BIJLAGE_Aanvraag_VVGB
Tekst van het document
Aanvraag VVGB i.k.v. Wet Natuurbescherming d.d. 24-02-2020 Initiatiefnemer Maatschap L., L.M. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD STIENS Wnb-vergunning Op 3 februari 2017 is een Wnb-vergunning verleend voor de beoogde situatie voor het houden van 150 st. melk- en kalfkoeien, 100 st. jongvee, 169.000 st. vleeskuikens, 5 paarden en 1 pony, naast het gebruik van de biogasinstallatie met WKK en voertuigbewegingen die daarbij horen (zie bijlage). Aanvraag omgevingsvergunning Nadat de Wnb-vergunning is verleend is het bestemmingsplan gewijzigd om de bouw van twee pluimveestallen en het verlengen van de ligboxenstal voor het rundvee mogelijk te maken en is een Aanmeldnotititie m.e.r.-beoordeling ingediend waarop het college van B&W van de gemeente Leeuwarden heeft besloten dat er voordat de milieu- en bouwaanvraag wordt ingediend, geen aanleiding is een milieueffectrapport op te stellen dan wel een m.e.r.-procedure te doorlopen. Gedurende dit proces zijn de inzichten enigzins gewijzigd, dat wil zeggen dat de twee pluimveestallen die opgericht worden geen 30 m breed, maar 27 m breed worden, en dat de stalinrichting in de te verlengen rundveestal voor het melkvee emissiearmer moet worden om aan de maximale emissiewaarde van het Besluit huisvesting te voldoen.
De Wnb-vergunning dient hiertoe te worden gewijzigd; daarom wordt bij de milieuaanvraag verzocht om een VVGB inz. de Wnb (Verklaring van geen bezwaar). Beleidsregel Natuur Fryslân Nadat op 19 mei 2019 de Raad van State de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) heeft vernietigd, heeft de provincie Friesland op 10 december jl. nieuwe beleidsregels voor het beoordelen van aanvragen in het kader van de Wnb vastgesteld, welke op 31 januari 2020 in het Provinciaal Blad nr. 565 zijn gepubliceerd (Provinciale Beleidsregels intern en extern salderen Fryslân 2020). Deze verandering heeft impact op het plan wat nu voor ligt, en leidt tot een (ondergeschikte) wijziging van de stalinrichting in de nieuw te bouwen stallen zodat de ammoniakemissie wordt verlaagd en de stikstofdepositie niet toeneemt. Voor de uitbreiding van het melkvee is destijds vergunning gevraagd voor 52 st. melk- en kalfkoeien A 1.6 BWL2009.11.V4 maar deze diercode is vanwege de (inmiddels) te hoge emissiefactor niet meer te gebruiken (overstijgt de maximale e.w. voor nieuw te bouwen stallen vanaf 1 januari 2018). Ten tijde van de aanvraag achtten we de bouw van deze stal voor die datum nog haalbaar, dat standpunt moeten we nu herzien. In plaats van A 1.6 BWL2009.11.V4 wordt nu gekozen voor A 1.18 BWL2012.04.V4.
De emissie per melk- en kalfkoe daalt daarmee van 11,0 naar 8,0 kg NH3 per dierplaats per jaar, wat gunstig is, omdat daarmee de feitelijke depositie lager is dan natuurvergund.
Hoeve Advies
1
De verandering die doorgevoerd wordt in de twee nog op te richten pluimveestallen betreft een modificatie op de stalinrichting : In plaats van E 5.11 BWL2010.13.V7 wordt er E 5.15 BWL2017.01.V2 geïnstalleerd. De NH3-emissie daalt daarmee van 0,021 kg NH3 naar 0,012 kg NH3 p.d.p.j. wat gunstig is, omdat daarmee de feitelijke depositie lager is dan natuurvergund. Het aantal kuikens en de huisvesting (in volledig strooiselstallen) wijzigen niet en de grondslag van de aanvraag blijft hiermee gelijk. VVGB-aanvraag Nu er additionele maatregelen worden getroffen wijkt de aanvraag nog verder af, wat aanleiding is een separate vergunningaanvraag in te dienen in het kader van de Wnb bij de provincie Fryslân of de provincie te vragen om een VVGB bij de te verlenen omgevingsvergunning. We kiezen voor het laatste en verzoeken FUMO en de gemeente Leeuwarden om het verzoek voor een VVGB aan te haken. Vergunde situatie Wet Natuurbescherming Op 3 februari 2017 is een Natuurbeschermingswetvergunning verleend voor de volgende bedrijfsvoering: Stal
Rav cat.
Diersoort
1 1 1A
A.1.100 A.3.100 A.1.6
1A 2 2 3 4 5
A.3.100 K.1.100 K.3.100 E.5.11 E.5.11 E.5.11 & E.7.6 E.5.11 & E.7.6
Melk- en kalfkoeien Jongvee 0-2 jaar Melk- en kalfkoeien BWL2009.11.V4 Jongvee 0-2 jaar Paarden, 3 jaar of ouder Pony, 3 jaar en ouder Vleeskuikens BW2010.13.V5 Vleeskuikens BW2010.13.V5 Vleeskuikens BW2010.13.V5 i.c.m. BWL2011.02.V2 Vleeskuikens BW2010.13.V5 i.c.m. BWL2011.02.V2
6 Totaal
Aantal emissie kg Totaal kg dieren NH3/dier ammoniak 98 51 52
13,0 4,4 11,0
1.274,00 224,40 572,00
49 5 1 42.000 42.000 42.500
4,4 5,0 3,1 0,021 0,021 0,021
215,60 25,00 3,10 882,00 882,00 892,50
42.500
0,021
892,50 5.863,10
Naast de veehouderij is in de vergunning ook de activiteit van de co-vergister vergund met bijbehorende WKK-installatie’s en aan- en afvoerbewegingen van grondstoffen en digestaat, waartoe rekening is gehouden met een uitstoot van 1.942,68 kg NOx.
Besluit huisvesting De Wnb-vergunning is van 3 februari 2017. Het was de bedoeling de nieuwe pluimveestallen en de te verlengen rundveestal voor 1-1-2020 op te richten. Met de maximale e.w. van toen was dit haalbaar. Het Besluit emissiearme huisvesting hanteert voor vleeskuikens in bestaande stallen een maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 p.d.p.j. en voor nieuw te bouwen stallen tot 1-1-2020 gold een maximale emissiewaarde van 0,035 kg NH3 p.d.p.j.
Hoeve Advies
2
Voor melk- en kalfkoeien gold voor nieuw te bouwen stallen tot 1-1-2020 een max. e.w. van 11,0 kg NH3 p.d.p.j. Voor jongvee is geen maximale emissiewaarde vastgesteld. De beoogde situatie voldeed aan de norm van het Besluit huisvesting.
Feitelijke situatie Het verlengen van de rundveestal (1A) en het oprichten van de twee nieuwe vleeskuikenstallen (5 en 6) heeft nog niet plaatsgevonden; deze zijn daarmee onder het stikstofkader in beginsel vervallen – maar kunnen bij uitzondering alsnog als referentie worden meegenomen mits aangewend met een emissiearmere techniek (art. 2.2.5 lid 8 van de provinciale regels). Beoogde situatie De beoogde situatie: Stal
Rav cat.
Diersoort
1 2 1A
A.1.100 A.3.100 A.1.18
1A 2 2 3 4 5
A.3.100 K.1.100 K.3.100 E.5.11 E.5.11 E.5.15 & E.7.6 E.5.15 & E.7.6
Melk- en kalfkoeien Jongvee 0-2 jaar Melk- en kalfkoeien BWL2012.04.V4 Jongvee 0-2 jaar Paarden, 3 jaar en ouder Pony, 3 jaar en ouder Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6
6 Totaal
Aantal emissie kg Totaal kg dieren NH3/dier ammoniak 98 51 52
13,0 4,4 8,0
1.274,00 224,40 416,00
49 5 1 42.000 42.000 42.500
4,4 5,0 3,1 0,021 0,021 0,012
215,60 25,00 3,10 882,00 882,00 510,00
42.500
0,012
510,00 4.942,10
Besluit huisvesting Het Besluit emissiearme huisvesting hanteert voor vleeskuikens in bestaande stallen een maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 p.d.p.j. Voor nieuw te bouwen stallen geldt sinds 1-1-2020 een maximale emissiewaarde van 0,024 kg NH3 p.d.p.j. Voor melk- en kalfkoeien geldt voor nieuw te bouwen stallen vanaf 1-1-2020 een max. e.w. van 8,0 kg NH3 p.d.p.j. Voor jongvee is geen maximale emissiewaarde vastgesteld. De beoogde situatie voldoet aan de norm van het Besluit huisvesting. Aerius Calculator 2019A Met Aerius Calculator 2019A kan het effect van een gebouw op de depositie berekend worden. Dit wordt in de context van luchtkwaliteit en depositie-onderzoek gebouwinvloed genoemd. Ook het effect van pluimstijging door impuls wordt meegenomen. In de ‘Addendum instructie gegevensinvoer Aerius Calculator 2019, de beschrijving van de nieuwe functionaliteit in Aerius Calulator 2019A, gebouwinvloed en uittreesnelheid’ van 17 januari 2020 wordt uitgelegd wanneer de gebouwinvloed dient te worden meegenomen in de berekening. Uit de instructie blijkt dat gebouwinvloed relevant is voor initiatieven of projecten binnen
Hoeve Advies
3
3 km van stikstofgevoelige natuur. Na 3 km kan worden verwacht dat er geen, of slechts zeer beperkt, sprake is van gebouweffecten. De ammoniakemissie maakt dan a.h.w. deel uit van de achtergronddepositie, er is geen rechtstreeks effect meer. Na 3 km mag gebouwinvloed voor aanvragen als niet relevant worden beschouwd. Natura 2000-gebieden De dichtstbijzijnde natuurgebieden zijn de Waddenzee op 5,7 km en Groote Wielen op 6,2 km van de inrichting. Er is geen sprake van een directe invloed, wel van een indirecte invloed in de vorm van stikstofdepositie.
Locatie Harnsterdyk 7
Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx
Omdat de gebieden op meer dan 3 km van de inrichting liggen is bij de invoer van Aerius de gebouwinvloed niet relevant. Intern salderen ‘Uitgangspunt van het stikstofkader is dat uitsluitend gesaldeerd mag worden met feitelijk gerealiseerde capaciteit, tenzij er redenen zijn om hier gemotiveerd van af te wijken. Door uit te gaan van feitelijk gerealiseerde capaciteit kan de niet-gerealiseerde capaciteit niet betrokken worden bij aanvragen met salderen. Zo wordt voorkomen dat het alsnog benutten van deze capaciteit leidt tot een feitelijke stijging van depositie’, aldus de Provinciale Beleidsregels intern en extern salderen Fryslân 2020 d.d. 1 februari 2020. In afwijking hierop is in art. 2.2.5 lid 8 geformuleerd wanneer Gedeputeerde Staten een andere referentiesituatie kunnen hanteren: a. Op het moment van inwerkingtreding van dit artikel het project nog niet volledig is gerealiseerd, maar wel aantoonbaar stappen zijn gezet met het oog op volledige realisatie; of
Hoeve Advies
4
b. Op het moment van inwerkingtreding van dit artikel weliswaar nog niet is aangevangen met de realisatie van vergunde capaciteit, maar daarvoor wel al aantoonbaar onomkeerbare significante investeringsverplichtingen zijn aangegaan; of c. Het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied; of d. De aanvraag ziet op het toepassen van een alternatieve verdergaande N-emissie reducerende techniek ter vervanging van de eerder verleende emissie reducerende techniek, die leidt tot een vermindering van de N-emissie, zonder uitbreiding van de capaciteit zoals opgenomen in de laatst verleende toestemming; of e. Het één of meer van de volgende projecten betreft: energieprojecten van nationaal belang, wegen, vaarwegen, spoorwegen, luchtvaart, woningbouw, duurzame energieopwekking, militaire activiteiten of projecten in het kader van de nationale veiligheid. Maatschap De Boer-Talsma werkt al enige jaren toe naar het oprichten van de nieuw te bouwen stallen en het verlengen en heeft hiertoe significante kosten gemaakt: In 2016 is na het nodige vooroverleg een principeverzoek bij de gemeente Leeuwarden ingediend welke leidde tot een principebesluit op 1 april 2017 om mee te werken aan een bestemmingsplanwijziging om dit mogelijk te maken. In 2016 is een Nb-wetvergunning t.b.v.
de voorgenomen uitbreiding gevraagd en verkregen (kenmerk 01351007 d.d. 3-2-2017). In 2017 is een Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ingediend wat op 29 september 2017 leidde tot het collegebesluit dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. In 2017-2018 is een bestemmingsplanwijziging doorlopen. Hier zijn de nodige procedure- en advieskosten voor gemaakt; het bouwvlak is toegekend en op 2 oktober 2018 vastgesteld. In 2018-2019 zijn stal en inrichting nader vastgesteld in samenspraak met toeleveranciers en stalrinrichters. Nu wordt de aanvraag voor de omgevingsvergunning milieu en bouw met verzoek om VVGB i.k.v. de Wnb ingediend. Nu de beoogde stal een iets andere vorm krijgt en de emissiepunten ietwat wijzigen, dient de Wnb-vergunning hierop te worden bijgesteld. Met inachtneming van art. 2.2.5 lid 8 onder d wordt een emissiearmer stalsysteem toegepast dan aanvankelijk was vergund. De aanvraag ziet op het toepassen van een alternatieve verdergaande N-emissiereducerende techniek (E 5.15 i.c.m. E 7.6) ter vervanging van de eerder verleende emissiereducerende techniek (E 5.11 i.c.m. E 7.6), zonder uitbreiding van de capaciteit zoals opgenomen in de laatstverleende toestemming. Ook de te verlengen rundveestal wordt emissiearmer ingericht (A 1.18 in plaats van A 1.6) zonder toename van dieren.
De wijziging leidt tot een afname van 921,00 kg NH3 die ten goede komt aan de natuur. Met toepassing van art. 2.2.5 lid 8 sub d verzoekt de maatschap GS bij het verlenen van de vergunning voor de toepassing uit te gaan van de volledige referentiesituatie (vergunde situatie).
Hoeve Advies
5
Aerius berekeningen De depositie van de beoogde situatie en de verschilberekening tussen de Wnb-vergunde en de beoogde situatie zijn doorgerekend met Aerius Calculator. De manier waarop de co-vergister geëxploiteerd wordt wijzigt niet. De stikstofdepositie is op dezelfde manier ingerekend als bij de aanvraag/vergunning van 2017. De ammoniakemissie uit de stallen is ingerekend evenals de emissie van NOx uit de rookgasafvoer van de houtkachel die bij de nieuwe stallen wordt gebruikt. Uit de berekeningen blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige natuurgebieden ontstaat; een verslechtering van de habitat in deze gebieden is daarmee uitgesloten. Aanvraag VVGB i.k.v. Wnb Maatschap De Boer-Talsma vraagt de provincie Fryslân om in te stemmen middels een VVGB in het kader van de Wnb t.b.v. de beoogde situatie voor het houden van 150 st. melk- en kalfkoeien, 100 st. jongvee, 169.000 st. vleeskuikens, 5 paarden en 1 pony met een gezamenlijke emissie van 4.942,10 kg NH3, naast de biogasinstallatie met WKK en voertuigbewegingen die daarbij horen (zie bijlage) en het gebruik van een houtkachel bij de nieuwe stallen. Ing. W. (Wim) Hoeve HOEVE ADVIES BV
Hoeve Advies
6
Overzicht ammoniak en dieraantallen d.d. 24-2-2020 Maatschap L., L.M. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD Stiens Nb-wetvergunning besluit 3-2-2017 Stal
Rav cat.
Diersoort
1 1 1A
A.1.100 A.3.100 A.1.6
1A 2 2 3 4 5
A.3.100 K.1.100 K.3.100 E.5.11 E.5.11 E.5.11 & E.7.6 E.5.11 & E.7.6
Melk- en kalfkoeien opstallen Jongvee 0-2 jaar Melk- en kalfkoeien opstallen BWL2009.11.V4 Jongvee 0-2 jaar Paarden, 3 jaar of ouder Pony, 3 jaar en ouder Vleeskuikens BW2010.13.V5 Vleeskuikens BW2010.13.V5 Vleeskuikens BW2010.13.V5 i.c.m. BWL2011.02.V2 Vleeskuikens BW2010.13.V5 i.c.m. BWL2011.02.V2
6
Aantal dieren 98 51 52
emissie kg NH3/dier 13,0 4,4 11,0
Totaal kg ammoniak 1.274,00 224,40 572,00
49 5 1 42.000 42.000 42.500
4,4 5,0 3,1 0,021 0,021 0,021
215,60 25,00 3,10 882,00 882,00 892,50
42.500
0,021
892,50 5.863,10
Totaal Beoogde situatie (aanvraag) Stal
Rav cat.
Diersoort
1 2 1A 1A 2 2 3 4 5
A.1.100 A.3.100 A.1.18 A.3.100 K.1.100 K.3.100 E.5.11 E.5.11 E.5.15 & E.7.6 E.5.15 & E.7.6
Melk- en kalfkoeien Jongvee 0-2 jaar Melk- en kalfkoeien BWL2012.04.V4 Jongvee 0-2 jaar Paarden, 3 jaar en ouder Pony, 3 jaar en ouder Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2010.13.V7 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6 Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. BWL2011.02.V6
6
Aantal dieren 98 51 52 49 5 1 42.000 42.000 42.500
emissie kg NH3/dier 13,0 4,4 8,0 4,4 5,0 3,1 0,021 0,021 0,012
Totaal kg ammoniak 1.274,00 224,40 416,00 215,60 25,00 3,10 882,00 882,00 510,00
42.500
0,012
510,00
Totaal
4.942,10
Projecteffect Emissie en depositie t.g.v. de fysieke aanpassing of toename van dieren binnen de wijzigingen die met de nieuwe vergunning worden doorgevoerd: Stal Rav cat. Diersoort Aantal emissie kg Totaal kg NH3/dier ammoniak dieren 1A A.1.18 Melk- en kalfkoeien BWL2012.04.V4 52 8,0 416,00 5 E.5.15 & Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. 42.500 0,012 510,00 E.7.6 BWL2011.02.V6 6 E.5.15 & Vleeskuikens BW2017.01.V2 i.c.m. 42.500 0,012 510,00 E.7.6 BWL2011.02.V6 1.436,00 Totaal Stal 1A: fysieke wijziging t.b.v. 52 st. melkvee A 1.18 BWL2012.04.V4 Stal 5 en 6: fysieke wijziging t.b.v. 42.500 st. vleeskuikens E 5.15 BWL2017.02.V2 en gebruik van houtkachel t.b.v. het verwarmen van stal 5 en 6
Nummer systeem
BWL 2012.04.V4
Naam systeem
Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif
Diercategorie
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
Rav-code
A 1.18
Systeembeschrijving van
December 2018
Vervangt
BWL 2012.04.V3 van april 2017
Werkingsprincipe
De ammoniakemissiebeperking is gebaseerd op het versneld afvoeren van urine naar een gesloten gierafvoerbuis. Het versneld afvoeren van de urine wordt gerealiseerd door de vloer op afschot te leggen richting de gierafvoerbuis en te voorzien van urinesleuven met afschot. Vanuit de gierafvoerbuis wordt de urine afgevoerd naar een gesloten mestopslag. De mest van de vloer wordt frequent verwijderd door een mestschuif, waaraan een voorziening is aangebracht die ook de mest in de afvoerbuis verwijderd.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM
1a
Onderdeel
Uitvoeringseis
Vloer
-
-
-
-
1b
Loopgedeelte en doorlooppaden worden uitgevoerd met betonnen vloerplaten (minimaal 250 cm breed; variabele lengte) die op tenminste 1,5% afschot worden gelegd richting de gierafvoerbuis. De vloerplaten zijn voorzien van langs- en dwarssleuven die haaks op elkaar liggen en een tegelprofiel vormen. De langssleuven liggen op een onderlinge afstand van 50 mm. De afstand tussen de dwarssleuven is 90 mm. De sleufdiepte varieert van 6 tot 18 mm en de sleufbreedte van 12 tot 20 mm. Het profiel is uitgevoerd met een 0,5% hellend afschot naar het midden toe. De bovenkant van de vloerplaten, het loopoppervlak, is licht geprofileerd voor een betere beloopbaarheid. De vloerplaten worden met zelfverdichtend beton (ZVB) gestort en verhard in een mal, waardoor het oppervlak van de langs- en dwarssleuven zeer glad is. Daardoor wordt het aankoeken van de mest verminderd en de afvoer van de urine verbeterd. De vloerplaten worden aan de kopkant (dit is in het midden van de loopgangen) tussen de 25 en 40 mm uit elkaar gelegd, waardoor er een uitsparing ontstaat voor de kabel of ketting van de mestschuif. In de kopkanten van de vloerplaten is een inkassing van 70 x 30 mm aanwezig. Deze inkassing vormt samen met de uitsparing tussen de vloerplaten de gierafvoerbuis, waarin de afstromende urine wordt verzameld en afgevoerd.
Indien onder de gierafvoerbuis geen fundering of wand aanwezig is, wordt de onderkant van de vloerplaat ten opzichte van de gierafvoerbuis verbreed zodat een gesloten gierafvoerbuis ontstaat.
Uitgezonderd van deze eisen zijn de doorsteken, de wachtruimte en de doorlopen; deze hoeven niet te worden voorzien van boven beschreven systeem. Deze ruimten moeten echter wel emissiearm worden uitgevoerd door gebruik te maken van een ander in de Rav opgenomen emissiearm systeem dan wel een dichte vloer. In deze ruimtes mag de breedte van de vloerplaten kleiner zijn dan voor het betreffende emissiearme systeem is vereist, mits dit de emissiereducerende werking niet nadelig beïnvloedt.
1
2a
1
Mestkelder en mestafvoer
Onder de mestafstorten en eventueel onder de vloer in de doorsteken, wachtruimte en doorlopen (dit is afhankelijk van de gekozen vloeruitvoering) is een mestkelder aanwezig.
2b
De mest wordt afgevoerd naar een gesloten mestopslag. De urine wordt opgevangen in de gierafvoerbuis en eveneens afgevoerd naar die gesloten (mest)opslag. Deze opslag kan gecompartimenteerd zijn uitgevoerd, zodat de mest en urine apart van elkaar kunnen worden opgeslagen en verwerkt (primaire mestscheiding).
2c
Aan één of beide uiteinden van de loopgangen is in de vloer een afstort gemaakt voor de afvoer van de mest. Deze mestafstorten zijn voorzien van een zogenaamde brievenbussluiting, rubberen flappen of een andere voorziening die emissie vanuit de mestopslag zoveel mogelijk voorkomt.
2d
Wanneer tussentijdse mestafstorten worden gebruikt, bijvoorbeeld indien de schuifuitvoering dat noodzakelijk maakt of wanneer deze als noodvoorziening wordt geïnstalleerd, moeten deze afstorten worden voorzien van een zogenaamde brievenbussluiting, rubberen flappen, of een andere voorziening die de emissie vanuit de mestkelder zoveel mogelijk voorkomt. Bij een vaste mestschuif moet de mestafstort tenminste de lengte hebben van de naar voren gerichte mestgeleiders.
2e
Indien in de doorsteken, de wachtruimte en de doorlopen een ander emissiearm systeem wordt toegepast en daardoor extra emissie vanuit de kelder daaronder kan optreden (schoorsteeneffect), dient bij elke overgang van vloersysteem in de mestkelder een stankafsluitende voorziening te worden aangebracht.
3
Mestschuif
Voor afvoer van mest moet een vaste mestschuif zijn aangebracht voorzien van een aandrijfmechanisme en een tijdschakeling. De mestschuif dient als volgt te worden uitgevoerd: - Uitvoering 1 De mestschuif wordt met een kabel of touw getrokken. Aan de schuif zit een klepel, kogel of vergelijkbare voorziening waarmee ook mest in de uitsparing in het midden van de vloer en de holte (de gierafvoerbuis) wordt verwijderd. - Uitvoering 2 De mestschuif wordt met een ketting getrokken. De ketting is op een laag liggend punt aan de schuif bevestigd en loopt door de holte (de gierafvoerbuis) en verwijdert ook de daarin aanwezige mest. - Beide uitvoeringen: o De onderkant van de schuif (schraper) moet van kunststof of een gelijkwaardig materiaal zijn en dient zodanig te zijn uitgevoerd dat het loopoppervlak goed wordt gereinigd. o Onder in de gierafvoerbuis dient een slijtstrip of gietmortel toegepast te worden.
4a
4b
Emitterend vloeroppervlak
2
Het met mest besmeurd vloeroppervlak per dierplaats is maximaal 5,5 m . Dit oppervlak omvat de loopgangen, doorsteken, wachtruimte en doorlopen. Niet inbegrepen is het vloeroppervlak van de melkstal en de voerstoep (indien aanwezig). Voor de wachtruimte geldt dat deze niet meetelt bij het bepalen van het met mest besmeurd oppervlak, wanneer deze met een dichte vloer is uitgevoerd. Wanneer de wachtruimte op een andere wijze is uitgevoerd, telt het oppervlak wel mee bij het bepalen van het met mest besmeurd oppervlak per dierplaats.
1
Mestopslag kan plaatsvinden onder de vloer, zolang maar geen open verbinding aanwezig is tussen de ruimte onder en boven de vloer, of in een afgesloten buitenopslag.
2
5
Registratieapparatuur
-
Voor het registreren van het aantal schuifbewegingen dient een verzegelde bedrijfsurenteller aanwezig te zijn; Voor de waarborging van de schuiffrequentie dient een tijdklok aanwezig te zijn. Deze tijdklok dient daartoe de aansturing van de mestschuif te verzorgen.
HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM
a1
Onderdeel
Gebruikseis
Schuiffrequentie
De mest dient tenminste iedere twee uur van de vloer te worden verwijderd met de mestschuif.
a2 b1
Het met mestbesmeurde vloeroppervlak waar de mestschuif niet kan komen, dient minimaal twee keer per dag handmatig te worden gereinigd. Wachtruimte
b2
De gebruiksduur van de wachtruimte beperkt zich tot de melktijden. Buiten de melktijden worden in de wachtruimte geen dieren gehouden. Wanneer de wachtruimte buiten de melktijden wel beschikbaar is voor de dieren maakt deze deel uit van de loopruimte. In dat geval moet de wachtruimte wel worden meegeteld als onderdeel van het mest besmeurd vloeroppervlak. Na elk gebruik moet de wachtruimte direct worden gereinigd waarbij alle mest en urineplassen worden afgevoerd naar de mestkelder.
c
Onderhoud
De mestschuif inclusief de daaraan verbonden klepel, kogel of andere voorziening en de afdichtvoorzieningen in de mestafstorten dienen tenminste iedere twee maanden te worden gecontroleerd en onderhouden. Aanbevolen wordt voor de mestschuif een onderhoudscontract af te sluiten met de leverancier van de mestschuif / mestrobot of een andere deskundige partij.
d1
Controle en registratie
Om het gebruik van het systeem te controleren dient: - op de bedieningscomputer een terugleesoptie aanwezig te zijn waarmee de werking van de mestschuif gedurende de laatste drie maanden inzichtelijk kan worden gemaakt, of: - een verzegelde draaiurenteller te zijn geplaatst voor continue registratie van de bedrijfsuren van de aandrijfmotor van de mestschuif. De bedrijfsuren dienen maandelijks te worden afgelezen en geregistreerd zodat de schuiffrequentie terug te rekenen is.
d2
Er moet een logboek worden bijgehouden waarin wordt aangetekend wanneer en door wie de controle en het onderhoud van de mestschuif en de afdichtvoorzieningen in de mestafstorten heeft plaatsgevonden.
Emissiefactor
8 kg NH3 per dierplaats per jaar.
Verwijzing meetrapport
-
R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van proefstal Ondersteijn met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V.. R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van meetstal Theo Dieker met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V.. R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van meetstal Van den Akker met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V.. R. Birkhoff, januari 2016, Onderzoek naar de ammoniakemissie van meetstal Van Berkum met W5 vloer van HCI Beton, Barneveld Pro Monitoring B.V..
3
Bijlage 1: Detailtekeningen van de vloerelementen (inclusief afbeelding) en de gieropvang
4
NAAM: Ligboxenstal met V-vormige vloer van geprofileerde vloerelementen in combinatie met een gierafvoerbuis en met mestschuif
NUMMER: BWL 2012.04.V4 SYSTEEMBESCHRIJVING December 2018
5
Rav-nummer
BWL 2010.13.V7
Naam systeem
Stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar
Diercategorie
Vleeskuikens (E 5.11), (groot-) ouderdieren van vleeskuikens in opfok (E 3.8), ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken (F 1.7) en 6 tot 30 weken (F 2.7) en vleeskalkoenen (F 4.9)
Systeembeschrijving van
Januari 2020
Vervangt
BWL 2010.13.V6 van november 2017
Werkingsprincipe
Ammoniakemissiebeperking is gebaseerd op het drogen en verwarmen van de mest-/strooisellaag door middel van een onderhoudsvriendelijke warmtewisselaar in combinatie met: - continu draaiende circulatieventilatoren, of; - een in hoogte verstelbaar verdelersysteem met buizen op dierniveau. Met warme ventilatielucht vanuit de stal wordt in één of meer warmtewisselaar(s) verse lucht opgewarmd. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt bij het gebruik van circulatieventilatoren boven in de nok van stal gebracht. Vervolgens wordt deze lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht bovenin de stal en naar één of beide staluiteinden gestuwd. Via de topgevelwand(en) wordt de lucht terug over de strooisellaag geleid. Bij het gebruik van verdeelbuizen wordt de opgewarmde verse ventilatielucht via een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over de strooisellaag geleid. Door het mengen van de stallucht wordt een gelijkmatige temperatuur in de gehele stal bereikt. De mest/strooisellaag wordt gedroogd en de kooldioxide (CO2), andere gassen (o.a. ammoniak) en waterdamp worden bij de dieren afgevoerd.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; BOUWKUNDIG
1
Onderdeel
Uitvoeringseis
Stalvloeruitvoering
De totale stalvloerconstructie inclusief eventueel onderliggende zandlaag moet een warmteweerstand (Rc-waarde) hebben van minimaal 0,5.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel
Uitvoeringseis
2
Huisvestingsvorm
Volledig strooiselvloer
3
Drinkwater
Drinkwatervoorziening voorzien van antimorssysteem
4a
Verwarmings- en luchtcirculatiesysteem
Er moet sprake zijn van minimaal één warmtewisselaar die verse lucht opwarmt, voor één of twee stallen. Deze lucht wordt met circulatieventilatoren vermengd met in de nok van de stal aanwezige warme lucht of via een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over het strooisel geleid. Er dient aanvullende verwarming aanwezig te zijn om de gewenste staltemperatuur te bereiken. Dit kan zowel in de stal als bij de warmtewisselaar.
4b
Warmtewisselaar
Warmtewisselaar(s) kunnen zowel buiten naast de stal zijn opgesteld, als binnen in de stal zijn geplaatst. De warmtewisselaar warmt vers binnenkomende ventilatielucht op alvorens deze in de stal komt. Het thermische rendement van de wisselaar is minimaal 70% bij warmtevraag op basis van: ( T inblaas –T buiten ) x 100% (T = temperatuur) T afzuig – T buiten
4c 4d
De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt 0,35 m3 per dierplaats per uur (of minimaal 8 m 3 per m2 staloppervlak)1. Bij toepassing circulatieventilatoren
De lucht dient in de nok van de stal te worden gebracht. Bij opstelling van de warmtewisselaar buiten de stal kan dit door middel van een buis tot in de nok of door middel van een inblaassysteem met lamellen in de zijgevel en een luchtopvang in de nok van de stal. Bij de toepassing van meerdere warmtewisselaars verdeeld over de lengte van de stal, wordt bij de warmtewisselaar de verse lucht in dezelfde richting uitgeblazen als de lucht stromingsrichting van de circulatieventilatoren.
4e
De circulatieventilatoren worden bovenin de nok van de stal geplaatst op een onderlinge afstand van maximaal 20 meter en op maximaal 1,5 meter onder de nok van de stal. Deze circulatieventilatoren houden continu de luchtbeweging in de stal op gang.
4f
De minimale ventilatorcapaciteit van de circulatieventilatoren is minimaal 20 m 3 per m2 staloppervlak.
4g
Bij toepassing buizen
Bij gebruik van verdeelbuizen dient de lucht over de gehele lengte van de stal op dierniveau te worden verdeeld.
4h
De lucht dient via minimaal twee rijen in de lengte richting opgehangen horizontaal in hoogte verstelbare buizen verdeeld te worden. In de breedte van de stal is sprake van een evenredige verdeling van de buizen
4i
Het aantal buizen is volgens opgave leverancier. De buizen zijn aan weerszijden voorzien van gaatjes. Afstand, diameter en hoek volgens opgave van leverancier.
5
Registratieapparatuur
De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: - apparatuur voor het registreren van het aanstaan van de warmtewisselaar (urenteller); - apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuurcurve, binnen-, inblaas- en buitentemperatuur; - apparatuur voor het registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet in warmtewisselaar en ventilatorcapaciteit circulatieventilatoren
6
Capaciteit
Installatie in bestaande stallen: Te installeren capaciteit van de warmtewisselaar en aanvullende verwarming is minimaal 125 Watt per m 2 bij 35ºC omgevingstemperatuur. Capaciteit volgens opgave leverancier Nieuwbouw2: Te installeren capaciteit van de warmtewisselaar en aanvullende verwarming is minimaal 100 Watt per m 2 bij 35ºC omgevingstemperatuur. Capaciteit volgens opgave leverancier.
HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM a
Onderdeel
Gebruikseis
Leefoppervlak
Bij (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok tot 19 weken: Minimaal 900 cm2 en maximaal 1100 cm 2 per dier bij opzet (8,3 à 11,1 dieren per m2) Bij ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken:
1 Bij vleeskuikens kan een productiewijze worden toegepast waarbij kuikens in de stal uit het ei komen en daarna
opgefokt gedurende een beperkte periode in deze stal. Na de opfokperiode worden de dieren overgeplaatst naar een vervolghuisvesting. Deze productiewijze is, met bijbehorende leeftijden voor overplaatsen, vastgelegd in categorie E 5.9. Afhankelijk van de leeftijd van overplaatsen is de ventilatiebehoefte in de uitbroed/opfokstal mogelijk lager dan de hier gevraagde minimale capaciteit. In dat geval kan de geïnstalleerde capaciteit van de uitbroed/opfokstal worden aangehouden. 2 Als datum voor ‘nieuwbouw’ wordt 1 januari 2000 aangehouden. Stallen gebouwd voor die datum moeten voldoen aan de eis van bestaande stallen.
Minimaal 625 cm2 per dier bij opzet (16 dieren per m 2) Bij ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6-30 weken: Minimaal 1330 cm2 per dier bij opzet (7,5 dieren per m 2) Bij vleeskalkoenen: Mannelijke dieren: Minimaal 3330 cm 2/dier op 10 weken leeftijd (3,0 dieren per m2) Vrouwelijke dieren: Minimaal 2040 cm 2/dier op 10 weken leeftijd (4,9 dieren per m2) b1
Luchtstroming bij toepassing circulatieventilatoren
De lucht in het bovenste deel van de stal3 wordt via circulatieventilatoren via de eindgevel(s) naar beneden geleid en vervolgens goed verdeeld over het strooiseloppervlak geblazen
b2
Luchtstroming bij toepassing buizen
De opgewarmde verse ventilatielucht wordt via de buizen aan een in hoogte verstelbaar verdelersysteem gelijkmatig over het strooiseloppervlak geblazen. De hoogte van de buizen wordt versteld met de leeftijdscurve van de dieren variërend van minimaal 50 cm tot maximaal 150 cm. Tijdens het schoonmaken van de stal zijn de buizen tot aan het dak op te takelen.
c
Instelling temperatuurcurve
Minimaal de eerste 12 dagen van een ronde kan de warmtewisselaar in de volledige minimum ventilatiebehoefte van een stal voorzien. In deze periode zijn de reguliere ventilatieopeningen gesloten en wordt alle ventilatielucht via de wisselaar af- en aangevoerd. De verwarming wordt ingeschakeld naarmate er behoefte is aan extra warmte in de stal, hiervoor wordt de temperatuurcurve gevolgd.
d
Instelling ventilator in warmtewisselaar wanneer er verwarmd wordt
De hoeveelheid afgevoerde lucht wordt gemeten met een meetwaaier. De verwarming wordt ingeschakeld wanneer de ruimtetemperatuur 0,5 C onder de temperatuurcurve komt. De ventilator in de warmtewisselaar draait bij plaatsing van de dieren op minimum niveau en gaat 100% draaien wanneer de ventilatiebehoefte van de dieren hierom vraagt. De afzuigventilator volgt hierbij de inblaas ventilatie curve.
e
Instelling ventilator in wisselaar wanneer er niet verwarmd wordt
Wanneer er geen extra warmtebehoefte is en er dus niet bij verwarmd wordt via de warmtewisselaar, mag de capaciteit worden terug geregeld tot maximaal 50% van de ventilatorcapaciteit. De wisselaar mag worden uitgeschakeld als het temperatuurverschil tussen de streefwaarde van de stal en buitentemperatuur kleiner is dan 12 oC of als de dieren ouder zijn dan 4 weken.
f1
Instelling bij toepassing circulatieventilatoren
De circulatieventilatoren draaien bij plaatsing van de dieren op minimaal 20% van de capaciteit bij regulier gehouden dieren. Bij een lagere bezetting vanaf opzet vanwege welzijnseisen, kan de capaciteit naar rato van deze bezetting worden aangepast4. De capaciteit wordt evenredig met het toenemen van de stalventilatie opgevoerd naar 100%.
f2
Instelling bij toepassing buizen
De beluchting via de warmtewisselaar wordt gestart vanaf dag 1 en volgt de minimale ventilatie behoefte van de dieren van 10% naar 100% van de capaciteit. Na het bereiken van de maximum ventilatiecapaciteit van de warmtewisselaar dient de inblaascapaciteit gedurende de rest van de periode gelijk te blijven.
g
Registratie
Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: - het aan staan van de warmtewisselaar en de ventilator(en) hiervan; - het aan staan van de circulatieventilatoren en het verloop over een ronde. Dit om vast te stellen dat er continu voldoende drooglucht over het strooiselbed wordt geblazen;
3
Het betreft hier de lucht onder het dak/de nok van de stal. De lucht is aldaar warmer dan elders in de stal. Voorbeeld: De capaciteit van 20 m³/m²/uur is vastgesteld op basis van de metingen bij 24 vleeskuikens/m². Bij een bezetting van 15 dieren/m² bij opzet kan de capaciteit bij minimuminstelling worden verlaagd naar 15/24 x 20% = 12,5%. Omgerekend wordt dit dan 2,5 m³/m²/uur i.p.v. 4 m³/m²/uur. 4
- de temperatuurcurve. Emissiefactor
Vleeskuikens (inclusief scharrel en biologisch): 0,021 kg NH3 per dierplaats per jaar (Groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok tot 19 weken: 0,077 kg NH3 per dierplaats per jaar Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6 weken: 0,05 kg NH3 per dierplaats per jaar Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok tot 6-30 weken: 0,15 kg NH3 per dierplaats per jaar Vleeskalkoenen: 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar
Verwijzing meetrapport
Emissiemetingen stalsystemen met Agro Clima Unit (ECN-E-10-087, september 2010) Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee; Advies voor aanpassing van ammoniak emissiefactoren van pluimvee in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Wageningen Livestock Research, Rapport 1015
Voorbeeldtekeningen:
Plattegrond en dwarsdoorsnede bij toepassen van warmtewisselaar en circulatieventilatoren: A) plaatsing van warmtewisselaar buiten de stal en inbrengen lucht via buis naar de nok van de stal (buis kan eventueel ook aan de binnenzijde van het dak worden aangebracht). B) plaatsing warmtewisselaar in de stal (aantal is afhankelijk van benodigde capaciteit). C) inbrengen lucht vanuit de warmtewisselaar met lamellen in zijgevel en opvang in de nok.
Voorbeeld van lamellen (Louvre-systeem) in zijgevel en luchtopvang in de nok.
D)
E) Bij toepassen van compacte warmtewisselaars in de stal met circulatieventilatoren: D) principeschets compacte warmtewisselaar met horizontale uitblaas. E) afbeelding stal met compacte warmtewisselaars en circulatieventilatoren.
Plattegrond en dwarsdoorsnede bij toepassen van warmtewisselaar met buizen systeem: A) plaatsing van warmtewisselaar buiten de stal. B) plaatsing van warmtewisselaar in de stal.
Naam: Stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar
Nummer: BWL 2010.13.V7 Systeembeschrijving: Januari 2020
Rav-nummer
BWL2017.01.V2
Naam systeem
Stal met buizenverwarming
Diercategorie
Vleeskuikens (E 5.15), (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok (E 3.9) en ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; tot 6 weken (F 1.8)
Systeembeschrijving van
Juli 2018
Vervangt
BWL2017.v1 van november 2017
Werkingsprincipe
De ammoniakemissie wordt gereduceerd door het drogen van het strooisel met warme lucht en het afvoeren van verdampt vocht met opgewarmde lucht. Bij dit systeem wordt gebruik gemaakt van de thermische opstijging van warme lucht van de verwarmingsbuizen welke aan de binnenzijde van de zijmuren van de stal zijn geplaatst. De warmte van de warmtebuizen stijgt op door thermiek en beweegt zich samen met de binnenkomende lucht van de luchtinlaatventielen langs het plafond naar het midden van de stal. Daar komen de luchtstromen van beide zijden van de stal samen en bewegen naar omlaag en vervolgens terug naar de zijmuren. De opgewarmde lucht kan vocht opnemen welke uit het strooisel verdampt. Een deel van de stallucht wordt afgezogen zodat het verdampte vocht uit de stal direct wordt afgevoerd. Door de uniforme warmteafgifte van de warmtebuizen over het gehele staloppervlak wordt er bewerkstelligd dat er een uniforme droging van het strooisel plaatsvindt.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; BOUWKUNDIG
1
Onderdeel
Uitvoeringseis
Vloeruitvoering
De totale stalvloerconstructie inclusief eventueel onderliggende zandlaag moet een warmteweerstand (Rc-waarde) hebben van minimaal 0,5.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel
Uitvoeringseis
2
Huisvestingsvorm
Volledig strooiselvloer
3
Drinkwater
Drinkwatervoorziening voorzien van antimorssysteem
4a
Verwarmings- en ventilatiesysteem
Er moet verbrandingstoestel aanwezig zijn die niet in de stalruimte van de dieren is geplaatst. Het warmwater vanuit het verbrandingstoestel dient via een buizensysteem (warmtebuizen) in de stal te worden gebracht.
1
4b
De warmtebuizen zijn gesitueerd aan de binnenzijde van de zijmuren bij de inlaatventielen.
4c
Vorm en dikte van de warmtebuizen volgens opgave leverancier.
5
Registratieapparatuur
De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: - apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuurcurve; - apparatuur voor registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet; - apparatuur voor registreren van de luchtvochtigheid in de stal.
6a
Capaciteit nieuwbouw
De dimensionering van het verbrandingstoestel en de warmtebuizen moet 2 aansluiten bij de gevraagde capaciteit van minimaal 100 W/m of bij de te installeren totale capaciteit die nodig is volgens de warmtebalansberekening. De te installeren totale warmtecapaciteit kan met een warmtebalansberekening worden bepaald.
1
Het gaat er om dat lucht kan worden opgewarmd en dat deze lucht wordt verdeeld. Het verbrandingstoestel staat in een afzonderlijke ruimte. Het afvoerkanaal voor de afvoer van rookgassen dient naar buiten de stal te zijn.
6b
Capaciteit bestaande stallen
De dimensionering van het verbrandingstoestel en de warmtebuizen moet 2 aansluiten bij de gevraagde capaciteit van minimaal 125 W/m of bij de te installeren totale capaciteit die nodig is volgens de warmtebalansberekening. De te installeren totale warmtecapaciteit kan met een warmtebalansberekening worden bepaald.
HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM Onderdeel
Gebruikseis
a
Leefoppervlak
Bij (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok tot 19 weken: minimaal 900 cm² en maximaal 1.100 cm² per dier bij opzet (8,3 à 11,1 dieren per m ²).
b
Luchtstroming
De warmte stijgt op door de thermiek en beweegt zich samen met de binnenkomende lucht van de luchtinlaatventielen langs het plafond naar het midden van de stal. Daar komen de luchtstromen van beide zijden van de stal samen en bewegen naar omlaag en vervolgens terug naar de zijmuren.
c1
Luchtvochtigheid
De luchtvochtigheid in de stal dient permanent te worden gemeten met een luchtvochtigheidssensor welke aangesloten zit op de klimaatcomputer. Wanneer de vochtigheid van het strooisel oploopt en daardoor de stalluchtvochtigheid, dient de computer hierop te reageren door temperatuur van het water in de buizenverwarming te verhogen zodat er meer vocht in de stal wordt verdampt en afgevoerd via het ventilatiesysteem.
c2
De luchtvochtigheid mag maximaal 75% zijn.
d
Instelling temperatuurcurve
De verwarming wordt ingeschakeld naar mate er behoefte is aan extra warmte in de stal, hiervoor wordt de temperatuurcurve gevolgd.
e
Registratie
Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: - de temperatuurcurve; - het gerealiseerde ventilatiedebiet; de gerealiseerde luchtvochtigheid.
Emissiefactor
Vleeskuikens: 0,012 kg NH3 per dierplaats per jaar (Groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok: 0,044 kg NH3 per dierplaats per jaar Ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok: 0,03 kg NH3 per dierplaats per jaar
Verwijzing meetrapport
Onderzoek ammoniakemissie aan vleeskuikenstallen met buizenverwarming (BL2016.6349.02-V11, september 2016) Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee; Advies voor aanpassing van ammoniak emissiefactoren van pluimvee in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Wageningen Livestock Research, Rapport 1015
NAAM: Stal met buizenverwarming
NUMMER: BWL 2017.01.V2 SYSTEEMBESCHRIJVING: juli 2018
Nummer systeem
BWL 2011.02.V6
Naam systeem
Warmtewisselaar; 31% reductie fijnstof (PM10)
Diercategorie
Additionele technieken voor emissiereductie van fijn stof bij de diercategorieën E, F en G
Systeembeschrijving van
Januari 2020
Vervangt
BWL 2011.02.V5 van maart 2019
Werkingsprincipe
De wisselaar zorgt ervoor dat er warme ventilatielucht vanuit de stal verse lucht opwarmt. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt in de stal uitgeblazen. Voor menging van de warme lucht met de aanwezige stallucht kan per diercategorie en huisvestingsysteem een andere techniek worden toegepast. Variant A In het condensatievocht dat zich vormt op de pakketten in de wisselaar blijft stof achter. Samen met aanhechting van stof aan de wanden van de kanalen resulteert dit in een reductie van de emissie van fijnstof. Variant B en variant C De lucht uit de stal wordt gefilterd door filters met een verwijderingsrendement van 99% voor stof met een diameter van ≥10 micrometer voordat deze door de warmtewisselaar gaat.
DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel
Uitvoeringseis
1
Huisvestingsvorm
Afhankelijk van diercategorie en huisvestingssysteem
2
Verwarmings- en luchtcirculatiesysteem
Er moet sprake zijn van minimaal één onderhoudsvriendelijke warmtewisselaar die verse lucht opwarmt. Deze lucht wordt vermengd met lucht in de stal. Bij jonge dieren dient aanvullende verwarming aanwezig te zijn om de gewenste staltemperatuur te bereiken.
3a
Warmtewisselaar
Warmtewisselaar(s) kunnen zowel buiten naast de stal zijn opgesteld, als binnen in de stal zijn geplaatst. De warmtewisselaar warmt vers binnenkomende ventilatielucht op alvorens deze in de stal komt. Het thermische rendement van de wisselaar is minimaal 70% bij warmtevraag op basis van: ( T inblaas –T buiten ) x 100% (T = temperatuur) T afzuig – T buiten
3b
Variant A; omschrijving
De warmtewisselaar is uitgevoerd volgens het tegenstroomprincipe. In een kast van isolerend materiaal zijn kunststof kanalen geplaatst. Bij een binnen geplaatste warmtewisselaar is een geïsoleerde omkasting niet vereist. De kanalen zijn minimaal 7 m lang. De binnenkomende (koude) lucht stroomt door de kanalen. De uitgaande (warme) stallucht stroomt langs de buitenkant van de kanalen.
3c
Variant A; debiet
De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt bij: - opfokleghennen; 0,4 m3/dier/uur - leghennen; 1,0 m3/dier/uur - opfokvleeskuikenouderdieren; 1,0 m3/dier/uur - vleeskuikenouderdieren; 1,5 m3/dier/uur - vleeskuikens; 1,0 m3/dier/uur 1 - vleeskalkoenen, hennen; 3 m3/dier/uur - vleeskalkoenen, hanen; 6,2 m3/dier/uur - vleeseenden; 2,3 m3/dier/uur De capaciteit betreft de uitgaande luchtstroom.
3d
Variant B1; omschrijving
De warmtewisselaar(s) is (zijn) uitgevoerd volgens het kruisstroomprincipe. In een geïsoleerde omkasting zijn lamellen voor warmte-uitwisseling en droge stoffilters geplaatst. Bij binnen geplaatste warmtewisselaars is een geïsoleerde omkasting niet vereist. Na de stoffiltering wordt de afgevoerde lucht door de warmtewisselaar geleid.
3e
Variant B2; omschrijving
De uitvoering van de warmtewisselaar is gelijk aan variant A, maar voordat de lucht door de warmtewisselaar gaat wordt deze gereinigd in droge stoffilters.
3f
Variant C omschrijving
De compacte kruisstroomwisselaar(s) is (zijn) geplaatst voor de in het dakvlak aanwezige ventilator(en). Voor de wisselaar is een droge stoffilter aanwezig.
3g
Variant B en variant C; aantal en oppervlakte filters
Het aantal of de oppervlakte van de filters is afgestemd op de capaciteit die door de warmtewisselaar gaat, volgens opgave leverancier.
3h
Variant B en variant C; type filters
De droge stoffilters hebben een verwijderingsrendement (op massabasis) van minstens 99% voor stof met een diameter van ≥10 micrometer. Dit verwijderingsrendement blijkt uit een bij de filters afgegeven certificaat.
3i
Variant B en variant C; reiniging filters
Voor het regelmatig reinigen van de droge stoffilters is een persluchtinstallatie aanwezig. Bij het gebruik van een compacte warmtewisselaar (variant C) hoeft deze persluchtinstallatie niet aanwezig te zijn1.
3j
Variant B en variant C; debiet
De minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmtewisselaar(s) bedraagt bij: - opfokleghennen; 0,35 m3/dier/uur - leghennen; 0,85 m3/dier/uur - opfokvleeskuikenouderdieren; 0,85 m3/dier/uur - vleeskuikenouderdieren; 1,2 m3/dier/uur - vleeskuikens; 0,75 m3/dier/uur 2 - vleeskalkoenen, hennen; 2,5 m3/dier/uur - vleeskalkoenen, hanen; 5,3 m3/dier/uur - vleeseenden; 1,9 m3/dier/uur De capaciteit betreft de uitgaande luchtstroom.
4
Registratieapparatuur
De volgende registratieapparatuur dient aanwezig te zijn: apparatuur voor het registreren van het aanstaan van de warmtewisselaar (urenteller); apparatuur voor het registreren van de gerealiseerde temperatuur(curve), binnen-, inblaas- en buitentemperatuur; apparatuur voor het registreren van het gerealiseerde ventilatiedebiet in warmtewisselaar en eventueel aanwezige filters apparatuur voor het registreren van de schoonmaakfrequentie van de filters (alleen variant B)
Bij deze uitvoering is ook een voorfilter geïnstalleerd, zodat reiniging van de filters daarna tijdens de ronde niet nodig is. 2 Bij vleeskuikens kan een productiewijze worden toegepast waarbij kuikens in de stal uit het ei komen en daarna opgefokt gedurende een beperkte periode in deze stal. Na de opfokperiode worden de dieren overgeplaatst naar een vervolghuisvesting. Deze productiewijze is, met bijbehorende leeftijden voor overplaatsen, vastgelegd in categorie E 5.9. Afhankelijk van de leeftijd van overplaatsen is de ventilatiebehoefte in de opfokstal mogelijk lager dan de hier gevraagde minimale capaciteit. In dat geval kan de geïnstalleerde capaciteit van de opfokstal worden berekend met de formule: y = 0,1363*e0,0908x (waarin y = te installeren debiet en x is leeftijd van overplaatsen in dagen, e staat voor ‘exponentiele functie’ en heeft de afgeronde waarde 2,7183). 1
HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM
a
Onderdeel
Gebruikseis
Instelling capaciteit warmtewisselaar
Dieren met verwarmingsbehoefte: Ingaande luchtstroom; Zolang er een warmtebehoefte is in de stal, is de ventilator ingeschakeld. Het debiet wordt aangestuurd op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. Als er geen verwarming (meer) nodig is, mag deze ingaande luchtstroom worden uitgeschakeld. Uitgaande luchtstroom; De ventilator voor de uitgaande luchtstroom is gedurende de gehele productieperiode ingeschakeld. De capaciteit van de uitgaande luchtstroom wordt gestuurd op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. De uitgaande luchtstroom wordt in de periode dat er verwarming nodig is gelijk gehouden aan die van de ingaande luchtstroom. Bij toenemende ventilatiebehoefte, als er geen verwarming nodig is, neemt de capaciteit van de uitgaande luchtstroom toe tot de maximale capaciteit van de warmtewisselaar. Dieren zonder verwarmingsbehoefte: Ingaande luchtstroom; De ingaande luchtstroom is afgestemd op de eisen ten aanzien van de beluchting. Uitgaande luchtstroom; De ventilator voor de uitgaande luchtstroom is gedurende de gehele productieperiode ingeschakeld. De capaciteit van de uitgaande luchtstroom wordt gestuurd tot de maximale capaciteit van de warmtewisselaar op basis van de ventilatiebehoefte van de stal. Het debiet is minimaal gelijk aan de ingaande luchtstroom.
b
Reiniging variant A
De buitenzijde van de kunststofkanalen in de wisselaar moeten na iedere ronde en minimaal één keer per twee maanden worden gereinigd.
c
Reiniging variant B en variant C
Bij groeiende dieren: Vanaf 10 dagen na opzetten van de dieren dienen de filters minimaal 1 keer per dag automatisch worden gereinigd met de persluchtinstallatie. Bij het gebruik van een warmtewisselaar waarbij elke droge stoffilter een eigen ventilator heeft, mag de automatische reiniging ook plaatsvinden door de ventilator kortstondig andersom te laten draaien. Na 20 dagen dient dit minimaal 2 keer per dag plaats te vinden. Bij volwassen dieren: Minimaal 2 keer per dag reinigen. Na elke ronde dienen de filters met water worden gereinigd evenals de ruimte onder de filters.
d
Vervanging filters
Om een goed verwijderingsrendement te garanderen worden de filters na 5 jaar ieder jaar getest op het verwijderingsrendement, of de filters worden iedere 5 jaar vervangen.
e1
Registratie
Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten de volgende gegevens automatisch worden geregistreerd: het aan staan van de warmtewisselaar en de ventilator hiervan; de temperatuur(curve); het aanstaan van de filterreinigingsinstallatie (alleen variant B).
e2
Registratie variant B en variant C
Ten behoeve van een controle op de werking van het systeem moeten verder de volgende gegevens worden geregistreerd: datum in gebruik name van de filters; vervangingsdatum van de filters, of; rapport waaruit na 5 jaar gebruik blijkt dat verwijderingsrendement ≥99% is voor PM10.
Werkingsresultaat
Emissiereductie fijnstof (PM10) van 31% ten opzichte van de emissiefactor van het stalsysteem waarmee het wordt gecombineerd.
Verwijzing meetrapport
Rapport 621; Maatregelen ter vermindering van fijnstofemissie uit de pluimveehouderij: validatie van een warmtewisselaar op vleeskuikenbedrijven Rapport 657; Emissies uit een vleeskuikenstal met strooiselbeluchting en warmtewisselaar. Meetprogramma Integraal Duurzame Stallen
Principeschets warmtewisselaar
Variant A
Variant B1
Variant B2
Variant C Naam: Warmtewisselaar; 31% reductie fijnstof
Nummer: BWL 2011.02.V6 Systeembeschrijving: Januari 2020
Gebouwkenmerken beoogde situatie (aanvraag) d.d. 24-2-2020 gebouw functie goothoogte (m) nokhoogte (m) gem.hoogte (m) lengte (m) breedte (m) orientatie (°) aantal dieren RAV-nummer OUE/dier/s OUE totaal NH3 p.d. NH3 totaal g PM10/dier/jr totaal kg fijnstof EP EP gem. hoogte (m) EP gem. Ø (m) EP uittreesnelheid (m/s)
1 rundveestal 2,25 6,77 4,51 48,00 26,00 2,00 98 st melkvee 51 st jongvee A 1.100 en A 3.100 n.v.t. n.v.t. 13,0 en 4,4 1.498,40 118 en 38 13,50 midden gebouw open nok 6,77 0,50 0,40
1A rundveestal (uitbreiding) 2,25 6,77 4,51 32,10 26,00 2,00 52 st melkvee 49 st jongvee A 1.18 en A 3.100 n.v.t. n.v.t. 8,0 en 4,4 631,60 118 en 38 8,00 midden gebouw open nok 6,77 0,50 0,40
2 paardenstalling 2,60 2,60 2,60 12,20 2,40 92,00 5 paarden en 1 pony K 1.100 en K 3.100
5,0 en 3,1 28,10
midden gebouw openingen zijgevel 1,3 0,50 0,40
Gebouwkenmerken beoogde situatie (aanvraag) d.d. 24-2-2020 gebouw functie goothoogte (m) nokhoogte (m) gem.hoogte (m) lengte (m) breedte (m) orientatie (°) aantal dieren RAV-nummer OUE/dier/s OUE totaal NH3 p.d. NH3 totaal g PM10/dier/jr totaal kg fijnstof EP
3 vleeskuikenstal 2,50 6,10 4,30 80,00 26,47 2,00 42.000 E 5.11 0,33 13.860 0,021 882,00 22,00 924,00 gew.gem. EP eindgevel en wisselaar EP gem. hoogte (m) 4,03 EP gem. Ø (m) standaardventilatie 2,17 EP uittreesnelheid (m/s) 7,50
4 vleeskuikenstal 2,50 6,10 4,30 80,00 26,85 2,00 42.000 E 5.11 0,33 13.860 0,021 882,00 22,00 924,00 gew.gem. EP eindgevel en wisselaar 4,03 2,17 7,50
5 vleeskuikenstal 3,00 8,04 5,52 120,40 27,40 2,00 42.500 E 5.15 & E.7.6 0,33 14.025 0,012 510,00 15,18 645,15 gew.gem. EP eindgevel en wisselaar 6,30 2,06 8,50
6 vleeskuikenstal 3,00 8,04 5,52 120,40 27,40 2,00 42.500 E 5.15 & E.7.6 0,33 14.025 0,012 510,00 15,18 645,15 gew.gem. EP eindgevel en wisselaar 6,30 2,06 8,50
XY Coordinaten EP beoogde situatie d.d. 3-3-2020 Maatschap L., L.M. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD Stiens Gewogen gemiddeld EP en EP-hoogte per stal a.h.v. aantal ventilatoren per bron Geb.
Functie
Bron
1
Rundveestal indien verlengd
2
X- coörd.
Y-coörd.
middelpunt middelpunt
181.405 181.390
587.280 587.280
6,77 open nok
Paarden
middelpunt
181.341
587.314
1,50 default
3
Best.vlkstal
eindgevel wisselaar
16 2 18
181.377 181.390 181.378
587.371 587.358 587.370
4,00 eindgevel 4,30 wisselaar 4,03
4
Best.vlkstal
eindgevel wisselaar
16 2 18
181.376 181.374 181.376
587.398 587.414 587.400
4,00 eindgevel 4,30 wisselaar 4,03
5
Nw vlk.stal
eindgevel wisselaar
20 2 22
181.327 181.390 181.333
587.433 587.418 587.432
6,50 eindgevel 4,30 wisselaar 6,30
6
Nw vlk.stal
eindgevel wisselaar
20 2 22
181.326 181.389 181.332
587.467 587.452 587.466
6,50 eindgevel 4,30 wisselaar 6,30
5
Houtkachel
rookgasafvoer
1
181.450
587.423
6,00 schoorsteen
181.390 181.418 181.417 181.387 181.386
587.280 ligboxenstal 587.372 vleeskuikenstal 1 587.399 vleeskuikenstal 2 587.435 vleeskuikenstal 3 587.469 vleeskuikenstal 4
Middelpunt stallen i.v.m. ISL3a
aantal ventilatoren
Geb. 1 Geb. 3 Geb. 4 Geb. 5 Geb. 6
EP hoogte
Toelichting t.a.v. stikstofemissie co-vergisting d.d. 25-10-2016 Initiatiefnemer Maatschap L., L.M. de Boer en R.P. de Boer-Talsma Harnsterdyk 7 9051 LD Stiens Inleiding De biogasinstallatie is sinds oktober 2005 in gebruik. Aanvankelijk met een vermogen van 190 kW. In 2011 is de installatie uitgebreid met een warmtekrachtinstallatie (WKK) van 400 kW. Daarmee kwam de capaciteit op 590 kW. De rundveedrijfmest en de strooiselmest van de kuikens gaan in de vergister met co-producten als frietafval, tulpenbollen, bermgras, uienvellen, enz. Ook wordt er mest van derden aangeleverd. Het biogas dat daarbij ontstaat, wordt d.m.v. een WKK omgezet in elektriciteit, voldoende voor 880 huishoudens. De warmte die daarbij vrijkomt wordt gebruikt door een sportcomplex met tropisch zwembad, twee kilometer verderop, en deels gebruikt om de kuikenstallen van warmte te voorzien. Het digestaat wordt afgezet bij akkerbouwers. Het biogas wordt in 2 generatoren (WKK’s) omgezet in energie (en warmte). De WKK van 190 kW staat thuis en die van 400 kW bij zwembad/sportcentrum ‘It Gryn’ in Stiens. Met een ondergrondse leiding wordt het biogas er naar toegebracht. De warmte die thuis vrij komt wordt aangewend in de kuikenstallen, die bij het sportcomplex wordt gebruikt voor het verwarmen van het water van het zwembad.
Bronnen stikstofemissies De stikstofemissie wordt veroorzaakt door de volgende bronnen binnen de inrichting: WKK (warmte-krachtkoppeling) Aanvoer grondstof in biogasinstallatie - verreiker Laden- en lossen, van grondstoffen en digestaat - vrachtwagens WKK warmte-krachtkoppeling Het bedrijf is uitgerust met een warmtekrachtinstallatie van in totaal 590 kW. De WKK (190 kW) die op het perceel aan de Harnsterdyk 7 aanwezig is behoort tot de inrichting. De WKK (400 kW) in de nabijheid van het tropisch zwembad bevindt zich buiten de inrichting. Deze laatste blijft ten aanzien van de aanvraag Nb-wetvergunning voor de locatie Harnsterdyk 7 buiten beschouwing. De NOx (NO2) emissie van een gasmotor dient in Nederland te voldoen aan de geldende BEMS emissie eisen. De eis is maximaal 340 mg/nm3 rookgas bij een referentie O2 van 3% Zie artikel 3.10f van de Regeling Activiteitenbesluit milieubeheer. De WKK draait maximaal 7.000 uur op jaarbasis op vol vermogen van 190 kW. De totale NOx emissie van de WKK op de thuislocatie komt daarmee op 1.909,49 kg/j. Zie daarvoor de berekening NOx uitstoot WKK Harnsterdijk 7 te Stiens door uitgevoerd door MAN Rollo).
Hoeve Advies
1
De emissiepunthoogte (uitstoot) van de WKK is 5 m.
Berekening NOx uitstoot WKK Harnsterdijk 7 te Stiens (door: MAN Rollo) De WKK geeft een uitstoot van 1.909,49 kg NOx per jaar. In de beoogde situatie is het gebruik van de WKK overeenkomstig met het huidige gebruik en blijft de uitstoot van NOx hetzelfde. Verreiker Voor de invoer van gestorte grondstoffen in de mengsilo voor de biogasinstallatie wordt gebruik gemaakt van een verreiker. De verreiker wordt ingezet binnen een bepaald werkgebied (aangegeven vlak binnen de berekening). Binnen dit vlak vinden de verplaatsingen plaats van de opslagplaats van de gestorte grondstoffen ten behoeve van de biogasinstallatie naar de voormengsilo en terug inclusief draai- en keerbewegingen. De verreiker wordt gedurende 1 uur per dag gebruikt. De bedrijfsduur is ca. 365 uur per jaar. Het brandstof verbruik ligt tussen de 7 en 8 liter per uur (ca. 2.750 liter/per jaar). Het vermogen van de verreiker is 100 kW en het bouwjaar 2014. Het gebruik van de verreiker geeft een uitstoot van 3,3 kg NOx per jaar. In de beoogde situatie is het gebruik van de verreiker overeenkomstig met het huidige gebruik en blijft de uitstoot van NOx hetzelfde.
Hoeve Advies
2
Vrachtverkeer In 2014 is in totaal 4.828,8 ton co-product aangeleverd met 192 vrachtwagens. Daarnaast is 1.200 ton strooiselmest van derden aangeleverd (ca. 40 vrachtwagens) en 5.000 ton drijfmest van derden (ca. 160 vrachtwagens). In onderstaande tabel vindt u een uitgebreid overzicht van de hoeveelheid aangevoerde co-producten en het aantal transportbewegingen wat hiermee gepaard ging in 2014.
Aanvoer co-producten
2014 Tonnen totaal 2014
patat/vet 2.400,8
totaal aanvoer/invoer 2014 x 1000 kg vetkruim glycerine plantvet bierbostel uien/bollen 390,5 878,3 567,6 109,6 161,4
Vrachten aantal 2014 1-4 5-8 9-12 13-16 17-20 21-24 25-28 29-32 33-36 37-40 41-44 45-48 49-52
patat/vet
vetkruim
glycerine
plantvet
7 8 6 7 7 9 14 8 6 8 7 3 5
0 0 1 3 4 1 0 4 3 1 3 0 0
0 0 0 0 1 4 5 4 6 3 3 5 4
3 4 3 3 2 0 2 1 0 0 1 0 0
1 0 0 0 0 1 0 1 0 0 1 0 0
0 0 0 1 0 0 0 1 2 0 0 0 0
0 0 0 0 1 1 0 2 0 0 3 4 0
95 1 96
20 1 21
35
19
4
11
35
19
4
4 2 6
subtotaal aantal dubbel totaal
bierbostel uien/bollen
overig 320,5 overig
11
De aanvoer van pluimveemest, drijfmest en co-producten van derden had in totaal betrekking op 392 vrachtwagens. De inrichting is direct gelegen aan de openbare weg. De inrichting heeft meerdere inritten. De meest zuidelijk gelegen inrit wordt gebruikt voor aan- en afvoer voor de biogasinstallatie. Voor de stikstofemmissie van het verkeer van en naar de inrichting is het traject van de inrichting Harnsterdyk 7 tot aan Bredyk (N357) meegenomen. Vanaf daar wordt het verkeer opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De vrachtauto’s kunnen om te lossen rondrijden binnen de inrichting (roundabout). De afstand vanaf de weg tot aan de losplaats is gemiddeld ca. 70 m. Het traject vanaf de inrichting tot aan de Bredyk (N357) is ca. 2,8 km. Op het traject zijn in totaal 784 vervoersbewegingen, 392 vrachtwagens heen en terug, die gerelateerd zijn aan de vergister.
Hoeve Advies
3
De vrachtwagens zijn gecategoriseerd als zwaar verkeer. Het traject valt in de categorie buitenwegen, vanwege de lage snelheid en het feit dat de tijdens het lossen de vrachtwagen stilstaat met draaiende motor is een ‘filepercentage’ van 70% aangehouden.