CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Erfgoedverordening 2024

Besluitvorming (raad) 20 december 2023, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Vaststellen Erfgoedverordening Gemeente Leeuwarden 20249.929 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden 2024 § 1. Algemeen Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: a. gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; b. gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18; c. gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid; d. gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; e. cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; f.

kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; g. monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; h. minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; i. het college: het college van burgemeester en wethouders; j. Uitvoeringsrichtlijnen: richtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg; k. bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de vigerende landelijke Uitvoeringsrichtlijn Bouwhistorisch onderzoek met waardestelling, naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument; l. archeologisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarden van een locatie, overeenkomstig de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; m. selectiecriteria: de begrippen, waarmee de onder d en b bedoelde termen concreet worden gemaakt; n. gewoon onderhoud monumenten: onderhoud voor zo ver genoemd in de tabel zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze verordening. 1

Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister

1. Het college houdt een door een ieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving (datum van de adviesaanvraag respectievelijk aanwijzing) en ter identificatie (plaatselijke aanduiding, kadastrale aanduiding en een omschrijving) van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;

§ 2. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

1. Het college kan besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2. Het college kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door één of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a.

door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en 2

b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6. Het college kan de aanwijzing direct inschrijven in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct verwerken in het gemeentelijk erfgoedregister.

§ 3. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument

1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van belanghebbenden, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 3. Het college kan ten behoeve van de de onderbouwing van een aanwijzingsverzoek en/of aanwijzing van een gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek of archeologisch onderzoek wordt verricht. 4. Bij de beoordeling van de monumentwaardigheid toetst het college aan de vastgestelde selectiecriteria (bijlage 1 - Selectiecriteria gemeentelijke monumenten, bijlage 2 – Selectiecriteria archeologische gemeentelijke monumenten). Op een monument dienen één of meer van deze criteria van toepassing te zijn. 5. De selectiecriteria genoemd in lid 4 worden door het college vastgesteld.

3

Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing

1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 7. Voorbescherming

1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie

1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De adviescommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.

Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

1. Op een aanvraag om aanwijzing zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

1. De aanwijzing zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 11. (Vervallen)

4

Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 2, eerste lid. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het gemeentelijk erfgoedregister is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

§ 4. Bescherming gemeentelijk monument Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van gewoon onderhoud, voor zover genoemd in de tabel zoals opgenomen in bijlage 4 en mits de richtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (Uitvoeringsrichtlijnen) in acht worden genomen en voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; c. een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden, zijnde: 1˚. het plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2˚. het doen van begravingen of asbijzettingen, of 5

3˚. het ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere voorwaarden in de omgevingsvergunning opnemen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

Artikel 15. (Vervallen)

Artikel 16. Weigeringsgronden

1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

§ 5.

(Vervallen)

Artikel 17. (Vervallen)

§ 6. Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 18. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Het college zendt het voorstel, als bedoeld in het eerste lid, voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel voor advies, bedoeld in het tweede lid. 4. Bij de beoordeling van de beschermenswaardigheid toetst het college aan de vastgestelde selectiecriteria (bijlage 3 – selectiecriteria beschermd stads- of dorpsgezicht). Op een stads- of dorpsgezicht dienen één of meer van deze criteria van toepassing te zijn. 5. De selectiecriteria genoemd in lid 4 worden door het college vastgesteld. 6

6. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 7. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een wijziging van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 8. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 19. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 18, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 20. (Vervallen)

§ 7. Handhaving en toezicht Artikel 21. Strafbepaling

Degene die handelt in strijd met artikel 13 of met het bepaalde krachtens artikel 14, derde lid, of artikel 20, eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 22. Toezichthouders

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast […]. 2. Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

7

§ 8.

(Vervallen)

Artikel 23. (Vervallen)

§ 9. Slotbepalingen Artikel 24. Intrekken oude verordening

De Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden 2018 wordt per 1 januari 2024 ingetrokken.

Artikel 25. Overgangsrecht

1. Een krachtens Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden 2018 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden 2018.

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden 2024

8

Bijlage 1: “Selectiecriteria gemeentelijke monumenten” behorende bij de Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden

Selectiecriteria artikel 5, lid 4. Een monument wordt gewaardeerd aan de hand van de volgende selectiecriteria: 1. Algemene criteria 2. Objectgebonden criteria: object en omgeving 3. Objectgebonden criteria: intrinsiek 4. Overige criteria

1. Algemene criteria •

Op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen onroerende zaken worden geplaatst: gebouwen of groepen gebouwen, parken en begraafplaatsen en ook pompen, fonteinen, hekwerken en dergelijke.

•

Op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen ook delen van gebouwen, zoals een voorgevel, een gevelteken, of een interieur, mits aard- en nagelvast verbonden aan het object, worden geplaatst. In de redengevende omschrijving wordt aangegeven om welk deel het gaat.

•

In uitzonderlijke gevallen kunnen zaken die naar hun aard roerend zijn, wel de beschermde status krijgen. Het object moet dan fysiek verbonden zijn met een aan te wijzen of reeds aangewezen (beschermd) monument en hier een historisch-functionele relatie mee hebben, of het moet vanuit zijn aard cultuurhistorisch met een aan te wijzen of reeds aangewezen (beschermd) monument verbonden zijn. Het kan dan worden beschermd op basis van de redengevende omschrijving. Bomen, schepen en voertuigen komen niet in aanmerking voor aanwijzing.

•

De aan te wijzen onroerende en roerende zaken zijn geen beschermd monument (rijksmonument) of provinciaal monument.

•

Gemeentelijke monumenten zijn niet gebonden aan een ontstaansgrens. Zaken, jonger dan 50 jaar, kunnen gemeentelijk monument worden.

•

Gemeentelijke monumenten worden geselecteerd op hun cultuurhistorische waarde in de breedste zin van het woord.

•

Gemeentelijke monumenten worden geselecteerd op hun locale of regionale belang. 9

2. Objectgebonden criteria: object en omgeving •

Ensemblewaarde Maakt het object deel uit van een groter geheel (architectonisch, functioneel enz.) en zou het geheel door verwijdering of aantasting van het object aan waarde inboeten?

•

Stedenbouwkundige situering De rol in het straatbeeld. Staat het object bijvoorbeeld op een stedenbouwkundig belangrijke plaats zoals een straathoek of in een zichtas?

•

Volume en afmetingen Is het object in z’n hoofdvorm en afmetingen karakteristiek voor de omgeving of vormt het juist door zijn afwijkende maten een waardevol element in de gebouwde en ingerichte omgeving?

•

Architectonische kwaliteit Getuigt het ontwerp van goede architectuur?

•

Bouwstijl Is het object een voortbrengsel van een voor de stad en omgeving kenmerkende of juist zeldzame bouwstijl?

•

Detaillering Draagt het object door een goede of bijzondere detaillering bij aan de ruimtelijke beleving in de onmiddellijke omgeving van het object?

•

Typologie Is het object in typologisch opzicht uniek of vertegenwoordigt het een zeldzaamheidswaarde?

3. Objectgebonden criteria: intrinsiek •

Gaafheid De (mate van) gaafheid van het volledige object: zijn er storende of juist waardevolle wijzigingen, vormt het object in voldoende mate een eenheid?

10

•

Oorspronkelijkheid In hoeverre heeft het object nog historische bouwmassa? Bestaan bijvoorbeeld muren, vloeren en kapconstructies nog uit authentiek materiaal uit de bouwtijd of betreft het materiaal van reconstructies of restauraties?

•

Oeuvre Maakt het object deel uit van het oeuvre van een belangrijk architect en/of is het karakteristiek voor dat oeuvre?

•

Functie Is het object karakteristiek voor een bijzondere historische ontwikkeling op het gebied van de gezondheidszorg, sociale zorg, landbouw, economie of cultuur?

•

Bouwtechniek Kent het object bijzondere toepassingen van bouwtechniek of is de bouwtechniek kenmerkend voor de regionale of locale bouwwijze?

•

Materiaalgebruik Kent het object opmerkelijke materiaaltoepassingen (baksteen, ijzer, beton, glas, decoraties e.d.)?

•

Interieurs Zijn in het interieur waardevolle onderdelen aanwezig (ruimte-indeling, betimmeringen en kastenwanden, elementen als schouwen, tegels of schilderstukken, geschilderde afwerkingen e.d.)?

•

Niet-fysieke cultuurhistorische waarden Hierbij moet worden gedacht aan de rol die een object heeft gespeeld in de Leeuwarder geschiedenis: geboortehuizen van bijzondere inwoners, plaatsen waar zich belangrijke gebeurtenissen hebben afgespeeld enz.

4. Objectgebonden criteria: overige •

Technische staat

Toepassing van de selectiecriteria

11

Voor het toepassen van de selectiecriteria kan gebruik gemaakt worden van een scorematrix. Per onderdeel kan daarbij door middel van tekens (bijvoorbeeld: --, -, 0, + of ++) of cijfers (bijvoorbeeld 1, 2, 3, 4, 5) worden aangegeven of en in welke mate de omschreven waarden aanwezig zijn en bijdragen aan de monumentwaarde dan wel ernstig verstoord zijn en afbreuk daaraan doen. Het is echter niet mogelijk exacte score-eisen te stellen als voorwaarde voor de uiteindelijke selectie. De vorenstaande selectiecriteria en het globale scoresysteem vormen in de eerste plaats een hulpmiddel. De vorming van het eindoordeel vraagt meer dan het tellen van "plusjes en minnetjes". Elk voorstel of aanvraag voor plaatsing op de monumentenlijst vergt een afzonderlijke beslissing op grond van een overtuigende motivering. Het eindoordeel zal terug te vinden zijn in de zogenaamde redengevende omschrijving van het object dat wordt voorgedragen voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst, ofwel, bij een negatieve beoordeling, in een gemotiveerde afwijzing van de aanvraag.

12

Bijlage 2: “Selectiecriteria archeologische gemeentelijke monumenten” behorende bij de Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden

Selectiecriteria artikel 5, lid 4. Voor de selectiecriteria archeologische gemeentelijke monumenten wordt gebruik gemaakt van de systematiek uit de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). In de eerste plaats wordt nagegaan of monumenten vanwege hun belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig kunnen worden getypeerd. Deze elementen worden niet gescoord, maar wel meegewogen in de afweging. De monumenten worden vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een monument wordt op basis van fysieke kwaliteit als behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. Bij een lage of middelmatige score (4 punten of minder) is de inhoudelijke kwaliteit doorslaggevend. Hierbij maakt een bovengemiddelde score (6-7 punten) een vindplaats monumentwaardig. Eerst vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt het monument als behoudenswaardig aangemerkt. Na deze weging wordt bij monumenten met een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven punten) nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Zo ja, dan wordt een voorstel gedaan voor een als behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie.

Waardering Bij de waarde Fysieke kwaliteit gaat het in de eerste plaats om de gaafheid van het monument; in hoeverre is het archeologische ensemble compleet. Wanneer het gaat om gaafheid, wordt verder gekeken naar de toestand van de grondsporen. Het criterium conservering heeft betrekking op de bewaringstoestand van de vondsten (anorganisch en organisch) en ecologisch materiaal. Van de waarde inhoudelijke kwaliteit, is het criterium zeldzaamheid het eerste dat bij het waarderen in beschouwing wordt genomen. Bij het criterium informatiewaarde gaat het om de waarde van de vindplaats als bron van kennis over het verleden. Het gaat dan met name om nieuwe kennis, zodat er een sterk verband bestaat met het criterium zeldzaamheid. Tenslotte zijn er de criteria ensemblewaarde en representativiteit, de informatie van een vindplaats die voortkomt uit de landschappelijke context, naburige vindplaatsen en de kenmerkendheid voor een bepaalde periode of gebied. 13

Scoretabel waardestelling waarden

criteria

Schoonheid Beleving Herinneringswaard e

Gaafheid Fysieke kwaliteit

Conservering

parameters

Scores Hoog

Midden

Laag

Zichtbaarheid vanaf het maaiveld als landschapselement

Wordt niet gescoord

Vorm en structuur

Wordt niet gescoord

Relatie met omgeving

Wordt niet gescoord

Verbondenheid met feitelijke historische gebeurtenis

Wordt niet gescoord

Associatie met toegeschreven kwaliteit of betekenis

Wordt niet gescoord

Aanwezigheid van soort en intactheid bodemprofiel

3

2

1

Aanwezigheid sporen: antropogene lagen, biochemische laag of residu

3

2

1

Aanwezigheid archeologische indicatoren voor menselijke activiteiten

3

2

1

Ruimtelijke relatie tussen mobilia en sporen

3

2

1

Conservering artefacten (metaal/overig)

3

2

1

Conservering organisch materiaal

3

2

1

In vergelijking met onderzoek van vergelijkbare monumenten (complextypen) van goede fysieke kwaliteit uit dezelfde perioden

3

2

1

14

Representativiteit

Aanwezigheid van contemporaine organische sedimenten in de directe omgeving

3

2

1

Kenmerkendheid voor een bepaald gebied en/of periode

3

2

1

15

Bijlage 3: “Selectiecriteria gemeentelijke stads- en dorpsgezichten” behorende bij de Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden

Selectiecriteria artikel 18, lid 4. Een gemeentelijke stads- of dorpsgezicht wordt gewaardeerd aan de hand van de volgende selectiecriteria: 1. Historisch-ruimtelijke of stedenbouwkundige waarden 2. Cultuurhistorische waarden 3. Situationele waarden 4. Gaafheid/herkenbaarheid 5. Zeldzaamheid

1. Historisch-ruimtelijke of stedenbouwkundige waarden •

Betekenis van het gebied voor de geschiedenis van de ruimtelijke ordening en/of stedenbouw;

•

Betekenis van het gebied wegens de bijzondere samenhang van functies, schaal, verschijningsvorm, wegen, wateren, groenvoorzieningen en open ruimten, mede in relatie tot de regionale of lokale ontwikkelingsgeschiedenis;

•

Betekenis van het gebied wegens hoogwaardige ruimtelijke, esthetische en/of functionele kwaliteiten, op basis van een herkenbaar stedenbouwkundig concept;

•

Betekenis van het gebied wegens bijzondere verkaveling, inrichting van de openbare ruimte en/of specifieke functies.

2. Cultuurhistorische waarden •

Betekenis van het gebied als bijzondere uitdrukking van (een) culturele, sociaal-economische en/of geestelijke ontwikkeling(en);

•

Betekenis van het gebied als bijzondere uitdrukking van (een) geografische, landschappelijke en/of bestuurlijke ontwikkeling(en); 16

•

Betekenis van het gebied als bijzondere uitdrukking van (een) technische, structurele en/of functionele ontwikkeling(en);

•

Betekenis van het gebied wegens de innovatieve waarde of het pionierskarakter.

3. Situationele waarden •

Betekenis van het gebied wegens de bijzondere samenhang van historisch-ruimtelijke, structurele, esthetische en/of functionele kwaliteiten van bebouwde en onbebouwde ruimten in relatie tot hun stedelijke of landschappelijke omgeving;

•

Betekenis van het gebied wegens de hoogwaardige kwaliteit van de aanwezige bebouwing (monumenten) en hun groepering in relatie met groenvoorzieningen, wegen, wateren en/of terreingesteldheid.

4. Gaafheid, herkenbaarheid •

Betekenis van het gebied wegens de herkenbaarheid of gaafheid van de (oorspronkelijke) historisch-ruimtelijke structuur, bebouwing en functionele opzet als geheel;

•

Betekenis van het gebied wegens de architectonische gaafheid van de (oorspronkelijke) bebouwing;

•

Betekenis van het gebied wegens de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke of landschappelijke omgeving.

5. Zeldzaamheid •

Betekenis van het gebied wegens de unieke verschijningsvorm vanuit historisch-ruimtelijk, stedenbouwkundig, functioneel en/of landschappelijk oogpunt;

•

Uitzonderlijke betekenis van het gebied wegens één of meer onder 1 t/m 4 genoemde kwaliteiten.

17

Bijlage 4: “Gewoon onderhoud monumenten” werkzaamheden Sloop latere toevoegingen zonder monumentale waarde binnen in het pand

vergunningsvrij Binnen

voorwaarden, toelichting Toevoegingen waarvan duidelijk is te zien dat ze geen monumentale waarden hebben.

In overleg met gemeente Vaak is wel een sloopmelding nodig en dan ook een asbestinventarisatie wordt dit bepaald funderingen reparatie, herstel betonwerk reparatie, herstel Inboetwerk in dezelfde metselwerk kleur, afmetingen en Samenstelling mortel conform bestaand hardheid voegwerk tot 25% van de gevel Samenstelling voegspecie, kleur en textuur conform bestaand gevelreiniging Gevelreiniging is niet toegestaan, tenzij nodig voor bijv. verwijderen van graffiti. hydrofoberen is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan muurankers reparatie, herstel historische houtconstructies reparatie, herstel dakbeschot reparatie, herstel Een onbeschoten kap voorzien van dakbeschot is beter voor het monument. metaalconstructies reparatie, herstel schoorstenen reparatie, herstel Een ooit verdwenen schoorsteenkap terugbrengen valt ook onder wijziging. kozijnen/ramen en deuren reparatie, herstel totale vervanging valt hier niet onder trappen reparatie, herstel dakbedekkingen repararie, herstel lood/koper/zink reparatie, herstel Vervanging van zink in een dakgoot valt onder reparatie Aanbrengen dun isolatieglas dat past in de beglazing Glas geplaatst met stopverf (stopverfvervanger) bestaande sponning

18

Aanbrengen achterzetramen (binnen) Onderhoud met behoud van oude verflagen. schilderwerk

Kleurwijziging met advies De gemeente adviseert eigenaren over gebruik van oude of historisch verantwoorde kleuren. en/of instemming gemeente.

natuur- en kunststeen reparatie, herstel beschermde tuinen, parken reparatie, herstel en begraafplaatsen

19

Toelichting Algemeen Inleiding Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de invoering van de Omgevingswet (hierna: Ow) stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke Erfgoedverordening in vergelijking met de verordening vóór 1 juli 2016 zowel breder – het betreft nu monumenten én cultuurgoederen – als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of bescherming van stads- of dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Ow, het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot een vereenvoudigde Erfgoedverordening. De Erfgoedverordening is vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Ow.

De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Ow door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Ow. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988. In de Ow wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Ow. Reikwijdte De Erfgoedwet integreert vanaf juli 2016 de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988, de Wet tot behoud van cultuurbezit, de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied.

Met de inwerkingtreding van de Ow vervalt daaruit het onderdeel Monumentenwet 1988, dat overgaat naar de Ow. In aansluiting op de Erfgoedwet is in 2016 gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten en stads- en dorpsgezichten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen). Deze verordening ziet in beginsel niet meer op archeologie. Archeologische waarden moesten ook voor de Ow worden geborgd via het ruimtelijke spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht. [Omdat er binnen de gemeente nog bestemmingsplannen zijn waarin de 20

bescherming van archeologische monumenten niet is opgenomen die na de inwerkingtreding van de Ow deel uitmaken van het (tijdelijk) omgevingsplan, is in het overgangsrecht afzonderlijk in een vangnetbepaling voorzien (artikel 23).] Wettelijke grondslag De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet enartikel 38 van de Monumentenwet 1988. Na inwerkingtreding van de Ow zal in de Erfgoedwet (artikel 3.16, vierde lid,) zijn opgenomen dat deze verordening geen regels bevat over de fysieke leefomgeving als bedoeld in artikel 2.4 van de Ow. Dit geldt met een geplande overgangstermijn tot en met 2029. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Artikel 1. Definities

De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen ‘gemeentelijk beschermd cultuurgoed’, ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’, ‘gemeentelijk beschermde verzameling’, ‘gemeentelijk monument’, ‘minister’ en ‘omgevingsvergunning’ waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. De voor deze verordening relevante begrippen zijn voorts: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologisch onderzoek: archeologisch onderzoek is een door een gecertificeerde organisatie uitgevoerd onderzoek naar het bodemarchief. Volgens artikel 5.1 van de Erfgoedwet is het verboden een archeologisch onderzoek uit te voeren zonder een certificaat (bevoegdheid). Dat wil zeggen dat alleen archeologisch onderzoek kan worden uitgevoerd door partijen met een certificaat, de zogeheten gecertificeerde partijen.

De voorwaarden waaraan een archeologisch onderzoek moet voldoen, zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Bij archeologisch onderzoek kan onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende vormen van onderzoek. Hierbij is sprake van een soort van trechtering middels een stappenplan, waarbij begonnen wordt met betrekkelijk eenvoudige onderzoeksmethoden en de meer complexe en kostbare werkzaamheden pas later in het proces alleen worden toegepast op vindplaatsen die deze investering waard zijn. Iedere stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is om een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Stap 1 omvat bureauonderzoek, stap 2 nondestructief vooronderzoek in de vorm van boringen en/of veldverkenning en/of geofysisch onderzoek. Stap 3 omvat destructief onderzoek in de vorm van proefsleuven of proefputten. Stap 4 omvat opgraven en/of fysiek beschermen en/of archeologische begeleiding of opgeven van de vindplaats. 21

- archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; - beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet; - bouwhistorisch onderzoek: bouwhistorisch onderzoek geeft meer inzicht in de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van een gebouw. Er zijn verschillende vormen van bouwhistorisch onderzoek te onderscheiden, afhankelijk van de diepgang van de werkzaamheden. Een bouwhistorische verkenning is de lichtste vorm van onderzoek van een object. Het wordt over het algemeen uitgevoerd naar aanleiding van een bouw- of restauratieplan.

Het onderzoek bestaat uit een betrekkelijk kort bezoek ter plaatse, waarbij de ruimtelijke opbouw, het exterieur (gevels) en de zichtbare onderdelen van de constructie en de interieurafwerking in hoofdlijnen worden gekarakteriseerd en gedateerd. Archiefonderzoek blijft over het algemeen beperkt tot bestudering van oude kaarten en beschikbare overzichtsliteratuur. Een bouwhistorische opname is een vorm van bouwhistorisch onderzoek van een bouwwerk of structuur waarbij tenminste de zichtbare onderdelen van de ruimtelijke opbouw, het exterieur en de zichtbare onderdelen van de constructie en de interieurafwerking worden beschreven, geanalyseerd en zo mogelijk gedateerd. Daarnaast vinden literatuuronderzoek en beperkt archiefonderzoek plaats. Bij archiefonderzoek worden in elk geval oude kaarten, bouwtekeningen en foto’s betrokken. Op grond van de onderzoeksgegevens wordt een waardestelling geformuleerd. Op basis van de eisen van het werk en de wensen van de opdrachtgever is het mogelijk om het onderzoek te verdiepen door uitvoering van specialistische onderzoekingen, zoals dendrochronologisch onderzoek (jaarringonderzoek voor het bepalen van de ouderdom van toegepast hout), materiaaltechnisch onderzoek en kleuronderzoek.

- cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - gewoon onderhoud monumenten: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarden en waarvoor de ontheffing van de vergunningplicht geldt. In tabel 4 wordt toegelicht wat onder gewoon of normaal onderhoud van monumenten wordt verstaan. In het algemeen vallen onder ‘gewoon onderhoud monumenten’ werkzaamheden die gericht zijn op het behouden van wat er is. Door 22

deze werkzaamheden mogen materiaalsoort, kleur, vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen. Er moet een technische noodzaak zijn voor het vervangen of herstellen van materiaal, op beperkte schaal. Voorbeelden: het opschuren en overschilderen in dezelfde kleur, het vervangen van verrot kozijnhout door aanlassen, het plaatselijk vervangen van dakbedekking, en het inboeten van beplanting in een park- of tuinaanleg met dezelfde beplantingsoort en -cultivar (variëteit) en in hetzelfde verband. Gaan de werkzaamheden dat onderhoud te boven en/of wijken ze af van de uitvoeringsrichtlijnen (zie onder Uitvoeringsrichtlijnen), dan zijn ze vergunningplichtig, - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; - rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet; - selectiecriteria: de selectiecriteria voor gemeentelijke monumenten (bovengronds) en gemeentelijke stads- en dorpsgezichten zijn ontleend aan wat landelijk gangbaar is. Voorbeelden zijn te vinden in monumentenverordeningen hen en der in het land. Een goede handreiking biedt ook de publicatie Stedebouwkundige ontwikkelingen (1850-1940) van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg uit 1987, verschenen in verband met de selectie en aanwijzing van jonge beschermde stadsgezichten uit de jaren tussen 1850 en 1940.

De selectiecriteria voor archeologische gemeentelijke monumenten zijn ontleend aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. - uitvoeringsrichtlijnen: de uiteenlopende uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) bevatten restauratieve richtlijnen voor het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van beschermde gebouwen, zowel rijks- als gemeentelijke monumenten. Ze bevatten voorts een precisering van wat onder de term ‘gewoon onderhoud monumenten’ wordt verstaan. - verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.

Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister

Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het gemeentelijk (beschermd) aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten, cultuurgoederen of verzamelingen. Tweede lid, onder b Hier is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangt het college deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. Het kan ook gaan om informatie via instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Ow betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsen dorpsgezicht. Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) dienen gemeenten uiterlijk op 1 januari 2021 hun publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken geregistreerd te hebben in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna: BRK-PB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten plus gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten.

Beperkingen kunnen niet alleen meer op kadastrale percelen worden geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld een verontreinigingscontour). 23

Na de inwerkingtreding van de Ow is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in het Digitaal Stelsel Omgevingswet - Landelijke Voorziening (DSO-LV), mogelijk per tranche. Dit geldt ook voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het omgevingsplan. Levering aan de openbare registers en bijhouding in de BRK-PB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De beperkingen die vóór de inwerkingtreding Ow in de BRK-PB zijn opgenomen, komen tot en met 2029 te vervallen wanneer ze worden vervangen door nieuwe beperkingenbesluiten op basis van de Ow.

Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of gemeentelijk beschermde verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.

De aanwijzing van gemeentelijk beschermde cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Het college moet voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als gemeentelijk beschermde cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor het college te creëren.

Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen

24

daartoe vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking door de minister op een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.

Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de verordening van vóór 2016 (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening.

Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ in principe onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming van roerende zaken vormt een probleem, aangezien zij meestal eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden gebracht. Controle en handhaving is in deze gevallen nauwelijks mogelijk. In uitzonderlijke gevallen kunnen zaken die naar hun aard roerend zijn, wel de beschermde status krijgen.

Het object moet dan fysiek verbonden zijn met een aan te wijzen of reeds aangewezen (beschermd) monument en hiermee een historisch-functionele relatie hebben, of het moet vanuit zijn aard cultuurhistorisch met een aan te wijzen of reeds aangewezen (beschermd) monument verbonden zijn. Het kan dan worden beschermd op basis van de redengevende omschrijving. De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 14, eerste lid) of slechts op grond van de uitvoeringsrichtijnen (zie art. 25

14, tweede lid) worden gewijzigd. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Artikel 5, lid 3. Dit artikel haakt in op de achtergrond van een aanvraag. In situaties waarin de gemeente ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan zij de eigenaar niet verplichten bouwhistorisch of archeologisch onderzoek uit te voeren. In het geval dat een andere belanghebbende dan de gemeente evenwel een aanvraag tot aanwijzing doet (een eigenaar, een historische vereniging of een andere als zodanig aan te merken belanghebbende), kan de gemeente de aanvrager wél verplichten tot zo’n onderzoek. Op deze manier wordt de motiveringsplicht als het ware omgekeerd en wordt praktisch gezien tevens de vrijblijvendheid om een aanvraag tot aanwijzing in te dienen, ingeperkt. De informatie over de bouwhistorische of archeologische waarden van een gebouw of terrein kan van invloed zijn op de beslissing van het college om het al dan niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het in de registers wordt ingeschreven. Artikel 5, lid 2.

Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of de Provincie al op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. Wel kunnen onderdelen aan, van of bij een rijksmonument of provinciaal monument worden aangewezen als gemeentelijk monument. Het betreft delen die niet onder de bescherming van het Rijk of de Provincie vallen, en die ook niet in de redengevende omschrijving van het beschermde monument zijn vermeld, bijvoorbeeld een bijgebouw, een hekwerk of een kerkorgel. Deze delen kunnen dan via de redengevende omschrijving van het gemeentelijk monument wel onder de bescherming van deze verordening vallen.

Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing

Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op 26

geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Ow en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

Artikel 7. Voorbescherming

Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra het college het voornemen tot aanwijzing heeft bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeideuit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Ow blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Ow via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van ‘voorbeschermd rijksmonument’ staat wat er onder wordt verstaan (hetzelfde als tot 1 juli 2022).

Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie

Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Ow. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Artikel 8 maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Ow gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Ow zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van het college), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening.

Onder de Ow zal op basis van artikel 17.9 een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Ow) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Ow) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Ow maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de [citeertitel Verordening op de gemeentelijke adviescommissie]. 27

Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn sluit aan bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). De aanwijzing bevat in ieder geval het adres (de plaatselijke aanduiding) van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door het college is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wkpb. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=8107bdbb-4a70-4105-96c8-460eb93951f7