onderbouwing Borniastate (september 2024)
Tekst van het document
Beschrijving Bornia State B.V. Geen Huizum B – 5454 Perceel grond – gebruik onbekend X: 182.442, Y: 578.194 1.860 m² 255 m² Niet vastgesteld Wonen/kantoor/tuin
2.2. Voorgaande rapporten Voor de sanering van de verontreiniging op de locatie Borniastate te Leeuwarden zijn de navolgende rapportages en stukken van belang: Tabel 2.2: Relevante rapportages en stukken Rapportage [1] Verkennend bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 Leeuwarden [2] Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden [3] Grondradaronderzoek
Opgesteld Bodemvisie Bodemvisie Euroradar
Kenmerk, datum Projectnummer 230040, d.d. 17 februari 2023 Projectnummer 230040, d.d. 2 februari 2024 Kenmerk EU24-090, d.d. 8 maart 2024
2.3. Aanvullend onderzoek Na afronding van het nader onderzoek is door bodemvisie rondom de salon aan de voorzijde met een tankprikker gezocht naar een eventuele tank. Alleen op de hoek van het gebouw is een ondergronds obstakel met de tankprikker aangetroffen. Een aanvullende graafactie laat een gemetseld putje zien die volstaat met huisbrandolie. Volgens opgave van bodemvisie ligt in het putje een olieleiding. Mogelijk betreft dit het voormalig vulpunt van een ondergrondse tank. Deze visuele waarneming direct nabij de peilbuis 108/113 waarin de hoogste concentraties worden gemeten betreft overduidelijk de bron van de verontreiniging.
23HB0809-C1
3 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
Foto’s put
2.4. Verontreinigingssituatie Tijdens eerder op de saneringslocatie uitgevoerde bodemonderzoeken zijn de volgende verontreinigingen aangetoond:
Grond Op basis van het verkennend bodemonderzoek [1] is in de grond geen sprake van een bodemverontreiniging. Dit onderzoek is echter uitgevoerd ter plaatse van de geplande nieuwbouw aan de achterzijde van de monumentale villa. Het nader onderzoek [2] heeft uitgewezen dat de grond niet tot hooguit licht verontreinigd is met brandstofcomponenten
Grondwater In het grondwater worden sterk verhoogde concentraties aan (vluchtige) minerale olie en BTEXN aangetoond. De verontreiniging met minerale olie is in horizontale richting tot onder de interventiewaarde afgeperkt. De omvang van de sterke verontreiniging met (vluchtige) minerale olie en BTEXN in het grondwater wordt geraamd op circa 765 m³ in vast profiel (255 m² * 3,0 m 1). De totale omvang van de verontreiniging met (vluchtige) minerale olie en BTEXN in het grondwater, boven de streefwaarde, wordt geschat op circa 2.400 m³ (600 m² * 4,0 m1).
Binnenlucht Ten gevolge van de overvloedige neerslag in november 2023 is de grondwaterspiegel gestegen tot boven het niveau van de kruipruimte. Hierdoor kon de grondwaterverontreiniging voor veel uitdamping zorgen. Met een PID-meter is nabij het luik van de kruipruimte 130 ppm gemeten. Uitgaande van de neerslagreeksen van de afgelopen decennia zouden deze klachten ook in 1998 moeten zijn voorgekomen (zie grafiek neerslagextremen). Het is onbekend of de uitdamping daadwerkelijk is voorgekomen en waarom hier niet naar is gehandeld.
23HB0809-C1
4 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
Figuur 1: Neerslaggegevens (bron: KNMI)
Gevalsdefinitie Op basis van de mate omvang van de verontreinigingen in het grondwater is sprake van een bodemverontreiniging, waarvoor formeel een saneringsnoodzaak geldt. Op basis van de beschikbare gegevens is een risicobeoordeling uitgevoerd met het programma Sanscrit. Uit de risicobeoordeling volgt dat bij het huidige en toekomstige bodemgebruik sprake is van actuele humane risico’s. Sanering van het geval van verontreiniging is spoedeisend. De actuele risicobeoordeling is opgenomen als bijlage van het nader onderzoek.
2.5. Afweging saneringsvarianten Vast staat dat zonder het treffen van maatregelen er sprake kan zijn van actuele humane risico’s ten gevolge van uitdamping. Dit treed op bij extreme neerslag en moet voorkomen worden. Voor het treffen van sanerende maatregelen kan gekozen worden uit verschillende varianten. Onderstaand worden de drie varianten besproken. Variant 1: Traditionele sanering (ontgraving/onttrekking) Bij de traditionele sanering wordt verontreinigde grond ontgraven en/of wordt verontreinigd grondwater onttrokken. In onderhavig geval bevindt de verontreiniging zich nagenoeg geheel in de waterfase. Een traditionele grondwateronttrekking is echter niet optioneel. De verontreiniging bevindt zich grotendeels onder een rijksmonument. Het droogzetten van de ondergrond door onttrekking zal leiden tot zettingen in de klei- en veenlagen. Variant 2: In-situ sanering Bij een in-situ sanering wordt de verontreiniging (vracht) verminderd door het toepassen van biologisch, chemische of fysische processen. Dit zijn echter langdurige processen en zij kunnen de risico’s op uitdamping niet direct voorkomen. De grondwaterverontreiniging bevindt zich nagenoeg geheel in een kleipakket. De geringe doorlaatbaarheid van deze kleilaag maakt dat in-situ technieken zeer langdurig nodig zijn en slechts leiden tot een minimale vrachtreductie.
Variant 3: IBC sanering Bij een IBC-sanering wordt de verontreiniging niet verwijderd maar worden de optredende risico’s voorkomen. Door het aanbrengen van isolatiemaatregelen kunnen de actuele humane risico’s direct worden weggenomen.
23HB0809-C1
5 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
In onderhavig geval wordt dus gekozen voor een IBC-variant. De keuze voor deze variant is voornamelijk gelegen in de onmogelijkheden van de overige varianten. Naast bronverwijdering zal een grondwaterbeheersingssysteem worden aangelegd. Tot slot zal een inpandig aan te brengen dampwerend folie de actuele risico’s voorkomen.
23HB0809-C1
6 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
3.
UITGANGSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN BODEMSANERING
3.1. Algemeen Gezien de mate en omvang van de verontreiniging met brandstofcomponenten in de bodem, de actuele humane risico’s en de voorgenomen ontwikkelingen op het terrein is een saneringsmotief aanwezig. De sanering heeft tot doel een gezondheidskundige en milieutechnisch verantwoorde situatie te scheppen. De milieukundige eisen van een bodemsanering op de saneringslocatie worden bepaald door het bevoegd gezag. Voor de sanering worden de navolgende algemene uitgangspunten en randvoorwaarden gehanteerd: - de verontreinigingssituatie zoals beschreven in het nader onderzoek [2] geldt als basis voor de uitwerking van het saneringsplan; - de sanering is gericht op het geval van verontreiniging met brandstofcomponenten; - in verband met voorgenomen terreingebruik / afwegingen van milieurendement en kostenefficiëntie wordt de sanering uitgevoerd volgens de methode IBC; - kabels en leidingen op het terrein zijn voor aanvang buiten gebruik gesteld; - de ontgravingswerkzaamheden worden zonder civieltechnische voorzieningen uitgevoerd; - het terrein wordt in de toekomst bestemd voor bebouwing (Wonen) / bedrijven.
3.2. Saneringsdoelstelling Het minimale doel van de sanering is het bereiken van een stabiele eindsituatie, waarbij wordt verwacht dat de concentraties zich zullen stabiliseren op of onder de Interventiewaarde.
3.3. Procedures Saneren (Omgevingswet) Voor het verkrijgen van instemming op de sanering, wordt het saneringsplan ter beoordeling voorgelegd aan het bevoegd gezag, de gemeente Leeuwarden (waargenomen door de FUMO). Volgens de voorwaarden van de door het bevoegd gezag af te geven beschikking dient te worden gemeld wanneer de sanering aanvangt, of sprake is van afwijkingen en wanneer de sanering gereed is.
Bemalingen (Omgevingswet) Grondwater afkomstig van een bodemsanering kan binnen de voorwaarden van het Besluit lozen buiten inrichtingen worden geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool of het oppervlaktewater. Voor lozingen op het vuilwaterriool is de gemeente Leeuwarden bevoegd gezag. De lozing op het riool dient in het kader van de Wabo te worden gemeld. De gemeente stelt eisen aan de hoeveelheid en kwaliteit van het te lozen water via lozingsvoorschriften. De normaliter te behalen kwalitatieve eisen zijn opgenomen in tabel 3.1.
23HB0809-C1
7 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
Tabel 3.1: Algemene lozingseisen riolering Parameter Onopgeloste bestanddelen Minerale olie Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen (som BTEX) Naftaleen
Grenswaarden# 300 mg/l 10 mg/l 100 µg/l 40 µg/l
Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen Voor het transport van verontreinigde grond is een afvalstroomnummer noodzakelijk, dat door of namens de ontdoener van de grond bij een erkende verwerker (reinigingsbedrijf, stortlocatie of hergebruiklocatie) met een omschrijvingsformulier wordt aangevraagd. De afzonderlijke transporten van de verontreinigde grond dienen vergezeld te gaan van begeleidingsbrieven, voorzien van het afvalstroomnummer. Het transport van verontreinigde grond wordt vastgelegd bij het Landelijk meldingspunt afvalstoffen (Lma). Gedurende een periode van tenminste vijf jaar dienen alle betrokken partijen (ontdoener, transporteur, verwerker en bemiddelaar) de administratie van de vervoerde grond te bewaren. De verontreinigde grond afkomstig van de saneringslocatie dient te worden getransporteerd en verwerkt conform de eisen die, vanuit de overheid via vergunningsvoorwaarden, aan de verwerker van de grond zijn gesteld. Voor het storten van niet-reinigbare verontreinigde grond is een ontheffing vereist op het stortverbod krachtens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa). Een aanvraag van nietreinigbaarheid van grond dient door de taakgroep Bodem+ van SenterNovem beoordeeld te worden. Na het inkeuren van een partij grond kan de aanvraag worden geformuleerd. De procedure neemt circa twee maanden in beslag.
Besluit Bodemkwaliteit Indien in het kader van de bodemsanering tekortkomende grond wordt aangevoerd, dient de toepassing hiervan overeenkomstig de richtlijnen van het Bbk vooraf te worden gemeld aan het bevoegd gezag via het Meldpunt Bodemkwaliteit. Voor gecertificeerde schone grond geldt bij de meldplicht een ondergrens van 50 m³. Overige procedures (Wabo) Overige procedures worden geacht buiten het kader van de sanering te worden verzorgd, omdat deze deel uitmaken van de voorgenomen ontwikkeling van de locatie.
3.4. Civieltechnische en bouwkundige randvoorwaarden Gesteld wordt dat bij de saneringswerkzaamheden zettingen en zakkingen zoveel als mogelijk dienen te worden voorkomen. Tijdens de voorgaande onderzoek zijn in de bodem zettingsgevoelige klei- en veenlagen aangetroffen. Er dient een passende werkwijze te worden gevolgd om (ongelijkmatige) zetting ter plaatse van schadegevoelige objecten tegen te gaan. De maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 4. Naast het optreden van schade door zetting, kan schade aan belendingen ontstaan door overmatige trillingen. Keuze van het toe te passen materieel en de werkwijze kan schade voorkomen. Bij schadegevoelige objecten kan het raadzaam zijn om een expertisebureau bouwkundige opnamen te laten uitvoeren.
23HB0809-C1
8 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
4.
UITVOERING BODEMSANERING
4.1. Samenvatting De saneringswerkzaamheden bestaan op hoofdlijnen uit de volgende activiteiten: - voorbereiding en inrichten van de locatie, inclusief bijkomende werken; - bronverwijdering; - aanleggen buffersysteem en zuiveringssysteem grondwater; - aanbrengen van een grondwaterbeheersingssysteem en isolatie; - aanbrengen grondwateronttrekkingssysteem; - aanvullen ontgravingen en herstellen verhardingen; - opruimen van het werkterrein. 4.2. Voorbereiding Voorafgaand aan de uitvoering van de sanering stellen de betrokken partijen zich op de hoogte van de beschikbaarheid van de voor een correcte uitvoering benodigde toestemmingen, ontheffingen en vergunningen. Afspraken met betrekking tot de uitvoering, taakverdeling en veiligheid worden vastgelegd in een startbespreking. De saneringslocatie wordt ingericht in verband met de aanwezigheid van verontreiniging ingericht volgens de richtlijnen uit CROW-publicatie 400. Voor de uitvoering van de bodemsanering is de voorlopige veiligheidsklasse zwart vluchtig vastgesteld. De aannemer stelt onder begeleiding van een deskundige de definitieve veiligheidsklasse vast. Voorts zullen de nodige bijkomende werkzaamheden worden uitgevoerd, waaronder het aanbrengen van de bemaling en verkeersvoorzieningen. 4.3. Bronverwijdering Voor de bronverwijdering staat vooralsnog alleen vast dat er sprake is van een putje met een olieleiding er in.
Het putje staat vol met huisbrandolie. Op aanwijzingen van de milieukundig begeleider zal het putje vrijgegraven worden waarna het product weggezogen zal worden. Na verwijdering van het putje zal het leidingwerk verder gevolgd worden. Mogelijk is onder het putje nog een tank aanwezig. Het maken van onderscheid tussen de verschillende kwaliteiten bodemlagen en de bestemming van de ontgraven grond, vindt plaats door de milieukundige begeleiding, waarbij wordt gestreefd om niet meer grond af te voeren dan voor het beoogde saneringsdoel noodzakelijk is. De afvoer van verontreinigde grond en afvalstoffen vindt plaats ter controle van de milieukundige met begeleidingsformulieren, voorzien van het afvalstroomnummer en de vereiste ondertekening. De aannemer draagt ter verantwoording van de correcte verwerking zorg voor het spoedig retourneren van de begeleidingsformulieren en de bepaling van hoeveelheden (aan de hand van weging in tonnen) aan de milieukundige begeleiding. Vooralsnog valt niet op voorhand in te schatten hoeveel grond vrij zal komen. Uitgaande van het benodigde volume voor bronverwijdering en de aan te leggen buffertank (zie paragraaf 4.4) zal er minimaal 10 m3 grond afgevoerd worden.
Tijdens de ontgraving wordt door de milieukundige begeleiding gecontroleerd in hoeverre de aangetroffen verontreiniging alsmede de oorzaak overeenkomt met de uitgangspunten van het uitgevoerde vooronderzoek. Indien sprake is van significante afwijkingen die aanleiding geven tot bijstellen van de vooraf gestelde uitgangspunten van het saneringsplan, dient in overleg te worden getreden met het bevoegd gezag.
23HB0809-C1
9 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
4.4. Aanleg buffersysteem en zuiveringssysteem grondwater Vanuit het grondwaterbeheersingssysteem (zie paragraaf 4.5) en vanuit een klein grondwateronttrekkingssysteem (zie paragraaf 4.6) zal in beperkte mate verontreinigd grondwater vrijkomen. Dit grondwater wordt in eerste instantie gebufferd in een ondergrondse bassin (2x2,5x1). In dit bufferbassin kan in eerste instantie het natuurlijke afbraakproces plaatsvinden. Ter facilitering van dit proces zal de bodem van het bassin eenmalig bedekt worden met een laagje ORC-korrels welke gedurende 12 maanden extra zuurstof aanleveren voor stimulering van de natuurlijke afbraak. Bij regenval zal het grondwaterniveau stijgen en zal er ook vanuit het grondwaterbeheersingssysteem geloosd worden op het bufferbassin. Al naar gelang de regenintensiteit zal het bufferbassin vollopen en uiteindelijk doorstromen naar een put met een actief koolfilter. Vanuit het actief koolfilter zal het effluent doorstromen naar een kleine bufferput (ten behoeve van bemonstering effluent) waarna het via een debietmeter wordt afgevoerd naar het vuilwaterriool. Het gehele systeem werkt onder vrij verval. Een schematische weergave van het systeem is in bijlage II weergegeven. Op het onttrekken en lozen van grondwater is regelgeving van kracht (zie paragraaf 3.3). 4.5.
Grondwaterbeheersing en isolatie Grondwaterbeheersing Na een langdurige periode van neerslag eind 2023 was het grondwaterniveau dermate gestegen dat de kruipruimte aan de straatkant blank stond. Aangezien de grondwaterverontreiniging hierdoor flink kon uitdampen was er sprake van een actueel humaan risico. Om een dergelijke stijging van het grondwaterniveau in de toekomst te voorkomen worden een viertal drains aangelegd. Twee van de drains worden langs de gevels van de villa aangelegd op een diepte van globaal 0,5 m-mv (bovenop de kleilaag). De andere twee drains worden in de kruipruimte eveneens bovenop de kleilaag ingegraven. De vier drainagestrengen worden onder vrij verval aangelegd en lozen op het bufferbassin. Onder normale omstandigheden zouden de drainages geen grondwater onttrekken. Alleen bij langdurige neerslag (of kortdurende buien met veel neerslag) zal het grondwaterniveau boven het niveau van 0,5 m-mv kunnen uitstijgen. In dat geval zorgen de drainagestrengen er voor dat de kruipruimte droog blijft staan. Isolatie Na aanleg van de inpandige drainagestrengen wordt er in de kruipruimte een dampwerend folie aangebracht met een minimale equivalente luchtlaagdikte van 100 meter (ook wel relatieve vochtweerstand genoemd). Bovenop het folie wordt een laag schoon zand aangebracht in een laagdikte van minimaal 10 cm om alles op zijn plaats te houden.
Voor een schematische weergave wordt verwezen naar bijlage II. 4.6. Grondwateronttrekking Aan de noordzijde wordt ter plaatse van boringen 09 en 11 (en in mindere mate bij boring 12) een afwijkende bodemopbouw aangetroffen. Hier wordt een zandige toplaag van circa 1,5 meter dik aangetroffen. In dit pakket is de doorlaatbaarheid voldoende om een beperkte grondwateronttrekking op te starten. Langs de noordzijde wordt een drain ingegraven op een maximale diepte van 1,0 m-mv. De drain zal boven het kleipakket blijven en zal dus meer naar het oosten toe hoger liggen. Nalevering van grondwater vanuit het ten zuiden gelegen kleipakket (0,5 tot 1,0 m-mv) zal naar verwachting minimaal zijn en niet leiden tot zettingen. De drainage watert onder vrij verval af in het bufferbassin.
23HB0809-C1
10 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
5.
VEILIGHEID, KWALITEIT EN VERANTWOORDING
5.1. Arbeidsomstandigheden 5.1.1.
Veiligheids & gezondheidsplan
In het Arbobesluit bouwplaatsen (hoofdstuk 2, afdeling 5) worden voor bepaalde typen werken verplichtingen gesteld aan de opdrachtgever. Dit zijn werken van bepaalde omvang (aantal personen of duur van het werk) of werken met bijzondere risico’s. Voor deze werken is het verplicht om een Veiligheids- en Gezondheidsplan (verkort V&G-plan) op te stellen. Het V&G-plan is een dynamisch document, waarvan het opstellen, de detaillering en het actueel houden een in de tijd voortschrijdend proces is. De regels in het Arbobesluit hebben ten doel een goede samenwerking tot stand te brengen tussen de partijen die bij het bouwproces betrokken zijn. De verplichtingen van de verschillende partijen zijn vastgelegd in de artikelen 2.23 t/m 2.35. Van belang is dat, voor de aanvang van de werkzaamheden en daarmee samenhangende of samenvallende overige werkzaamheden, een analyse op veiligheids- en gezondheidsrisico's heeft plaatsgevonden en de resultaten daarvan, inclusief (de afspraken over) de te treffen maatregelen, in het V&G-plan zijn vastgelegd. Namens de opdrachtgever dienen de uit de voorbereiding van de sanering (voorliggend saneringsplan en/of een saneringsbestek) bekende risico’s te worden vastgelegd in een V&G-plan ontwerpfase.
Reeds in de ontwerpfase dient op basis van een inventarisatie en evaluatie van risico’s te worden aangegeven welke keuzes zijn gemaakt om de veiligheid en gezondheid zoveel als mogelijk te borgen. De doelstelling van het V&G-plan ontwerpfase is het minimaliseren van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s van werknemers, bezoekers en omwonenden, alsmede het vastleggen van de samenwerkingsafspraken tussen de verschillende werkgevers en werknemers voor de realisatie van het ontwerp (de uit te voeren sanering). 5.1.2.
Werken met verontreinigde grond
Door het CROW is publicatie 400 uitgegeven ('Werken in en met verontreinigde bodem”) waarmee een concrete invulling wordt gegeven aan de voorschriften uit de Arbowet (inclusief wijzigingen per 1 januari 2007), de daarbij behorende Arbobesluiten en de Kwalibo erkenningsregeling (per 1 juli 2007). Ten behoeve van de bepaling van de te nemen veiligheidsmaatregelen tijdens de saneringswerkzaamheden is een voorlopige berekening uitgevoerd conform de CROW-publicatie. Naar gelang de indeling dienen specifieke veiligheidsmaatregelen getroffen te worden. De aannemer is verantwoordelijk voor het naleven van de veiligheidsmaatregelen. Op basis van de aangetoonde verontreinigingssituatie, alsmede de voorgenomen werkwijze bij de sanering is voor de werkzaamheden een voorlopige veiligheidsklasse Zwart vluchtig vastgesteld. De veiligheidsklasse dient voor de ontwerpfase te worden gevalideerd door een deskundige (HVK). Voor de uitvoering wordt de veiligheidsklasse gecontroleerd en definitief vastgesteld door de veiligheidskundige van de aannemer. De aannemer legt de te nemen maatregelen vast in het V&Gplan uitvoeringsfase. De berekende veiligheidsklasse is maatgevend voor de werkzaamheden ter plaatse van de sanering. Op het maaiveld en buiten de locatie wordt een lager risico verwacht.
De veiligheidskundige van de (hoofd)aannemer beoordeelt het risico op ademhalingsniveau op het maaiveld en in de ontgraving. Logboek Bij het werken met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water is het verplicht dat de aannemer een logboek bijhoudt. In het logboek wordt eenmalig vastgelegd dat de werknemers 23HB0809-C1
11 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
beschikken over de vereiste geschiktheidsverklaring en het toe te passen materieel voldoet aan de juiste filters en keuring. Voorts wordt dagelijks vastgelegd welke werknemers en overige personen de verontreinigde zone hebben betreden en wat de daarbij van toepassing zijnde regimes, metingen en overige relevante condities waren. Het is mogelijk ter voorkoming van overlap het logboek te combineren met het V&G-plan uitvoeringsfase, bijvoorbeeld in de vorm van een appendix. 5.2. Kwalificatie aannemer Voor de bodemsanering dient de aannemer gecertificeerd te zijn en te werken volgens de vigerende versie van BRL 7000 (Beoordelingsrichtlijn uitvoering van (water-) bodemsaneringen) en protocol 7001 (Uitvoering van landbodemsanering met conventionele methoden). Ten tijde van de saneringswerkzaamheden dient op locatie een kwaliteitsverantwoordelijke persoon aanwezig te zijn, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de bodemsanering. Deze medewerker is tijdens de voor de sanering kritische werkzaamheden op de locatie aanwezig en het eerste aanspreekpunt voor de certificerende instelling. Bij niet kritische werkzaamheden kan de kwaliteitsverantwoordelijke persoon zich laten vervangen door een voldoende deskundige assistent, hetgeen wordt geregistreerd in het logboek. 5.3. Milieukundige begeleiding 5.3.1.
Algemeen
De bodemsanering dient overeenkomstig de voorschriften van het Besluit bodemkwaliteit door een volgens BRL 6000 erkend bodemintermediair milieukundig te worden begeleid. De milieukundige begeleiding wordt als onafhankelijke partij door de opdrachtgever van de sanering gemachtigd en heeft de volgende taken: • toezien of de uitvoering volgens het goedgekeurde saneringsplan plaatsvindt; • aangeven van de ontgravingsgrenzen en controleren van het saneringsresultaat; • signaleren van afwijkingen en het geven van adviezen om de werkzaamheden bij te sturen; • vastleggen van de uitgevoerde werkzaamheden en verantwoorden van het resultaat in een evaluatieverslag. De milieukundige begeleiding, onder te verdelen in processturing tijdens de uitvoering en verificatie bij de controle en verantwoording van het eindresultaat, heeft een signalerende en adviserende rol. Gedurende de uitvoering worden metingen verricht om vast te stellen of wordt voldaan aan verschillende op de werkzaamheden van toepassing zijnde vergunningvoorwaarden en regelgeving. Door meting en bemonstering wordt gecontroleerd of wordt voldaan aan de volgens de beschikking aan de sanering gestelde eisen. Tijdens de ontgraving en overige kritische werkzaamheden dient de milieukundige begeleiding toezicht te houden.
Bij overige niet-kritische werkzaamheden (voorbereiding, plaatsen van de zuivering, controle lozing, etc) kan worden volstaan met periodiek toezicht. De algemene taken van de milieukundig begeleider zijn overzichtelijk weergegeven in het vigerende protocol 6005 en 6006 (BRL, vigerende versie).
23HB0809-C1
12 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
5.4. Project specifieke omschrijving kritische en niet-kritische werkzaamheden Kritische werkzaamheden het vaststellen van de grenzen van uit de bodem te verwijderen verontreinigingen in het veld bij de bronverwijdering het aanbrengen van het saneringssysteem door de aannemer voor de sanering van grond en grondwater het scheiden van grondstromen, het in depot brengen van, afvoeren van en/of terugplaatsen van gescheiden deelstromen grond en afvalstoffen controle aangevoerde grond (kwaliteit en hoeveelheid)
Niet-kritische werkzaamheden het inrichten van het werkterrein het aanbrengen van isolerende voorzieningen het aanvullen van de saneringsput nadat eindkeuring heeft plaats gevonden 5.4.1.
Controle eindsituatie sanering
Als basis voor verificatie van het saneringsresultaat dient de vigerende versie van protocol 6005 en 6006. De gegevens van de reeds uitgevoerde onderzoeken staan centraal bij aanvang van de sanering. De tijdens de sanering door de milieukundige begeleiding vastgestelde omvang van de verontreiniging is bepalend voor de hoeveelheid en de wijze waarop controlemetingen worden uitgevoerd. Grond Alhoewel er geen sprake is van een grondsanering kan het voorkomen dat bij het opzoeken en verwijderen van de bron van de verontreiniging alsnog sterk verontreinigde grond wordt aangetroffen. In dat geval worden de ontgravingsgrenzen, voor zover praktisch mogelijk, gecontroleerd door middel van zintuiglijke beoordeling van de putwand- en putbodem. De bodem wordt beoordeeld op de voor onderhavig geval specifieke verontreinigingskenmerken en -indicatoren (luchtkwaliteitsmetingen, oliedetectiepan, kleur, afwijkende bodemstructuur en/of specifieke bijmenging). De waarnemingen in het veld worden geverifieerd door middel van chemische analyses van grondmonsters. De controlebemonstering van de eventuele grondsanering (verificatie) zal conform de strategie vluchtig mobiel worden uitgevoerd.
Grondwater Na aanleg van het systeem en herstel van het natuurlijk evenwicht in de bodem wordt het grondwater halfjaarlijks onderzocht op de gevalsspecifieke verontreinigende stoffen (vluchtige) minerale olie en BTEXN. De resultaten van de eerste monitoringsronde gelden als nulsituatie voor de grondwaterkwaliteit. Gedurende elke montoringsronde wordt het effluent (indien aanwezig in de controleput) en het grondwater uit de peilbuizen 03, 101, 102, 103, 104, 107, 108 en 113 bemonsterd en geanalyseerd op (vluchtige) minerale olie en BTEXN. Binnenlucht Na aanleg van het systeem en herstel van de vloer wordt met name de salon geforceerd uitgelucht gedurende een dag. Hierna zal de binnenlucht worden bemonsterd op 2 nader te bepalen meetpunten. Er zal met 2 passieve 3M3500+ badges de concentratie olie vluchtig C6-C16 en aromaten BTXEN worden gemeten. De resultaten zullen worden getoetst aan de grenswaarde van de SER. Uit de toetsing zal een conclusie worden bepaald of op de locatie gedurende 8 uur per dag zonder adembescherming kan worden gewerkt.
23HB0809-C1
13 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
5.4.2.
Evaluatie sanering
Na beëindiging van de actieve fase wordt onder verantwoording van de milieukundige begeleiding (verificatie) een evaluatierapport van de bronverwijdering en aanleg van het systeem opgesteld. In het evaluatierapport wordt aangegeven of aan de randvoorwaarden (zuivering, lozing) is voldaan. Voorts wordt de afvoer van afvalstromen (grond, buiten gebruik gestelde ondergrondse tanks, residuen) naar erkende verwerkers verantwoord. Afwijkingen van het saneringsplan worden behandeld. De resultaten van controlemonsters van de grond worden gepresenteerd. Van eventueel achtergebleven restverontreinigingen wordt aangegeven welke risico's bestaan en welke nazorg hieraan dient te worden besteed. Jaarlijks worden de resultaten van de monitoring middels een briefrapportage gedeeld met het bevoegd gezag. De duur van de monitoring wordt ingeschat op 5-10 jaar. Na deze periode zou sprake moeten zijn van een stabiele eindsituatie (geen of gering toename volume en gestage afname aan concentraties). Na het bereiken van een stabiele eindsituatie wordt ter verantwoording een vergelijkbare evaluatierapportage opgesteld. De rapportages dienen ter beoordeling en goedkeuring van de sanering te worden voorgelegd aan de gemeente Leeuwarden/FUMO.
23HB0809-C1
14 van 15 | Pagina
HB Adviesbureau
6.
NAZORG
De invulling van de nazorg is afhankelijk van de bereikte eindsituatie. In het beste geval kan deze beperkt blijven tot kadastrale registratie. De nazorg wordt in de evaluatie van de monitoring definitief ingevuld.
23HB0809-C1
15 van 15 | Pagina
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
K
1
A
K
K
RI
RI
RI
A
B
K
K
G
76a
85
B
C
80
K
78
C
D
D
A
G
82
K
K
K
A
B
B F
K
K
K
87
RI
84
K
F
G
H
K RI
J
RENVOOI
K
G
92
J
K
90
K
H
K
88
Verlengde Schrans
BK
86
G
K
G
Folie
K
94
Beheersingsdrain
K
K K
Ontrekkingsdrain
WAND
L
WAND
L
DEKSELS
0.50
23HB0809B$S-BGT
ZAND 23HB0809B$S-Kadaster
1.00
ZAND
0
0.50
GRONDWATERSTAND
2
4
10 m
23HB0809N$S-Nieuwe situatie 23HB0809N$DA-Dwarsprofiel
1:200
AANSLUITING OP RIOOL
DRAIN 1.00
DEBIETMETER
M
KLEI
VLOER SALON MAAIVELD
BASSIN
KRUIPRUIMTE
ZAND
MAAIVELD
FOLIE
ZAND
ZAND
KLEI
KLEI
0.50
2.50
ACTIEF KOOL
Samenstelling
MAAIVELD
Maten in meters, tenzij anders vermeld. Peilmaten in meter t.o.v. N.A.P., tenzij anders vermeld.
Materiaalmaten in mm, tenzij anders vermeld. Diameters in millimeters, tenzij anders vermeld.
Ontwerper:
Projectleider:
Documentstatus: Projectfase:
Documentsoort:
Blad:
Aantal:
M. ALESSIE
M. HERMELINK
CONCEPT
TEKENING
1
1
Goedgekeurd:
DO
Projectomschrijving:
Opdrachtgever:
BORNIASTATE LEEUWARDEN
GEMEENTE LEEUWARDEN
M
Schaal: 1:50/1:200 Papierformaat: A1
DRAINS
Contractnummer: Tekeningomschrijving:
DOORSNEDE A-A
DOORSNEDE B-B
SCHAAL 1:50
SCHAAL 1:50
AANPAK VERONTREINIGING
N
Datum uitgave:
Tekeningnummer:
Projectnummer:
27-03-2024
23HB0809-NS-101-1
23HB0809
Comeniusstraat 7 1817 MS Alkmaar Krijn Taconiskade 412 1087 HW Amsterdam 088 472 0600 info@hbadvies.nl
N
Deze tekening is eigendom van HB Adviesbureau. Zij mag daarom noch gekopieerd, noch aan derden ter kopiering of namaking getoond worde Path: GP GROOT B.V\HB-23HB0809 BORNIASTATE LEEUWARDEN - DOCUMENTEN\05-TEKENINGEN\23HB0809-NS-101 NIEU
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
Kadastrale kaart
Uw referentie: 23HB0809
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 500
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Huizum B 5454
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 23 maart 2024 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
BETREFT
Huizum B 5454 UW REFERENTIE
23HB0809 GELEVERD OP
PRODUCTIEORDERNUMMER
23-03-2024 - 12:40
S11174592100
VOLLEDIG GESIGNALEERD T/M
VOLLEDIG BIJGEWERKT T/M
22-03-2024 - 14:59
22-03-2024 - 14:59
BLAD
1 van 2
Eigendomsinformatie ALGEMEEN Kadastrale aanduiding Huizum B 5454 Kadastrale objectidentificatie: 049260545470000
Locatie Verlengde Schrans 87
8932 NL Leeuwarden BAG identificatie: 0080010000418198 Locatiegegevens zijn ontleend aan de Basisregistratie Adressen en Gebouwen
Kadastrale grootte 1.860 m² Grens en grootte Vastgesteld Coördinaten 182442 - 578194 Omschrijving Perceel grond - gebruik onbekend Koopsom € 1.675.000
Koopjaar 2022
Met meer onroerend goed verkregen
AANTEKENINGEN Publiekrechtelijke beperking in Erfgoedwet: Afschrift inschrijving monument of archeologisch monument in de zin van de Wet kenbaarheid rijksmonumentenregister door minister OCW publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken Betrokken bestuursorgaan De Staat (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) Vermeld in stuk Hyp4 72869/136
Ingeschreven op 29-03-2018 om 09:00
Naamswijziging rechtspersoon Datum in werking 06-11-2001 Afkomstig uit stuk Hyp4 82696/83
Ingeschreven op 22-11-2021 om 09:00
Beperking op basis van een overheidsbesluit (vestiging) Datum kenbaarheid: 06-11-2001
Overige aantekening Kwalitatieve verplichting Afkomstig uit stuk Hyp4 81256/60
Stuk betreffende kwalitatieve verplichting
Ingeschreven op 12-05-2021 om 10:30
BETREFT
Huizum B 5454 UW REFERENTIE
23HB0809 GELEVERD OP
PRODUCTIEORDERNUMMER
23-03-2024 - 12:40
S11174592100
VOLLEDIG GESIGNALEERD T/M
VOLLEDIG BIJGEWERKT T/M
22-03-2024 - 14:59
22-03-2024 - 14:59
BLAD
2 van 2
Overige aantekening Erfdienstbaarheid (doorhaling) Afkomstig uit stuk Hyp4 59021/28
Ingeschreven op 29-10-2010 om 09:00
Overige aantekening Erfdienstbaarheid
RECHTEN 1 Eigendom (recht van) Afkomstig uit stuk Hyp4 84925/18
Ingeschreven op 01-09-2022 om 10:12
Overdracht (eigendom en/of beperkt recht) Naam gerechtigde Bornia State B.V. Adres Maatlat 1
1906 BL LIMMEN Statutaire zetel GEMEENTE CASTRICUM KvK-nummer 85626287 (Bron: Handelsregister) Voor de meest actuele naam, zetel en adres, raadpleeg het Handelsregister
Voor een eensluidend uittreksel, de bewaarder van het kadaster en de openbare registers. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt ten aanzien van de kadastrale gegevens zich het recht voor als bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 6 lid 3 van de Databankenwet. Heeft u nog vragen? Neem contact op met de klantenservice.
Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Opdrachtgever Bombraak Onroerend Goed BV Postbus 44 1906 ZG LIMMEN Projectnummer
Autorisatie
230040
Redactie:
paraaf
De heer W.J. Slouwerhof Eindredactie/kwaliteitscontrole: De heer D.J. Westra
Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV Singel 60, 9001 XP GROU Telefoon: +31 (0) 566-653130 Internet: www.bodemvisie.nl Rabobank, rekeningnummer NL38 RABO 0118.7529.79 KvK-nummer 58074201, BTW-nummer: NL852861825B01
Paraaf
datum
status
02-02-2024
Definitief
Datum
status
02-02-2024
Definitief
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
INHOUD 1
INLEIDING
3
1.1
Voorwaarden en uitgangspunten
3
1.2
Indeling rapportage
3
2
VOORONDERZOEK
4
2.1
Algemeen
4
2.2
Bekende gegevens
4
2.3
Conclusies vooronderzoek en onderzoekshypothese
4
2.4
Conceptueel model en opzet nader bodemonderzoek
5
3
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN
6
3.1
Algemeen
6
3.2
Veldwerkzaamheden
6
3.3
Chemisch-analytisch onderzoek
6
3.4
Toetsingskader
7
4
RESULTATEN
8
4.1
Zintuiglijke waarnemingen
8
4.2
Analyseresultaten boven- en ondergrond
9
4.3
Analyseresultaten grondwater
9
4.4
Interpretatie onderzoeksresultaten
10
4.5
Risicobeoordeling
11
5
CONCLUSIES EN ADVIES
12
BIJLAGEN: 1.
Regionale ligging en situatietekening met monsternamepunten en verontreinigingssituatie
2.
Profielbeschrijvingen
3.
Analysecertificaten
4.
Toetsing analyseresultaten
5.
Risicobeoordeling Sanscrit 2.0
6.
Verklaring omtrent veldwerk
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
2 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
1
INLEIDING In opdracht van Bombraak Onroerend Goed B.V. is door Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV een nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden. Aanleiding voor het uitvoeren van het nader onderzoek betreft de waarneming van een brandstof- c.q. oplosmiddelengeur in het westelijke deel van het pand. Doel van het nader bodemonderzoek is het bepalen van de herkomst, aard, omvang en eventuele spoedeisendheid van de mogelijke verontreiniging, teneinde een uitspraak te kunnen doen of al dan niet sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
1.1
Voorwaarden en uitgangspunten Bij een verkennend bodemonderzoek dienen de volgende normen te worden gevolgd. -
Voorafgaand aan het bodemonderzoek dient een vooronderzoek conform de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5725: “Bodem, leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek” te worden verricht;
-
Voor het nader onderzoek is de NTA 5755 ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging’ gehanteerd.
Toetsingen zijn vooralsnog uitgevoerd volgens tijdelijke kaders Omgevingswet in afwachting van formele vaststelling door Rijkswaterstaat medio 2024, hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. Volledigheidshalve merken wij op dat Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV een onafhankelijk opererend adviesbureau is, welke op generlei wijze verbonden is met de opdrachtgever voor het onderzoek of de eigenaar van de onderzoekslocatie.
1.2
Indeling rapportage In het onderhavige rapport wordt eerst ingegaan op de locatiegegevens en het vooronderzoek. Vervolgens komen de veldwerkgegevens, het laboratoriumonderzoek en de analyseresultaten aan bod. De rapportage wordt afgesloten met een bespreking van de analyseresultaten en de bijbehorende conclusies.
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
3 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
2
VOORONDERZOEK
2.1
Algemeen Het vooronderzoek is gebaseerd op de NEN 5725. In het kader van het vooronderzoek is informatie ingewonnen uit de volgende bronnen:
2.2
-
informatie van de opdrachtgever;
-
informatie van de gemeente Leeuwarden (Nazca-I);
-
interpreteren van topografische en geohydrologische kaarten;
-
interpretatie van tekeningen van de huidige situatie;
-
een locatie-inspectie.
Bekende gegevens De onderzochte locatie is gelegen aan de Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden en bevindt zich in de woonwijk ‘Huizum’, ten zuiden van het stadscentrum van Leeuwarden. De onderzoekslocatie staat kadastraal bekend als: gemeente Huizum, sectie B, nummers 5454 en 6665 (deels). Op de locatie is een omstreeks 1889 gebouwd pand, inclusief rond 1970 gerealiseerde uitbouw, aanwezig. Het voornemen bestaat om het monumentale pand te verbouwen en in oostelijke richting uit te breiden. Het omstreeks jaren ’70 gerealiseerde bouwdeel zal hierbij volledig worden gesloopt. In totaal zullen 31 appartementen worden gerealiseerd, bestemd voor ouderenzorg. Tijdens een bezoek aan het pand, door ons bureau, in december 2023 is een sterke brandstofgeur waargenomen en zijn luchtmetingen uitgevoerd. De brandstofgeur is afkomstig uit de kruipruimte. Nabij het luik van de kruipruimte is met een PID-meter in de lucht een concentratie van 130 ppm gemeten. Op het grondwater in de kruipruimte is een oliefilm waarneembaar. Het gemeentelijk bodeminformatiesysteem (Nacza-I) is geraadpleegd om inzicht te verkrijgen in mogelijke gegevens
met
betrekking
tot
eerder
uitgevoerd
bodemonderzoek,
potentieel
(voormalige)
bodembedreigende activiteiten (zoals brandstoftanks) en/of uitgevoerde bodemsaneringen. Voor het perceel is geen informatie bekend omtrent bodembedreigende activiteiten. Voor de oostelijke uitbreiding is, door ons bureau, in 2023 een verkennend bodemonderzoek (projectnummer 230040, d.d. 17 februari 2023) uitgevoerd. Uit de bevindingen van dit onderzoek blijkt, dat in de bovengrond geen verontreinigingen zijn aangetoond. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met lood aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.
2.3
Conclusies vooronderzoek en onderzoekshypothese Naar aanleiding van de geurwaarneming is een nader bodemonderzoek (conform de NTA 5755) uitgevoerd. Voor een beschrijving van het conceptueel model en de opzet van het nader bodem onderzoek wordt verwezen naar § 2.4. NB: Bij de interpretatie van het totaal aan onderzoeksgegevens dient, gezien de gehanteerde strategie (gebaseerd op de Nederlandse Norm NEN 5720 en NTA 5755), welke is gericht op een indicatieve beoordeling van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden te worden met een zeker restrisico. Tevens wordt erop gewezen, dat onderhavig onderzoek een momentopname is.
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
4 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
2.4
Conceptueel model en opzet nader bodemonderzoek Op basis van de geurwaarneming, is een conceptueel model opgesteld, dat in tabel 2.1 is weergegeven. Tabel 2.1: Conceptueel model Aanleiding
waarneming van een oliegeur in het pand en hoofdzakelijk in de kruipruimte
Aard van verontreiniging
onbekend, mogelijk minerale olie in de grond/grondwater
Oorzaak van verontreiniging
Oorzaak van de mogelijke verontreiniging is waarschijnlijk een (voormalige) HBO-
Ernst van de verontreiniging
Onbekend, onderzocht dient te worden of sprake is van een geval van ernstige
tank.
bodemverontreiniging in de grond (criterium omvang sterke verontreiniging > 25 m3) en/of het grondwater (> 100 m³ bodemvolume) Omvang van de verontreiniging
Onbekend. Nader afperken in horizontale en verticale richting.
Spoedeisendheid van de
Spoedeisendheid van de sanering onderzoeken/toetsen
verontreiniging
Dit conceptueel model is gedurende het veldonderzoek voortdurend beoordeeld en daar waar nodig direct bijgesteld. Op basis van dit model zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •
Wat is de herkomst van de geurwaarneming?
•
Wat is de aard en de omvang van de eventuele verontreiniging?
•
Wat is de omvang van de eventuele verontreiniging in horizontale en verticale richting?
•
Is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging?
Teneinde inzicht te verkrijgen in de omvang van de olieverontreiniging in de grond en het grondwater, zijn in totaal veertien peilbuizen tot een diepte van 2,5 m-mv verricht. Ten behoeve van de verticale afperking is één peilbuis geplaatst tot een diepte van 6,0 m-mv. Ten behoeve van de horizontale en verticale afperking zijn bodemmonsters uit de ‘verdachte’ bodemlagen geanalyseerd op minerale olie en BTEXN. Tevens zijn grondwatermonsters geanalyseerd op minerale olie en BTEXN. In tabel 3.1 is een overzicht van het onderzoeksprogramma opgenomen.
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
5 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
3
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN
3.1
Algemeen De werkzaamheden zijn uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000 protocol 2001: ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen en nemen van grondmonsters etc’. en protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’ (versie 6.0, 1 februari 2018). Voor deze protocollen is Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV in het bezit een procescertificaat (certificaatnummer NC-SIK-20350), welke is afgegeven door Normec Certification BV. De chemische analyses zijn uitgevoerd door het de door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium SGS Environmental Analytics te Rotterdam. Het onderzoeksprogramma is in tabel 3.1 opgesomd. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma Loc ati e
V er r i c h t o n d er z o ek
M eetpu ntn um m er
A n al ys e p a kk e t
Verlengde Schrans 87
13 x boring met peilbuis (2,5 m-mv)
100 t/m 114
1 x standaardpakket + PFAS grond
te Leeuwarden
1 x boring met peilbuis (6,0 m-mv)
2 x minerale olie + BTEXN grond 17 x minerale olie + BTEXN grondwater
Toelichting op tabel: m -mv: Standaardpakket grond:
3.2
meter minus maaiveld; metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), PAK (VROM 10), minerale olie, PCB’s.
Veldwerkzaamheden Het veldwerk is uitgevoerd in de periode van 15 december 2023 t/m 12 januari 2024 door de heren E. Rijpstra en T. van der Meulen. In verband met het spoedeisende karakter van het onderzoek is de bemonstering van het grondwater op de dag van plaatsing van de peilbuizen uitgevoerd, dit in afwijking op protocol 2002, dat het grondwater minimaal één week na plaatsing bemonsterd mag worden. Verwacht wordt, dat dit niet van invloed is op de analyseresultaten van het grondwater. De locaties van de boringen en peilbuizen zijn weergegeven op de situatietekening (bijlage 1). Het opgeboorde materiaal is beoordeeld op textuur, kleur en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De gegevens van de monsterpunten zijn verwerkt tot boorprofielen, welke zijn opgenomen als bijlage 2. De globale bodemopbouw en de relevante zintuiglijke waarnemingen zijn beschreven in paragraaf 4.1. Voor het vaststellen van een eventueel aanwezige olieverontreiniging is gebruik gemaakt van de olie-opwater-test. De grootte en de kleurschakering van de oliefilm op het werkwater geven een indicatie van de mate van verontreiniging. Voor het laboratoriumonderzoek zijn van de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) uit iedere boring grondmonsters genomen. Uit de boringen tot 2,0 m-mv is per iedere halve meter een grondmonster genomen.
Bodemlagen met afwijkende kenmerken (textuur, kleur, aanwezigheid bodemvreemd materiaal, etc) zijn apart bemonsterd. De verdachte bodemlagen zijn bemonsterd met behulp van steekbussen.
3.3
Chemisch-analytisch onderzoek De samenstelling van de analysepakketten is als volgt: Standaardpakket grond: -
zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink;
-
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK);
-
PCB’s (Polychloorbifenyl);
-
minerale olie (GC).
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
6 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
3.4
Toetsingskader De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit het Besluit bodemkwaliteit 2022. Het toetsingskader bestaat uit kwaliteitseisen voor de indeling van de landbodem in kwaliteitsklassen. Een beschrijving van de waarden is hieronder weergegeven: Landbouw/natuur Klasse ‘Landbouw/natuur’ geeft de milieuhygiënische kwaliteit voor bodem, waarop geen locatiespecifieke bodembelasting is opgetreden. Klasse ‘Landbouw/natuur’ geeft derhalve de gemiddelde gehalten van de parameters in gebieden, waarin geen antropogene beïnvloeding van de bodem heeft plaatsgevonden. Wonen en Industrie Klasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ geven de milieuhygiënische kwaliteit voor bodem, waarop locatie-specifieke bodembelasting is opgetreden. Klasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ geven derhalve de gemiddelde gehalten van de parameters in gebieden, waarin een antropogene beïnvloeding van de bodem heeft plaatsgevonden. Matig verontreinigd Klasse ‘matig verontreinigd’ geeft het concentratieniveau boven klasse ‘Industrie’ en lager dan klasse ‘sterk verontreinigd’ Sterk verontreinigd Klasse ‘sterk verontreinigd’ geeft het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Indien de klasse ‘Sterk verontreinigd’ voor grond een bodemvolume van 25 m³ overschrijdt, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Voor asbest geldt dit omvangscriterium niet en is er al sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, als de interventiewaarde in enig bodemvolume wordt overschreden. In bijzondere situaties kan ook bij concentraties beneden de klasse ‘sterk verontreinigd’ sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. De kwaliteitseisen zijn gebaseerd op de risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem. De toetsingswaarden in de grond zijn gerelateerd aan het gehalte aan lutum en organische stof (humus) van de bodem. Het toetsingskader bevat een aantal voorschriften voor toetsing in het geval het gehalte/ de concentratie van één parameter of de gehalten/ concentraties van één of meer stoffen behorend bij een somparameter beneden de detectiegrens liggen. In dit geval dient de detectiegrens met een factor 0,7 vermenigvuldigd te worden en vervolgens getoetst. In de onderhavige rapportage zijn overschrijdingen van de achtergrondof streefwaarden, die uitsluitend het gevolg van dergelijke statistische bewerkingen, genegeerd. Dergelijke toetsingsresultaten hebben ons inziens geen toegevoegde waarde. Uitsluitend, wanneer sprake is van significante overschrijding van de toetsingswaarden door de detectiegrenzen, worden waarden beneden detectiegrenzen behandeld.
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
7 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
4
RESULTATEN
4.1
Zintuiglijke waarnemingen In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per te onderscheiden bodemlaag omschreven. In tabel 4.1 is de globale bodemopbouw weergegeven zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden is aangetroffen. Tabel 4.1: globaal overzicht bodemopbouw D i epte (m -m v)
S am enstel l i ng
0,0 - 0,4 à 1,5
Zand, matig fijn, zwak tot matig siltig, lokaal matig zandig, sterk humeuze klei
0,4 à 1,5 - 6,0*
Klei, niet tot matig zandig, niet tot sterk humeus, lokaal niet tot zwak kleiig veen
*: maximale boordiepte
Tijdens de veldwerkzaamheden zijn diverse bijmengingen waargenomen, die op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging zouden kunnen duiden. In tabel 4.2 is een overzicht opgenomen van de waarnemingen die tijdens de veldwerkzaamheden zijn gedaan. Tabel 4.2: overzicht bijmenging in de bodem Bori ng
Di epte (m-mv)
Bi jmengi ng
100
0,50 - 1,00 1,00 - 2,00
Zwakke olie-waterreactie Matige olie-waterreactie
101
0,50 - 1,00 1,00 - 2,00
Zwakke olie-waterreactie Sterke olie-waterreactie
102
0,50 - 1,00 1,00 - 1,70
Zwakke olie-waterreactie, zwak baksteenhoudend Sterke olie-waterreactie
103
0,50 - 1,00 1,00 - 1,70
Zwakke olie-waterreactie, zwak baksteenhoudend Sterke olie-waterreactie
104
0,50 - 1,00 1,00 - 2,00
Zwakke olie-waterreactie, sporen baksteen Sterke olie-waterreactie
105
0,15 - 0,60
Sporen baksteen
106
0,40 - 1,10
Sporen baksteen
107
0,20 - 0,50
Sporen baksteen
108
0,50 - 1,00 1,00 - 2,00 2,00 - 2,50
Matige olie-waterreactie, zwak baksteenhoudend Uiterste olie-waterreactie Matige olie-waterreactie
110
0,40 - 1,00
Sporen baksteen
112
1,50 - 2,95
Zwakke olie-waterreactie,zwakke brandstofgeur
113
0,60 - 1,00 1,00 - 2,00 2,00 - 2,90 2,90 - 5,70
Zwakke olie-waterreactie, zwak baksteenhoudend Matige olie-waterreactie, zwakke brandstofgeur Uiterste olie-waterreactie, sterke brandstofgeur Zwakke olie-waterreactie
Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, zijn in de bodem bijmengingen met bodemvreemd materiaal waargenomen. Een bijmenging met bodemvreemd materiaal kan duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bijmengingen met baksteen zijn in beginsel niet asbestverdacht. Het maaiveld en het opgeboorde materiaal is visueel geïnspecteerd op de mogelijke aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Dit is visueel niet waargenomen. Derhalve is vooralsnog geen verkennend bodemonderzoek asbest, conform de NEN 5707, uitgevoerd. Ter plaatse van de boringen 100 t/m 104, 108, 112 en 113 (0,5-2,0 à 5,9 m-mv) is een zwakke tot uiterste olie/waterreactie en een zwakke tot sterke brandstofgeur waargenomen.
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
8 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
In tabel 4.3 zijn de resultaten van metingen tijdens de bemonstering van het grondwater weergegeven. Tabel 4.3: resultaten van metingen aan het grondwater Fil ter di epte
Gr ondwater stand
pH-waarde
Tr oebel hei d
EC
(m-mv)
(m-mv)
( -/-)
(NTU)
(µS/cm)
100
1,5 - 2,5
0,80
6,74
32,5
650
101
1,5 - 2,5
0,80
6,83
34,3
640
102
1,5 - 2,5
0,80
6,84
45,3
630
103
1,5 - 2,5
0,95
6,73
33,9
670
Pei l buisnr.
104
1,5 - 2,5
1,00
6,78
29,7
650
105
1,5 - 2,5
1,00
6,81
40,6
645
106
1,5 - 2,5
0,95
6,79
38,5
620
107
1,5 - 2,5
0,60
6,49
14,5
780
108
1,5 - 2,5
0,95
6,71
18,4
685
109
1,5 - 2,5
1,30
6,43
9,5
680
110
1,5 - 2,5
0,80
6,50
16,6
1.130
111
1,5 - 2,5
1,00
6,80
8,9
600
112
2,0 - 3,0
1,05
6,70
44
1.180
113
5,0 - 6,0
1,80
6,50
6,8
930
114
1,7 - 2,7
0,80
6,70
34,5
850
02 (bestaand)
1,5 - 2,5
0,30
6,74
8,4
590
De gemeten waarden in het grondwater wijken, met uitzondering van een verhoogde NTU (>10), niet af van de waarden, welke onder de natuurlijke omstandigheden verwacht kunnen worden. Aanvullend onderzoek naar een verhoogde troebelheid (NTU>10) wordt echter niet noodzakelijk geacht. Vermoedelijk is de verhoogde troebelheid het gevolg van de kleiige grondslag.
4.2
Analyseresultaten boven- en ondergrond De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 3. In de tabellen in bijlage 4 zijn de analyseresultaten getoetst aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. De resultaten van de toetsing zijn in tabel 4.4 samengevat. Tabel 4.4: Analyseresultaten grond (kwaliteitsklasse) Boringen met diepte (m-mv)
> Landbouw/ Natuur en < Wonen
> Wonen en
>Industrie en
< Industrie
< matig verontreinigd
> sterk verontreinigd
101 (1,40-1,60)*
-
-
-
-
102 (1,50-1,70)*
-
-
-
113 (2,30-2,50)
-
Xylenen en minerale olie
-
-
* alleen analyse op minerale olie en BTEXN
4.3
Analyseresultaten grondwater Om een indicatie te krijgen van een eventuele verontreiniging in het grondwater zijn de analyseresultaten getoetst aan de voormalige streef- en interventiewaarden uit Wet Bodembescherming. De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 3. In de tabellen in bijlage 4 zijn de analyseresultaten getoetst aan de streef- en interventiewaarden. In tabel 4.5 is een overzicht opgenomen van de toetsing van de analyseresultaten van de grondwatermonsters.
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
9 van 13
Project
: Nader bodemonderzoek Verlengde Schrans 87 te Leeuwarden
Projectnummer
: 230040
Tabel 4.5: Analyseresultaten grondwater (as3000) monsters (gehalten in µg/l, tenzij anders aangegeven) P ei l bui s
D i ept e f i l t er (m -m v )
100
1,5 - 2,5
101
1,5 - 2,5
102
1,5 - 2,5
103
1,5 - 2,5
104
1,5 - 2,5
105
> s t reef waa rde
> t us s en waa rde
> i nt erv ent i e w aard e
= < t us s en waa rde
= < i nt erv ent i e wa ard e
(s t erk v eront r ei ni gd)
(l i c ht v eront rei ni gd )
(m at i gv eront r ei ni gd)
Benzeen, ethylbenzeen en
Naftaleen
Minerale olie
Benzeen en ethylbenzeen
Xylenen
Naftaleen en minerale olie
Tolueen en ethylbenzeen
Benzeen en naftaleen
Xylenen en minerale olie
-
-
xylenen
Xylenen, naftaleen en minerale olie
Xylenen, naftaleen en
Benzeen
Ethylbenzeen
1,5 - 2,5
Naftaleen
-
-
106
1,5 - 2,5
Naftaleen
-
-
107
1,5 - 2,5
-
-
108
1,5 - 2,5
109
1,5 - 2,5
110
1,5 - 2,5
111
1,5 - 2,5
Benzeen en tolueen Benzeen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen Naftaleen
-
minerale olie
Ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en minerale olie
-
-
-
-
-
-
-
Minerale olie
-
Xylenen
Benzeen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en minerale olie 112
2,0 - 3,0
Benzeen, ethylbenzeen en naftaleen Benzeen, tolueen,
113
5,0 - 6,0
ethylbenzeen, naftaleen en minerale olie
114
1,7 - 2,7
-
-
-
02 (bestaand)
1,5 - 2,5
-
-
-
Benzeen en tolueen
Xylenen
Naftaleen en minerale olie
Put (kruipruimte)
4.4
Interpretatie onderzoeksresultaten Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op de onderzoekslocatie bijmengingen met baksteen waargenomen. Het maaiveld en het opgeboorde materiaal is visueel geïnspecteerd op de mogelijke aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Dit is visueel niet waargenomen. Ter plaatse van de boringen 100 t/m 104, 108, 112 en 113 (0,5-2,0 à 5,9 m-mv) is een zwakke tot uiterste olie/waterreactie en een zwakke tot sterke brandstofgeur waargenomen. In de separaat geanalyseerde grondmonsters van de sterk olieverdachte ondergrond van boring 101 (1,41,6 m-mv) en boring 102 (1,5-1,7 m-mv) zijn geen verhoogde gehalten aan minerale olie en BTEXN aangetoond ten opzichte van de geldende kwaliteitseisen voor klasse ‘landbouw/natuur’. In het separaat geanalyseerde grondmonster van uiterst olieverdachte ondergrond van boring 113 (2,32,5 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten aan xylenen en minerale olie (klasse ‘industrie’) aangetoond. In het grondmonster zijn geen verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond ten opzichte van de vastgestelde achtergrondwaarden.
©Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU
10 van 13