CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Leeuwarden - SVL

Besluitvorming (raad) 17 september 2025, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 40122.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

33/173

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoeren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld via het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Toetsing Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart worden meerdere soorten risico's benoemd, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; wel is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Transportroute van gevaarlijke stoffen Over de Groningerstraatweg wordt een beperkt aantal gevaarlijke stoffen vervoerd voor plaatselijke bevoorrading. Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van de Groningerstraatweg. Daarom zal rekening moeten worden gehouden met artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Met betrekking tot externe veiligheid zijn er geen relevante risicocontouren aanwezig wegens het geringe aantal transportbewegingen ( 1 transport per drie dagen). Er is sprake van een laag groepsriciso omdat het plangebied buiten de effectafstanden van brandbare stoffen ligt. Van belang is ook dat er sprake is van een bestaande situatie waarbij de kans op een extern veiligheidsscenario laag is. Advies Brandweer Fryslân In het kader van het vooroverleg heeft Brandweer Fryslân een advies uitgebracht (bijlage 10).

Het advies is gebaseerd op de Wet veiligheidsregio's in relatie tot omgevingsveiligheid en de brandweerzorg. Hieronder wordt het advies samengevat en is uitgewerkt hoe er in het planvoornemen rekening wordt gehouden met de belangen van de brandweer. 1. Er dient geborgd te worden dat de brandweer het plangebied kan bereiken De toegangsweg naar het plangebied is ongeveer 3,5 meter breed met grotendeels asfalt. Alleen het laatste deel

34/173

naar het woongebouw is voorzien van puinverharding. De gemeente onderzoekt in hoeverre de bereikbaarheid kan worden verbeterd. Wanneer noodzakelijk zal dit met de brandweer worden gecommuniceerd. 2. Er dient een keermogelijkheid bij het woongebouw te zijn Het is mogelijk om bij het woongebouw te keren. Dit zal niet tot knelpunten voor de brandweer leiden. 3. Geadviseerd wordt om het open water voor het woongebouw geschikt te maken om als bluswater te kunnen gebruiken. Het water rondom de boerderij is na een beoordeling van de gemeente geschikt bevonden voor bluswater. Het open water is toegankelijk voor de brandweer en er is voldoende water beschikbaar. Conclusie In de omgeving van het plangebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen. De transportroute van de Groningerstraatweg voor gevaarlijke stoffen is voldoende onderzocht. Het advies van Brandweer Fryslân is meegenomen in het plan. Er zijn geen gevolgen voor de brandweerzorg. Vanuit externe veiligheid is er geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.12 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. Toetsing In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die een planologische beperking vormen en waarvoor een regeling nodig is. Conclusie Het aspect kabels en leidingen heeft geen invloed op dit plan.

35/173

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.1

Algemeen

De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Het bestemmingsplan 'Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 401' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan.

De regels van het bestemmingsplan 'Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 401' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en de overgangs- en slotregels.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de volgende bestemmingen gekregen: Natuur De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, ecologische en landschappelijke waarden van het gebied. Via dagrecreatief medegebruik zijn de activiteiten van SVL toegestaan. Deze activiteiten blijven ondergeschikt aan de natuurbestemming. Om te voorkomen dat bestaande natuurwaarden worden aangetast zijn bij recht alleen de bestaande bouwwerken toegestaan. Het is niet mogelijk om zonder omgevingsvergunning nieuwe hindernissen of bouwwerken op te richten. Recreatie De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatieve activiteiten ten behoeve van een

36/173

survivalvereniging en extensieve dagrecreatie. Door middel van een specifieke bouwaanduiding wordt de bouwmogelijkheid voor een bok van maximaal 10 meter hoog aangegeven. Het afspelen van versterkte muziek wordt in deze bestemming uitgesloten. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit en aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woonhuizen. De hoofdgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd, en de bestaande maatvoering is vastgelegd. Naast de bovengenoemde enkelbestemmingen, zijn de volgende dubbelbestemmingen opgenomen: Waarde - Archeologie 3 Over een deel van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' gelegd. De hiervoor aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Vanaf bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en die de bodem dieper dan 0,30 m beneden het maaiveld verstoren is op basis van deze dubbelbestemming archeologisch onderzoek vereist. Waarde - Archeologie 6 Op grond van de partiële herziening Archeologie (2022) is het oostelijk gelegen deel van het plangebied bestemd als 'Waarde - Archeologie 6'.

De voor deze dubbelbestemming aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Dit houdt in dat voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en die de bodem dieper dan 0,50 m beneden het maaiveld verstoren, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Verder blijven de partiële herzieningen woningsplitsing en woonzorgfuncties (2022) en Plan voor de zon (2018) van toepassing. Gebiedsaanduidingen Over het plangebied ligt een aantal luchtvaartverkeerszones die als gebiedsaanduidingen zijn opgenomen. Hiermee worden de belangen van de Vliegbasis Leeuwarden beschermd. Luchtvaartverkeerszone - ils verstoringsgebied 2 Voor de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone – ils verstoringsgebied 2' gelden hoogtebeperkingen voor bouwplannen om eventuele verstoring van het radionavigatiesysteem van de vliegbasis tegen te gaan. Het is hier niet op voorhand verboden om te bouwen, maar er gelden hoogtebeperkingen. Als de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte wordt overschreden, mag hier alleen worden gebouwd na overleg met de beheerder van het ILS-systeem. Luchtvaartverkeerszone - obstakelbeheergebied De gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerszone - obstakelbeheergebied' geeft de maximale hooogte aan van bouwwerken en beplanting die hier zijn toegestaan om het gebruik, de veiligheidssituatie en de invliegfunnel

37/173

van de vliegbasis Leeuwarden te kunnen blijven garanderen.

38/173

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg Op basis van het wettelijk vooroverleg is het voorontwerp bestemmingsplan aangeboden aan verschillende overlegpartners. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van provincie Fryslân (bijlage 11) zijn de ecologische rapporten geactualiseerd. Ook zijn de effecten op het NNN gebied ten noorden van het plangebied uitgebreider beoordeeld. Het Wetterskip heeft aandachtspunten meegegeven met betrekking tot de regionale waterkering in het plangebied. Deze aandachtspunten zijn gecommuniceerd aan de gebruikers van het plangebied. In het kader van het vooroverleg heeft Brandweer Fryslân een advies uitgebracht. Het advies is gebaseerd op de Wet veiligheidsregio's in relatie tot omgevingsveiligheid en de brandweerzorg. De gemeente onderzoekt naar aanleiding van het advies van de brandweer in hoeverre de bereikbaarheid kan worden verbeterd. Indien noodzakelijk zal dit met de brandweer worden gecommuniceerd. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er twee zienswijzen ontvangen. Deze hebben tot aanpassingen in het bestemmingsplan geleid, zoals verwoord in de reactie- en antwoordnota zienswijzen behorende bij het besluit. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt naar aanleiding van de zienswijzen gewijzigd vastgesteld.

Uiteindelijk is tegen het vaststellingsbesluit beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Economische Uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze waarop gemeentelijke kosten op het plan worden verhaald (grondexploitatie). De gemeente is de initiatiefnemer van dit bestemmingsplan. Omdat door middel van dit plan de bestaande situatie wordt vastgelegd is de financiële haalbaarheid niet in het geding. Daarnaast is het niet noodzakelijk om overeenkomsten op te stellen voor het kostenverhaal. De gemeente is verantwoordelijk.

39/173

40/173

Bijlagen toelichting

41/173

42/173

Bijlage 1

43/173

Locaties met hinderniselementen binnen bestemming 'Natuur'

Bijlage 2

45/173

Bodemonderzoeken SVL terrein

48/173

Bijlage 3

49/173

Stikstofdepositie berekening exploitatiefase

- MEMO Memo

DATUM KENMERK VAN

20 januari 2025 20221441 D. Brugma

OPDRACHTGEVER PROJECT

Gemeente Leeuwarden Leeuwarden – SVL Groningerstraatweg 401

STIKSTOFEMISSIE EN DEPOSITIE INLEIDING In opdracht van de gemeente Leeuwarden is in mei 2024 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de exploitatiefase van de activiteiten van de Survival Vereniging Leeuwarden (SVL) en de bewoning van de voormalige boerderij aan de Groningerstraatweg 401 in Leeuwarden. Op 20 januari 2025 is de stikstofberekening geactualiseerd. Elke ruimtelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden een rol spelen. Omdat het bestaande wordt vastgelegd in een nieuw bestemmingsplan is alleen de exploitatiefase van belang. In deze berekening is rekening gehouden met verkeersbewegingen als emissiebron.

WETTELIJK KADER Algemeen Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming: verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke Habitats en de Habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied.

Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft.

Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. De vervallen Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Op 2 november 2022 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over de bouwvrijstelling in relatie met stikstofdepositie die per 1 juli 2022 via de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in werking is getreden. De Wsn en de Bsn regelden een vrijstelling voor de vergunningsplicht van artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Met de uitspraak van 2 november 2022 komt deze bouwvrijstelling (zgn. aanlegfase) te vervallen. Voor ruimtelijke plannen en projecten dient daarom de aanleg- en exploitatiefase meegenomen te worden om te bepalen of er een stikstofdepositie is. In het voorliggend onderzoek wordt alleen de exploitatiefase meegenomen omdat er geen sprake is van een aanlegfase. De bestaande situatie wordt juridisch planologisch vastgelegd.

AERIUS CALCULATOR EN UITGANGSPUNTEN AERIUS Calculator, release 1 oktober 2024 Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (versie 2024.0.1) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Groote Wielen. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt ongeveer 50 meter. De Natura 2000gebieden Waddenzee en Alde Feanen zijn ook stikstofgevoelig en liggen op een afstand van ongeveer 16 en 9 kilometer.

Figuur 1: plangebied met meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS-Calculator)

2/4

BEREKENINGSUITGANGSPUNTEN EXPLOITATIEFASE De (potentiële) gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000- gebieden worden in de exploitatiefase bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie. Verkeersgeneratie woning Op basis van één vrijstaande woning bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 9 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 744). Het aantal verkeersbewegingen per woning van zware motorvoertuigen bedraagt 0,02 mvt/etmaal (CROW publicatie 744). Voor de rijroutes en rijrichtingen is het heersende verkeersbeeld van belang. Het wegverkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld als het qua rij- en stopgedrag en intensiteit niet meer te onderscheiden is van het overige wegverkeer. De voormalige boerderij aan de Groningerstraatweg 401 wordt via een eigen inrit op de Groningerstraatweg ontsloten. Bij het kruispunt van de N355 en de Groene ster gaat de verkeersgeneratie van de woning op in het heersende verkeersbeeld. Verkeersgeneratie SVL Het plangebied betreft een survivalvereniging. Voor deze functie zijn geen kencijfers beschikbaar vanuit het CROW. Tevens zijn er geen functies opgenomen in het CROW die goed aansluiten op het gebruik van het plangebied.

Daarom is de verkeersgeneratie berekend aan de hand van het bestaande gebruik en de verkregen gegevens van de Survival Vereniging Leeuwarden (SVL). De survivalvereniging bestaat uit 572 leden. Per week worden in totaal 13 lessen gegeven op de vereniging. Het aantal leden per les varieert tussen de 15 tot 75 deelnemers. Voor het hanteren van een worstcase benadering wordt uitgegaan van het maximum aantal leden per les. Per les komt gemiddeld 85% van de aanwezige leden met de auto, waarbij een gemiddelde bezetting van 1,5 personen per auto wordt aangehouden. Dit komt neer op (75 x 0,85 / 1,5 =) 42,5 auto’s per les. Per auto wordt uitgegaan van 2 voertuigbewegingen voor het op- en afrijden van het terrein, wat resulteert in een verkeersgeneratie van gemiddeld (42,5 x 2 =) 85 voertuigbewegingen per les. Het gemiddelde aantal lessen per dag bedraagt (13 / 7 =) 1,86 lessen. Hieruit volgt dat de verkeersgeneratie van SVL gemiddeld (85 x 1,86 =) 158 mvt/etmaal bedraagt voor een gemiddelde weekdag. Voor de rijroutes en rijrichtingen is het heersende verkeersbeeld van belang. Het wegverkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld als het qua rij- en stopgedrag en intensiteit niet meer te onderscheiden is van het overige wegverkeer. Voor wat betreft de lengte van de rijroutes is uitgegaan van twee rijroutes vanaf de parkeerplaats in het plangebied, zie figuur 2.

Figuur 2: Rijroutes wegverkeer SVL

3/4

Uitgangspunt is dat 70% van het wegverkeer naar het oosten rijdt via de Groningerstraatweg om op deze manier de N355 op te kunnen rijden. Bij het kruispunt tussen de N355 en de Groene Ster gaat de verkeersgeneratie van SVL op in het heersende verkeersbeeld. De overige 30% gaat richting het westen door de stad Leeuwarden. Bij het kruispunt van de Groningerstraatweg en de Anne Vondelingweg gaat de verkeersgeneratie van SVL op in het heersende verkeersbeeld. Het aantal verkeersbewegingen per rijroute is weergegeven in tabel 1. Tabel 2: Verkeersgeneratie exploitatiefase

Route 1 Oosten N355 Route 2 Westen Groningerstraatweg Totaal

Verdeling wegverkeer 70% 30% 100%

Verkeersgeneratie per etmaal 111 47 158

Voor de gebruiksfase is 2025 als rekenjaar aangehouden. Dat rekenjaar genereert voor het verkeer de hoogste emissies (worstcase). Wanneer een rekenjaar verder in de toekomst ligt, worden de emissies lager door een toename van elektrisch rijden en schonere technieken. Koude start Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. Om deze reden is in AERIUS een vlakbron (conform de Instructieregels voor AERIUS oktober 2024) ingevoerd, waarbij is uitgegaan dat 50% van de lichte verkeersbewegingen een koude start heeft. Dit zijn (79+4,5=) 83,5 koude starts/etmaal. Voor zwaar verkeer is geen rekening gehouden met de koude start, aangezien dit aanrijdend verkeer binnen 2 uur weer is vertrokken.

RESULTATEN EN CONCLUSIE Het bijgevoegde PDF-bestand geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van de stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator (1 oktober 2024). De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de wet Natuurbescherming. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). De voorgenomen ontwikkeling wordt uitvoerbaar geacht.

4/4

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .

handleidingen op onze website

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Rho Adviseurs -, -Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 401 Gebruik voormalige boerderij en activiteiten SVL

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RoPruFkgppwJ 20 januari 2025, 08:58 OwN2000-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 401 - Beoogd Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 401 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

RoPruFkgppwJ (20 januari 2025)

2025 -

3,6 kg/j

26,4 kg/j

2/7

Projectberekening

Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 401 (Beoogd), rekenjaar 2025 Emissiebronnen 4 5 

Verkeer | Koude start: overig | Koude start woning Verkeer | Koude start: overig | Koude start SVL Verkeersnetwerk

RoPruFkgppwJ (20 januari 2025)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

73,1 g/j 1,3 kg/j 2,2 kg/j

0,5 kg/j 7,9 kg/j 18,0 kg/j

3/7

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

1000 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)

De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RoPruFkgppwJ (20 januari 2025)

4/7

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Leeuwarden SVL Groningerstraatweg 401" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.

RoPruFkgppwJ (20 januari 2025)

5/7

Projectberekening

Leeuwarden - SVL Groningerstraatweg 401, Rekenjaar 2025 1 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Exploitatiefase woning Locatie X:187190,66 Y:581362,3 Lengte 2.245,48 m Wegtype Buitenweg Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

2 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Route 1 exploitatefase SVL Locatie X:187227,9 Y:581368,03 Lengte 2.195,07 m Wegtype Buitenweg Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

3 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Route 2 Exploitatiefase SVL Locatie X:185407,77 Y:581281,46 Lengte 1.800,84 m Wegtype Buitenweg Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

RoPruFkgppwJ (20 januari 2025)

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃

Type scherm Hoogte Afstand tot de weg

-

-

Aantal voertuigbewegingen

9,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal Type scherm Hoogte Afstand tot de weg

Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃

-

-

Aantal voertuigbewegingen

111,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal Type scherm Hoogte Afstand tot de weg

Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃

-

-

Aantal voertuigbewegingen

47,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal

1,1 kg/j 0,2 kg/j 0,1 kg/j

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

12,5 kg/j 1,8 kg/j 1,5 kg/j

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

4,4 kg/j 0,6 kg/j 0,5 kg/j

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

6/7

Projectberekening

4

Verkeer | Koude start: overig

Naam Locatie Oppervlakte

Type voertuig

Koude start woning X:186156,09 Y:581343,09 0,02 ha

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 5

Verkeer | Koude start: overig

Naam Locatie Oppervlakte

Type voertuig

Koude start SVL X:186252,52 Y:581392,09 0,59 ha

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

NOₓ NH₃

0,5 kg/j 73,1 g/j

Koude starts

4,5 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal NOₓ NH₃

7,9 kg/j 1,3 kg/j

Koude starts

79,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2024.0.1_20241009_75e59949f9 Database versie 2024_75e59949f9_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website

RoPruFkgppwJ (20 januari 2025)

7/7

Bijlage 4

61/173

Ecologische quickscan

Actualisatie natuurtoets survivalterrein te Leeuwarden 16 oktober 2023

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Verantwoording Titel

Gem Leeuwarden - actualisatie natuurtoets survivalterrein

Opdrachtgever

Gemeente Leeuwarden

Projectleider

Elise Koole

Auteur(s)

Sharon ter Haar & Tjebbe Leen

Tweede lezer

Adrie van Hooff

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Tjebbe Leen

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Aantal pagina’s

28

Datum

16 oktober 2023

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wettelijk kader .................................................................................................................... 5

1.3

Te beschouwen natuurwet- en regelgeving ....................................................................... 5

1.4

TAUW en biodiversiteit ....................................................................................................... 6

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 6

Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 7 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 7

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................... 9

Natura 2000-gebieden ............................................................................................................... 9 3.1

Inleiding .............................................................................................................................. 9

3.2

Toetsing Natura 2000-gebieden ....................................................................................... 10

3.3

Wettelijk kader .................................................................................................................. 10

3.4

Natura 2000-gebied Groote Wielen ................................................................................. 11

3.4.1

Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels ............................................................................ 11

3.4.2

Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels ..................................................................... 11

3.4.3

Habitatrichtlijnsoorten................................................................................................ 12

3.5

Afkadering effecten .......................................................................................................... 12

3.6

Effectbeoordeling ............................................................................................................. 12

3.7

Conclusie ......................................................................................................................... 15

Provinciaal beschermde gebieden .......................................................................................... 15 4.1

Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................ 15

4.1.1

Toetsingskader.......................................................................................................... 15

4.1.2

Toetsing NNN............................................................................................................ 16

4.1.3

Conclusie .................................................................................................................. 17

4.2

Natuur buiten NNN ........................................................................................................... 17

4.2.1

Inleiding ..................................................................................................................... 17

4.2.2

Toetsingskader.......................................................................................................... 17

4.2.3

Effecten ..................................................................................................................... 18

3/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

4.2.4 5

Soortenbescherming ............................................................................................................... 18 5.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 18

5.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 19

5.3

Zorgplicht ......................................................................................................................... 19

5.4

Werkwijze ......................................................................................................................... 20

5.5

Te toetsen soorten ........................................................................................................... 20

5.5.1 5.6

6

Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek ................................. 20

Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 21

5.6.1

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 21

5.6.2

Vleermuizen .............................................................................................................. 22

5.6.3

Vogels ....................................................................................................................... 23

5.6.4

Amfibieën .................................................................................................................. 24

5.6.5

Reptielen ................................................................................................................... 24

5.6.6

Vissen ....................................................................................................................... 24

5.6.7

Vlinders, libellen en overige ongewervelden ............................................................. 25

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 25 6.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................ 25

6.2

Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 25

6.3

Conclusies toetsing .......................................................................................................... 25

6.3.1

Wet natuurbescherming ............................................................................................ 25

6.3.2

Provinciaal beschermde gebieden ............................................................................ 26

6.4 7

Conclusie .................................................................................................................. 18

Aanbevelingen en kansen biodiversiteit ........................................................................... 26

Literatuur ................................................................................................................................. 27

4/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor de toetsing.

1.1

Doel

In opdracht van Gemeente Leeuwarden heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor het gebruik van het terrein aan de Wielhalsdyk te Leeuwarden. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen worden afgegeven en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Dit onderzoek is een actualisatie van een eerder opgeleverde natuurtoets (Kenmerk: R001-1274972MTR-V02-efm-NL) en nader onderzoek (Kenmerk: R002-1274972JNAV01-efm-NL). In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen:  

Welke natuurwet- en regelgeving is van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de geldende natuurwet- en regelgeving?

 

Zijn maatregelen en/of een vergunning/ontheffing/melding nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

1.2

Wettelijk kader

De Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’) is het wettelijke stelsel voor bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten (flora en fauna) en houtopstanden. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Friesland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning of ontheffing. Provinciale Staten (PS) van de provincie Friesland kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde soorten. Naast de Wnb geldt vanuit provinciale ruimtelijke beleidsregels ook regelgeving met betrekking tot beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’).

1.3

Te beschouwen natuurwet- en regelgeving

Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden In Nederland zijn ruim 160 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, beschermd vanuit de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Groote Wielen is circa 30 meter. Effecten zijn vanwege de aard van het voornemen en de afstand tot Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten, waardoor een toetsing van eventuele effecten op Natura 2000-gebieden noodzakelijk is.

5/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Significante effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen niet op voorhand uitgesloten worden. Om hier zekerheid over te verkrijgen is een AERIUS berekening noodzakelijk, het bevoegd gezag kan hier altijd om vragen. Houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland te behouden. Toetsing van eventuele effecten op beschermde houtopstanden is niet aan de orde, omdat er geen bomen worden gekapt. Soortenbescherming Onder de soortenbescherming zijn diverse planten- en diersoorten specifiek beschermd en voor alle soorten geldt dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is een toetsing van eventuele effecten op beschermde soorten noodzakelijk. Provinciaal beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het NNN. Het NNN omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden met als doel deze beter met elkaar en het omliggende gebied te verbinden. Provincies zijn verantwoordelijk voor het aanwijzen van de gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN.

Een toetsing van de effecten op het NNN van ontwikkelingen die daarbuiten plaatsvinden (externe werking) is in provincie Friesland van toepassing. Toetsing van die effecten op het NNN is daarom noodzakelijk. In de provincie Friesland zijn naast het NNN (in Friesland: EHS) ook gebieden aangeduid en beschermd als Natuur buiten de EHS, Weidevogelgebieden (weidevogelkansgebieden en weidevogelparels) en Kleine natuurelementen in agrarisch gebied. Het plangebied maakt deel uit van Natuur buiten de EHS. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom aan de orde.

1.4

TAUW en biodiversiteit

Naast de natuurwet- en regelgeving zijn er in alle projecten kansen waarmee dit project kan bijdragen aan herstel van biodiversiteit. In het hoofdstuk “Conclusies en aanbevelingen” zijn enkele van deze kansen voor dit project beschreven.

1.5

Kwaliteit

Bij uitvoering van deze natuurtoets is geen volledige zekerheid te geven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat beschermde soorten soms een hele lage trefkans hebben, soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs afwezig kunnen zijn. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.

6/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het plangebied ligt ten noorden van de Groningerstraatweg en ten zuidwesten van het Natura 2000-gebied Groote Wielen. Het gebied bestaat uit grasstroken en grasvelden tussen dichtbegroeide bosschages. In het noordoosten ligt een hooiland. In het plangebied zijn een grote vijver en een aantal watergangen aanwezig. Het terrein wordt als survivalterrein gebruikt. Op vier plekken zijn hindernisterreinen aanwezig. Het gebouw van de Survival Vereniging bevindt zich in het zuidwesten van het plangebied. Ten oosten van dit gebouw is een parkeerterrein aanwezig. Het plangebied wordt ook door recreanten gebruikt en er worden honden uitgelaten. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)

7/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Figuur 2.2 Impressie van het plangebied

2.2

Beoogde ontwikkeling

Figuur 2.3 geeft de beoogde ontwikkeling weer. De Survival Vereniging Leeuwarden gebruikt het terrein voor trainingsdoeleinden. De huidige hindernisterreinen, zoals houten hordes, omgevallen boomstammen, houten palen over water en grotere “klimtoestellen” en klimparcours en onverharde paden worden gebruikt bij het trainen. Op enkele plekken wordt het water doorkruist. Ook wordt er op enkele plekken gezwommen.

8/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Figuur 2.3 De beoogde ontwikkeling

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing

De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd bij de toetsing in dit rapport:  Kap van bomen en struiken is geen onderdeel van de werkzaamheden  De sloop of renovatie van woningen is geen onderdeel van de werkzaamheden 

Het vergraven of dempen van oppervlaktewater is geen onderdeel van de werkzaamheden

3 Natura 2000-gebieden Dit hoofdstuk betreft de Voortoets, de beschrijving en de beoordeling van de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Kunnen deze effecten significant zijn?

3.1

Inleiding

In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. Het is verboden een plan vast te stellen dat verslechtering van de kwaliteit van habitats van instandhoudingsdoelstellingen tot gevolg kan hebben (artikel 2.7). Dit geldt ook als de trainingsactiviteiten een significant verstorend effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.

9/28

Kenmerk

3.2

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Toetsing Natura 2000-gebieden

Figuur 3.1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Direct aan de overkant van het water aan de noordkant van het plangebied ligt Natura 2000gebied Groote Wielen. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Groote Wielen’ is circa 30 meter. Dit gebied is aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Significante gevolgen zijn vanwege de aard van het voornemen en de afstand tot Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten, waardoor een toetsing van de eventuele effecten op Natura 2000gebieden noodzakelijk is.

Figuur 3.1 Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

3.3

Wettelijk kader

De beoogde ontwikkeling moet, in de zin van de Wnb, beschouwd worden als project. Ook is mogelijk een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) verplicht. Dat vloeit voort uit artikel 2.7, tweede lid van de Wnb. 2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Projecten zijn, wanneer ze significante gevolgen kunnen hebben voor 1 of meer instandhoudingsdoelstellingen in 1 of meer Natura 2000-gebieden, alleen toegestaan met een vergunning. In deze Voortoets wordt beoordeeld óf de beoogde ontwikkeling significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, en zo ja welke gevolgen.

10/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Kunnen significante gevolgen op een Natura-2000 gebied niet worden uitgesloten, dan moet op basis van artikel 2.8, eerste lid, een passende beoordeling worden gemaakt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Een vergunning mag uitsluitend worden verleend wanneer uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat het project geen significante gevolgen zal hebben voor Natura 2000-gebieden. Kunnen significante gevolgen op voorhand worden uitgesloten, dan is geen sprake van een project zoals bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, en hoeft geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Deze Voortoets heeft als doel te bepalen of een passende beoordeling voor de beoogde ontwikkeling noodzakelijk is.

3.4

Natura 2000-gebied Groote Wielen

3.4.1

Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels

Tabel 3.1 Aangewezen broedvogels in Natura 2000-gebied Groote Wielen Broedvogels

Doelstelling

Doelstelling

Omvang

omvang

kwaliteit

populatie

leefgebied

leefgebied

Porseleinhoen

=

=

4

Kemphaan

>

>

10

Rietzanger

=

=

220

3.4.2

Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels

Tabel 3.2 Aangewezen niet-broedvogels in Natura 2000-gebied Groote Wielen Broedvogels

Doelstelling

Doelstelling

Omvang

omvang

kwaliteit

populatie

leefgebied

leefgebied

Kolgans

=

=

13900

Brandgans

=

=

11800

Smient

=

=

1300

Grutto

=

=

670

11/28

Kenmerk

3.4.3

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Habitatrichtlijnsoorten

Tabel 3.3 Aangewezen habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Groote Wielen Habitatrichtlijnsoorten

Doelstelling

Doelstelling

Doelstelling

omvang

kwaliteit

populatie

leefgebied

leefgebied

Bittervoorn

=

=

=

Kleine modderkruiper

=

=

=

Rivierdonderpad

=

=

=

Meervleermuis

=

=

=

Noordse woelmuis

>

>

=

3.5

Afkadering effecten

De beoogde ontwikkeling kan op verschillende manieren effecten hebben op beschermde natuur in Natura 2000-gebieden. Dit zijn de zogenoemde ‘storingsfactoren’. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende storingsfactoren relevant:  Verstoring door geluid  Optische verstoring Tijdens de activiteiten zal er sprake kunnen zijn van verstoring door geluid en optische verstoring als gevolg van de trainingsactiviteiten in het gebied. Bij de activiteiten zal geen gebruik gemaakt worden van verlichting. Stikstof blijft buiten beschouwing.

3.6

Effectbeoordeling

Broedvogels Porseleinhoen Het habitat waarin de porseleinhoen broedt bestaat uit moerassen met lage kruidachtige vegetatie en ondiep water (Provincie Fryslân, 2022). Hierbij is er voldoende waterdynamiek noodzakelijk Geschikt broedgebied lijkt aanwezig rond de Rypstjerkster Feart, op ongeveer 3 kilometer ten oosten van het plangebied. Het Natura 2000-gebied direct naast het plangebied lijkt minder geschikt voor de porseleinhoen. De afgelopen jaren zijn geen broedparen waargenomen in Natura 2000-gebied Groote Wielen. Kemphaan De kemphaan broedt in gebieden met voldoende schrale, natte graslanden met plas-drassituaties (Provincie Fryslân, 2022). De polders in Natura 2000-gebied Groote Wielen zouden hier geschikt voor kunnen zijn. Van de kemphaan is echter in de laatste 20 jaar maar één broedpaar waargenomen. In de huidige situatie is er te weinig broedhabitat aanwezig voor de kemphaan. Rietzanger De rietzanger maakt om te broeden gebruik van oeverzones met goed ontwikkelde rietkragen (Provincie Fryslân, 2022). In Natura 2000-gebied is er door de grote hoeveelheid plassen en vaarten met riet en rietmoeras langs de oevers een groot potentieel habitat aanwezig.

12/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Porseleinhoen wordt niet verwacht in de directe omgeving van het plangebied. Voor kemphaan en rietzanger zou wel geschikt broedgebied aanwezig kunnen zijn in de directe omgeving van het plangebied. Vogels die direct naast het plangebied broeden zouden verstoort kunnen worden door de activiteit in het plangebied. Echter wordt het gebied waar de vogels broeden niet betreden. Ook blijven de recreanten op een pad dat alleen in het noordelijk deel van het plangebied zichtbaar zal zijn voor vogels in het Natura 2000-gebied. Op dit pad lopen in de huidige situatie al mensen. Hierdoor zijn de bewegingen voorspelbaar en worden vogels er minder snel door verstoord (Krijgsveld, 2022). De soorten maken voor broeden en foerageren geen gebruik van het plangebied zelf. Een verstoring door de survivalactiviteiten treedt dan ook niet op. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Niet-broedvogels Kolgans Voor de kolgans is het belangrijk dat er in de winter genoeg polders onder water staan om op te rusten en dat er genoeg graslanden zijn om op te foerageren. Ze maken gebruik van de meest geschikte wateren om op te rusten die op een geschikte afstand liggen van foerageergebieden. De trend van de kolgans binnen Natura 2000-gebied Groote Wielen is significant negatief.

Brandgans Voor de Brandgans is het belangrijk dat er in de winter genoeg polders onder water staan om op te rusten en dat er genoeg graslanden zijn om op te foerageren. Ze maken gebruik van de meest geschikte wateren om op te rusten die op een geschikte afstand liggen van foerageergebieden. De trend van de brandgans binnen Natura 2000-gebied Groote Wielen is stabiel. Smient De smient verblijft gedurende het winterhalfjaar in het Natura 2000-gebied (Provincie Fryslân, 2022). Hier maakt het gebruik van ondiepe wateren waar ze op kunnen rusten. Ze maken gebruik van graslanden in en rond het Natura 2000-gebied om te foerageren. De trend van de smient in Natura 2000-gebied Groote Wielen is niet significant, maar lijkt de laatste jaren positief te zijn. Grutto De grutto gebruikt de wateren in Natura 2000-gebied Groote Wielen als rust en slaapplaats (Provincie Fryslân, 2022). Dit gebeurt hoofdzakelijk rond maart en april. Foerageren doet de soort in ondiep water. Dit gebeurt zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied. De trend van de grutto binnen Natura 2000-gebeid Groote Wielen is stabiel. De niet-broedvogels met instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Groote Wielen zouden gebruik kunnen maken van de graslanden grenzend aan het plangebied en de watergangen grenzend aan het plangebied om te foerageren en/of te rusten.

Het Natura 200gebied Groote Wielen wordt tijdens de activiteit niet betreden. Hierdoor wordt het leefgebied van de soorten binnen het Natura 2000-gebied ook niet betreden. Het plangebied zelf heeft voor de soorten geen functie aangezien de soorten gebruik maken van watergangen met rust om te slapen en graslanden om te foerageren. Beide zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

13/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

De survivalactiviteiten maken gebruik van paden. Het pad dat gebruikt wordt is alleen aan de noordzijde van het plangebied zichtbaar voor vogels in het Natura 2000-gebied. Op dit pad lopen in de huidige situatie al mensen. Door het gebruik van paden zijn de bewegingen voorspelbaar en worden vogels er minder snel door verstoord (Krijgsveld, 2022). Significant negatieve effecten op niet-broedvogels zijn uitgesloten. Habitatrichtlijnsoorten Bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad Bittervoorn De bittervoorn is afhankelijk van heldere, langzaam stromende ondiepe wateren met waterplanten en driehoeksmosselen (Provincie Fryslân, 2022). Vrijwel alle bredere sloten van het Natura 2000gebied Groote Wielen zijn hier geschikt voor. Het habitat lijkt vooral aanwezig te zijn aan de westelijke kant van het poldergebied. Kleine modderkruiper De kleine modderkruiper leeft op de bodem van langzaam stromende tot stilstaande wateren (Provincie Fryslân, 2022). De soort kan leven in verschillende soorten wateren maar de voorkeur ligt op ondiepe plekken met een rijke begroeiing van waterplanten met een zandbodem of een zachte slib- of modderlaag. Rivierdonderpad Rivierdonderpadden zijn vissen die op de bodem leven van stromende wateren (Provincie Fryslân, 2022). De soort foerageert ‘s nachts op insecten en andere ongewervelde dieren.

De rivierdonderpad verblijft erg lokaal, hierdoor is de soort erg gevoelig voor veranderingen in de omgeving. Het water direct grenzend aan het plangebied is geen onderdeel van het Natura 2000-gebied Groote Wielen. Het dichtstbijzijnde water wat wel onderdeel is van het Natura 2000-gebied ligt op 40 meter afstand van het plangebied. Het water in en rondom het plangebied heeft geen essentiële functie voor de soorten met instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied. Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde geschikte habitat zijn negatieve effecten op bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad als gevolg van de survivalactiviteiten uitgesloten.

Meervleermuis De meervleermuis woont in gebouwen in de omgeving van het Natura 2000-gebied Groote Wielen. Het Natura 2000-gebied wordt gebruikt om te foerageren. Binnen Groote Wielen zijn verschillende foerageerbiotopen aanwezig in de vorm van grote waterpartijen met rietzomen en moeras- en graslanden. Belangrijk daarbij is dat deze gebieden zich begeven in relatieve rust en afwezigheid van lichtvervuiling. De meervleermuis heeft verblijfplaatsen in woonwijken in de omgeving van het plangebied (Caminghaburen). Daarnaast foerageert de soort in het Natura 2000-gebied Groote Wielen.

14/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

De wateren tussen deze verblijfplaatsen en foerageergebieden zijn essentiële vliegroutes voor de soort. Deze vliegroutes moeten daarom onverstoord blijven om heen en weer te kunnen vliegen tussen de foerageerlocatie in het Natura 2000-gebied en de verblijfplaatsen in de woonwijken. Geluid of menselijke aanwezigheid zorgt niet voor verstoring. Voor de voorgenomen activiteit wordt geen verlichting gebruikt. Negatieve effecten op meervleermuis zijn daarom uitgesloten. Noordse woelmuis Noordse woelmuis is volgens het beheerplan nagenoeg uitgestorven in Natura 2000-gebied Groote Wielen (Provincie Friesland, 2022). Deze soort prefereert zeer natte gebieden, zoals moeras, drassig hooiland, rietland, zeer extensief gebruikte weilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde gebieden. De soort leeft verscholen in dichte vegetatie en ziet en hoort eventuele activiteit uit het plangebied niet. De activiteiten van de survivalvereniging vinden niet plaats in geschikt leefgebied voor deze soort. Negatieve effecten op noordse woelmuis zijn daarom uitgesloten.

3.7

Conclusie

Er is geen sprake van significante gevolgen op Natura 2000-gebieden. Omdat er geen sprake is van een negatieve effecten is er evenmin een risico op een cumulatief effect met andere projecten of plannen. Vervolgstappen en een vergunning zijn niet noodzakelijk.

4 Provinciaal beschermde gebieden Dit hoofdstuk toetst de beoogde ontwikkeling aan provinciale planologische beschermingsregimes.

4.1

Natuurnetwerk Nederland

4.1.1

Toetsingskader

Het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur/EHS) is een netwerk van natuurgebieden waarmee de biodiversiteit behouden en versterkt wordt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij' -principe. Dit betekent dat wijzigingen van bestemmingsplannen, óf plannen die in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan, niet zijn toegestaan wanneer deze de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN aantasten. De wezenlijke waarden omvatten actuele en potentiële waarden met betrekking tot areaal, kwaliteit, samenhang, natuurdoelen en kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, waterhuishouding, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, landschapsstructuren en de belevingswaarde (Ministerie van LNV et al., 2007). Wanneer het voornemen wel een significant negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden dan kan het voornemen uitsluitend plaatsvinden wanneer geen reële alternatieven mogelijk zijn én er sprake is van een groot openbaar belang. Daarnaast moeten negatieve effecten gemitigeerd worden en overgebleven negatieve effecten worden gecompenseerd volgens de beleidsregels van de provincie. De herbestemming moet worden geborgd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

15/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Het plangebied ligt direct naast het NNN (zie figuur 4.1). In de provincie Friesland geldt dat ook effecten van ontwikkelingen buiten het NNN (externe werking) op het NNN getoetst moet worden (provincie Friesland, 2022). Daarom moeten in dit geval de eventuele effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN ook worden onderzocht en getoetst.

Figuur 4.1 De ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland

4.1.2 Toetsing NNN Omdat er NNN gebied ligt direct naast het plangebied is toetsing van de effecten van beoogd voornemen op de oppervlakte, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden noodzakelijk (figuur 4.1). 4.1.2.1 Oppervlakte & samenhang Er worden geen activiteiten gepland binnen het NNN gebied en het gebied wordt ook niet betreden. Bovendien worden er geen barrières opgeworpen tussen verschillende delen van het NNN Negatieve effecten op het oppervlakte en de samenhang van het NNN zijn daarom uitgesloten. 4.1.2.2

Wezenlijke kenmerken en waarden

Ten noorden van het plangebied ligt een water met beheertype N04.02 zoete plas. Daarboven ligt een NNN gebied met beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland (Provincie Friesland, 2023). Ten zuiden van het plangebied liggen ook enkele NNN gebieden.

16/28

Kenmerk

R001-1293311STH-V01-sss-NL

Vanwege de tussenliggende N weg, het huidige gebruik en de beoogde activiteit worden effecten op deze gebieden uitgesloten. Als ambitietypen gelden voor deze gebieden ook beheertypen N04.02 Zoete plas en N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. N04.02 Zoete plas Als wezenlijke kenmerken en waarden voor N04.02 zoete plas gelden enkele (water)planten, vissen en libellen. Libellen zijn niet gevoelig voor verstoring door geluid en optische verstoring van sporters op een bestaand pad naast het water. Het noordwesten van het gebied kan in de toekomstige situatie gebruikt worden als zwemgebied. Dit water is onderdeel van het NNN. Vissen en (water)planten zouden hierdoor plaatselijk verstoord kunnen worden. In de huidige situatie wordt het gebied echter ook al gebruikt om te zwemmen. Er is daarom geen wijziging in het gebruik van het water. Effecten zijn uitgesloten. Op andere locaties van het beheertype N04.02 Zoete plas worden de waters en oevers niet betreden worden. Omdat licht en geluid vanaf land niet ver rijkt in het water zijn negatieve effecten op (water)planten en vissen uitgesloten. N13.01 Vochtig weidevogelgrasland Als wezenlijke kenmerken en waarden N13.01 vochtig weidevogelgrasland gelden enkele broedvogels. Omdat het gebied al in gebruik is voor recreatie is geen sprake van een activiteit in onverstoord gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=068da299-0656-4be8-a067-de56889553ce