Inrichtingen met gevaarlijke stoffen Hogedruk aardgastransportleiding - Transport van gevaarlijke stoffen over de weg
1
mm
Figuur 2: Plangebied met risicobronnen (Risicokaart)
Inrichtingen met gevaarlijke stoffen De inrichtingen in de omgeving van het plangebied betreffen: LPG tankstation Autobedrijf Fennema Grou; - BRZO-inrichting Gascentrum Noord Nederland; - Span Groothandel met opslag van gevaarlijke stoffen; Gasdrukregel- en meetstation reinerswei Grou (GOS N700). Al deze inrichtingen hebben een invloedsgebied en/of veiligheidsafstand die niet reikt over het plangebied. De inrichtingen vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Hoge druk aardgastransportleidingen Ten westen van het plangebied, aan de andere zijde van de Rijksweg A32, zijn enkele hogedruk aardgastransportleidingen gelegen. De afstand van het plangebied tot aan de leidingen bedraagt minimaal 600 meter. Deze afstand is groter dan de maximale 1% Externe veiligheidsadvies ontwikkeling Woningbouw Stationsweg 35 te Grou
mm
letaliteitsafstand van hogedruk aardgastransportleidingen. De leidingen vormen dan ook geen belemmering voorde voorgenomen ontwikkeling. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Ten westen van het plangebied, op een afstand van circa 3400 meter, is de Rijksweg A32 gelegen. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd en de weg is opgenomen in de Regeling Basisnet. In de Regeling Basisnet zijn basisnetafstanden (aan te houden veiligheidsafstanden tot aan kwetsbare objecten) opgenomen. Voor de betreffende A32 geldt een Basisnetafstand van 0 meter. Dit houdt in dat er geen plaatsgebonden risicoafstand geldt langs de weg waarbinnen ontwikkelingen met (beperkt) kwetsbare objecten niet zijn toegestaan. Voor het groepsrisico geldt, conform § 3.1 (artikel 7, 8 en 9) van het Bevt, dat wanneer een ruimtelijke ontwikkeling met (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van een transportroute bestemd wordt, een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd dient te worden. Conform de “Jaarintensiteiten van het vervoer gevaarlijke stoffen op de weg”, uitgebracht door het RIVM en geüpdate op 25 juni 2018, worden er over het betreffende wegvak Brandbare vloeistoffen van klasse LF1 en LF2 vervoerd. Tevens mogen er transporten van categorie GF3 vervoerd worden. Conform de HART bedraagt het invloedsgebied van LF1 en LF2 45 meter.
Van GF3 bedraagt het invloedsgebied 355 meter. Op basis van deze constateringen kan geconcludeerd worden dat het maximale invloedsgebied 355 meter bedraagt en dat deze niet reikt over het plangebied. Het plangebied ligt namelijk op circa 400 meter. Zodoende vormt de Rijksweg A32 geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling Conclusie Hoewel diverse risicobronnen nabij het plangebied zijn gelegen, leveren deze geen externe veiligheidsrisico's voor het plangebied op aangezien ze allen op voldoende afstand zijn gelegen. Vanuit externe veiligheidsoogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Externe veiligheidsadvies ontwikkeling Woningbouw Stationsweg 35 te Grou
\
Begrippen en afkortingen externe veiligheid: Basisnet weg/water/spoor Het Basisnet is een routenetwerk voor transport van gevaarlijke stoffen over spoonwegen, vaarwegen en rijkswegen. Het Basisnet moet een robuust routenetwerk vormen waarin een duidelijke keuze tussen het spanningsveld van transport, economie en ruimtelijke ordening is aangebracht. Het Basisnet wordt ontworpen voor de middellange termijn (tot 2020). Elke route/elk traject krijgt daartoe een vervoersplafond in de vorm van een risicoruimte en afhankelijk daarvan een veiligheidszone. Belemmeringenstrook Een strook van 5 meter aan weerszijden van een buisleiding, ten behoeve van onderhoud, waarbinnen in principe geen bebouwing toegestaan is. (Beperkt) kwetsbare functies/objecten In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn (beperkt) kwetsbare objecten gedefinieerd (httD://wetten.overheid.nl/BWBR0016767t. Hieronder volgen de meest voorkomende objecten; beperkt kwetsbare functies/objecten: o.a. verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen, kleinere kantoorgebouwen, horeca, winkels, sporthallen, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen; - kwetsbare functies/objecten: o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, bejaardenhuizen, kinderdagverblijven, grote (meer dan 1500 m^ opp) kantoorgebouwen, horeca en winkelcomplexen.
Groepsrisico (GR) inrichting GR: cumulatieve kansen per jaar dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Anders gezegd geeft het GR weer wat de kans is op het overlijden van een groep personen ten gevolge van een ongeval bij een bedrijf. Voor het GR is geen grenswaarde vastgesteld. Wel is er de zogeheten oriëntatiewaarde, deze dient door het bevoegde gezag (de vergunningverlener, zijnde de provincie of de gemeente) te worden gehanteerd bij de overwegingen omtrent het GR. Deze oriëntatiewaarde is de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10'® per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10'^ per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10'^ per jaar. In onderstaand figuur is een FN-diagram weergegeven met daarin als voorbeeld een FN-curve en tevens de oriëntatiewaarde.
FN-curve
Risico/ jaar (F)
l.OK-03
LOE-04 l.OK-05
l.OE-06 l.OE.07 l.OE-08 l.OE-09 l.OE-10 1000 ►
10.000
Aantal slarlitoffers (N)
FN-curve voor het GR GR transportroute Het GR is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van tien of meer personen in de omgeving van een transportroute in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Voor het GR is een oriëntatiewaarde vastgesteld die afhankelijk is van het aantal dodelijke slachtoffers per kilometer transportroute. Deze oriëntatiewaarde is de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar. GR aandachtsgebied Gebied van 200 meter rondom de infrastructuur (weg, water, spoor) waarbinnen het bevoegd gezag bij ruimtelijke relevante besluiten een GR afweging moet maken.
Invloedsgebied/ effectafstand/ inventarisatieafstand Het gebied waarin personen worden meegeteld bij de GR-berekening. De grens van dit gebied wordt bepaald door de 1% letaliteitgrens, ofwel de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op de infrastructuur komt te overlijden. Voor LPG-tankstations geldt een vaste afstand voor het invloedsgebied (100% letaal) van 150 meter. Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Met een QRA worden de externe risico’s bepaald vanwege de activiteiten met en de opslag van gevaarlijke stoffen bij een bedrijf. Overschrijdingsfactor De overschrijdingsfactor is de maximale verhouding tussen de FN-curve en de oriëntatiewaarde. Daarmee is de overschrijdingsfactor een maat die aangeeft in hoeverre de oriëntatiewaarde wordt genaderd of overschreden. Een overschrijdings- factor kleiner dan één geeft aan dat de FN-curve onder de oriëntatiewaarde blijft, bij één waarde groter dan een wordt de oriëntatiewaarde overschreden. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. De norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel een kans van 1 op de miljoen per jaar (ofwel 10 ® per jaar).
De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is de contour waarvoor het plaatsgebonden risico een waarde heeft van de10 ®/j (de zogenaamde PR 10 ®contour). Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Een zogenaamd PAG houdt rekening met de effecten die kunnen ontstaan door een ongeval met een zeer brandbare vloeistof in een zone rond de infrastructuur (weg, water, spoor). De zone bedraagt 30 meter voor een weg en spoor en 25 meter voor water. Risicocontour Een risicocontour geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron. Deze contourlijnen kan men vergelijken met de gewone hoogtelijnen op een kaart: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Toetsingsafstand Onder de toetsingsafstand wordt verstaan de afstand waarbinnen de aard van de omgeving moet worden nagegaan.
BIJLAGE 02 Advies BRANDWEER
Op al onze opdrachten is uitsluitend van toepassing de DNR 2011, waarin onder meer aansprakelijkheidsbeperkingen zijn opgenomen, zoals gedeponeerd ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder nummer 139/2004.
BRANDWEER Fryslan
Aan de het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leeuwarden Ruimtelijke Ordening T.a.v. Mevrouw drs. T.C. Buma Postbus 21000 8900 JA LEEUWARDEN
Datum 17 juni 2019 Onze referentie UIT/19011510/BRW/BR/RB Uw referentie Uw brief van 23 mei 2019
Behandeld door Doorkiesnummer E-mail Bijlagen
Postbus 612 8901 BK LEEUWARDEN T 088 22 99 666 F 088 22 99 661 I www.brandweerfryslan.nl E info@brandweerfryslan.nl
L.A. van Tongeren 088 22 98 971 l.vantongeren@brandweerfryslan.nl 0
Onderwerp advies aanvraag planvoornemen verbouw polltiegebouw naar woongebouw, Stationsweg 35 Grou
Geacht college, Op 23 mei 2019 heeft u ten behoeve van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan ons het planvoornemen verbouw polltiegebouw naar woongebouw Stationsweg 35 te Grou toegezonden, met de vraag eventuele opmerkingen aan u te richten. Het plan behelst het verbouwen van het voormalig politiebureau naar een woongebouw met 14 appartementen, waarvoor een nieuwe bouwlaag aan het gebouw wordt toegevoegd. Externe veiligheid In de buurt van het plangebied zijn een aantal risicobronnen gelegen. Dit zijn de A32, het Brzo-bedrijf Gascentrum Noord Nederland en het LPG-tankstation. Echter is het plangebied gelegen buiten de invloedsgebieden van deze risicobronnen. Daarom ziet Brandweer Fryslan geen noodzaak om bij dit planvoornemen opmerkingen te plaatsen, omdat geen risicovolle activiteiten zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) op het plangebied van invloed zijn. Repressief advies Brandweer Fryslan heeft de mogelijkheid een repressief advies te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg.
Hierbij valt te denken aan onder meer bereikbaarheid, de beschikbaarheid van bluswateren de opkomsttijden. Qpkomsttiid Voor het plangebied geldt een opkomsttijd van circa 7 minuten. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde normtijd van 12 minuten voor risicogebied 2 op basis van dekkingsplan 2.0 van Brandweer Fryslan. Brandweer Fryslan voorziet in het kader van de opkomsttijd daarom ook geen knelpunten. Bluswatervoorzieninq Bij een beginnende brand is de brandweer eest aangewezen op de aanwezige bluswatertankinhoud en primaire bluswatervoorziening (brandkraan). De primaire bluswatervoorziening (binnen diameter 250 mm) is gelegen op een afstand van circa 30 meter van de hoofdingang van het bouwwerk.
Meiïnoar foarüt O O
Pagina 2 van 3
BRANDWEER
(if)
Fryslan Bij een ontwikkelde brand zal de brandweer gebruik maken van open water, de secundaire- en/of tertiaire bluswatervoorzieningen, zoals het open water op een afstand van circa 350 m aan de rotonde aan de Oedsmawei. Het opbouwen van een watertransport vanaf open water duurt circa 30 tot 60 minuten. Aangezien er een brandkraan met aanzienlijke capaciteit van aanwezig is voorziet Brandweer Fryslan geen knelpunten in het kader van bluswatervoorzieningen. Opgemerkt wordt dat uit de gegevens van Vitens volgt dat de aanwijzing van de brandkraan ontbreekt. Om snel gebruik te kunnen maken van deze brandkraan is een goede aanwijzing van belang. Bereikbaarheid Voor de brandweer is het te allen tijde wenselijk dat er twee onafhankelijke routes zijn naar een bouwwerk en/of plangebied. Voor dit plangebied zijn er twee onafhankelijke routes aanwezig. Om snel een offensieve binnen aanval uit te kunnen voeren dient er een opstelplaats voor de brandweer op maximaal 20 meter afstand van de ingang van de woning te zijn. Een opstelplaats zou In dit geval samen kunnen vallen met de openbare weg. In het kader van bereikbaarheid voorziet Brandweer Fryslan geen knelpunten. Ontwerptekening Na het bekijken van de ontwerptekeningen hebben wij de volgende opmerkingen. Het ontwerp laat een zgn. portiek-situatie zien. Hetgeen resulteert dat alle bewoners zijn aangewezen op één vluchtroute.
Het betreft een portiek-situatie omdat ondanks het 2® trappenhuis niet volledig aan het Bouwbesluit wordt voldaan om het tweede trappenhuis als aparte vluchtroute aan te wijzen. Om te voorkomen dat bij brand een voordeur open blijft staan nadat de bewoner is gevlucht, adviseren wij om de voordeuren van de woningen te laten voorzien van een zgn. vrijloopdeurdrangers die zijn aangesloten op de rookmelders in de verkeersruimte in de woning. Formeel zal de verbouw van het bouwwerk waarschijnlijk mogen voldoen aan niveau verbouw van het Bouwbesluit 2012. Hieruit volgt dat de maximale WBDBO voor brandscheidingen van 30 minuten. Het ontwerp laat een zgn. portiek-situatie zien. Hetgeen resulteert dat alle bewoners zijn aangewezen op één vluchtroute. Om de vluchtroute langer te beschermen en de brandweer langer de tijd te geven om eventuele achterblijver te redden en de brand van binnen te bestrijden adviseren wij om voor de brandscheiding tussen de woningen en de vluchtroute een WBDBO-eis en sterkte-eis tegen bezwijken bij brand van 60 minuten.
Advies In overeenstemming met bovengenoemde punten, adviseert Brandweer Fryslan om: De aanwijzing van de brandkraan te (laten) realiseren; In verband met de portiek-situatie qua ontvluchten in de in het ontwerp/ de vergunning te borgen dat: o de toegangsdeur van iedere woningen voorzien wordt van een vrije-doorloopdeurdrangers die is aangesloten op een automatische rookmelders (NEN 2555) in de verkeersruimte van de woning. o De brandscheiding tussen de woningen en de vluchtroute uit te laten voeren met een WBDBO-eis en sterkte-eis tegen bezwijken bij brand van 60 minuten. Ons op de hoogte te houden van de mate waarin ons advies is overgenomen. Mocht u naar aanleiding van bovenstaande nog vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met Lars van Tongeren, medewerker risicobeheersing van Brandweer Fryslan, te bereiken via 088 - 229 8971.
Meiïnoar foarüt O O
Pagina 3 van 3
BRANDWEER Fryslan Wij gaan ervan uit hiermee te hebben voldaan aan uw adviesaanvraag. Hoogachtend, Namëris'lT^dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Fryslan. voor