Reactie en antwoordnota zienswijzen
Tekst van het document
Reactie- en antwoordnota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden – Partiële herziening kleine windturbines Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van 10 juni 2021 tot en met 22 juli 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 5 zienswijzen ontvangen. De Gasunie heeft informeel (buiten de termijn) een advies gegeven met betrekking tot de regels van de partiële herziening.
Onderdeel I zienswijzen Hieronder wordt de inhoud van de zienswijzen samengevat en volgt per punt het gemeentelijke commentaar. Zienswijze 1 – Hulst Innovatie B.V. – Windmolens op maat A. In de regels van het ontwerpbestemmingsplan staat onder 4.1.d. dat de windturbines zorgvuldig moeten worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Hulst Innovatie B.V. merkt in de zienswijze op dat het (laten) opstellen van een landschappelijk inpassingsplan een kostbare zaak is. Hierbij vraagt Hulst Innovatie B.V. zich af wat de toegevoegde waarde is bij de bouw van een kleine windturbine in of maximaal 15 meter buiten het bouwperceel. Het bouwperceel is immers bedoeld voor bebouwing. Bovendien is een windturbine gebaat bij een locatie zonder additionele beplanting. Hulst Innovatie B.V. stelt voor om de regeling aan te passen in die zin dat de vereiste met betrekking tot inpassing binnen de landschappelijkeen cultuurhistorische kernkwaliteiten uitsluitend zou moeten gelden bij bouwplannen van kleine windturbines op meer dan 15 meter buiten het bouwperceel. Reactie: Elk agrarisch erf is uniek door de omvang, ligging en de plek die het inneemt in het Friese landschap. Ook is van belang vanaf welke plekken het erf met de bebouwing, schuren, silo’s en de windturbines het meest prominent zichtbaar is.
Een goede plaatsing en inpassing van de windturbine(s) is voor elke situatie daarmee ook anders. Voor een goede beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning, zijn duidelijke tekeningen en beeldmateriaal nodig waaruit de zorgvuldige inpassing kan worden afgeleid. Wij achten de inspanning en kosten hiervan in balans met de economische waarde die een windturbine vertegenwoordigd afgezet tegen de ruimtelijklandschappelijke impact die het heeft. De suggestie om de vereiste met betrekking tot inpassing binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten uitsluitend toe te passen bij bouwplannen van kleine windturbines op meer dan 15 meter buiten het bouwperceel, gaat niet op. Er worden namelijk geen windturbines mogelijk gemaakt op een grotere afstand dan 15 meter uit het bouwperceel. Overigens komt de regel met betrekking tot de inpassing binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten uit de voorwaarden die de provincie in haar beleid stelt, en kan de gemeente deze regel niet aan de kant schuiven. Conclusie zienswijze 1: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen in het plan.
Zienswijze 2 – Rijksvastgoedbedrijf namens staatssecretaris van Defensie De zienswijze heeft betrekking op het feit dat in het bestemmingsplan Leeuwarden – Partiële herziening kleine windturbines geen aandacht is besteed aan de beperkingen die in verband met de vliegveiligheid gelden binnen het obstakelbeheergebied van de vliegbasis Leeuwarden. Het betreft de maximale bouwhoogten die van kracht zijn binnen de zogenoemde invliegfunnel en de toetsingshoogten die van toepassing zijn binnen het verstoringsgebied van het Instrument Landing System (ILS). De tiphoogten van dergelijke windturbines kunnen afhankelijk van het gekozen
1
windturbinetype een hoogte van 20 tot 25 meter bereiken en daarmee de geldende maximale obstakelhoogte en toetsingshoogten binnen het obstakelbeheergebied van de vliegbasis Leeuwarden overschrijden. Er wordt in de zienswijze verzocht een bepaling op te nemen om de maxiale hoogten in de genoemde zones te beperken. Reactie: De partiële herziening herziet, zoals de naam al aangeeft, een deel van de regels van de onderliggende bestemmingsplannen. De aanpassing betreft uitsluitend een aanvulling op de algemene bouwregels, in die zin dat er een afwijking van de bouwregels wordt toegevoegd ten dienste van ten hoogste 3 kleine windturbines per agrarisch bedrijf. Voor het overige blijven de onderliggende bestemmingsplannen van toepassing. In die onderliggende bestemmingsplannen zijn alle obstakelbeheergebieden ten behoeve van de vliegbasis opgenomen. Omdat die regelingen blijven gelden, wordt er in het bestemmingsplan Leeuwarden – Partiële herziening kleine windturbines geen regeling voor opgenomen. Conclusie zienswijze 2: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen in het plan. Zienswijze 3 A. Indiener van de zienswijze verzoekt geen windmolens te plaatsen bij bedrijven die te dicht tegen het dorp aanliggen. Reactie: De agrarische bedrijven die tegen dorpen aanliggen, liggen over het algemeen op minimaal 50 meter tot de dichtstbijzijnde bebouwing.
Dit wordt beschouwd als een redelijke afstand tussen woonbebouwing en agrarische bedrijven. Indiener benoemt dit punt waarschijnlijk vanuit de vrees voor zicht op eventuele kleine windturbines. Eén van de voorwaarden bij het plaatsen van een kleine windturbine is dat de turbines zorgvuldig moeten worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Op die manier is het de bedoeling dat de plaatsing niet storend is. Daarnaast is de maximale ashoogte 15 meter. Ter vergelijking mag een agrarisch bedrijfsgebouw ook 15 m hoog worden gebouwd en torensilo’s maximaal 25 meter. Op boerenerven zijn vaak al gebouwen of silo’s aanwezig van een vergelijkbare hoogte. Om die reden is de verwachting dat de kleine windturbines niet of in geringe mate strorend kunnen zijn voor de omgeving. B. Indiener van de zienswijze verzoekt, naar aanleiding van de recente uitspraak van de Raad van State over windturbineparken, te wachten met het plaatsen van windmolens totdat er nadere bepalingen van de Raad van State en de Rijksoverheid zijn. Reactie: In de uitspraak gaat het erom dat er niet meer gesteld kan worden dat een windturbine, die voldoet aan paragrafen 3.2.3 Abm (Activiteitenbesluit) en 3.2.3 Arm (Activiteitenregeling), milieutechnisch aanvaardbaar is. De Rijksoverheid dient dit te onderzoeken (middels een planmer).
Uit het onderzoek volgt dan dat de algemene regels worden gehandhaafd of aangepast. De uitspraak gaat over windturbineparken, dus over plaatsing van 3 of meer windturbines. Om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan “Leeuwarden – Partiële herziening kleine windturbines” te beoordelen, moet gekeken worden of door het vaststellen van het bestemmingsplan geen strijdigheid ontstaat met de bovengenoemde uitspraak. Dit is niet het geval, omdat het bestemmingsplan niet rechtstreeks (bij recht) 3 windturbines mogelijk maakt, maar na afwijking. Het bestemmingsplan zelf hoeft niet getoetst te worden aan de algemene regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer (Arm). Na vaststelling van het bestemmingsplan zullen aanvragen omgevingsvergunning worden ingediend. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor 3 windturbines binnen / bij een agrarisch bouwperceel,
2
wordt getoetst aan de algemene regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer (Arm). Deze regels worden met de uitspraak buiten toepassing gelaten. Zo lang het Rijk hier geen planmer voor heeft gemaakt, toetst de gemeente de milieutechnische aanvaardbaarheid en op gevolgen voor de omgeving (in het bestemmingsplan opgenomen als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden) aan normen die niet rechtstreeks ontleend worden aan het Activiteitenbesluit. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor 1 of 2 windturbines binnen / bij een agrarisch bouwperceel verandert de toetsing / regelgeving niet als gevolg van de uitspraak. Er is dus geen noodzaak te wachten, zoals indiener verzoekt. C. Om landschapsvervuiling tegen te gaan verzoekt de indiener van de zienswijze de partiële herziening van het bestemmingsplan te heroverwegen of in ieder geval zeer terughoudend te zijn in het verlenen van vergunningen. Reactie: Om landschapsvervuiling tegen te gaan is juist de voorwaarde opgenomen dat de turbines zorgvuldig moeten worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Omdat de inpassing op die manier is geborgd, zien wij geen noodzaak tot heroverweging van de partiële herziening.
Conclusie zienswijze 3: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen in het plan. Zienswijze 4 – TenneT Binnen het plangebied van de partiële herziening bevinden zich hoogspanningsverbindingen vanaf 110 kV, die in eigendom en beheer zijn bij TenneT. De aanwezigheid van deze hoogspanningsverbindingen kan beperkingen opleveren voor het gebruik van de gronden. Uitgangspunt is dat deze vitale infrastructuur een gepaste bescherming verkrijgt en behoudt in ruimtelijke plannen voor zowel de onder- als bovengrond. Dit met als doel deze infrastructuur niet te verstoren en deze op een effectieve en efficiënte manier in stand te kunnen houden en beheren. Voor kleinschalige windturbines (tot 15 meter) ontbreekt de certificering. Dit leidt er toe dat een windturbine dan wel volgens de norm ontworpen kan zijn, maar niet getest en gevalideerd is. Daarbij komt dat een tweetal beveiligingsmechanismen bij kleine windturbines (vooralsnog veelal) ontbreekt die TenneT van groot belang vindt voor het veilig kunnen functioneren van kleine windturbines; te weten ijsdetectie en een automatisch remsysteem. TenneT geeft aan in de regels van de patiële herziening geen regels terug te vinden ter bescherming van de hoogspanningsverbindingen.
Tennet verzoekt dan ook de partiële herziening aan te vullen met de regel: “de afstand van een kleine windturbine tot bovengrondse hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand bij twee maal nominaal toerental van de turbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand”. Reactie: De partiële herziening herziet, zoals de naam al aangeeft, een deel van de regels van de onderliggende bestemmingsplannen. De aanpassing betreft uitsluitend een aanvulling op de algemene bouwregels, in die zin dat er een afwijking van de bouwregels wordt toegevoegd ten dienste van ten hoogste 3 kleine windturbines per agrarisch bedrijf. Voor het overige blijven de onderliggende bestemmingsplannen van toepassing. In die onderliggende bestemmingsplannen zijn alle belemmerende stroken ten behoeve van de hoogspanningsverbindingen opgenomen. Aangezien de door TenneT genoemde werpafstand groter kan zijn dan de in de onderliggende bestemmingsplannen opgenomen belemmerende stroken, wordt de partiële herziening als volgt aangepast.
3
•
Na lid 4.1.f. zal een nieuw lid 4.1.g. worden ingevoegd met de volgende tekst: de afstand van een kleine windturbine tot bovengrondse hoogspanningsinfrastructuur niet minder bedraagt dan de maximale werpafstand bij twee maal nominaal toerental van de turbine, tenzij de netbeheerder schriftelijk instemt met een kortere afstand
•
Het bestaande lid 4.1.g. zal worden vernummerd naar 4.1.h.
Conclusie zienswijze 4: Deze zienswijze leidt tot aanpassingen in de regels van het bestemmingsplan. Zienswijze 5 Indiener geeft aan op de kaart een blauwe zone te zien wat volgens indiener zou betekenen dat daar windturbines geplaatst zouden kunnen worden. Aangezien deze grond direct grenst aan een rij woningen, en omdat deze grond tussen de woning van de indiener en het dorp in ligt, is indiener er op tegen om op deze gronden windturbines toe te staan. Reactie: Vermoedelijk heeft indiener op de digitale kaart ergens op geklikt waardoor er gronden voorzien werden van een blauwe zone of markering. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Leeuwarden – Partiële herziening kleine windturbines” zijn geen gronden gemarkeerd of daadwerkelijk aangewezen voor plaatsing van kleine windturbines. Kleine windturbines kunnen op grond van dit bestemmingsplan uitsluitend geplaatst worden op bouwpercelen van agrarische bedrijven (boerenerven) of direct aansluitend daarop. Het perceel waar indiener op doelt heeft wel de agrarische bestemming maar bevat geen agrarisch bouwperceel/bouwvlak (het betreft geen boerenerf en bevat ook geen boerenerf). Daardoor biedt dit bestemmingsplan geen mogelijkheden voor het plaatsen voor kleine windturbines op het bedoelde perceel. Conclusie zienswijze 5: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen in het plan.
Onderdeel II ambtshalve ingebrachte wijzigingsvoorstellen Aan de gemeenteraad worden de volgende ambtshalve wijzigingen voorgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Het betreft wijzigingen van de regels en de verbeelding. Ambtshalve wijzigingen van de regels Aan bijlage 1 bij de regels (Lijst van toepassing zijnde bestemmingsplannen) worden de volgende bestemmingsplannen toegevoegd: • Leeuwarden – Dairy Campus en omgeving; • Leeuwarden - Tussen Van Harinxmakanaal, Wâldwei en Drachtsterweg; • Bestemmingsplan Leeuwarden - De Zuidlanden, restgebied en omgeving Aangezien de door Gasunie genoemde veiligheidsafstand groter kan zijn dan de in de onderliggende bestemmingsplannen opgenomen belemmerende stroken, worden de regels van de partiële herziening als volgt aangepast: •
Na lid 4.1.g. zal een nieuw lid 4.1.h. worden ingevoegd met de volgende tekst: de afstand van een kleine windturbine tot ondergrondse gasinfrastructuur niet minder bedraagt dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental van de turbine, of indien de afstand groter is de afstand gelijk aan de masthoogte plus 1/3 wieklengte, tenzij de netbeheerder schriftelijk instemt met een kortere afstand
4
•
Het bestaande lid 4.1.g. zal worden vernummerd naar 4.1.i.
•
Artikel 5.1 zal worden aangevuld met de cursief aangegeven tekst: Voor zover krachtens de bestemmingen, zoals genoemd in bijlage 1 het gebruik van gronden voor kleinschalige duurzame energiewinning niet is toegestaan, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik van de gronden ten behoeve van de opwekking van zonne- en windenergie, waarbij voor opwekking van zonne-energie geldt dat dit binnen het bouwvlak gerealiseerd moet worden.
Ambtshalve wijzigingen van de verbeelding Aan de verbeelding wordt het plangebied van de volgende bestemmingsplannen toegevoegd: • Leeuwarden – Dairy Campus en omgeving; • Leeuwarden - Tussen Van Harinxmakanaal, Wâldwei en Drachtsterweg; • Bestemmingsplan Leeuwarden - De Zuidlanden, restgebied en omgeving Toelichting op de ambtshalve ingebrachte wijzigingsvoorstellen Het bestemmingsplan “Leeuwarden – Dairy Campus en omgeving” is in eerste instantie niet opgenomen in onderhavig bestemmingsplan omdat dit bestemmingsplan al een regeling kent die de realisatie van kleine windturbines mogelijk maakt. De Dairy Campus heeft geen gebruik gemaakt van die regeling. Uit een gesprek met de Dairy Campus is echter gebleken dat die regeling niet toereikend is. De regeling in onderhavig bestemmingsplan is iets ruimer. Ter vergelijking: in het bestemmingsplan Leeuwarden – Dairy Campus en omgeving zijn kleine windturbines mogelijk met een tiphoogte van max. 10 meter. In onderhavig bestemmingsplan zijn kleine windturbines mogelijk met een ashoogte van maximaal 15 meter. Om de Dairy Campus dezelfde mogelijkheden te bieden als andere agrarische bedrijven, wordt voorgesteld het bestemmingsplan Leeuwarden – Dairy Campus en omgeving toe te voegen aan de regels en verbeelding van onderhavig bestemmingsplan.
De bestemmingsplannen “Leeuwarden - Tussen Van Harinxmakanaal, Wâldwei en Drachtsterweg” en “Leeuwarden - De Zuidlanden, restgebied en omgeving” worden toegevoegd omdat is gebleken dat in deze bestemmingsplannen nog een agrarisch bouwperceel voorkomt. De Gasunie heeft informeel (buiten de termijn) gereageerd op de regels van de partiële herziening. Vanuit het aspect veiligheid is het gewenst regels op te nemen om een bepaalde afstand te borgen tussen een windturbine en een gasleiding. Artikel 5.1 wordt aangevuld naar aanleiding van een nagekomen verzoek van Provincie Fryslân.
5