Reactie en antwoordnota zienswijzen
Tekst van het document
Reactie- en antwoordnota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden – SVL Groningerstraatweg 401 Het ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden – SVL Groningerstraatweg 401 heeft van 23 november 2023 tot en met 4 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 2 zienswijzen ontvangen. Hieronder wordt de inhoud van de zienswijzen samengevat en volgt per punt het gemeentelijke commentaar. Zienswijze 1 Copini buitensport A. Indiener geeft aan dat het bestemmingsplan is geschreven vanuit het oogpunt van SVL en dat niet de zienswijzen van andere huidige gebruikers en bezoekers van het gebied zijn meegenomen. Hij verwijst hierbij naar het provinciale beleid dat is gericht op ‘De Romte Diele, terwijl hier de ruimte geschikt wordt gemaakt voor slechts één partij. Daarbij vindt indiener het wenselijk dat alle partijen (gebruikers en belanghebbenden) worden geïnformeerd en kunnen participeren in het formuleren van een toekomstbestendige visie voor het gebied (o.a. op het gebied van natuur, onderwijs, sport en gezondheid). Dat is niet gebeurd aldus indiener. Indiener is ook van mening dat dit terrein, omdat het openbaar is, zich leent voor elementen die voor iedereen toegankelijk zijn. Hij had graag gezien dat het bestemmingsplan daar ruimte voor had gelaten.
Reactie: Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk opgesteld om de bestaande activiteiten van SVL die in het gebied plaatsvinden planologisch, juridisch vast te leggen. Het gebied blijft openbaar toegankelijk, personen die niet lid zijn van SVL kunnen het gebied (blijven) gebruiken. Dit is ook opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. In de bestemming ‘Natuur’ zijn de recreatieve mogelijkheden beperkter, daar ligt de nadruk op de natuurwaarden. Alleen de hinderissen die door SVL zijn geplaatst, zijn niet voor openbaar gebruik. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. B. Indiener geeft aan dat diverse gebouwde hindernissen met dit bestemmingsplan worden gelegaliseerd. Waarbij ook wordt onderzocht waar meer hindernissen kunnen worden gebouwd. Indiener is van mening dat het legaliseren van de hindernissen, zonder dat er toezicht is in het gebruik ervan, niet wenselijk is. Hierbij verwijst hij naar een schrijven van de SVL waarin wordt gevraagd om het gebied aan de openbaarheid te onttrekken. Met als reden dat het van belang is dat de toestellen kunnen worden gebruikt onder deskundige begeleiding. Echter, doordat het gebied openbaar toegankelijk is, kan iedereen gebruik maken van dit terrein zonder goed toezicht. Indiener geeft daarbij aan dat een verwijzing bij de hindernissen naar artikel 461 niet relevant is, omdat het openbaar terrein betreft.
Reactie: Artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht kan ook worden gebruikt in gebieden die openbaar zijn. Zo kunnen door of namens de eigenaar specifieke regels worden gesteld voor bijvoorbeeld het gebruik van bouwwerken. De hinderissen (bouwwerken) in het gebied zijn in eigendom van SVL. SVL heeft bij de hindernissen een bord geplaatst waarop staat ‘Verboden voor niet-leden, art 461 Wetboek van Strafrecht’. Dit geldt dus alleen voor de hindernissen, de openbaarheid van het gebied zelf wordt hiermee niet aangetast. Het gebied blijft voor iedereen toegankelijk. Aanvullend hierop: het was de intentie om het gehele gebied te onttrekken aan de openbaarheid. Dit verzoek is echter ingetrokken door SVL. Dit staat ook los van dit bestemmingsplan.
1
Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. C. Indiener maakt zich op het gebied van veiligheid zorgen over de staat van de bomen. Met harde wind vallen er regelmatig bomen om; ook langs de wandelpaden, aldus indiener. Indiener is van mening dat er op het gebied van het onderhoud een inhaalslag noodzakelijk is. Reactie: Wij zijn het met indiener eens dat er geen onveilige situaties mogen ontstaan. SVL beheert het gebied dat zij gebruiken. Onder andere wordt hierbij gekeken naar de staat van de bomen. Dit wordt echter niet vastgelegd in een bestemmingsplan. In de aankomende twee jaar wordt het achterstallig onderhoud door SVL uitgevoerd. De gemeente ziet hier op toe. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. D. Indiener stelt voor om met meerdere partijen te kijken naar de wensen en ideeën voor het gebied om samen te komen tot een ontwerpbestemmingsplan. Reactie: Naar aanleiding van deze zienswijze is op 22 augustus 2024 een overleg met de indiener geweest. Aangegeven is dat dit bestemmingsplan specifiek gericht is op het vastleggen van de huidige situatie. Een herontwikkeling van het gebied is niet aan de orde. Wel heeft indiener aanvullende informatie over zijn wensen en ideeën voor het gebied gegeven. Dit document is als bijlage bij deze nota bijgevoegd. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Zienswijze 2 Stichting Groene Ster Duurzaam! A. Indiener is van mening dat de uitgevoerde Quickscan natuurbeschermingsrechtelijk ondeugdelijk is en niet kan dienen als een (adequate) voortoets. Hij geeft hiervoor de volgende redenen: 1. Er is geen referentiedatum aangegeven. Er wordt een vergelijking gemaakt met de effecten ten opzichte van het in de afgelopen jaren gegroeide bestaand gebruik. Indiener verwijst naar jurisprudentie waarin staat dat moet worden vergeleken met de geldende planologische situatie. Volgens indiener moet als referentiedatum worden aangehouden het moment dat het thans geldende bestemmingsplan werd vastgesteld (1971). En voor de effecten op het Natura 2000-gebied de aanwijzing als EU Vogelrichtlijngebied (24 maart 2000). 2. In de Quickscan zelf wordt aangegeven dat er een ‘gering’ effect is op broedvogelgebieden van de rietzanger en het porseleinhoen in het Natura 2000-gebied aan de overzijde van de vaart die het plangebied en Natura 2000-gebied scheidt (op basis van verkeerde referentiedatum gesteld). Indiener geeft aan dat er per definitie een Passende Beoordeling moet worden gemaakt, omdat niet met wetenschappelijke zekerheid vaststaat dat er géén effect is. Indiener is van mening dat wat beoordeeld moet worden het effect is van de toename van het recreatief gebruik, inclusief het gebruik door SVL, ten opzichte van de referentiesituatie.
En dat is de geldende planologische situatie: het toegestane gebruik van 25 respectievelijk 53 jaar geleden.
2
Reactie: Voor deze reactie wordt verwezen naar de bijlage van deze reactie- en antwoordnota; de Memo ‘Zienswijze Survivalterrein Natuuronderzoeken’. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. B. Indiener geeft aan dat het onderzoek naar beschermde soorten in het plangebied, in het bijzonder de otter, heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2020. Sindsdien heeft met name de otterpopulatie in de Groote Wielen en omgeving zich sterk uitgebreid, aldus indiener. Hij is van mening dat, na eenmalig veldbezoek in september 2023, de constatering dat er geen reden is om verandering aan te nemen daarmee onjuist is. Indiener is van mening dat het onderzoek met cameravallen zal moeten worden herhaald om verstoring van de otter uit te sluiten. Reactie Voor deze reactie wordt verwezen naar de bijlage van deze reactie- en antwoordnota; de Memo ‘Zienswijze Survivalterrein Natuuronderzoeken’. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. C. Indiener geeft aan dat de provincie Fryslân heeft aangegeven dat als in de kwetsbare perioden activiteiten plaatsvinden binnen 500 m van natuurgebieden (NNN en Natura 2000 en weidevogelkansgebieden) op de grens van die gebieden geen verstoring door licht of overschrijding van een grenswaarde van 70 dB(A) voor piekgeluid mag plaatsvinden.
Indiener geeft aan dat door het expliciet opnemen van deze voorwaarden in de planregels zorgen van natuurbeschermers worden weggenomen en duidelijkheid ontstaat voor de gebruikers. Reactie Er zijn ons geen regels van de provincie Fryslân bekend die voorschrijven wat indiener aangeeft. Wel heeft de provincie een advies afgegeven om evenementen met een hoog geluidsniveau op meer dan 500 meter afstand van Natura-2000 gebieden te organiseren om verstoring te beperken en daarmee eventueel af te kunnen zien van een onderzoeksplicht. Maar dit is niet gekoppeld aan een geluidsnorm en is ook geen verbod. Het voorliggend bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk met een hoog geluidsniveau. Het geluidsniveau is vergelijkbaar met het reguliere gebruik. Daarnaast is er een verbod opgenomen voor het afspelen van versterkte muziek. Hiermee is voldoende geborgd dat geen activiteiten plaatsvinden met een geluidsniveau van 70 dB(A) en piekgeluiden. In het natuuronderzoek behorende bij het ontwerp bestemmingsplan (bijlage 4, Actualisatie natuurtoets survivalterrein te Leeuwarden en bijlage 5 Actualisatie nader onderzoek otters survivalterrein), is als uitgangspunt genomen dat er geen sprake is van kunstlicht bij de activiteiten van SVL. Dit uitgangspunt is niet juist gebleken.
Om die reden is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de effecten van kunstlicht op de aanwezige natuurwaarden. Uit dit aanvullende onderzoek blijkt dat er geen effecten zijn te verwachten. De conclusies van het onderzoek wijzigen niet. Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is als volgt gewijzigd: - Paragraaf 4.6 Ecologie van de toelichting is aangevuld met de conclusies van het aanvullende natuuronderzoek naar de effecten van licht op natuurwaarden ‘Verlichting Survivalterrein Natuuronderzoeken’; - Het gehele onderzoek naar de effecten van verlichting is opgenomen in de toelichting als bijlage 6 ‘Verlichting Survivalterrein Natuuronderzoeken’.
3
D. Indiener geeft aan dat uit de planregels volgt dat het gebied ’s nachts niet mag worden bezocht of betreden. Daarmee wordt nachtelijke verstoring van natuur voorkomen en rust en stilte behouden. Indiener is van mening dat door dit verbod expliciet op te nemen in de planregels, toelichting en/of natuurbestemming dit meer duidelijkheid geeft voor reguliere gebruikers en bezoekers. Reactie Het is op grond van de planregels niet verboden om ’s nachts het gebied te betreden. In de huidige situatie is dit ook gewoon mogelijk. Met dit bestemmingsplan wordt het dagrecreatief medegebruik van de gronden toegestaan, om zo de activiteiten van SVL planologisch vast te leggen. Het betreft een ondergeschikt gebruik ten opzichte van de hoofdfunctie natuur. E. Indiener is van mening dat de planregels en toelichting te vaag zijn als het gaat om wat is toegestaan en nog gebouwd mag worden aan (nieuwe) hindernissen. Hij draagt hierbij de volgende punten aan: 1. Indiener vindt het plan onduidelijk over het effect van het nieuwe gebruik (survival) op de hoofdbestemming ‘Natuur’. In de planregels zijn deze gronden bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, ecologische en landschappelijke waarden van het gebied. Indiener geeft aan dat niet duidelijk blijkt wat de positieve of negatieve invloed van de activiteiten, waaronder survival, is op deze bestemming.
En wat de zinsnede ‘hindernissen mogen niet de overhand krijgen’ uit de toelichting in de praktijk gaat inhouden. 2. Indiener geeft de suggestie om te beschrijven wat er wel mag worden gebouwd (en daarmee wat er niet mag) binnen de kaders van het plan. Wil de gebruiker t.z.t. ‘meer’ dan moet daarvoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd. 3. Indiener stelt voor om de formulering in het plan te schrappen die toestaat om hindernissen die op de datum van vaststelling in aanbouw zijn, mogen worden afgebouwd. Indiener geeft aan dat volgens het geldende bestemmingsplan deze immers niet mogen worden gebouwd. Op deze manier kan de gebruiker, door de dag voorafgaande aan de vaststelling van het plan nog snel wat piketpaaltjes te slaan, nieuwe hindernissen ‘claimen’, aldus indiener. Reactie Ad 1: In het kader van het bestemmingsplan zijn er diverse onderzoeken verricht naar de invloed van de activiteiten van SVL op het plangebied en de omgeving ervan. Het betreft een dagrecreatief medegebruik dat op dit moment ook al is toegestaan in de bestemming ‘Natuur’. De waarden van het gebied worden niet negatief beïnvloed. Ad 2: Op grond van de regels is de oprichting van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk in de bestemming ‘Natuur’. Hieraan zijn inderdaad geen specifieke regels verbonden.
Naar aanleiding van deze zienswijze hebben wij de regels voor bouwwerken nogmaals tegen het licht gehouden en hebben wij deze regeling aangepast. Op grond van de regels zijn huidige hindernissen toegestaan. Voor de realisatie van nieuwe hindernissen is een omgevingsvergunningplicht opgenomen waaraan voorwaarden zijn verbonden, waaronder het bepalen van de invloed op ecologische waarden. In de toelichting en bijlagen is verduidelijkt waar de huidige hindernissen in de bestemming ‘Natuur’ liggen (paragraaf 2.2. Gewenste ontwikkeling en bijlage 1). Aanvullend merken wij op dat in de ecologische onderzoeken een kaart is opgenomen van de huidige hindernissen. Echter is hierop niet de juiste ligging van de hindernissen weergegeven. Het natuuronderzoek is hierop aangevuld.
4
Tijdens het veldbezoek in 2023 is de huidige situatie van de hindernissen beschouwd. En deze is beoordeeld in het natuuronderzoek. De conclusie is dat een wijziging van de situatie op de kaart geen gevolgen heeft voor het verrichte natuuronderzoek en de conclusies. Het bestemmingsplan is naar aanleiding van deze zienswijze als volgt gewijzigd: - De bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde in Artikel 3 Natuur zijn aangepast en er is een omgevingsvergunningplicht opgenomen. Oud (ontwerp bestemmingsplan)
Nieuw (bestemmingsplan)
…… 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: g. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4 m bedragen. ……
…… 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Uitsluitend bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijking Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.2 in die zin dat nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, mits de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt. 3.3.2 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.3.1 wordt uitsluitend verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; b. de cultuurhistorische waarden; c. de landschappelijke waarden; d. de ecologische waarden; e. de milieusituatie; f. de natuurlijke waarden; g. de verkeersveiligheid; h. de watersituatie. …..
-
5
Paragraaf 4.6 ‘Ecologie’ van de toelichting is aangevuld met de conclusies van het aanvullende natuuronderzoek ‘Aanvulling Survivalterrein Leeuwarden Natuuronderzoeken’ Het gehele aanvullende natuuronderzoek naar de effecten van licht is toegevoegd aan de bijlagen van de toelichting: bijlage 7 ‘Aanvulling Survivalterrein Leeuwarden Natuuronderzoeken’.
Ad 3: Wij verwijzen naar onze reactie onder ‘Ad 2’. Met als aanvulling dat alleen bouwwerken zijn toegestaan die op het moment van terinzage legging van het ontwerp bestemmingsplan aanwezig waren (begrip ‘bestaand’ in hoofdstuk 1).
6