BIJLAGE_BREF_en_BBT_pluimvee
Tekst van het document
Toelichting BREF en BBT-maatregelen pluimveehouderij d.d. 24 februari 2020 Initiatiefnemer Maatschap L., L.M. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD STIENS Richtlijn Industriële Emissies (RIE) (voorheen: IPPC-richtlijn) De Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU) is de opvolger van de IPPC-richtlijn (Europese Richtlijn 96/61/EG) inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), en verplicht de lidstaten van de EU om grote milieuvervuilende bedrijven te reguleren middels een integrale vergunning gebaseerd op de beste beschikbare technieken. Bedoelde richtlijn geldt onder andere voor veehouderijen met 40.000 stuks pluimvee, 2.000 vleesvarkens en 750 zeugen. Artikel 6, tweede lid van de Wav bepaalt dat een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd moet worden, als die veehouderij onder de reikwijdte van de Europese IPPC-richtlijn valt en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven door de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt. In Nederland is de richtlijn in de Wet milieubeheer (Wm), in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) geïmplementeerd. Verder is er inzake deze richtlijn een verwijzing gemaakt naar het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderijen.
Beoordeling BBT De eisen in de milieuvergunning moeten gebaseerd worden op de toepassing van BBT. Wat BBT is, wordt vastgesteld op grond van de individuele bedrijfssituatie. Hierbij wordt uitgegaan van een aantal overwegingen genoemd in art. 5.a.1 van de Ivb (gebaseerd op bijlage IV van de IPPC-richtlijn). In het tweede lid onder a worden de door de Commissie van de Europese Gemeenschap bekendgemaakte BBT-referentiedocumenten (hierna: BREF) genoemd. Voor intensieve pluimvee- of varkenshouderijen die onder de werking van de IPPC-richtlijn vallen is er in 2003 een BREF opgesteld (Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Pigs and Poultry, juli 2003). Op 30 juli 2007 heeft het ministerie van VROM de “oplegnotitie” bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij vastgesteld. Hierin worden het toepassingsgebied (reikwijdte en inhoud) van de BREF en de relatie tussen de BREF en de relevante Nederlandse regelgeving beschreven. De oplegnotitie moet in samenhang met de BREF worden gelezen. In 2017 is het Europese BBT-referentiedocument (BREF) geupdated. Het is in juli 2017 gepubliceerd op de website van European Integrated Pollution Prevention and Control Bureau (EIPPCB). Het document hoort bij de BBT-conclusies intensieve pluimvee- en varkenshouderij.
Hoeve Advies
1
BREF De BREF gaat in op de volgende activiteiten: Algemene BBT-conclusies a. Milieubeheersystemen b. Goede bedrijfspraktijken c. Voedingsbeheer d. Efficiënt gebruik van water e. Emissies uit afvalwater f. Efficiënt gebruik van energie g. Geluidsemissies h. Stofemissies i. Geuremissies j. Emissies uit opslag van vaste mest k. Emissies uit opslag van drijfmest l. Verwerking van mest op de boerderij m. Mest uitrijden BBT-conclusies voor intensieve pluimveehouderij n. Ammoniakemissie uit stallen
a. Milieubeheersystemen Er is geen aanleiding een milieubeheersysteem in te voeren. Het bedrijf neemt deel aan IKB Kip. IKB Kip is een kwaliteitszorgsysteem in de Nederlandse pluimvee(vlees)sector. Het systeem garandeert de productie van veilig pluimveevlees. IKB Kip omvat de totale productiekolom, zoals pluimveehouderijen, verwerkende bedrijven en verkooppunten. Voor elke schakel zijn IKB-normen vastgesteld. Aan de regeling kan op vrijwillige basis worden deelgenomen. Bedrijven die volgens de IKB Kip-regeling zijn gecertificeerd, worden gecontroleerd op het werken volgens deze normen. De IKB controles omvatten onder andere administraties en bedrijfsvoering, huisvesting en stalsystemen, diervoeding, medicijngebruik, diergezondheid, aan- en afvoer van dieren, transport, productveiligheid en hygiëne. b. Goede bedrijfspraktijken Volgens de BREF is goede bedrijfsvoering bij intensieve varkens- of pluimveehouderijen een essentieel onderdeel van de beste beschikbare technieken. Dit omvat onder andere de verplichting een boekhouding bij te houden van water- en energieverbruik, de hoeveelheden veevoer, het geproduceerde afval en de op het land gebrachte mest. Daarnaast zijn een goede planning van activiteiten op het bedrijf en scholing voor medewerkers van belang. c. Voedingsbeheer Het mengvoer wordt betrokken van een GMP-erkende voerleverancier. Het is een droogvoer.
Er wordt geen brijvoer verstrekt of op het bedrijf opgeslagen. Het mengvoer wordt opgeslagen in voersilo’s en van daaruit middels vijzels en een voerweger in de stal gebracht. Zowel de voersoort als de voerhoeveelheid wordt optimaal afgestemd op de behoeften van de dieren in de diverse productiestadia.
Hoeve Advies
2
d. Efficiënt gebruik van water In de pluimveehouderij wordt water gebruikt voor schoonmaakactiviteiten en voor het drinken van de dieren. Reductie van het drinkwaterverbruik wordt niet realistisch geacht. Bij activiteiten waarbij water wordt gebruikt, houdt BBT in dat het waterverbruik wordt verminderd door al het onderstaande te doen: Het regelmatig ijken van de drinkwaterinstallatie om verspilling te voorkomen Het meten en bijhouden van het watergebruik Het opsporen en repareren van lekken Het waterverbruik is ca. 7,5 liter per dier per ronde inclusief reiniging ofwel ca. 9.500 m3 per jaar. Het meeste water wordt gebruikt als drinkwater voor de vleeskuikens. In de pluimveestal worden drinknippels gebruikt. Hiermee vermorsen de dieren minder water dan met drinkgoten of ronde drinkbakken. Met het oog op BBT wordt het waterverbruik verminderd door: Zoveel mogelijk “droog” schoonmaken van stallen en materieel na iedere ronde Het meten en bijhouden van het watergebruik Waterslot bij stroomuitval Het tijdig opsporen en repareren van lekken
e. Emissies uit afvalwater Het reinigingswater uit de stallen wordt opgevangen in een spoelwaterkelder en periodiek over het land uitgereden. f. Efficiënt gebruik van energie De informatie in de BREF over het energieverbruik in de pluimveehouderij spitst zich vooral toe op de verwarming en ventilatie van de huisvesting. In de pluimveehouderij wordt energie verbruikt ten behoeve van verwarming, verlichting, ventilatie en beluchting. BBT in dit kader is het verminderen van het energieverbruik door een goede landbouwpraktijk toe te passen, te beginnen met de stalinrichting en door stallen en materieel op de juiste manier te gebruiken en te onderhouden. Binnen de normale bedrijfsvoering zijn er allerlei maatregelen mogelijk om de energiebehoefte te verminderen. Hieronder worden enkele specifieke BBT-maatregelen genoemd. BBT voor pluimveestallen houdt in dat tenminste de onderstaande maatregelen worden getroffen om het energieverbruik te verminderen: Het isoleren van de gebouwen in gebieden met lage omgevingstemperaturen. Het optimaliseren van het ontwerp van het ventilatiesysteem in iedere stal om te zorgen voor een goede temperatuurbeheersing en minimale ventilatiegraad in de winter. Recirculatie van de warme lucht t.b.v. egale temperatuursverdeling om minder te stoken. Inzet van warmtewisselaars.
Het voorkomen van weerstand in ventilatiesystemen door frequente inspectie en reiniging van leidingen en ventilatoren. Het gebruiken van energiezuinige verlichting. Uit de bijgesloten Infomil checklist blijkt dat er al veel energiebesparende maatregelen zijn of worden getroffen.
Hoeve Advies
3
We verwachten voor de vleeskuikens een elektraverbruik overeenkomstig het landelijk gemiddelde van ca. 1,1 kWh dierplaats per jaar, dat is ca. 185.900 kWh per jaar. Het bedrijf beschikt over zonnepanelen. Deze leveren ruim voldoende om het bedrijf van de benodigde energie te voorzien. De stallen worden (bij)verwarmd. Bij de stallen staat een warmtewisselaar om inkomende lucht voor te verwarmen (warmteterugwinning). Er wordt geen aardgas gebruikt om de stallen te verwarmen, maar er wordt gebruikt gemaakt van de warmte die vrijkomt in de WKK van de biogasinstallatie, waarmee water wordt verwarmd t.b.v. de buizenverwarming in de kuikenstallen. Zou aardgas gebruikt worden dan zou er ca. 118.500 m3 gas per jaar nodig zijn (ca. 0,5 tot 0,7 m3 p.d.p.j.). Dat wordt nu uitgespaard. Bij de nieuwe stallen komt een houtkachel te staan (houtpellets). Geconcludeerd kan worden dat met deze maatregelen de huidige stand der techniek wordt toegepast en men dus voldoet aan BBT.
g. Geluidsemissies Het houden van vleeskuikens vindt inpandig plaats (hokgebonden). Alle stallen zijn voorzien van lengteventilatie met ventilatoren in de eindgevel (zo ver mogelijk van de buren af) en zijn voorzien van individuele, geïsoleerde kokers. De nieuwe pluimveestallen komen in verstek te staan met de bestaande stallen en worden separaat beleverd (voer, kuikens, enz.) waardoor de voertuigbewegingen verspreid over het terrein plaatsvinden. h. Stofemissies In de nieuwe stallen wordt met de warmtewisselaar E 7.6 BWL2011.02.V3 de fijnstofuitstoot met 31% gereduceerd. Hiermee wordt voldaan aan de maximale emissiewaarde van 16 gram PM10 p.d.p.j. (Besluit huisvesting). Uit berekeningen met ISL3a blijkt dat ruim aan de voor luchtkwaliteit gestelde normen wordt voldaan (fijnstofconcentratie en maximaal aantal dagen overschrijding onder de norm). i. Geuremissies Uit V-Stacks berekeningen blijkt dat aan de geurnormen van Wet geurhinder wordt voldaan. De vergunde situatie geeft een geurbelasting op het dichtstbijgelegen geurgevoelig object Harnsterdyk 8 van 9,8 OUE/s. Dit is mee het gevolg van de vorig jaar gewijzigde emissiefactor voor vleeskuikens. Voorheen was het 0,24 OUE/d/s en het is opgehoogd naar 0,33 OUE/d/s. Hierdoor is de voorheen niet-overbelaste situatie plotseling ‘overbelast’ geworden. In de beoogde situatie na uitbreiding neemt de belasting af naar 6,9 OUE/s.
Dit is lager dan de maximale 8,0 OUE/s die voor geurgevoelige objecten in het buitengebied zijn toegestaan (Wgv). De geurbelasting op het dichtstbijgelegen geurgevoelig object uit de bebouwde kom (Stiens) gaat van 0,8 naar 0,5 OUE/s waar 2,0 OUE/s is toegestaan (Wgv). j. Emissie uit de opslag van vaste mest Er wordt op bedrijfsniveau geen pluimveemest langdurig opgeslagen, verwerkt of bewerkt. De strooiselmest wordt na afloop van de ronde zo snel mogelijk aangewend in de vergisters.
Hoeve Advies
4
k. Emissie uit de opslag van drijfmest Niet van toepassing. l. Verwerking van mest op de boerderij Niet van toepassing. m. Mest uitrijden Niet van toepassing. De strooiselmest wordt na afloop van de ronde zo snel mogelijk uit de stallen verwijderd en in de vergisters gebracht. Het spoelwater wordt periodiek door een loonwerker vanuit de spoelwateropslag over het land uitgereden. n. Ammoniakemissie uit stallen Voor vleeskuikens zijn maximale emissiewaarden vastgesteld op grond van het Besluit huisvesting. In de oplegnotitie bij de BREF voor intensieve pluimvee- en varkenshouderij is aangegeven dat er voldoende alternatieven beschikbaar zijn en daarom geen enkel systeem kan worden uitgesloten van BBT. Het plan voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting: De bestaande stallen zijn uitgerust met warmtewisselaar E 5.11 BWL2010.13.V7 waardoor de emissie afneemt tot 0,021 kg NH3 p.d.p.j. Hiermee wordt voldaan aan de max. e.w. van 0,045 kg NH3 voor bestaande stallen opgericht voor 1 juli 2015. De 2 nieuwe stallen worden uitgerust met buizenverwarming E 5.15 BWL2017.01.V2 met een emissie van 0,012 kg NH3 p.d.p.j. Hiermee wordt voldaan aan de max. e.w. van 0,024 kg NH3 voor nieuwe stallen op te richten vanaf 1 januari 2020. Voor de bestaande stallen geldt geen maximale e.w. voor fijnstof. Voor nieuwe stallen opgericht na 1 juli 2015 geldt een max. e.w. van 16 gram PM10.
Met toepassing van warmtewisselaar E 7.6 BWL2011.02.V6 met 31% fijnstofreductie voldoen de nieuwe stallen hieraan (emissie 15,18 gram PM10). Ing. W. (Wim) Hoeve HOEVE ADVIES BV
Hoeve Advies
5
UITWERKING GETROFFEN MAATREGELEN BBT-CONCLUSIES INTENSIEVE VEEHOUDERIJ Toepassen BBT-conclusies activiteiten die vallen binnen begrip inrichting. Voor de volgende BBT-conclusies kunnen aanvullende eisen in de omgevingsvergunning worden opgenomen of nadere invulling worden gegeven aan de zorgplicht in het Activiteitenbesluit. Zie ook toelichting BBT-conclusies op de site van infomil: https://www.infomil.nl/onderwerpen/duurzaamheidenergie/ippc-installaties/brefs-bbt-conclusies/virtuele_map/intensieve/. Voor onderstaande BBT-conclusies, is aangegeven welke maatregelen getroffen zijn uit de lijst. De door het bedrijf getroffen maatregelen zijn toegevoegd in de verschillende tabellen. WATER BBT 5 efficiënt gebruik van water BBT 6 productie afvalwater BBT 7 emissies via afvalwater In het kort Om efficiënt om te gaan met water, de productie van afvalwater te verminderen het verminderen van emissies in het afvalwater moet een combinatie van de genoemde technieken worden gebruikt. 5
TECHNIEK EFFICIENT WATERGEBRUIK
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGELEN IN WELKE STAL
a
Een register bijhouden van het watergebruik.
Algemeen toepasbaar.
D.m.v. stal-/klimaatcomputer.
b
Waterlekken opsporen en repareren.
Algemeen toepasbaar.
Dagelijkse controle in de stal.
c
Hogedrukreinigers gebruiken voor het
Algemeen toepasbaar.
Bij schoonmaak/nat reinigen van de stallen gebruikt.
Algemeen toepasbaar.
Drinknippels.
Algemeen toepasbaar.
Dagelijkse controle op werking drinkwaterleiding.
Wegens de hoge kosten mogelijk
N.v.t.
reinigen van stallen en uitrusting. d
Geschikte uitrusting selecteren en gebruiken (bv. drinknippelsystemen, ronde drinksystemen, watertroggen) voor de specifieke diercategorie en tegelijkertijd zorgen voor de beschikbaarheid van water (ad libitum).
e
De kalibratie van de Drinkwateruitrusting controleren en (zo nodig) regelmatig aanpassen.
f
Niet-vervuild hemelwater hergebruiken als reinigingswater.
niet toepasbaar op bestaande boerderijen. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door risico's voor de bioveiligheid.
6
TECHNIEK PRODUCTIE VERMINDEREN
TOEPASBAARHEID
a
De vervuilde zones van het erf zo klein mogelijk houden.
Algemeen toepasbaar.
Wordt toegepast.
b
Zo weinig mogelijk water gebruiken.
Algemeen toepasbaar.
Stallen worden ingeweekt voor schoonmaken begint.
c
Niet-verontreinigd hemelwater
Mogelijk niet toepasbaar
Hemelwater infiltreert
scheiden van het te zuiveren
op bestaande boerderijen.
via dak & erfverharding
afvalwater.
naar omliggend terrein.
6
7
TECHNIEK EMISSIES VIA AFVALWATER VERMINDEREN
TOEPASBAARHEID
a
Afvalwater afvoeren naar een speciale
Algemeen toepasbaar.
Opvang van reinigingswater in spoelwaterkelders.
opvangbak of naar een drijfmestreservoir. b
Afvalwater zuiveren.
Algemeen toepasbaar.
N.v.t.
c
Verspreiding van afvalwater over het
De toepasbaarheid is mogelijk
Spoelwater wordt
land door bijvoorbeeld gebruik te
beperkt door de beperkte
opgevangen in
maken van een irrigatiesysteem zoals
beschikbaarheid van geschikte
spoelwaterkelders en
sproeiers, mobiele sproei-installaties,
grond die aan de boerderij
periodiek uitgereden over het
tankers of navelstrenginjectoren.
grenst. Alleen toepasbaar op
land.
afvalwater waarvan is aangetoond dat het slechts in geringe mate is vervuild.
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
7
ENERGIE BBT 8 energiebesparing In het kort Om efficiënt om te gaan met energie moeten een combinatie van de genoemde technieken worden toegepast. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning wordt of wordt voldaan aan het efficiënt omgaan met energie. Als dit niet het geval is kunnen eisen in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Bij een hoog energieverbruik kan een energieonderzoek bij de aanvraag worden gevraagd of in de omgevingsvergunning worden opgenomen. TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGEL
Hoogrenderende verwarmings-, koel-
CV-ketels HR-uitvoering.
en ventilatiesystemen.
Mogelijk niet toepasbaar op bestaande installaties.
Optimalisering van verwarmings-, koel-
Algemeen toepasbaar.
Ventilatie en verwarming worden aangestuurd door een klimaatcomputer.
Isolatie van de muren, vloeren en/of
Is mogelijk niet toepasbaar op
Isolatie toegepast in dak en
plafonds van de stallen
installaties waar natuurlijke
wanden; vloer geïsoleerd
ventilatie wordt gebruikt.
d.m.v. dik droog zandpakket.
IN WELKE STAL a
b
en ventilatiesystemen en het beheer daarvan, met name wanneer luchtzuiveringssystemen worden gebruikt. c
Isolatie is moge lijk niet toepasbaar op bestaande installaties op grond van structurele beperkingen. d
Het gebruik van energie-efficiënte verlichting.
Algemeen toepasbaar.
LED-verlichting toegepast in nieuwe stallen.
e
Het gebruik van warmtewisselaars. Een
Lucht-grond-warmtewisselaars
Warmtewisselaars (lucht-
van de volgende systemen kan worden
zijn alleen toepas baar indien
lucht) bij bestaande stallen 3
gebruik: 1.
er ruimte beschikbaar is omdat
en 4 en nieuw te bouwen
Lucht-lucht 2. Lucht-water 3. Lucht-grond
zij een grote grondoppervlakte
stallen 5 en 6.
vereisen. f
Het gebruik van warmtepompen
De toepasbaarheid van
voor warmteterugwinning.
warmtepompen op basis van
N.v.t.
de terugwinning van geothermische warmte is beperkt wanneer wegens de beschikbare ruimte horizontale buizen worden gebruikt. g
Warmteterugwinning met verwarmd en
Niet toepasbaar op installaties
gekoeld, van strooisel voorzien
voor varkens. De
vloeroppervlak (combideck systeem).
toepasbaarheid is afhankelijk
N.v.t.
van de mogelijkheid om een gesloten ondergronds
6
h
Toepassen van natuurlijke ventilatie.
Niet toepasbaar op
De rundveestal wordt
installaties met een
natuurlijk geventileerd
gecentraliseerd
(open nok).
ventilatiesysteem. Bij installaties voor varkens is dit mogelijk niet toepasbaar op: -
stalsystemen met van strooisel voorziene vloeren in een warm klimaat;
-
stalsystemen zonder van strooisel voorziene vloeren of zonder overdekte, geïsoleerde boxen (bv. kennels) in een koud klimaat.
-
bij installaties voor pluimvee is dit mogelijk niet toepasbaar:
-
tijdens de eerste fase van het fokken, met uit zondering van de
-
eendproductie; als gevolg van extreme klimaatomstandigheden.
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
7
STOF BBT 11 stofemissies In het kort Om de stofemissies uit elke stal te verminderen, moet één of een combinatie van de technieken worden gebruikt. Er wordt geen onderscheid gemaakt in grof en fijn stof. Per stal moet worden beoordeeld of er maatregelen zijn genomen om emissie van grof en fijn stof te voorkomen. Als dit niet het geval is, moeten aanvullende technieken worden toegepast. Als een nieuwe stal voldoet aan de maximale emissiewaarde van Besluit emissiearme huisvesting dan wordt in ieder geval voldaan aan deze BBT-conclusie. TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGEL IN WELKE STAL
a De stofproductie in de stallen
1. Lang stro is niet toepasbaar
Gebruik van warmtewisselaar
verminderen. Hiertoe kan een
bij drijfmestsystemen 2 t/m 5.
BWL2011.02.V6 in stal 5 en 6
combinatie van de volgende
Algemeen toepasbaar.
reduceert de fijnstofuitstoot
technieken worden gebruikt:
6. De toepasbaarheid is
met 31%; in stallen 3 en 4
1. grover strooisel gebruiken
mogelijk beperkt om redenen
wordt ook een wisselaar
(bijvoorbeeld lang stro of
van dierenwelzijn.
gebruikt die stof reduceert
houtkrullen in plaats van gehakseld
(vervuiling wisselaar,
stro);
regelmatig schoon maken)
2. vers
strooisel
aanbrengen
door
maar deze wisselaars zijn niet
toepassing van een techniek die weinig
als zodanig erkend, omdat ze
stof veroorzaakt (bv. met de hand); 3. ad libitum-voedering toepassen;
alleen worden ingezet t.b.v. warmteterugwinning.
4. vochtig voeder of voeder in
pellets gebruiken of olieachtige grondstoffen of bindmiddelen toevoegen in droogvoersystemen; 5. stofafscheiders installeren in
opslagruimten voor droog diervoeder die pneumatisch worden gevuld; 6. het interne ventilatiesysteem
ontwerpen voor en gebruiken met lage luchtsnelheden.
9
b De stofconcentratie binnen verminderen
1. De toepasbaarheid is
Gebruik van warmtewisselaar
door een van de volgende technieken
mogelijk beperkt doordat de
BWL2011.02.V6 in stal 5 en 6
toe te passen:
dieren tijdens de verneveling
reduceert de fijnstofuitstoot
1. waterverneveling;
een temperatuurdaling
met 31%.
2. olieverneveling;
ondervinden, met name tijdens
3. ionisatie.
De wisselaars bij stal 3 en 4
levensfasen waarin zij
zijn niet als zodanig erkend.
kwetsbaar zijn en/of in het geval van een koud en/of vochtig klimaat. De toepasbaarheid is mogelijk ook beperkt voor vastemestsystemen aan het einde van de opfokperiode wegens te hoge ammoniakemissies. 2. Alleen toepasbaar op
pluimvee-installaties met dieren ouder dan ongeveer 21 dagen. De toepasbaarheid voor installaties voor legkippen is mogelijk beperkt wegens het risico van verontreiniging van de in de stal aanwezige uitrusting. 3. Om technische en/of
economische redenen mogelijk niet toepasbaar op varkensinstallaties of bestaande pluimveeinstallaties. c
Behandeling van afvoerlucht
1. Alleen toepasbaar
De ventilatoren achter
door een luchtzuiveringssysteem
op installaties met een
de eindgevel zijn
zoals:
tunnelventilatiesystee
omhoog gericht,
1. watervanger;
m.
voorzien van kokers
2. droge filter;
2. Alleen toepasbaar op
en geventileerd met
3. waterwasser;
pluimvee-installaties met een
een cascaderegeling,
4. natte zure wasser;
tunnelventilatiesysteem. 3 t/m 6. Deze techniek is
waardoor de lucht met
5. biowasser (of biotricklingfilter); 6. twee- of
mogelijk niet algemeen
wordt uitgeworpen en
toepasbaar wegens de hoge
er een lage
uitvoeringskosten. Alleen
concentratie op de
toepasbaar op bestaande
grond komt.
drietrapsluchtzuiveringssysteem; 7. biofilter.
daarin het stof hoog
installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt.
10
7. Alleen toepasbaar op drijfmestinstallaties. Vereist een voldoende grote oppervlakte buiten de stal voor het filterpakket. Deze techniek is mogelijk niet algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt. DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
9
GEUR BBT 12 geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring BBT 26 In het kort Deze BBT-conclusie geeft aan dat een geurbeheersplan moet worden opgesteld gericht op voorkomen of verminderen van geuremissies. Een geurbeheersplan is alleen nodig in gevallen waar geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Als bijvoorbeeld sprake is van een bestaande overbelaste situatie, een historie van klachten en/of de geurnorm net niet wordt overschreden, dan is er mogelijk geurhinder bij geurgevoelige objecten te verwachten. Het bevoegd gezag moet onderbouwen of dit het geval is. Als geurhinder is te verwachten dan is een geurbeheersplan verplicht. In gevallen waar geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd, is ook monitoring verplicht. Door gebruik van de geuremissiefactoren en de berekening met V-Stacks-vergunning kan op basis van het aantal dieren op elk moment de geuremissie en de geurbelasting worden berekend. Het geurbeheersplan omvat volgens de BBT-conclusie in ieder geval de volgende elementen: vi. een protocol met passende acties en tijdschema's; vii.een protocol voor de monitoring van geur; viii. een protocol voor de reactie op geconstateerde geurhinder; ix.
een programma voor de voorkoming en eliminatie van geur om bijvoorbeeld de bron(nen) op te sporen, de geuremissies te monitoren, de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geuremissies te nemen; x. een herziening (evaluatie) van de historische geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten. Allereerst is het van belang om te bepalen of geurhinder te verwachten is. Het bevoegd gezag moet onderbouwen of dit het geval is. Als dat het geval is dan moet verdere invulling gegeven worden aan deze BBT-conclusie door eisen op te nemen in de omgevingsvergunning. In een geurbeheersplan moet de veehouder een protocol opnemen hoe wordt omgegaan met geurklachten. Dit protocol bevat acties waarmee de veehouder adequaat kan reageren op geconstateerde geurhinder. Het protocol kan onder andere bevatten: - de manier van registreren; - het controleren van de werking van aangebrachte geurreducerende maatregelen en indien nodig actie nemen; - het contact opnemen met de omgeving; - het tijdelijk staken van bepaalde activiteiten bij warm en windstil weer; - het evalueren van recente veranderingen in het management, zoals voer en reiniging en als nodig aanpassen; - het nemen van geurreducerende maatregelen. Het opstellen van een protocol is uiteraard niet voldoende.
Maatregelen uit het protocol moeten worden uitgevoerd en het protocol moet geëvalueerd en geactualiseerd worden. Het is aan de veehouder om het protocol op te stellen en de acties en maatregelen op te nemen. Het maken en evalueren van het protocol en het uitvoeren van de opgenomen acties en maatregelen moet worden voorgeschreven in de omgevingsvergunning.
8
GEUR BBT 13 geuremissies voorkomen In het kort Deze BBT-conclusie schrijft de technieken voor die minimaal moeten worden gebruikt om geuremissie en/of geureffecten te voorkomen of te verminderen. Er moet een combinatie van technieken worden gebruikt. TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGEL WELKE STAL
a
b
Voldoende afstand in acht nemen
Mogelijk niet algemeen
tussen de boerderij/installatie en de
toepasbaar op bestaande
gevoelige receptoren.
boerderijen/installaties.
Een stalsysteem gebruiken dat één
Om redenen van dierenwelzijn
De lage stalbezetting van
of een combinatie van de volgende
is het verlagen van de
scharrelvleeskuikens in de
beginselen hanteert:
temperatuur van de
nieuwe stallen 4 en 5 draagt bij
binnenlucht en het
aan een droger strooisel en
verminderen van de
snellere indroging van mest die
luchtstroming en -snelheid
in het strooisel valt, waardoor
mogelijk niet toepasbaar.
de effectieve emissie lager zal
De verwijdering van drijfmest
zijn dan waar de norm van uit
door spoelen is wegens
gaat.
-
-
de dieren en oppervlakken droog en schoon houden (bv. vermijden dat voeder wordt gemorst, het vermijden van mest in ligruimtes met gedeeltelijke roostervloer); het emitterend mestoppervlak verkleinen (bv. gebruikmaken van metalen of kunststofroosters, kanalen met een beperkt blootgesteld mestoppervlak);
-
mest regelmatig afvoeren naar een externe (overdekte) mestopslagplaats;
-
de temperatuur van de mest (bv. door drijfmestkoeling) en de
N.v.t.
geurpieken niet toepasbaar op varkensbedrijven in de nabijheid van gevoelige receptoren. Zie toepasbaarheid voor stallen in BBT 30, BBT 31, BBT 32, BBT 33 en BBT 34.
binnentemperatuur verlagen; -
de luchtstroming en -snelheid over het mestoppervlak verminderen; het strooisel in systemen op basis van strooisel droog en onder aerobe omstandigheden houden.
9
c
De wijze waarop afvoerlucht uit de
De aanpassing van de
De eindwandventilatoren
stallen wordt verwijderd
oriëntatie van de as
zijn voorzien van een
optimaliseren door één of een
van de nok is niet
koker waardoor het
combinatie van de volgende
toepasbaar op
emissiepunt achter de
bestaande installaties.
stallen zich op 4.00+P (stal
technieken te gebruiken: afvoerbuis
3 en 4) en 6.500+P (stal
vergroten (bv. de lucht boven de
5 en 6) bevindt in plaats
dakhoogte afvoeren, schoorstenen,
van op ca. 1,5 à 2 m. In
luchtafvoer door de nok in plaats van
combinatie met full-boost
door het lage deel van de muren); de verticale afvoersnelheid verhogen;
ontstaat hier een hoge
-
aan de buitenzijde efficiënte
gelijkwaardig aan de
barrières (bv. vegetatie) plaatsen
uitblaas nokventilatoren en
om turbulentie in de
de warmtewisselaar
afvoerluchtstroom te creëren;
(onbelemmerd).
-
-
de
hoogte
van
de
uittreesnelheid,
de afvoeropeningen in het lage deel
De geurbelasting neemt af
van de muren uitrusten met
van 9,8 OUE/m3 naar 6,9
deflectoren om de afvoerlucht naar
OUE/m3 op de meest
de grond te leiden; -
kritieke woning waardoor
de afvoerlucht lozen aan de
de overbelaste situatie
stalzijde die van de gevoelige
wordt opgeheven.
receptor is afgewend; -
de as van de nok van een natuurlijk geventileerd gebouw dwars op de overheersende windrichting oriënteren.
d Een luchtzuiveringssysteem gebruiken zoals: 1.
biowasser (of biotricklingfilter);
2.
biofilter
3.
twee- of drietrapsluchtzuiveringssysteem
Deze techniek is mogelijk niet N.v.t. algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt. Een biofilter is alleen toepasbaar op drijfmestinstallaties. Een biofilter vereist een voldoende grote oppervlakte buiten de stal voor de filterpakketten.
10
e Voor de opslag van mest één of
1. Zie toepasbaarheid
De strooiselmest wordt
een combinatie van de
van BBT 16.b voor
direct na het afleveren
onderstaande technieken
drijfmest. Zie
van de kuikens uit de
gebruiken:
toepasbaarheid van
stallen verwijderd en
1. opgeslagen drijfmest of vaste mest
BBT 14.b voor vaste
als grondstof in de
mest.
vergister aangewend.
afdekken;
2. de locatie van de opslagplaats
bepalen rekening houdend met de
2. Algemeen
algemene windrichting en/of
toepasbaar
maatregelen nemen ter vermindering
3. Algemeen
van de windsnelheid rond en boven
toepasbaar
de opslagplaats (bv. bomen, natuurlijke barrières); 3. het roeren van drijfmest tot een
minimum beperken.
f
Mest verwerken door middel van een
1. Zie toepasbaarheid van
van de onderstaande technieken om
BBT 19.d.
geuremissies tijdens (of voor) het
2. Zie toepasbaarheid van
uitrijden tot een minimum te
BBT 19.f.
beperken: 1. aerobe vergisting (door beluchting)
van drijfmest;
N.v.t.
3. Zie toepasbaarheid van BBT 19.b.
2. compostering van vaste mest; 3. anaerobe vergisting.
g Voor het uitrijden van mest één of
1. Zie toepasbaarheid
een combinatie van de
van BBT 21.b, BBT 21.c
onderstaande technieken
of BBT 21.d.
gebruiken:
2. Zie toepasbaarheid
1. rijenbemesters, ondiepe of diepe
drijfmestinjectoren;
N.v.t.
van BBT 22.
2. mest zo snel mogelijk onderwerken.
11
OPSLAG VASTE MEST BBT 14 emissies naar lucht BBT 15 emissies naar water en bodem In het kort Het is BBT om ammoniakemissie vanuit de opslag van vaste mest te voorkomen door het toepassen van 1 of meerdere van de genoemde technieken.
a
TECHNIEK LUCHT
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGEL
De verhouding tussen het emitterend
Algemeen toepasbaar.
N.v.t.
Algemeen toepasbaar wanneer
N.v.t.
oppervlak en het volume van de mesthoop verkleinen. b
Mesthopen afdekken
de vaste mest in de stallen wordt gedroogd of voorgedroogd. Mogelijk niet toepasbaar op niet- gedroogde mest als de mesthoop
vaak
wordt
aangevuld. c
Gedroogde vaste mest opslaan in een schuur
Algemeen toepasbaar.
N.v.t.
TECHNIEK WATER EN BODEM
TOEPASBAARHEID
a
Gedroogde vaste mest opslaan in een schuur
Algemeen toepasbaar.
De strooiselmest wordt elke ronde direct na het afleveren van de kuikens uit de stallen verwijderd en als grondstof in de vergister aangewend.
b
Een betonnen silo gebruiken voor de opslag van vaste mest.
Algemeen toepasbaar.
N.v.t.
c
Vaste mest opslaan op een dichte,
Algemeen toepasbaar.
N.v.t.
Algemeen toepasbaar.
N.v.t.
Vaste mest opslaan op mesthopen die
Alleen toepasbaar op
N.v.t.
verwijderd zijn van boven- en/of
tijdelijke mesthopen die elk
ondergrondse waterlopen waarin het
jaar worden verplaatst.
ondoordringbare vloer die is uitgerust met een drainagesysteem en een verzameltank voor het afvloeivocht. d
Een opslaginstallatie kiezen met voldoende capaciteit om de vaste mest te bewaren tijdens perioden waarin niet kan worden uitgereden.
e
afvloeivocht zou kunnen terechtkomen. DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
12
VERWERKING VAN MEST OP DE BOERDERIJ BBT 19 toepassen mestverwerkingstechnieken In het kort Als er mest wordt verwerkt op de boerderij, dan is het BBT om één of een combinatie van de genoemde technieken te gebruiken. Dit om stikstof-, fosfor- en geuremissies en ziekteverwekkers naar lucht en bodem te verminderen. Als mestverwerking plaatsvindt, dan zijn de genoemde technieken in ieder geval BBT. Als een andere techniek wordt toegepast, dan moet ten minste een gelijkwaardig niveau van emissies worden bereikt. Naast de genoemde technieken zijn er nog andere technieken voor mestbewerking. Voor meer informatie zie de Handleiding bewerken en verwerken van mest op boerderijschaal. Zie https://www.infomil.nl/vaste-onderdelen/onderwerpen/landbouw/mest/handleiding-bewerken/ TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGEL IN WELKE STAL
a
Mechanisch scheiden van drijfmest. Dit
Alleen toepasbaar indien:
omvat bijvoorbeeld: - scheiding d.m.v. schroefpers;
- een vermindering van het
N.v.t.
stikstof- en fosforgehalte
- scheiding d.m.v. decanteercentrifuge;
nodig is omdat slechts een
- coagulatie-flocculatie;
beperkte landoppervlakte
- scheiding d.m.v. zeven;
beschikbaar is voor het op-
- filterpersen.
of inbrengen van mest; - mest niet kan worden
uitgereden tegen redelijke kosten. Polyacrylamide is mogelijk niet toepasbaar als vlokmiddel wegens het risico van de vorming van acrylamide. b
c
Anaerobe vergisting van mest in een
Anaerobe vergisting van mest
De strooiselmest van de
biogasinstallatie.
in een biogasinstallatie. Deze
kuikens wordt in de eigen
techniek is mogelijk
vergister aangewend.
Gebruik van een externe tunnel voor
Alleen toepasbaar op mest
N.v.t.
het drogen van mest.
van installaties voor legkippen. Niet toepasbaar op bestaande installaties zonder mestbanden.
d
Aerobe vergisting (door beluchting) van
Alleen toepasbaar wanneer
drijfmest
pathogeen- en
N.v.t.
geurvermindering vóór het uitrijden belangrijk is. In een koud klimaat kan het moeilijk zijn gedurende het winterseizoen het vereiste niveau van beluchting te handhaven.
13
TECHNIEK
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGEL IN WELKE STAL
e Nitrificatie-denitrificatie van drijfmest.
Alleen toepasbaar op nieuwe
N.v.t
installaties/boerderijen. Alleen toepasbaar op bestaande installaties/boerderijen wanneer de verwijdering van stikstof noodzakelijk is omdat slechts een beperkte landoppervlakte beschikbaar is voor het op- of inbrengen van mest. f
Compostering van vaste mest.
Alleen toepasbaar indien:
N.v.t.
- de mest niet kan
worden uitgereden tegen redelijke kosten; - pathogeen- en
geurvermindering vóór het uitrijden belangrijk zijn; - er voldoende ruimte op de
boerderij is om zwaden aan te leggen. DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
14
MONITORING BBT 29 monitoren overige parameters In het kort Het is BBT om diverse parameters ten minste jaarlijks te registreren. Dit kan ook als onderdeel van het milieubeheerssysteem onder BBT 1 worden gedaan. In de omgevingsvergunning moeten eisen worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusie. PARAMETER
OMSCHRIJVING
TOEPASBAARHEID
GETROFFEN MAATREGEL IN WELKE STAL
a
Waterverbruik
Registratie bv. door
De belangrijkste
middel van geschikte
waterverbruikende
meters of op basis
processen afzonderlijk
van facturen. De
monitoren is mogelijk
belangrijkste
niet toepasbaar op
waterverbruikende
bestaande boerderijen,
processen in de
afhankelijk van de
stallen
opstelling van het
(schoonmaken,
waterleidingnet.
Registratie via stalcomputer
voederen enz.) kunnen afzonderlijk worden gemonitord. b
Elektriciteitsverbruik
Registratie bv. door
De belangrijkste
middel van geschikte
elektriciteitsverbruikende
meters of op basis
processen afzonderlijk
van facturen. Het
monitoren is mogelijk
elektriciteitsverbruik
niet toepasbaar op
van stallen wordt
bestaande boerderijen,
afzonderlijk van de
afhankelijk van de
andere boerderij-
opstelling van het
installaties
elektriciteitsnet.
Registratie via nutsbedrijf
gemonitord. De belangrijkste energieverbruikende processen in de stallen (verwarming, ventilatie, verlichting enz.) kunnen afzonderlijk worden gemonitord. c
Brandstofverbruik
Registratie bv.
Algemeen toepasbaar
Registratie via nutsbedrijf
door middel van geschikte meters of op basis van facturen.
DEZE TABEL IS LETTERLIJK OVERGENOMEN UIT BBT-CONCLUSIES
15