Bijlage 3.1 - Ecologische quickscan
Tekst van het document
2022 Quickscan Wet natuurbescherming Werkzaamheden de Burd 20 te Grou 1
++
COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden 0683772548 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Werkzaamheden de Burd 20 te Grou Leeuwarden, oktober 2022 In opdracht van: André van Dijk Architect Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Dhr. J. Groen Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer
Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied.
© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2022). Quickscan Wet natuurbescherming/ Werkzaamheden de Burd 20 te Grou . Rapport 22211. Bureau FaunaX, Leeuwarden.
Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX B.V. heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX B.V., verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Gegevens die afkomstig zijn uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) mogen niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 1
1.2
Doel ...............................................................................................................................2
1.3
Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3
RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 5 2.1
Flora ...............................................................................................................................5
2.2
Vogels ............................................................................................................................5 Jaarrond beschermde vogelnesten ...............................................................................5
2.3
Zoogdieren ................................................................................................................... 8 Vleermuizen ................................................................................................................. 8 Overige zoogdieren ..................................................................................................... 10
2.4
Reptielen...................................................................................................................... 12
2.5
Amfibieën .................................................................................................................... 12
2.6
Vissen .......................................................................................................................... 12
2.7
Ongewervelden ........................................................................................................... 13
2.8
Gebiedsbescherming ................................................................................................... 13 Stikstofgevoeligheid .................................................................................................... 14
2.9 3
Houtopstanden ........................................................................................................... 14
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ..............................................................................15 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 15
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 15 Algemene broedvogels ................................................................................................ 15 Kerkuil 15 Huismus ...................................................................................................................... 16 Vleermuizen (verblijfplaatsen boomholten).............................................................. 16 Vleermuizen (verblijfplaatsen schuur)....................................................................... 16 Vleermuizen (vliegroute en foerageergebied) ........................................................... 17 Waterspitsmuis ........................................................................................................... 17 Otter
17
Zorgplicht .................................................................................................................... 17 NatuurNetwerk Nederland (NNN) ............................................................................ 17 Stikstofgevoeligheid .................................................................................................... 18 3.3 4
Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 18
LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 19
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 -
Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten Provincie Fryslân.....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 3 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens werkzaamheden uit te voeren op het terrein aan de Burd 20 te Grou. Ruimtelijke plannen, zoals deze, dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische Quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming (Wnb) en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I.
Figuur 1.1. Het plangebied (rood omlijnd) te Grou.
1
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van André van Dijk Architect heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op vrijdag 14 oktober 2022 en vond plaats onder relatief zachte weersomstandigheden (15°C, windkracht 2, licht bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
2
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bestaat uit het perceel van De Burd 20 te Grou. Op dit perceel is een vrijstaande boerderij aanwezig. Het dak van de boerderij is deels afgedekt met gegolfde dakpannen en deels met golfplaten. Naast de boerderij is op het perceel tevens een vrijstaande schuur aanwezig. Deze schuur is opgetrokken uit bakstenen (enkelsteense muren) met een dak dat is afgedekt met golfplaten. In het plangebied is tevens een graslandperceel aanwezig dat wordt omgeven door bomen en bosschages. Het plangebied is gelegen aan Wijde Ee. Hier is reeds een haven gerealiseerd. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door Natura2000-gebied de Alde Feanen, de bebouwde kom van Grou, grote wateren zoals het Pikmar en agrarisch gebied dat wordt doorkruist door sloten. Het planvoornemen bestaat uit het verbouwen van de bestaande boerderij, waarbij twee appartementen worden gerealiseerd in de bestaande schuur en werkzaamheden aan het dak worden uitgevoerd. Hiernaast zal de vrijstaande schuur worden gesloopt, worden er parkeerplaatsen gerealiseerd, worden er twee recreatiewoningen gerealiseerd en worden er vier woonarken geplaatst in de reeds gegraven haven.
Figuur 1.2. Een impressie van het plangebied, met links boven de boerderij, rechtsboven de vrijstaande schuur, links onder de haven en rechts onder een deel van het door bomen en bosschages omringde grasland.
3
Figuur 1.3.: Het planvoornemen. Bron: André van Dijk Architecten.
4
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Tijdens het veldbezoek werden binnen het plangebied naast gecultiveerde tuinplanten plantensoorten aangetroffen welke veelal gebonden zijn aan voedselrijk omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan soorten als paardenbloem, scherpe boterbloem en riet. Beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Tevens biedt het plangebied geen geschikt habitat voor deze soorten. De omstandigheden zijn te voedselrijk.
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.
2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. In en grenzend aan het plangebied zijn tijdens het veldwerk geen bomen aangetroffen waarin zich (potentiële) jaarrond beschermde nesten bevinden. Negatieve effecten op jaarrond beschermde boomnesten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Gebouwbroeders Naast boomnesten is het plangebied onderzocht op de (mogelijke) aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van soorten die over het algemeen in gebouwen tot broeden komen, zoals de huismus, gierzwaluw en kerkuil. De aanwezigheid van een nestplaats of andere verblijfplaats van de kerkuil in de schuur van de boerderij in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Dit omdat de schuur van de boerderij toegankelijk is voor deze soort. Gezien de ligging van de boerderij in een omgeving die rijk is aan geschikt foerageergebied, vormt de schuur een geschikte locatie om te verblijven. In de vrijstaande, te slopen schuur in het plangebied zijn geen sporen van kerkuilen aangetroffen. De aanwezigheid van een verblijfplaats in deze schuur kan wél worden uitgesloten.
Voor de gierzwaluw geldt dat we de kans dat deze soort in het dak van de in het plangebied aanwezige boerderij broedt dusdanig klein achten dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Als koloniebroeder die van nature op kliffen broedt, heeft de gierzwaluw een voorkeur voor locaties waar grote aantallen relatief hoge gebouwen dicht op elkaar staat, zoals in een stedelijke omgeving. Hier is in het plangebied en de directe omgeving hiervan geen sprake van. De omgeving is zeer dun bebouwd. Net als een verblijfplaats van de kerkuil, kan ook de aanwezigheid van nesten van huismussen in het plangebied niet op voorhand worden uitgesloten. Dit omdat huismussen tot broeden kunnen komen onder de gegolfde dakpannen van de boerderij. Ook is niet op voorhand uit te sluiten dat huismussen tot broeden komen onder de golfplaten van de vrijstaande schuur. Hiernaast is in de omgeving van deze bebouwing genoeg groen aanwezig om als foerageergebied voor deze soort te dienen.
5
Figuur 2.1.: In het dak van de boerderij kunnen huismussen tot broeden komen onder gegolfde dakpannen.
Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten dan wel andere verblijfplaatsen van huismussen en kerkuilen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten van andere vogelsoorten kunnen wel op voorhand worden uitgesloten.
Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied biedt kansen voor diverse soorten broedvogels. Zo kunnen soorten als de houtduif tot broeden komen in bomen in het plangebied en kunnen soorten als de meerkoet tot broeden komen in het vegetatie in de oeverzone van de haven. Ook kan een soort als spreeuw tot broeden komen onder losliggende dakpannen op het dak van de boerderij. Niet in de laatste plaats zijn broedgevallen van weidevogels ook niet op voorhand uit te sluiten. Op het eiland De Burd is het noordelijke deel ingericht als weidevogelgebied. Met het aanbrengen van de nodige duikers, schuiven én het verbreden van een aantal sloten kan het waterpeil tegenwoordig gemakkelijker en beter geregeld worden. Het zuidelijke deel, waar het plangebied gelegen is, is aangewezen voor bewoning, watersport en recreatie. Het plangebied zelf biedt relatief weinig waarden voor weidevogels. Het areaal aan grasland is relatief klein en is voor weidevogels aan de droge kant. Desalniettemin kan het dienen als onderdeel van een groter foerageergebied. De kans op een broedgeval van bijvoorbeeld een
6
kievit is lijkt relatief klein, maar is niet op voorhand uit te sluiten. Op aangrenzende percelen liggen meer kansen voor weidevogels. Deze percelen zijn van grotere omvang en hebben een nattere bodem. Van deze percelen zijn ook daadwerkelijk waarnemingen van weidevogels bekend, al zijn deze beperkt. Op het noorden van het eiland worden deze soorten veel vaker waargenomen (bron: NDFF). Dit zal naar ons inzien deels komen omdat het habitat hier beter is, maar ook omdat deze delen beter worden onderzocht. Het plaatsen van de arken en recreatiewoningen heeft tot gevolg dat er meer menselijk activiteit zal zijn in het deel van het plangebied dat geringe waarden voor weidevogels heeft. Dit kan ook leiden tot minder rust voor weidevogels in aangrenzende percelen. In hoeverre hierbij sprake is van een negatief effect is afhankelijk van of, en zo ja, hoeveel weidevogels daar daadwerkelijk broeden.
Figuur 2.2.: Waarnemingen van de kievit op de Burd (bron: NDFF).
Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen andere vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart - 15 juli).
7
2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. In het plangebied zijn twee bomen met voor vleermuizen geschikte boomholten in de vorm van spechtengaten aangetroffen. De boomholten bevinden zich in twee zwarte elzen welke worden weergegeven in figuur 2.3 en 2.4. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deze twee bomen binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.3.: Twee voor vleermuizen geschikte boomholten in het plangebied.
8
Figuur 2.4.: De locatie van de twee voor vleermuizen geschikte boomholten.
Verblijfplaatsen van vleermuizen in kunstmatige bouwwerken bestaan doorgaans uit ruimten onder (gegolfde) dakpannen en/of dakplaten, of in een eventuele spouwmuur wanneer deze bijvoorbeeld door de daklaag of door spouwvoegen toegankelijk is voor vleermuizen. Ook kunnen vleermuizen bijvoorbeeld achter gevelbetimmering verblijven. We achten de kans dat er vleermuizen verblijven in de vrijstaande schuur dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. De muren van dit bijgebouw zijn enkelsteens. Daarnaast is er sprake van een enkele daklaag. De binnenkant van de schuur is voor vleermuizen bereikbaar, maar hier zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Daarnaast is binnenin sprake van een zeer slecht gebufferde ruimte met een onstabiel binnenklimaat. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de boerderij kan daarentegen niet op voorhand worden uitgesloten. Dit vanwege ruimtes onder de dakpannen (figuur 2.1.) via waar vleermuizen het dak en de binnenruimtes kunnen bereiken. Dit geldt zowel voor het woongedeelte als voor de schuur van de boerderij. Foerageergebieden en vliegroutes Ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor de instandhouding van een populatie vleermuizen in de omgeving.
Als vliegroutes worden doorgaans lijnvormige landschapselementen gebruikt, zoals bomenlanen, houtwallen, watergangen en gebouwenrijen. Naar ons inzien is voor wat betreft de bebouwing en de vegetatie in het plangebied geen sprake van een essentiële vliegroute of vliegroute omdat er in de omgeving voldoende
9
alternatieven aanwezig zijn. Wat in deze wel de aandacht verdient is het water waar het plangebied aan grenst. Dit kan namelijk als essentieel foerageergebied en als essentiële vliegroute dienen voor de meervleermuis, één van de doelsoorten van het nabijgelegen Natura2000-gebied, de Alde Feanen. Afhankelijk van de exacte locaties van kraamverblijven (deze zijn niet allemaal exact bekend), kan het hier om een essentieel (deel van een) foerageergebied of vliegroute gaan. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes en foerageergebieden kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op een essentieel foerageergebied, dan wel een essentiële vliegroute als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen ook niet op voorhand worden uitgesloten.
Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren. Uit de Burd en de omgeving hiervan zijn waarnemingen bekend van de waterspitsmuis, noordse woelmuis en otter. Voor de noordse woelmuis geldt dat de laatste waarneming van de Burd stamt uit de jaren ’90 (NDFF). Het heeft er dan ook alle schijn van dat de soort op het eiland is uitgestorven. Op basis van dit gegeven en de eigenschappen van het plangebied kan het voorkomen van deze soort op voorhand worden uitgesloten. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van otters bekend. Mede door de ligging van het plangebied bij de Alde Feanen wordt de soort in de omgeving relatief veel waargenomen. Eén waarneming is gedaan vlak buiten het plangebied, bij de reeds gegraven haven (NDFF). In deze haven is langs de oever vegetatie aanwezig in de vorm van soorten als zwanenbloem en grote lisdodde. Deze vegetatie biedt geringe dekking aan de otter. Andere delen van het plangebied zijn voor otters weinig geschikt. Het voorkomen van verblijfplaatsen van de otter in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten, al lijkt de kans uitermate klein door de geringe hoeveelheid dekking in de oeverzone van de haven. Van de waterspitsmuis is een waarneming bekend op zo’n 500 meter van het plangebied (NDFF).
De hierboven beschreven vegetatie in de oeverzone van de haven biedt naar ons inzien geschikt habitat voor deze soort. Dit geldt ook voor de oeverzones van de sloten in het plangebied en de oeverzone van het deel van het plangebied langs de Wilde Burd. De vegetatie biedt hier genoeg dekking en foerageermogelijkheden. Deze foerageermogelijkheden lijken ook in het water voldoende aanwezig te zijn. Het voorkomen van deze soort in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen en verspreidingsgegevens.
10
Figuur 2.5.: De oeverzone van de haven biedt naar ons inzicht geschikt habitat voor otter en waterspitsmuis.
Figuur 2.6.: Op korte afstand van het plangebied is een waarneming van de waterspitsmuis gedaan (gele stip).
11
Het voorkomen van de waterspitsmuis en de otter in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op overige beschermde landzoogdieren als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen waarschijnlijk tevens andere, al dan niet vrijgestelde soorten voor zoals de rosse woelmuis. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen. De aanwezigheid van alle in Nederland voorkomende reptielensoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Uit de omgeving van de Burd zijn geen waarnemingen van reptielen bekend.
De aanwezigheid van reptielen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.5 Amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor beschermde amfibieën. Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Van de Burd zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën bekend. Op basis van dit gegeven en de habitateigenschappen van het plangebied achten we de kans dat hier beschermde amfibieën voorkomen dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Binnen het plangebied kunnen wel andere soorten voorkomen die in de Provincie Fryslân zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, zoals de bruine kikker. Hoewel deze en andere soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
Negatieve effecten op (leefgebied van) beschermde amfibieënsoorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.6 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. Uitgaande van het planvoornemen zoals weergegeven in figuur 1.3. worden de in het plangebied aanwezige sloten niet aangetast. Het grote, open water in de haven biedt geen geschikt habitat voor de grote modderkruiper. Op basis van bovenstaande kunnen negatieve effecten op deze soort op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op andere beschermde vissoorten kunnen worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens.
12
Negatieve effecten op (leefgebied van) beschermde zoetwatervissen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.7 Ongewervelden De meeste onder de Wnb beschermde soorten ongewervelden, zoals specifieke soorten dagvlinders, libellen, mollusken of (water)kevers hebben zeer specifieke habitateisen die in specifieke biotopen worden aangetroffen. Negatieve effecten op beschermde ongewervelden als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen. Zo is er geen geschikt habitat voor waardplanten van beschermde vlinders en worden er geen waterlichamen aangetast waarin bijvoorbeeld beschermde libellen zich voort kunnen planten.
Negatieve effecten op leefgebied van beschermde ongewervelden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie is een enkele vorm van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking heeft op het plangebied. Het plangebied valt niet binnen de begrenzingen van een ganzenfoerageergebied of weidevogelkansgebied, en is geen onderdeel van een Natura2000gebied (bron: Kaartenkijkdoos provincie Fryslân). Wel is het plangebied onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS).
Figuur 2.7: Het plangebied (rode cirkel) is onderdeel van het NNN (groen). Bron: Kaartenkijkdoos Provincie Friesland.
Het plangebied onderdeel van het NNN.
13
Stikstofgevoeligheid Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering ingegaan. Deze wet houdt in dat de bouwfase van bepaalde projecten partieel worden vrijgesteld van de Natura2000vergunningsplicht. Deze vrijstelling geldt echter niet voor de gebruiksfase van een bouwwerk. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ten opzichte van het plangebied is de Alde Feanen, op 1,5 kilometer afstand van het plangebied. In dit N2000-gebied zijn stikstofgevoelige habitats aanwezig. Gezien de omvang van het planvoornemen en de korte afstand tot het Natura2000gebied kan het nodig zijn om een AERIUS berekening uit te voeren. Dit is deels afhankelijk van het feit of het planvoornemen in de gebruiksfase gepaard zal gaan met meer gebruik van fossiele brandstoffen. De Provincie Fryslân is bevoegd gezag in deze en bepaalt of er een AERIUS berekening dient te worden uitgevoerd.
Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats in Natura2000-gebieden als gevolg van extra stikstofuitstoot kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.
2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Uitgaande van het planvoornemen zoals weergegeven in figuur 1.3 is van bovenstaande geen sprake. Om de parkeergelegenheid te realiseren worden er bomen gekapt, maar dit gaat niet om een rij van minimaal 20 bomen en om een kleiner oppervlak dan 10 are.
14
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep
Soort
Aanwezigheid
Art. 3.1
Vogels
Algemene broedvogels
Ja
X
Vogels
Kerkuil
Mogelijk
X
Vogels
Huismuis
Mogelijk
X
Vleermuizen (boomholten) Vleermuizen (bebouwing) Vleermuizen (vliegroute en foerageergebied)
Verscheiden e Verscheiden e
Art. 3.5
Art. 3.10
Vrijgesteld
Advies Werken buiten broedseizoen of onder begeleiding van een ecoloog. Interne inspectie en eventueel Nader onderzoek. Nader onderzoek.
Mogelijk
X
Indien nodig: nader onderzoek.
Mogelijk
X
Nader onderzoek
Meervleermuis
Mogelijk
X
Voorkom lichtuitstraling richting water. Anders: nader onderzoek
Zoogdieren
Waterspitsmuis
Mogelijk
Zoogdieren
Otter
Mogelijk
Overige soorten (algemeen)
Algemeen
Ja
Natuur Netwerk Nederland
Ja
Stikstof
Ja
X
Nader onderzoek
X
Vermijd kwetsbare periode X
Zorgplicht
Overleg met de provincie over eventuele vervolgstappen Ga na of een AERIUS berekening dient te worden uitgevoerd.
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen enkele vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Indien tijdens het broedseizoen wordt gewerkt, adviseren we dit onder begeleiding van een ecoloog te doen.
Kerkuil Het voorkomen van een nestplaats van de kerkuil in de te verbouwen schuur van de boerderij kan niet op voorhand worden uitgesloten. Tijdens het veldwerk was het niet mogelijk om deze schuur van binnen te inspecteren. We adviseren een binneninspectie te laten uitvoeren om te 15
kijken of in de schuur sporen van kerkuilen aanwezig zijn en of hier nestgelegenheid aanwezig is. Deze inspectie kan worden gecombineerd met het nader onderzoek naar huismussen (volgende alinea). Afhankelijk van de resultaten van deze inspectie kan het wenselijk zijn om nader onderzoek naar de aanwezigheid van een verblijfplaats van deze soort uit te laten voeren.
Huismus De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen in de boerderij en de vrijstaande schuur in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Omdat het dak van de boerderij wordt verbouwd en de vrijstaande schuur wordt gesloopt, kunnen er nestplaatsen verloren gaan. We adviseren om nader onderzoek uit te laten voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden aan de hand van een tweetal gerichte veldbezoeken in de periode 1 april – 15 mei, wanneer de trefkans het hoogst is. Indien er jaarrond beschermde nesten van huismussen worden aangetroffen, dient voor deze soort een ontheffing te worden aangevraagd aan de wet natuurbescherming bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. Deze ontheffing wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.
Vleermuizen (verblijfplaatsen boomholten) In het plangebied zijn bomen met boomholten aanwezig waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het gaat hierbij om soorten als gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. De meest zuidelijk vastgestelde boom met boomholte, zoals weergegeven in figuur 2.4., staat net wel of net niet op de plek waar uitgaande van figuur 1.3. parkeergelegenheid gerealiseerd zal worden. Indien deze boom wordt gekapt, kunnen er vleermuisverblijfplaatsen verloren gaan. In dit geval adviseren we op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of in de betreffende boom inderdaad vleermuizen verblijven. Binnen dit onderzoek worden diverse bezoeken aan het plangebied gebracht, verdeeld over verschillende perioden van het jaar. Het aantal bezoeken en de perioden waarin deze worden uitgevoerd wordt bepaald aan de hand van het Vleermuisprotocol 2021. Indien er tijdens dit nader onderzoek verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen, dient voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.
Dit onderzoek kan worden gecombineerd met het onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de schuur van de boerderij (volgende alinea).
Vleermuizen (verblijfplaatsen schuur) Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te verbouwen schuur van de boerderij kan niet op voorhand worden uitgesloten. Het gaat hierbij om soorten als gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en laatvlieger. We adviseren in deze om op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of in de betreffende schuur inderdaad verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Binnen dit onderzoek worden diverse bezoeken aan het plangebied gebracht, verdeeld over verschillende perioden van het jaar. Het aantal bezoeken en de perioden waarin deze worden uitgevoerd wordt bepaald aan de hand van het Vleermuisprotocol 2021. Indien er tijdens dit nader onderzoek verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen, dient voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de
16
provincie Fryslân. Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.
Vleermuizen (vliegroute en foerageergebied) Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het water van de Wijde Ee dient als essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroute voor de meervleermuis. We adviseren om de hoeveelheid lichtuitstraling over het water tussen zonsondergang en zonsopkomst gelijk te houden aan de huidige situatie (dan wel te verminderen). Dit omdat vleermuizen licht vermijden en een dergelijke vorm van lichtuitstraling de kwaliteit van een foerageergebied en een vliegroute kan doen verminderen. Als dit niet mogelijk is, dan adviseren we op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of hier inderdaad sprake is van een essentiële vliegroute of een essentieel foerageergebied. Indien hier sprake van is dient er een ontheffing aan de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Waterspitsmuis Het voorkomen van de waterspitsmuis in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Indien de oever van de haven wordt aangetast, bijvoorbeeld voor het realiseren van een aanlegsteiger, kunnen negatieve effecten op deze soort niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren in dit geval op basis van nader onderzoek vast te laten stellen of de soort inderdaad op de betreffende locatie voorkomt. Dit onderzoek kan het best in het najaar worden uitgevoerd met behulp van inloopvallen.
Otter De kans op het voorkomen van verblijfplaatsen van de otter in het plangebied is relatief klein maar dit voorkomen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Omdat de otter niet zo zeer gebruik maakt van vaste rust- en verblijfplaatsen (de soort verhuist zelfs als ze jongen heeft), achten we het niet realistisch om in deze nader onderzoek aan te bevelen. Wel adviseren we in deze de meest kwetsbare periode van de soort te vermijden. Dit betreft de periode waarin de kans het grootst is dat de otter jongen heeft. Hieraan wordt naar ons inzien voldaan als buiten het broedseizoen wordt gewerkt.
Zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. De zorgplicht van de Wnb (art. 1.11) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving. Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventueel aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten of eventueel aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt naar ons inzien voldaan aan de zorgplicht. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I.
NatuurNetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is grotendeels onderdeel van het NNN. In het deel van het plangebied dat onderdeel is van het NNN worden onder andere recreatiewoningen en woonarken gerealiseerd. We adviseren contact op te nemen met de provincie Friesland en na te gaan of dit gevolgen heeft voor de voortgang van het traject.
17
Stikstofgevoeligheid Gezien de korte afstand tot de Alde Feanen en het feit dat er meerder woningen en woonarken worden gerealiseerd, is het mogelijk nodig om een AERIUS berekening uit te voeren. We adviseren dit te doen dan wel bij de provincie Friesland na te vragen of dit nodig is.
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
18
Broedvogels: werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Kerkuil: Interne inspectie en indien nodig nader onderzoek. Huismus: Nader onderzoek. Vleermuizen (boomholten): Indien van toepassing: nader onderzoek. Vleermuizen (schuur): Nader onderzoek Vleermuizen (vliegroute/foerageergebied): Vermijd lichtuitstraling richting water, anders nader onderzoek. Waterspitsmuis: Indien aantasting oever haven nader onderzoek. Otter: Vermijd de meest kwetsbare periode (werken buiten broedseizoen). Overige algemene soorten: Zorgplicht NNN: Ga na of bouwen in het NNN consequenties heeft voor de voortgang van het traject. Stikstofgevoeligheid: Voer een AERIUS berekening uit (tenzij blijkt dat dit niet nodig is).
4 LITERATUUR EN BRONNEN Bronnen internet AERIUS calculator https://calculator.aerius.nl/wnb/ NDFF https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/ Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Waarneming.nl https://waarneming.nl Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
19
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art.3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Vrijgestelde soorten Provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de Provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.
-1-
Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming Provincie Fryslân.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de Provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. In het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. In het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.
Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.
-2-
Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.
Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.
Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.
Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Friese gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.
Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.
-3-
NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.
-4-