CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE_Toelichting_aspect_milieu

Besluitvorming (raad) 4 oktober 2021, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor de bouw van twee pluimveestallen Harnsterdyk 7 Stiens12.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting t.a.v. het aspect milieu d.d. 28-2-2019 Initiatiefnemer: Maatschap L., L.M. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD STIENS Vergunde situatie De voorliggende milieuvergunning is van 25 oktober 2007 en betreft het houden van 98 st. melk- en kalfkoeien, 51 st. jongvee en 84.000 vleeskuikens. Stal

Rav cat.

Diersoort

Aantal dieren

1 1 3 4 Totaal

A.1.100 A.3.100 E.5.100 E.5.100

Melk- en kalfkoeien Jongvee 0-2 jaar Vleeskuikens Vleeskuikens

98 51 42.000 42.000

Totaal Totaal kg geur ammoniak 0,00 0,00 13.860,00 13.860,00 27.720,00

1.274,00 224,40 2.856,00 2.856,00 7.210,40

Totaal kg fijnstof 11,56 1,94 924,00 924,00 1.861,50

De Boer wil aansluiten bij de marktontwikkeling naar langzaamgroeiende kuikens en overstappen naar traaggroeiende kuikens. Op 17 januari 2017 is een omgevingsvergunning (milieuneutraal veranderen) verleend voor een overdekte uitloop naast de bestaande stallen. Deze zijn inmiddels opgericht. In 2018 is het bouwvlak vergroot middels een bestemmingsplanwijziging, welke in 2019 procedureel is afgerond. Plan Aanvankelijk was het plan 2 nieuwe stallen op te richten voor scharrelvleeskuikens met inpandige uitloop, maar gaandeweg zijn de inzichten enigzins gewijzigd. De nieuwe pluimveestallen worden geen 30 m maar 27 m breed en worden niet gebruikt voor scharrelvleeskuikens, maar voor traaggroeiende vleeskuikens, waar geen overdekte uitloop voor nodig is. De afzetmarkt voor scharrelvleeskuikens zit vol en die voor traaggroeiende kuikens biedt wel voldoende mogelijkheden. Het aantal te houden kuikens wijzigt niet en ook verandert er niet veel aan de stallen. De emissiepunten en de manier waarop de stallen worden geventileerd verschilt niet van de manier waarop het in de bestemmingsplanwijziging en de m.e.r.-beoordeling is voorgespiegeld. Voor de uitbreiding van het melkvee werd destijds uitgegaan van 52 st. melk- en kalfkoeien A 1.6 BWL2009.11.V4 maar deze diercode is vanwege de (inmiddels) te hoge emissiefactor niet meer te gebruiken (overstijgt de maximale e.w.

voor nieuw te bouwen stallen vanaf 1 januari 2018). Voordat het bestemmingsplan was gewijzigd achtten we het verlengen van deze stal voor die datum nog haalbaar, dat standpunt moeten we nu herzien.

Hoeve Advies

1

In plaats van A 1.6 BWL2009.11.V4 wordt nu gekozen voor A 1.18 BWL2012.04.V4. De emissie per melk- en kalfkoe daalt daarmee van 11,0 naar 8,0 kg NH3 per dierplaats per jaar, wat gunstig is, omdat daarmee de feitelijke depositie lager is dan natuurvergund. De verandering die doorgevoerd wordt in de twee nog op te richten pluimveestallen betreft een modificatie op de stalinrichting :  In plaats van E 5.11 BWL2010.13.V7 wordt er E 5.15 BWL2017.01.V2 geïnstalleerd.  De NH3-emissie daalt daarmee van 0,021 kg NH3 naar 0,012 kg NH3 p.d.p.j. wat gunstig is, omdat daarmee de feitelijke depositie lager is dan natuurvergund. Om het stalklimaat te verbeteren en energie te besparen is bij de bestaande stallen een warmtewisselaar geplaatst (warmteterugwinning). Hiermee valt de stal in diercategorie E 5.11 BWL2010.13.V6 waaraan een emissie van 0,021 kg NH3 p.d.p.j. is toegekend. De wisselaars hoeven aan het eind van de ronde (als de stallen niet meer worden bijverwarmd) niet altijd aan te staan; daarom voldoen ze niet als fijnstofreducerende maatregel. Ook de nieuwe stallen krijgen een wisselaar. Hierbij wordt de wisselaar niet alleen gebruikt om ammoniak te reduceren (E 5.11 BWL2010.13.V7) maar ook om fijnstof te reduceren (E 7.6 BWL2011.02.V6). De wisselaar reduceert de fijnstofuitstoot met 31%. T.b.v.

het verwarmen van de 2 nieuwe stallen wordt een houtgestookte CV-houtkachel geplaatst (houtpellets). De 5 paarden en 1 pony die nu nog hobbymatig op het bedrijf aanwezig zijn, worden in de vergunning meegenomen en formeel vastgelegd. Er zijn op korte/middellange termijn geen plannen uit te breiden met de biogasinstallatie. Met een uitbreiding van staloppervlak voor vleeskuikens kan de vrijkomende warmte echter nog beter worden benut, de efficiëntie neemt toe. Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt het volgend aantal dieren gehuisvest: Stal

Rav cat.

Diersoort

1 2 1A

A.1.100 A.3.100 A.1.18

1A 2 2 3 4 5

A.3.100 K.1.100 K.3.100 E.5.11 E.5.11 E.5.15 & E.7.6 E.5.15 & E.7.6

Melk- en kalfkoeien Jongvee 0-2 jaar Melk- en kalfkoeien BWL2012.04.V4 Jongvee 0-2 jaar Paarden, 3 jaar en ouder Pony, 3 jaar en ouder Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6

6 Totaal

Hoeve Advies

Aantal dieren

Totaal Totaal kg geur ammoniak

Totaal kg fijnstof

98 51 52

0,00 0,00 0,00

1.274,00 224,40 416,00

11,56 1,94 6,14

49 5 1 42.000 42.000 42.500

0,00 0,00 0,00 13.860,00 13.860,00 14.025,00

215,60 25,00 3,10 882,00 882,00 510,00

1,86 0,00 0,00 924,00 924,00 645,15

42.500

14.025,00

510,00

645,15

55.770,00

3.942,10

3.159,80

2

Binnen de inrichting worden straks ten hoogste 150 st. melk- en kalfkoeien, 100 st. jongvee, 169.000 st. vleeskuikens en 5 paarden en 1 pony gehouden.

Wijzigingen bestaande pluimveestallen De volgende wijzigingen worden doorgevoerd:  Het stalsysteem wordt gewijzigd naar E 5.11 BWL2010.13.V7 met gebruik van een naast de stal opgestelde warmtewisselaar.  De ventilatie wordt aangepast: lengteventilatie met gebundelde nokventilatoren op een uitbouw aan de achterzijde van de stal.  Er wordt gebruik gemaakt van een stappenregeling die gebruik maakt van zowel de wisselaar als de nokventilatoren.  Het aantal kuikens blijft 42.000 st. per stal. Oprichten nieuwe pluimveestallen Ten noorden van de bestaande stallen worden 2 nieuwe stallen opgericht.  De nieuwe stallen worden voorzien van E 5.15 BWL2017.01.V2 met gebruik van een naast de stal opgestelde warmtewisselaar; de wisselaar voldoet tevens aan de criteria van E 7.6 BWL2011.02.V6 (31% fijnstofreductie).  De nieuwe stallen worden net als de bestaande stallen voorzien van een uitbouw aan de achterzijde met gebundelde nokventilatoren.  Er wordt gebruik gemaakt van een stappenregeling die gebruik maakt van zowel de wisselaar als de nokventilatoren.  De nieuwe stallen huisvesten 42.500 st. vleeskuikens per stal. Verlengen rundveestal Het plan is nadat de pluimveestallen zijn gerealiseerd binnen een paar jaar de ligboxenstal te verlengen. Dat wordt daarom in deze aanvraag al meegenomen.

 Het te verlengen deel wordt voor wat het melkvee betreft voorzien van een V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif, A 1.18 BWL2012.04.V4.  Een ander deel van het te verlengen deel huisvest jongvee A 3.100.  De stal wordt natuurlijk geventileerd.  De stal huisvest 150 st. melk- en kalfkoeien en 100 st. vrouwelijk jongvee 0-2 jaar. Paardenstalling De 5 paarden en 1 pony die nu nog hobbymatig op het bedrijf aanwezig zijn, worden in de vergunning meegenomen en formeel vastgelegd.  De paarden en de pony lopen in het land dan wel schuilen in de paardenstalling achter op het erf (een voormalige zeecontainer). M.e.r.-beoordeling De gemeente Leeuwarden heeft op advies van de FUMO op 31 januari 2018 in de Staatscourant (Nr. 4655) en in het Gemeenteblad (Nr. 16437) haar besluit gepubliceerd dat er ter voorbereiding op het besluit op grond van artikel 2.1 Wabo, voor de voorgenomen activiteiten geen m.e.r.-procedure gevolgd hoeft te worden, aangezien er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 7.17 lid 1 van de Wet milieubeheer. Het besluit is als bijlage bijgevoegd.

Hoeve Advies

3

Besluit huisvesting Het besluit huisvesting hanteert maximale emissiewaarden voor ammoniak en/of fijnstof.  De bestaande vleeskuikenstallen emitteren 0,021 kg NH3 p.d.p.j. wat lager is dan de max. e.w. voor bestaande stallen opgericht voor 1 juli 2015 (0,045 kg NH3).  De op te richten vleeskuikenstallen emitteren 0,012 kg NH3 p.d.p.j. wat lager is dan de max. e.w. voor nieuwe te bouwen stallen vanaf 1 januari 2020 (0,024 kg NH3).  De nieuwe vleeskuikenstallen met warmtewisselaar E 7.6 BWL2011.02.V6 waarmee 31% fijnstof wordt gereduceerd hebben een emissie van 22,00 gram – 31% is 15,18 g per dierplaats per jaar, wat lager is dan de maximale emisiewaarde van 16 gram PM10 voor nieuw te bouwen stallen.  Voor de bestaande stallen is geen maximale emissiewaarde voor fijnstof vastgesteld.  De te verlengen rundveestal emitteert t.a.v. de melk- en kalfkoeien 8,0 kg NH3 per dierplaats per jaar, wat lager is dan de maximale 8,6 kg NH3 voor nieuw te bouwen stallen vanaf 1 januari 2018.  Voor jongvee, paarden en pony’s is geen maximale emissiewaarde vastgesteld. Het plan voldoet daarmee aan het Besluit emissiearme huisvesting. IPPC-beleidslijn De IPPC-beleidslijn van het Ministerie van VROM is per 25 mei 2007 geïntroduceerd, bedoeld om gemeenten een meer eenduidige richtlijn te verstrekken bij de individuele toets in het kader van IPPC bij een uitbreiding in dieren.

Het aantal vleeskuikens neemt toe met 42.000 stuks. Op dit moment is er vergunning voor 84.000 vleeskuikens met een emissie van 5.712,00 kg NH3. De uitbreiding moet bij een totale emissie tussen de 5.000 en 10.000 kg NH3 voldoen aan de BBT+ factor van 0,037 kg NH3. De feitelijke emissie is 0,021 kg NH3 per dierplaats per jaar en de gezamenlijke emissie is lager dan 5.000 kg NH3. Het plan voldoet daarmee aan de IPPC-beleidslijn. Natura 2000 De dichtstbijzijnde natuurgebieden zijn de Waddenzee op 5,7 km en Groote Wielen op 6,2 km van de inrichting. Er is geen sprake van een directe invloed, wel van een indirecte invloed in de vorm van stikstofdepositie. Op 3-2-2017 is een Wnb-vergunning verleend voor het houden van 150 st. melk- en kalfkoeien, 100 st. jongvee, 169.000 st. vleeskuikens, 5 paarden en 1 pony, overeenkomstig het plan tijdens de bestemmingsplanwijziging, naast het gebruik van de biogasinstallatie met WKK en voertuigbewegingen die daarbij horen (zie bijlage). Voor het verlengen van de ligboxenstal wordt in plaats van A 1.6 BWL2009.11.V4 nu gekozen voor A 1.18 BWL2012.04.V4. De emissie per melk- en kalfkoe daalt daarmee van 11,0 naar 8,0 kg NH3 per dierplaats per jaar, wat gunstig is, omdat daarmee de feitelijke depositie lager is dan natuurvergund.

De 2 nieuwe vleeskuikenstallen woren voorzien van E 5.15 BWL2017.01.V2 in plaats van E 5.11 BLW2010.13.V7 waarmee de emissie daalt van 0,021 naar 0,012 kg NH3 p.d.p.j. Omdat de aanvraag afwijkt van wat in het kader van de Wnb is verleend, dient een wijziging op de Wnb-vergunning te worden doorgevoerd. Deze kan separaat bij de provincie Fryslân worden aangevraagd of in de vorm van een VVGB bij de te verlenen omgevingsvergunning

Hoeve Advies

4

woren aangehaakt. We kiezen voor het laatste en verzoeken FUMO en de gemeente Leeuwarden een VVGB aan te haken. Nadat op 19 mei 2019 de Raad van State de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) heeft vernietigd, heeft de provincie Friesland op 10 december jl. nieuwe beleidsregels voor het beoordelen van aanvragen in het kader van de Wnb vastgesteld, welke op 31 januari 2020 in het Provinciaal Blad nr. 565 zijn gepubliceerd (Provinciale Beleidsregels intern en extern salderen Fryslân 2020). De depositie van de beoogde situatie en de verschilberekening met de Wnb-vergunde situatie zijn doorgerekend met Aerius Calculator. Uit de berekeningen blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige natuurgebieden ontstaat; een verslechtering van de habitat in deze gebieden is daarmee uitgesloten. De beoogde situatie is daarmee vergunbaar. Geurbelasting De dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten liggen op een gevel-tot-gevel afstand van meer dan 25 m en op meer dan 50 m van emissiepunt (ventilatoren) tot geurgevoelig object, waarmee wordt voldaan aan de daartoe gestelde minimale afstand. De gemeente Leeuwarderadeel hanteert de normen zoals die in de Wet geurhinder en veehouderij zijn vastgelegd voor niet-concentratie-gebieden:  8 OUE/m3/s lucht t.o.v. de geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom;  2 OUE/m3/s lucht t.o.v.

de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Nu de geuremissiefactor voor vleeskuikens per 1-10-2016 is gewijzigd van 0,24 OUE/d/s in 0,33 OUE/d/s blijkt de in 2007 vergunde situatie ‘overbelast’ te zijn. Het meest kritische punt is Harnsterdyk 8; de geurbelasting is 10,2 OUE/m3 terwijl het niet hoger dan 8,0 OUE/m3 zou mogen zijn. De geurbelasting op de bebouwde kom van Stiens is 0,8 OUE/m3 en voldoet aan de norm. In de beoogde situatie is de geurbelasting lager dankzij een aantal aanpassingen aan de bestaande stallen en geurreducerende maatregelen. De geurbelasting neemt ondanks de toename van het aantal kuikens af naar ten hoogste 7,0 OUE/m3 op Harnsterdyk 8 en 0,5 OUE/m3 op de bebouwde kom van Stiens. Daarmee voldoet het plan aan de normen van de Wet geurhinder.

Geurreducerende maatregelen De volgende maatregelen worden doorgevoerd t.o.v. de vergunde situatie:  Van de bestaande pluimveestallen worden de ventilatiegeleidekappen en de bestaande ventilatoren in de eindgevel weggehaald en vervangen door ventilatiekokers die de lucht rechtstandig onbelemmerd omhoog blazen.  De ventilatie wordt aangestuurd middels een stappenregeling waardoor de lucht zoveel mogelijk full-boost wordt uitgeblazen.  Er wordt een wamtewisselaar naast de stal geplaatst, waarvan de uitgaande lucht ombelemmerd omhoog wordt geblazen.  Uit berekeningen blijkt de uittreesnelheid bij gemiddelde ventilatie 7,5 m/s te zijn.  De nieuw te bouwen stallen worden op een soortgelijke manier ingericht wat daar leidt tot een uittreesnelheid van 8,5 m/s.

Hoeve Advies

5

Fijnstofconcentratie De fijnstofemissie (PM10) van vleeskuikens is 22 gram PM10 per dier per jaar. Het gebruik van een warmtewisselaar van het type E.7.6 BWL2011.02.V2 reduceert de uitstoot met 31%; de emissie is dan 15,18 gram PM10 per dier per jaar. De emissie van melk- en kalfkoeien is 118 gram en die van jongvee 38 gram per dierplaats per jaar. Voor paarden en pony’s is geen emissiewaarde vastgesteld. De bijdrage vanuit het bedrijf t.o.v. de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. De hoogste fijnstofconcentratie t.o.v. het dichtstbijgelegen te beschermen object na aftrek van de 3 µg/m3 aan zeezoutcorrectie is 12,21 µg/m3. Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m3 wat is toegestaan. Het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m3 na aftrek van de 3 correctiedagen voor zeezout is 3,1 dag terwijl het maximaal 35 dagen mogen zijn. Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is een fractie van 12,21 µg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf. Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale concentratie van 25,0 µg/m3 blijft, waarmee voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. Geluid en verkeer De veehouderij ligt in een landelijk gebied met veel agrarische activiteiten. De stallen staan ver verwijderd van de omliggende woningen.

De ventilatoren van de nieuwe stallen en de bestaande stallen zitten achter de eindgevel dus zo ver mogelijk verwijderd van de dichtstbijzijnde woning. We hebben het akoestisch onderzoek van WNP uit 2012 bijgesloten zodat het bevoegd gezag zich een beeld kan vormen van de activiteiten binnen de inrichting en een inschatting kan maken of de gewijzigde opzet past binnen de daartoe te stellen voorschriften. Energie Bij het inrichten van de vleeskuikenstal wordt zoveel mogelijk ‘energiezuinige techniek’ gebruikt, om de exploitatiekosten te drukken. Het energieverbruik in de beoogde situatie wordt geschat op 1,1 kW p.d.p.j. dat is ca. 185.000 kWh aan elektra. De inrichting beschikt over een groot aantal zonnepanelen, waarmee meer dan voldoende energie wordt opgewekt om aan de energiebehoefte van de inrichting te kunnen voldoen. Een normaal aardgasverbruik is ca. 0,7 m3 p.d.p.j. en met gebruik van warmtewisselaars ca. 0,5 m3 p.d.p.j. Normaal leidt dit tot een gasverbruik van ca. 84.500 m3 per jaar. De stallen worden echter bijverwarmd door middel van een installatie met CV-buizen (warm water) afkomstig van restwarmte van de WKK van de biogasinstallatie. Voor het verwarmen van de stallen wordt dus geen gas verbruikt. De nieuw te bouwen stallen krijgen een eigen houtgestookte CV (houtkachel, pellets). Een overzicht van de energiebesparende maatregelen is bijgesloten.

Het waterverbruik is ca. 6,5 l per dier per ronde inclusief reiniging ofwel ca. 7.000 m3 per jaar (leidingwater). Strooiselmest De kuikens mesten gedurende de ronde op de volledig strooiselvloer in de stal. De stal heeft een mestdichte betonvloer. Na elke ronde wordt de mest met een trekker uit de stal

Hoeve Advies

6

verzameld op de mestdichte erfverharding. De strooiselmest wordt gebruikt als grondstof voor de co-vergister. De mestproductie van vleeskuikens is ca. 11 kg per dier per jaar, ca. 1.850 ton per jaar. Reinigingswater Het spoelwater dat ontstaat bij het (nat) schoonmaken van de stallen en de warmtewisselaars wordt opgevangen in spoelwaterkelders en periodiek over het land uitgereden. Hemelwater komt niet in aanraking met bedrijfsprocessen en is schoon en vrij van bedrijfsafvalwater en voerresten. Afvalstoffen Binnen de inrichting komen in beperkte mate afvalstoffen vrij. Het gaat bijvoorbeeld om landbouwplastic en kadavers. Het overige afval is meer van huishoudelijke aard. De kadavers a.g.v. de uitval van vleeskuikens worden gekoeld bewaard (kadaverkoeling) en periodiek op afroep door de Rendac opgehaald. Binnen de inrichting zijn reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig (in originele verpakking in afgesloten kast) en gewasbeschermingsmiddelen (in originele verpakking in afgesloten kast). Deze worden gebruikt voor hun doeleinden; eventuele middelen die over datum zijn worden periodiek als chemisch afval bij de gemeentewerf ingeleverd, voor zover van toepassing. Ing. W. Hoeve HOEVE ADVIES BV

Hoeve Advies

7

Overzicht emissie en dieraantallen d.d. 24-2-2020 Maatschap L., L.M. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD Stiens

Huidige milieuvergunning beschikking 25-10-2007 Stal

Rav cat.

Diersoort

1 1 3 4 Totaal

A.1.100 A.3.100 E.5.100 E.5.100

Melk- en kalfkoeien Jongvee 0-2 jaar Vleeskuikens Vleeskuikens

Aantal dieren 98 51 42.000 42.000

emissie Totaal geur OUE/dier/s

Aantal dieren 98 51 52 49 5 1 42.000 42.000 42.500

emissie Totaal geur OUE/dier/s

0,33 0,33

0,00 0,00 13.860,00 13.860,00 27.720,00

emissie kg emissie g Totaal kg NH3/dier ammoniak PM10/dier/jr 13,0 1.274,00 118 4,4 224,40 38 0,068 2.856,00 22 0,068 2.856,00 22 7.210,40

Totaal kg fijnstof 11,56 1,94 924,00 924,00 1.861,50

emissie kg emissie g Totaal kg NH3/dier ammoniak PM10/dier/jr 13,0 1.274,00 118,00 4,4 224,40 38,00 8,0 416,00 118,00 4,4 215,60 38,00 5,0 25,00 3,1 3,10 0,021 882,00 22,00 0,021 882,00 22,00 0,012 510,00 15,18

Totaal kg fijnstof 11,56 1,94 6,14 1,86 0,00 0,00 924,00 924,00 645,15

Beoogde situatie (aanvraag) Stal

Rav cat.

Diersoort

1 2 1A 1A 2 2 3 4 5

A.1.100 A.3.100 A.1.18 A.3.100 K.1.100 K.3.100 E.5.11 E.5.11 E.5.15 & E.7.6 E.5.15 & E.7.6

Melk- en kalfkoeien Jongvee 0-2 jaar Melk- en kalfkoeien BWL2012.04.V4 Jongvee 0-2 jaar Paarden, 3 jaar en ouder Pony, 3 jaar en ouder Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6

6 Totaal

42.500

0,33 0,33 0,33

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 13.860,00 13.860,00 14.025,00

0,33

14.025,00 55.770,00

0,012

510,00 4.942,10

15,18

645,15 3.159,80

Nummer systeem

BWL 2012.04.V4

Naam systeem

Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif

Diercategorie

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

Rav-code

A 1.18

Systeembeschrijving van

December 2018

Vervangt

BWL 2012.04.V3 van april 2017

Werkingsprincipe

De ammoniakemissiebeperking is gebaseerd op het versneld afvoeren van urine naar een gesloten gierafvoerbuis. Het versneld afvoeren van de urine wordt gerealiseerd door de vloer op afschot te leggen richting de gierafvoerbuis en te voorzien van urinesleuven met afschot. Vanuit de gierafvoerbuis wordt de urine afgevoerd naar een gesloten mestopslag. De mest van de vloer wordt frequent verwijderd door een mestschuif, waaraan een voorziening is aangebracht die ook de mest in de afvoerbuis verwijderd.

DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM

1a

Onderdeel

Uitvoeringseis

Vloer

-

-

-

-

1b

Loopgedeelte en doorlooppaden worden uitgevoerd met betonnen vloerplaten (minimaal 250 cm breed; variabele lengte) die op tenminste 1,5% afschot worden gelegd richting de gierafvoerbuis. De vloerplaten zijn voorzien van langs- en dwarssleuven die haaks op elkaar liggen en een tegelprofiel vormen. De langssleuven liggen op een onderlinge afstand van 50 mm. De afstand tussen de dwarssleuven is 90 mm. De sleufdiepte varieert van 6 tot 18 mm en de sleufbreedte van 12 tot 20 mm. Het profiel is uitgevoerd met een 0,5% hellend afschot naar het midden toe. De bovenkant van de vloerplaten, het loopoppervlak, is licht geprofileerd voor een betere beloopbaarheid. De vloerplaten worden met zelfverdichtend beton (ZVB) gestort en verhard in een mal, waardoor het oppervlak van de langs- en dwarssleuven zeer glad is. Daardoor wordt het aankoeken van de mest verminderd en de afvoer van de urine verbeterd. De vloerplaten worden aan de kopkant (dit is in het midden van de loopgangen) tussen de 25 en 40 mm uit elkaar gelegd, waardoor er een uitsparing ontstaat voor de kabel of ketting van de mestschuif. In de kopkanten van de vloerplaten is een inkassing van 70 x 30 mm aanwezig. Deze inkassing vormt samen met de uitsparing tussen de vloerplaten de gierafvoerbuis, waarin de afstromende urine wordt verzameld en afgevoerd.

Indien onder de gierafvoerbuis geen fundering of wand aanwezig is, wordt de onderkant van de vloerplaat ten opzichte van de gierafvoerbuis verbreed zodat een gesloten gierafvoerbuis ontstaat.

Uitgezonderd van deze eisen zijn de doorsteken, de wachtruimte en de doorlopen; deze hoeven niet te worden voorzien van boven beschreven systeem. Deze ruimten moeten echter wel emissiearm worden uitgevoerd door gebruik te maken van een ander in de Rav opgenomen emissiearm systeem dan wel een dichte vloer. In deze ruimtes mag de breedte van de vloerplaten kleiner zijn dan voor het betreffende emissiearme systeem is vereist, mits dit de emissiereducerende werking niet nadelig beïnvloedt.

1

2a

1

Mestkelder en mestafvoer

Onder de mestafstorten en eventueel onder de vloer in de doorsteken, wachtruimte en doorlopen (dit is afhankelijk van de gekozen vloeruitvoering) is een mestkelder aanwezig.

2b

De mest wordt afgevoerd naar een gesloten mestopslag. De urine wordt opgevangen in de gierafvoerbuis en eveneens afgevoerd naar die gesloten (mest)opslag. Deze opslag kan gecompartimenteerd zijn uitgevoerd, zodat de mest en urine apart van elkaar kunnen worden opgeslagen en verwerkt (primaire mestscheiding).

2c

Aan één of beide uiteinden van de loopgangen is in de vloer een afstort gemaakt voor de afvoer van de mest. Deze mestafstorten zijn voorzien van een zogenaamde brievenbussluiting, rubberen flappen of een andere voorziening die emissie vanuit de mestopslag zoveel mogelijk voorkomt.

2d

Wanneer tussentijdse mestafstorten worden gebruikt, bijvoorbeeld indien de schuifuitvoering dat noodzakelijk maakt of wanneer deze als noodvoorziening wordt geïnstalleerd, moeten deze afstorten worden voorzien van een zogenaamde brievenbussluiting, rubberen flappen, of een andere voorziening die de emissie vanuit de mestkelder zoveel mogelijk voorkomt. Bij een vaste mestschuif moet de mestafstort tenminste de lengte hebben van de naar voren gerichte mestgeleiders.

2e

Indien in de doorsteken, de wachtruimte en de doorlopen een ander emissiearm systeem wordt toegepast en daardoor extra emissie vanuit de kelder daaronder kan optreden (schoorsteeneffect), dient bij elke overgang van vloersysteem in de mestkelder een stankafsluitende voorziening te worden aangebracht.

3

Mestschuif

Voor afvoer van mest moet een vaste mestschuif zijn aangebracht voorzien van een aandrijfmechanisme en een tijdschakeling. De mestschuif dient als volgt te worden uitgevoerd: - Uitvoering 1 De mestschuif wordt met een kabel of touw getrokken. Aan de schuif zit een klepel, kogel of vergelijkbare voorziening waarmee ook mest in de uitsparing in het midden van de vloer en de holte (de gierafvoerbuis) wordt verwijderd. - Uitvoering 2 De mestschuif wordt met een ketting getrokken. De ketting is op een laag liggend punt aan de schuif bevestigd en loopt door de holte (de gierafvoerbuis) en verwijdert ook de daarin aanwezige mest. - Beide uitvoeringen: o De onderkant van de schuif (schraper) moet van kunststof of een gelijkwaardig materiaal zijn en dient zodanig te zijn uitgevoerd dat het loopoppervlak goed wordt gereinigd. o Onder in de gierafvoerbuis dient een slijtstrip of gietmortel toegepast te worden.

4a

4b

Emitterend vloeroppervlak

2

Het met mest besmeurd vloeroppervlak per dierplaats is maximaal 5,5 m . Dit oppervlak omvat de loopgangen, doorsteken, wachtruimte en doorlopen. Niet inbegrepen is het vloeroppervlak van de melkstal en de voerstoep (indien aanwezig). Voor de wachtruimte geldt dat deze niet meetelt bij het bepalen van het met mest besmeurd oppervlak, wanneer deze met een dichte vloer is uitgevoerd. Wanneer de wachtruimte op een andere wijze is uitgevoerd, telt het oppervlak wel mee bij het bepalen van het met mest besmeurd oppervlak per dierplaats.

1

Mestopslag kan plaatsvinden onder de vloer, zolang maar geen open verbinding aanwezig is tussen de ruimte onder en boven de vloer, of in een afgesloten buitenopslag.

2

5

Registratieapparatuur

-

Voor het registreren van het aantal schuifbewegingen dient een verzegelde bedrijfsurenteller aanwezig te zijn; Voor de waarborging van de schuiffrequentie dient een tijdklok aanwezig te zijn. Deze tijdklok dient daartoe de aansturing van de mestschuif te verzorgen.

HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM

a1

Onderdeel

Gebruikseis

Schuiffrequentie

De mest dient tenminste iedere twee uur van de vloer te worden verwijderd met de mestschuif.

a2 b1

Het met mestbesmeurde vloeroppervlak waar de mestschuif niet kan komen, dient minimaal twee keer per dag handmatig te worden gereinigd. Wachtruimte

b2

De gebruiksduur van de wachtruimte beperkt zich tot de melktijden. Buiten de melktijden worden in de wachtruimte geen dieren gehouden. Wanneer de wachtruimte buiten de melktijden wel beschikbaar is voor de dieren maakt deze deel uit van de loopruimte. In dat geval moet de wachtruimte wel worden meegeteld als onderdeel van het mest besmeurd vloeroppervlak. Na elk gebruik moet de wachtruimte direct worden gereinigd waarbij alle mest en urineplassen worden afgevoerd naar de mestkelder.

c

Onderhoud

De mestschuif inclusief de daaraan verbonden klepel, kogel of andere voorziening en de afdichtvoorzieningen in de mestafstorten dienen tenminste iedere twee maanden te worden gecontroleerd en onderhouden. Aanbevolen wordt voor de mestschuif een onderhoudscontract af te sluiten met de leverancier van de mestschuif / mestrobot of een andere deskundige partij.

d1

Controle en registratie

Om het gebruik van het systeem te controleren dient: - op de bedieningscomputer een terugleesoptie aanwezig te zijn waarmee de werking van de mestschuif gedurende de laatste drie maanden inzichtelijk kan worden gemaakt, of: - een verzegelde draaiurenteller te zijn geplaatst voor continue registratie van de bedrijfsuren van de aandrijfmotor van de mestschuif. De bedrijfsuren dienen maandelijks te worden afgelezen en geregistreerd zodat de schuiffrequentie terug te rekenen is.

d2

Er moet een logboek worden bijgehouden waarin wordt aangetekend wanneer en door wie de controle en het onderhoud van de mestschuif en de afdichtvoorzieningen in de mestafstorten heeft plaatsgevonden.

Emissiefactor

8 kg NH3 per dierplaats per jaar.

Verwijzing meetrapport

-

R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van proefstal Ondersteijn met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V.. R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van meetstal Theo Dieker met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V.. R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van meetstal Van den Akker met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V.. R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van meetstal Van Berkum met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V..

3

Bijlage 1: Detailtekeningen van de vloerelementen (inclusief afbeelding) en de gieropvang

4

NAAM: Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif

NUMMER: BWL 2012.04.V4 SYSTEEMBESCHRIJVING December 2018

5

Rav-nummer

BWL 2010.13.V7

Naam systeem

Stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar

Diercategorie

Vleeskuikens (E 5.11), (groot-) ouderdieren van vleeskuikens in opfok (E 3.8), ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken (F 1.7) en 6 tot 30 weken (F 2.7) en vleeskalkoenen (F 4.9)

Systeembeschrijving van

Januari 2020

Vervangt

BWL 2010.13.V6 van november 2017

Werkingsprincipe

Ammoniakemissiebeperking is gebaseerd op het drogen en verwarmen van de mest-/strooisellaag door middel van een onderhoudsvriendelijke warmtewisselaar in combinatie met: - continu draaiende circulatieventilatoren, of; - een in hoogte verstelbaar verdelersysteem met buizen op dierniveau. Met warme ventilatielucht vanuit de stal wordt in één of meer warmtewisselaar(s) verse lucht opgewarmd. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt bij het gebruik van circulatieventilatoren boven in de nok van stal gebracht. Vervolgens wordt deze lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht bovenin de stal en naar één of beide staluiteinden gestuwd. Via de topgevelwand(en) wordt de lucht terug over de strooisellaag geleid. Bij het gebruik van verdeelbuizen wordt de opgewarmde verse ventilatielucht via een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over de strooisellaag geleid. Door het mengen van de stallucht wordt een gelijkmatige temperatuur in de gehele stal bereikt. De mest/strooisellaag wordt gedroogd en de kooldioxide (CO2), andere gassen (o.a. ammoniak) en waterdamp worden bij de dieren afgevoerd.

DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; BOUWKUNDIG

1

Onderdeel

Uitvoeringseis

Stalvloeruitvoering

De totale stalvloerconstructie inclusief eventueel onderliggende zandlaag moet een warmteweerstand (Rc-waarde) hebben van minimaal 0,5.

DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel

Uitvoeringseis

2

Huisvestingsvorm

Volledig strooiselvloer

3

Drinkwater

Drinkwatervoorziening voorzien van antimorssysteem

4a

Verwarmings- en luchtcirculatiesysteem

Er moet sprake zijn van minimaal één warmtewisselaar die verse lucht opwarmt, voor één of twee stallen. Deze lucht wordt met circulatieventilatoren vermengd met in de nok van de stal aanwezige warme lucht of via een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over het strooisel geleid. Er dient aanvullende verwarming aanwezig te zijn om de gewenste staltemperatuur te bereiken. Dit kan zowel in de stal als bij de warmtewisselaar.

4b

Warmtewisselaar

Warmtewisselaar(s) kunnen zowel buiten naast de stal zijn opgesteld, als binnen in de stal zijn geplaatst. De warmtewisselaar warmt vers binnenkomende ventilatielucht op alvorens deze in de stal komt. Het thermische rendement van de wisselaar is minimaal 70% bij warmtevraag op basis van: ( T inblaas –T buiten ) x 100% (T = temperatuur) T afzuig – T buiten

4c 4d

De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt 0,35 m3 per dierplaats per uur (of minimaal 8 m 3 per m2 staloppervlak)1. Bij toepassing circulatieventilatoren

De lucht dient in de nok van de stal te worden gebracht. Bij opstelling van de warmtewisselaar buiten de stal kan dit door middel van een buis tot in de nok of door middel van een inblaassysteem met lamellen in de zijgevel en een luchtopvang in de nok van de stal. Bij de toepassing van meerdere warmtewisselaars verdeeld over de lengte van de stal, wordt bij de warmtewisselaar de verse lucht in dezelfde richting uitgeblazen als de lucht stromingsrichting van de circulatieventilatoren.

4e

De circulatieventilatoren worden bovenin de nok van de stal geplaatst op een onderlinge afstand van maximaal 20 meter en op maximaal 1,5 meter onder de nok van de stal. Deze circulatieventilatoren houden continu de luchtbeweging in de stal op gang.

4f

De minimale ventilatorcapaciteit van de circulatieventilatoren is minimaal 20 m 3 per m2 staloppervlak.

4g

Bij toepassing buizen

Bij gebruik van verdeelbuizen dient de lucht over de gehele lengte van de stal op dierniveau te worden verdeeld.

4h

De lucht dient via minimaal twee rijen in de lengte richting opgehangen horizontaal in hoogte verstelbare buizen verdeeld te worden. In de breedte van de stal is sprake van een evenredige verdeling van de buizen

4i

Het aantal buizen is volgens opgave leverancier. De buizen zijn aan weerszijden voorzien van gaatjes. Afstand, diameter en hoek volgens opgave van leverancier.

5

Registratieapparatuur

De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: - apparatuur voor het registreren van het aanstaan van de warmtewisselaar (urenteller); - apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuurcurve, binnen-, inblaas- en buitentemperatuur; - apparatuur voor het registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet in warmtewisselaar en ventilatorcapaciteit circulatieventilatoren

6

Capaciteit

Installatie in bestaande stallen: Te installeren capaciteit van de warmtewisselaar en aanvullende verwarming is minimaal 125 Watt per m 2 bij 35ºC omgevingstemperatuur. Capaciteit volgens opgave leverancier Nieuwbouw2: Te installeren capaciteit van de warmtewisselaar en aanvullende verwarming is minimaal 100 Watt per m 2 bij 35ºC omgevingstemperatuur. Capaciteit volgens opgave leverancier.

HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM a

Onderdeel

Gebruikseis

Leefoppervlak

Bij (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok tot 19 weken: Minimaal 900 cm2 en maximaal 1100 cm 2 per dier bij opzet (8,3 à 11,1 dieren per m2) Bij ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken:

1 Bij vleeskuikens kan een productiewijze worden toegepast waarbij kuikens in de stal uit het ei komen en daarna

opgefokt gedurende een beperkte periode in deze stal. Na de opfokperiode worden de dieren overgeplaatst naar een vervolghuisvesting. Deze productiewijze is, met bijbehorende leeftijden voor overplaatsen, vastgelegd in categorie E 5.9. Afhankelijk van de leeftijd van overplaatsen is de ventilatiebehoefte in de uitbroed/opfokstal mogelijk lager dan de hier gevraagde minimale capaciteit. In dat geval kan de geïnstalleerde capaciteit van de uitbroed/opfokstal worden aangehouden. 2 Als datum voor ‘nieuwbouw’ wordt 1 januari 2000 aangehouden. Stallen gebouwd voor die datum moeten voldoen aan de eis van bestaande stallen.

Minimaal 625 cm2 per dier bij opzet (16 dieren per m 2) Bij ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6-30 weken: Minimaal 1330 cm2 per dier bij opzet (7,5 dieren per m 2) Bij vleeskalkoenen: Mannelijke dieren: Minimaal 3330 cm 2/dier op 10 weken leeftijd (3,0 dieren per m2) Vrouwelijke dieren: Minimaal 2040 cm 2/dier op 10 weken leeftijd (4,9 dieren per m2) b1

Luchtstroming bij toepassing circulatieventilatoren

De lucht in het bovenste deel van de stal3 wordt via circulatieventilatoren via de eindgevel(s) naar beneden geleid en vervolgens goed verdeeld over het strooiseloppervlak geblazen

b2

Luchtstroming bij toepassing buizen

De opgewarmde verse ventilatielucht wordt via de buizen aan een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over het strooiseloppervlak geblazen. De hoogte van de buizen wordt versteld met de leeftijdscurve van de dieren variërend van minimaal 50 cm tot maximaal 150 cm. Tijdens het schoonmaken van de stal zijn de buizen tot aan het dak op te takelen.

c

Instelling temperatuurcurve

Minimaal de eerste 12 dagen van een ronde kan de warmtewisselaar in de volledige minimum ventilatiebehoefte van een stal voorzien. In deze periode zijn de reguliere ventilatieopeningen gesloten en wordt alle ventilatielucht via de wisselaar af- en aangevoerd. De verwarming wordt ingeschakeld naarmate er behoefte is aan extra warmte in de stal, hiervoor wordt de temperatuurcurve gevolgd.

d

Instelling ventilator in warmtewisselaar wanneer er verwarmd wordt

De hoeveelheid afgevoerde lucht wordt gemeten met een meetwaaier. De verwarming wordt ingeschakeld wanneer de ruimtetemperatuur 0,5 C onder de temperatuurcurve komt. De ventilator in de warmtewisselaar draait bij plaatsing van de dieren op minimum niveau en gaat 100% draaien wanneer de ventilatiebehoefte van de dieren hierom vraagt. De afzuigventilator volgt hierbij de inblaas ventilatie curve.

e

Instelling ventilator in wisselaar wanneer er niet verwarmd wordt

Wanneer er geen extra warmtebehoefte is en er dus niet bij verwarmd wordt via de warmtewisselaar, mag de capaciteit worden terug geregeld tot maximaal 50% van de ventilatorcapaciteit. De wisselaar mag worden uitgeschakeld als het temperatuurverschil tussen de streefwaarde van de stal en buitentemperatuur kleiner is dan 12 oC of als de dieren ouder zijn dan 4 weken.

f1

Instelling bij toepassing circulatieventilatoren

De circulatieventilatoren draaien bij plaatsing van de dieren op minimaal 20% van de capaciteit bij regulier gehouden dieren. Bij een lagere bezetting vanaf opzet vanwege welzijnseisen, kan de capaciteit naar rato van deze bezetting worden aangepast4. De capaciteit wordt evenredig met het toenemen van de stalventilatie opgevoerd naar 100%.

f2

Instelling bij toepassing buizen

De beluchting via de warmtewisselaar wordt gestart vanaf dag 1 en volgt de minimale ventilatie behoefte van de dieren van 10% naar 100% van de capaciteit. Na het bereiken van de maximum ventilatiecapaciteit van de warmtewisselaar dient de inblaascapaciteit gedurende de rest van de periode gelijk te blijven.

g

Registratie

Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: - het aan staan van de warmtewisselaar en de ventilator(en) hiervan; - het aan staan van de circulatieventilatoren en het verloop over een ronde. Dit om vast te stellen dat er continu voldoende drooglucht over het strooiselbed wordt geblazen;

3

Het betreft hier de lucht onder het dak/de nok van de stal. De lucht is aldaar warmer dan elders in de stal. Voorbeeld: De capaciteit van 20 m³/m²/uur is vastgesteld op basis van de metingen bij 24 vleeskuikens/m². Bij een bezetting van 15 dieren/m² bij opzet kan de capaciteit bij minimuminstelling worden verlaagd naar 15/24 x 20% = 12,5%. Omgerekend wordt dit dan 2,5 m³/m²/uur i.p.v. 4 m³/m²/uur. 4

- de temperatuurcurve. Emissiefactor

Vleeskuikens (inclusief scharrel en biologisch): 0,021 kg NH3 per dierplaats per jaar (Groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok tot 19 weken: 0,077 kg NH3 per dierplaats per jaar Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken: 0,05 kg NH3 per dierplaats per jaar Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6-30 weken: 0,15 kg NH3 per dierplaats per jaar Vleeskalkoenen: 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar

Verwijzing meetrapport

Emissiemetingen stalsystemen met Agro Clima Unit (ECN-E-10-087, september 2010) Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee; Advies voor aanpassing van ammoniak emissiefactoren van pluimvee in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Wageningen Livestock Research, Rapport 1015

Voorbeeldtekeningen:

Plattegrond en dwarsdoorsnede bij toepassen van warmtewisselaar en circulatieventilatoren: A) plaatsing van warmtewisselaar buiten de stal en inbrengen lucht via buis naar de nok van de stal (buis kan eventueel ook aan de binnenzijde van het dak worden aangebracht). B) plaatsing warmtewisselaar in de stal (aantal is afhankelijk van benodigde capaciteit). C) inbrengen lucht vanuit de warmtewisselaar met lamellen in zijgevel en opvang in de nok.

Voorbeeld van lamellen (Louvre-systeem) in zijgevel en luchtopvang in de nok.

D)

E) Bij toepassen van compacte warmtewisselaars in de stal met circulatieventilatoren: D) principeschets compacte warmtewisselaar met horizontale uitblaas. E) afbeelding stal met compacte warmtewisselaars en circulatieventilatoren.

Plattegrond en dwarsdoorsnede bij toepassen van warmtewisselaar met buizen systeem: A) plaatsing van warmtewisselaar buiten de stal. B) plaatsing van warmtewisselaar in de stal.

Naam: Stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar

Nummer: BWL 2010.13.V7 Systeembeschrijving: Januari 2020

Rav-nummer

BWL2017.01.V2

Naam systeem

Stal met buizenverwarming

Diercategorie

Vleeskuikens (E 5.15), (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok (E 3.9) en ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; tot 6 weken (F 1.8)

Systeembeschrijving van

Juli 2018

Vervangt

BWL2017.v1 van november 2017

Werkingsprincipe

De ammoniakemissie wordt gereduceerd door het drogen van het strooisel met warme lucht en het afvoeren van verdampt vocht met opgewarmde lucht. Bij dit systeem wordt gebruik gemaakt van de thermische opstijging van warme lucht van de verwarmingsbuizen welke aan de binnenzijde van de zijmuren van de stal zijn geplaatst. De warmte van de warmtebuizen stijgt op door thermiek en beweegt zich samen met de binnenkomende lucht van de luchtinlaatventielen langs het plafond naar het midden van de stal. Daar komen de luchtstromen van beide zijden van de stal samen en bewegen naar omlaag en vervolgens terug naar de zijmuren. De opgewarmde lucht kan vocht opnemen welke uit het strooisel verdampt. Een deel van de stallucht wordt afgezogen zodat het verdampte vocht uit de stal direct wordt afgevoerd. Door de uniforme warmteafgifte van de warmtebuizen over het gehele staloppervlak wordt er bewerkstelligd dat er een uniforme droging van het strooisel plaatsvindt.

DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; BOUWKUNDIG

1

Onderdeel

Uitvoeringseis

Vloeruitvoering

De totale stalvloerconstructie inclusief eventueel onderliggende zandlaag moet een warmteweerstand (Rc-waarde) hebben van minimaal 0,5.

DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel

Uitvoeringseis

2

Huisvestingsvorm

Volledig strooiselvloer

3

Drinkwater

Drinkwatervoorziening voorzien van antimorssysteem

4a

Verwarmings- en ventilatiesysteem

Er moet verbrandingstoestel aanwezig zijn die niet in de stalruimte van de dieren is geplaatst. Het warmwater vanuit het verbrandingstoestel dient via een buizensysteem (warmtebuizen) in de stal te worden gebracht.

1

4b

De warmtebuizen zijn gesitueerd aan de binnenzijde van de zijmuren bij de inlaatventielen.

4c

Vorm en dikte van de warmtebuizen volgens opgave leverancier.

5

Registratieapparatuur

De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: - apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuurcurve; - apparatuur voor registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet; - apparatuur voor registreren van de luchtvochtigheid in de stal.

6a

Capaciteit nieuwbouw

De dimensionering van het verbrandingstoestel en de warmtebuizen moet 2 aansluiten bij de gevraagde capaciteit van minimaal 100 W/m of bij de te installeren totale capaciteit die nodig is volgens de warmtebalansberekening. De te installeren totale warmtecapaciteit kan met een warmtebalansberekening worden bepaald.

1

Het gaat er om dat lucht kan worden opgewarmd en dat deze lucht wordt verdeeld. Het verbrandingstoestel staat in een afzonderlijke ruimte. Het afvoerkanaal voor de afvoer van rookgassen dient naar buiten de stal te zijn.

6b

Capaciteit bestaande stallen

De dimensionering van het verbrandingstoestel en de warmtebuizen moet 2 aansluiten bij de gevraagde capaciteit van minimaal 125 W/m of bij de te installeren totale capaciteit die nodig is volgens de warmtebalansberekening. De te installeren totale warmtecapaciteit kan met een warmtebalansberekening worden bepaald.

HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM Onderdeel

Gebruikseis

a

Leefoppervlak

Bij (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok tot 19 weken: minimaal 900 cm² en maximaal 1.100 cm² per dier bij opzet (8,3 à 11,1 dieren per m ²).

b

Luchtstroming

De warmte stijgt op door de thermiek en beweegt zich samen met de binnenkomende lucht van de luchtinlaatventielen langs het plafond naar het midden van de stal. Daar komen de luchtstromen van beide zijden van de stal samen en bewegen naar omlaag en vervolgens terug naar de zijmuren.

c1

Luchtvochtigheid

De luchtvochtigheid in de stal dient permanent te worden gemeten met een luchtvochtigheidssensor welke aangesloten zit op de klimaatcomputer. Wanneer de vochtigheid van het strooisel oploopt en daardoor de stalluchtvochtigheid, dient de computer hierop te reageren door temperatuur van het water in de buizenverwarming te verhogen zodat er meer vocht in de stal wordt verdampt en afgevoerd via het ventilatiesysteem.

c2

De luchtvochtigheid mag maximaal 75% zijn.

d

Instelling temperatuurcurve

De verwarming wordt ingeschakeld naar mate er behoefte is aan extra warmte in de stal, hiervoor wordt de temperatuurcurve gevolgd.

e

Registratie

Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: - de temperatuurcurve; - het gerealiseerde ventilatiedebiet; de gerealiseerde luchtvochtigheid.

Emissiefactor

Vleeskuikens: 0,012 kg NH3 per dierplaats per jaar (Groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok: 0,044 kg NH3 per dierplaats per jaar Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok: 0,03 kg NH3 per dierplaats per jaar

Verwijzing meetrapport

 

Onderzoek ammoniakemissie aan vleeskuikenstallen met buizenverwarming (BL2016.6349.02-V11, september 2016) Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee; Advies voor aanpassing van ammoniak emissiefactoren van pluimvee in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Wageningen Livestock Research, Rapport 1015

NAAM: Stal met buizenverwarming

NUMMER: BWL 2017.01.V2 SYSTEEMBESCHRIJVING: juli 2018

Nummer systeem

BWL 2011.02.V6

Naam systeem

Warmtewisselaar; 31% reductie fijnstof (PM10)

Diercategorie

Additionele technieken voor emissiereductie van fijn stof bij de diercategorieën E, F en G

Systeembeschrijving van

Januari 2020

Vervangt

BWL 2011.02.V5 van maart 2019

Werkingsprincipe

De wisselaar zorgt ervoor dat er warme ventilatielucht vanuit de stal verse lucht opwarmt. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt in de stal uitgeblazen. Voor menging van de warme lucht met de aanwezige stallucht kan per diercategorie en huisvestingsysteem een andere techniek worden toegepast. Variant A In het condensatievocht dat zich vormt op de pakketten in de wisselaar blijft stof achter. Samen met aanhechting van stof aan de wanden van de kanalen resulteert dit in een reductie van de emissie van fijnstof. Variant B en variant C De lucht uit de stal wordt gefilterd door filters met een verwijderingsrendement van 99% voor stof met een diameter van ≥10 micrometer voordat deze door de warmtewisselaar gaat.

DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel

Uitvoeringseis

1

Huisvestingsvorm

Afhankelijk van diercategorie en huisvestingssysteem

2

Verwarmings- en luchtcirculatiesysteem

Er moet sprake zijn van minimaal één onderhoudsvriendelijke warmtewisselaar die verse lucht opwarmt. Deze lucht wordt vermengd met lucht in de stal. Bij jonge dieren dient aanvullende verwarming aanwezig te zijn om de gewenste staltemperatuur te bereiken.

3a

Warmtewisselaar

Warmtewisselaar(s) kunnen zowel buiten naast de stal zijn opgesteld, als binnen in de stal zijn geplaatst. De warmtewisselaar warmt vers binnenkomende ventilatielucht op alvorens deze in de stal komt. Het thermische rendement van de wisselaar is minimaal 70% bij warmtevraag op basis van: ( T inblaas –T buiten ) x 100% (T = temperatuur) T afzuig – T buiten

3b

Variant A; omschrijving

De warmtewisselaar is uitgevoerd volgens het tegenstroomprincipe. In een kast van isolerend materiaal zijn kunststof kanalen geplaatst. Bij een binnen geplaatste warmtewisselaar is een geïsoleerde omkasting niet vereist. De kanalen zijn minimaal 7 m lang. De binnenkomende (koude) lucht stroomt door de kanalen. De uitgaande (warme) stallucht stroomt langs de buitenkant van de kanalen.

3c

Variant A; debiet

De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt bij: - opfokleghennen; 0,4 m3/dier/uur - leghennen; 1,0 m3/dier/uur - opfokvleeskuikenouderdieren; 1,0 m3/dier/uur - vleeskuikenouderdieren; 1,5 m3/dier/uur - vleeskuikens; 1,0 m3/dier/uur 1 - vleeskalkoenen, hennen; 3 m3/dier/uur - vleeskalkoenen, hanen; 6,2 m3/dier/uur - vleeseenden; 2,3 m3/dier/uur De capaciteit betreft de uitgaande luchtstroom.

3d

Variant B1; omschrijving

De warmtewisselaar(s) is (zijn) uitgevoerd volgens het kruisstroomprincipe. In een geïsoleerde omkasting zijn lamellen voor warmte-uitwisseling en droge stoffilters geplaatst. Bij binnen geplaatste warmtewisselaars is een geïsoleerde omkasting niet vereist. Na de stoffiltering wordt de afgevoerde lucht door de warmtewisselaar geleid.

3e

Variant B2; omschrijving

De uitvoering van de warmtewisselaar is gelijk aan variant A, maar voordat de lucht door de warmtewisselaar gaat wordt deze gereinigd in droge stoffilters.

3f

Variant C omschrijving

De compacte kruisstroomwisselaar(s) is (zijn) geplaatst voor de in het dakvlak aanwezige ventilator(en). Voor de wisselaar is een droge stoffilter aanwezig.

3g

Variant B en variant C; aantal en oppervlakte filters

Het aantal of de oppervlakte van de filters is afgestemd op de capaciteit die door de warmtewisselaar gaat, volgens opgave leverancier.

3h

Variant B en variant C; type filters

De droge stoffilters hebben een verwijderingsrendement (op massabasis) van minstens 99% voor stof met een diameter van ≥10 micrometer. Dit verwijderingsrendement blijkt uit een bij de filters afgegeven certificaat.

3i

Variant B en variant C; reiniging filters

Voor het regelmatig reinigen van de droge stoffilters is een persluchtinstallatie aanwezig. Bij het gebruik van een compacte warmtewisselaar (variant C) hoeft deze persluchtinstallatie niet aanwezig te zijn1.

3j

Variant B en variant C; debiet

De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt bij: - opfokleghennen; 0,35 m3/dier/uur - leghennen; 0,85 m3/dier/uur - opfokvleeskuikenouderdieren; 0,85 m3/dier/uur - vleeskuikenouderdieren; 1,2 m3/dier/uur - vleeskuikens; 0,75 m3/dier/uur 2 - vleeskalkoenen, hennen; 2,5 m3/dier/uur - vleeskalkoenen, hanen; 5,3 m3/dier/uur - vleeseenden; 1,9 m3/dier/uur De capaciteit betreft de uitgaande luchtstroom.

4

Registratieapparatuur

De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: apparatuur voor het registreren van het aanstaan van de warmtewisselaar (urenteller); apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuur(curve), binnen-, inblaas- en buitentemperatuur; apparatuur voor het registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet in warmtewisselaar en eventueel aanwezige filters apparatuur voor het registreren van de schoonmaakfrequentie van de filters (alleen variant B)

Bij deze uitvoering is ook een voorfilter geïnstalleerd, zodat reiniging van de filters daarna tijdens de ronde niet nodig is. 2 Bij vleeskuikens kan een productiewijze worden toegepast waarbij kuikens in de stal uit het ei komen en daarna opgefokt gedurende een beperkte periode in deze stal. Na de opfokperiode worden de dieren overgeplaatst naar een vervolghuisvesting. Deze productiewijze is, met bijbehorende leeftijden voor overplaatsen, vastgelegd in categorie E 5.9. Afhankelijk van de leeftijd van overplaatsen is de ventilatiebehoefte in de opfokstal mogelijk lager dan de hier gevraagde minimale capaciteit. In dat geval kan de geïnstalleerde capaciteit van de opfokstal worden berekend met de formule: y = 0,1363*e0,0908x (waarin y = te installeren debiet en x is leeftijd van overplaatsen in dagen, e staat voor ‘exponentiele functie’ en heeft de afgeronde waarde 2,7183). 1

HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM

a

Onderdeel

Gebruikseis

Instelling capaciteit warmtewisselaar

Dieren met verwarmingsbehoefte: Ingaande luchtstroom; Zolang er een warmtebehoefte is in de stal, is de ventilator ingeschakeld. Het debiet wordt aangestuurd op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. Als er geen verwarming (meer) nodig is, mag deze ingaande luchtstroom worden uitgeschakeld. Uitgaande luchtstroom; De ventilator voor de uitgaande luchtstroom is gedurende de gehele productieperiode ingeschakeld. De capaciteit van de uitgaande luchtstroom wordt gestuurd op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. De uitgaande luchtstroom wordt in de periode dat er verwarming nodig is gelijk gehouden aan die van de ingaande luchtstroom. Bij toenemende ventilatiebehoefte, als er geen verwarming nodig is, neemt de capaciteit van de uitgaande luchtstroom toe tot de maximale capaciteit van de warmtewisselaar. Dieren zonder verwarmingsbehoefte: Ingaande luchtstroom; De ingaande luchtstroom is afgestemd op de eisen ten aanzien van de beluchting. Uitgaande luchtstroom; De ventilator voor de uitgaande luchtstroom is gedurende de gehele productieperiode ingeschakeld. De capaciteit van de uitgaande luchtstroom wordt gestuurd tot de maximale capaciteit van de warmtewisselaar op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. Het debiet is minimaal gelijk aan de ingaande luchtstroom.

b

Reiniging variant A

De buitenzijde van de kunststofkanalen in de wisselaar moeten na iedere ronde en minimaal één keer per twee maanden worden gereinigd.

c

Reiniging variant B en variant C

Bij groeiende dieren: Vanaf 10 dagen na opzetten van de dieren dienen de filters minimaal 1 keer per dag automatisch worden gereinigd met de persluchtinstallatie. Bij het gebruik van een warmtewisselaar waarbij elke droge stoffilter een eigen ventilator heeft, mag de automatische reiniging ook plaatsvinden door de ventilator kortstondig andersom te laten draaien. Na 20 dagen dient dit minimaal 2 keer per dag plaats te vinden. Bij volwassen dieren: Minimaal 2 keer per dag reinigen. Na elke ronde dienen de filters met water worden gereinigd evenals de ruimte onder de filters.

d

Vervanging filters

Om een goed verwijderingsrendement te garanderen worden de filters na 5 jaar ieder jaar getest op het verwijderingsrendement, of de filters worden iedere 5 jaar vervangen.

e1

Registratie

Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: het aan staan van de warmtewisselaar en de ventilator hiervan; de temperatuur(curve); het aanstaan van de filterreinigingsinstallatie (alleen variant B).

e2

Registratie variant B en variant C

Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten verder de volgende gegevens worden geregistreerd: datum in gebruik name van de filters; vervangingsdatum van de filters, of; rapport waaruit na 5 jaar gebruik blijkt dat verwijderingsrendement ≥99% is voor PM10.

Werkingsresultaat

Emissiereductie fijnstof (PM10) van 31% ten opzichte van de emissiefactor van het stalsysteem waarmee het wordt gecombineerd.

Verwijzing meetrapport

Rapport 621; Maatregelen ter vermindering van fijnstofemissie uit de pluimveehouderij: validatie van een warmtewisselaar op vleeskuikenbedrijven Rapport 657; Emissies uit een vleeskuikenstal met strooiselbeluchting en warmtewisselaar. Meetprogramma Integraal Duurzame Stallen

Principeschets warmtewisselaar

Variant A

Variant B1

Variant B2

Variant C Naam: Warmtewisselaar; 31% reductie fijnstof

Nummer: BWL 2011.02.V6 Systeembeschrijving: Januari 2020

Gegenereerd op: 4-03-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Huidige situatie (vergund) Gemaakt op: 4-03-2020 9:32:28 Rekentijd: 0:00:16 Naam van het bedrijf: De Boer - Harnsterdyk 7 HS vergund Berekende ruwheid: 0,06 m Meteo station: Schiphol Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1 2

Stal 3 42.000 st Stal 4 42.000 st

181 377 181 376

587 371 587 398

1,0 1,0

1,5 1,5

3,66 3,66

0,40 0,40

13 860 13 860

Geur gevoelige locaties: Volgnummer 3 4 5 6 7 8 9

GGLID Harnsterdyk 8 Harnsterdyk 10 Harnsterdyk 13 Harnsterdyk 2 Harnsterdyk 6 Truenterdyk 12a Wilde Seringhôf 12

Xcoordinaat 181 545 181 786 181 470 180 802 181 363 181 137 180 443

Ycoordinaat 587 435 587 763 587 866 587 851 587 066 586 582 586 913

Geurnorm 8,0 8,0 8,0 8,0 8,0 2,0 2,0

Geurbelasting 10,2 2,4 3,9 1,6 5,2 0,8 0,8

Gegenereerd op: 4-03-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Beoogde situatie (aanvraag) Gemaakt op: 4-03-2020 9:36:55 Rekentijd: 0:00:16 Naam van het bedrijf: De Boer - Harnsterdyk 7 TS beoogd Berekende ruwheid: 0,06 m Meteo station: Schiphol Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1 2 3 4

Stal 3 42.000 st Stal 4 42.000 st Stal 5 42.500 st Stal 6 42.500 st

181 378 181 376 181 333 181 332

587 370 587 400 587 432 587 466

4,0 4,0 6,3 6,3

4,3 4,3 5,5 5,5

2,17 2,17 2,06 2,06

7,50 7,50 8,50 8,50

13 860 13 860 14 025 14 025

Geur gevoelige locaties: Volgnummer 5 6 7 8 9 10 11

GGLID Harnsterdyk 8 Harnsterdyk 10 Harnsterdyk 13 Harnsterdyk 2 Harnsterdyk 6 Truenterdyk 12a Wilde Seringhôf 12a

Xcoordinaat 181 545 181 786 181 470 180 802 181 363 181 137 180 443

Ycoordinaat 587 435 587 763 587 866 587 851 587 066 586 582 586 913

Geurnorm 8,0 8,0 8,0 8,0 8,0 2,0 2,0

Geurbelasting 7,0 1,5 2,8 0,7 2,8 0,5 0,5

Gebouwkenmerken huidige situatie (vergund) d.d. 22-2-2019 gebouw functie goothoogte (m) nokhoogte (m) gem.hoogte (m) lengte (m) breedte (m) aantal dieren RAV-nummer OUE p.d.p.s. Totaal geur kg NH3 p.d.p.j. kg NH3 totaal PM10 g p.d.p.j totaal kg fijnstof ventilatie EP EP gem. hoogte (m) EP gem. Ø (m) EP uittreesnelheid (m/s)

1 melk- en kalfkoeien 2,50 7,23 4,87 48,00 26,00 98 A 1.100 n.v.t. n.v.t. 13,000 1.274,00 148 14,50 natuurlijke vent. middelpunt 1,50 0,50 0,40

1 jongvee 2,50 7,23 4,87 48,00 26,00 51 A 3.100 n.v.t. n.v.t. 4,400 224,40 38 1,94 natuurlijke vent. middelpunt 1,50 0,50 0,40

3 vleeskuikens 2,50 6,38 4,44 80,00 20,00 42.000 E 5.100 0,33 13.860 0,080 3.360,00 22 924,00 centraal EP eindgevel 1,00 3,66 0,40

4 vleeskuikens 2,50 6,38 4,44 80,00 20,00 42.000 E 5.100 0,33 13.860 0,080 3.360,00 22 924,00 centraal EP eindgevel 1,00 3,66 0,40

Ventilatiekenmerken pluimvee huidig (vergund) in het kader van V-stacks berekeningen

Centraal emissiepunt totale diameter bij centraal emissiepunt: bij gebundelde ventilatoren of lengteventilatie

Stal 3 en 4: lengteventilatie centr.emissiepunt Aantal dieren Standaardventilatie p.dier Aantal m3 Aantal m3/sec Pi Diameter ventilator en capaciteit 0,50 0,70 0,92 1,38 Totaal doorstroomoppervlak

42.000 vleeskuikens 2,4 OU/dier 0,33 100.800 OU totaal 13.860,0 28,00 3,14 Aantal Doorstroomoppervlak m3/st Vent.cap 0 0,20 0,00 7.400 0 4 0,38 1,54 15.000 60.000 0 0,66 0,00 21.000 0 6 1,50 8,97 36.000 216.000 10 10,51 m2 276.000 m3

Fictieve straal Fictieve diameter Vertikale luchtsnelheid a.g.v. horizontale worp

1,83 m 3,66 m 0,40 m/s

6,6 m3/dier

Beide stallen voorzien van ventilatiegeleidekap waardoor de lucht op 1,0 m boven maaiveld wordt uitgeblazen; hiertoe dient in V-Stacks een gemiddelde gebouwhoogte van 1,5 m te worden gehanteerd.

Gebouwkenmerken beoogde situatie (aanvraag) d.d. 24-2-2020 gebouw functie goothoogte (m) nokhoogte (m) gem.hoogte (m) lengte (m) breedte (m) orientatie (°) aantal dieren RAV-nummer OUE/dier/s OUE totaal NH3 p.d. NH3 totaal g PM10/dier/jr totaal kg fijnstof EP EP gem. hoogte (m) EP gem. Ø (m) EP uittreesnelheid (m/s)

1 rundveestal 2,25 6,77 4,51 48,00 26,00 2,00 98 st melkvee 51 st jongvee A 1.100 en A 3.100 n.v.t. n.v.t. 13,0 en 4,4 1.498,40 118 en 38 13,50 midden gebouw open nok 6,77 0,50 0,40

1A rundveestal (uitbreiding) 2,25 6,77 4,51 32,10 26,00 2,00 52 st melkvee 49 st jongvee A 1.18 en A 3.100 n.v.t. n.v.t. 8,0 en 4,4 631,60 118 en 38 8,00 midden gebouw open nok 6,77 0,50 0,40

2 paardenstalling 2,60 2,60 2,60 12,20 2,40 92,00 5 paarden en 1 pony K 1.100 en K 3.100

5,0 en 3,1 28,10

midden gebouw openingen zijgevel 1,3 0,50 0,40

Gebouwkenmerken beoogde situatie (aanvraag) d.d. 24-2-2020 gebouw functie goothoogte (m) nokhoogte (m) gem.hoogte (m) lengte (m) breedte (m) orientatie (°) aantal dieren RAV-nummer OUE/dier/s OUE totaal NH3 p.d. NH3 totaal g PM10/dier/jr totaal kg fijnstof EP

3 vleeskuikenstal 2,50 6,10 4,30 80,00 26,47 2,00 42.000 E 5.11 0,33 13.860 0,021 882,00 22,00 924,00 gew.gem. EP eindgevel en wisselaar EP gem. hoogte (m) 4,03 EP gem. Ø (m) standaardventilatie 2,17 EP uittreesnelheid (m/s) 7,50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=5216cfad-a369-457c-8feb-c03bb0ee5b9c