CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan 'Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken Burd 22'

Besluitvorming (raad) 29 mei 2024, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken Burd 22’20.842 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.4

Nadere toelichting op de algemene, overgangs- en slotregels

Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze regel moet op basis van artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan worden opgenomen.

32

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

Algemene gebruiksregels Voor de redactie van dit artikel is de algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. In beginsel is de bestemmingsomschrijving van de betreffende bestemming bepalend. In verband met het schrappen van het bordeelverbod is expliciet opgenomen dat onder strijdig gebruik met het bestemmingsplan in ieder geval wordt verstaan het (laten) gebruiken van bouwwerken, arken en schepen ten behoeve van een seksinrichting. Voor veel bestemmingen is dit evident, maar omdat dat in casu voor alle bestemmingen geldt is het - om discussie te voorkomen - expliciet opgenomen. Algemene aanduidingsregels In het plangebied bevindt zich een molenbiotoop. De vrijwaringszone van deze molenbiotoop is aangegeven op de verbeelding. Binnen deze gebiedsaanduiding gelden regels ter bescherming van de functie van de in het aanliggende gebied gesitueerde molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element. Algemene afwijkingsregels Aan burgemeester en wethouders wordt hier de bevoegdheid gegeven om af te wijken van het plan door het verlenen van een omgevingsvergunning.

Voorts is van belang dat het bestaan van de bevoegdheid niet mag leiden tot een automatisme in het verlenen van een omgevingsvergunning: conform de Algemene wet bestuursrecht moeten burgemeester en wethouders de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Overigens is de bevoegdheid beperkt in die zin dat geen omgevingsvergunning mag worden verleend indien onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een aantal met name genoemde belangen. Overgangsrecht Bij het overgangsrecht wordt onderscheid gemaakt naar bouwwerken en gebruik. Bij bouwwerken gaat het er om of ze op de peildatum in enigerlei opzicht afwijken van het plan. Doorgaans betreffen die afwijkingen de bouwregels. Ze mogen gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of na een calamiteit worden herbouwd, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot. Bij de vraag of de afwijking wordt vergroot kan ook het gebruik relevant zijn. Van de mogelijkheid tot gedeeltelijke vernieuwing of verandering zijn de illegale bouwwerken uitgesloten. Daaronder worden verstaan de bouwwerken die zonder of in afwijking van een (omgevings-)vergunning voor zover vereist - zijn gebouwd in strijd met het toen geldende bestemmingsplan. Voor een vergroting van de oppervlakte met niet meer dan 10% kan een omgevingsvergunning worden verleend. Uiteraard kan van deze bevoegdheid slechts éénmaal gebruik worden gemaakt.

Peildatum voor bouwwerken is, conform artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Ten aanzien van het gebruik is bepaald dat bestaand, met het plan strijdig gebruik mag worden voortgezet. Een uitsluitingsclausule is opgenomen voor gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Slotregel Hier staat de naam van het plan zoals deze in besluiten kan worden aangehaald.

5.5

Coördinatieregeling

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is een gemeentelijke coördinatieregeling (Afdeling 3.30 Wro) opgenomen. Op basis hiervan kan besluitvorming die nodig is voor de realisatie van ontwikkelingen en projecten, in één voorbereidingstraject gebundeld worden.

33

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

Artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening stelt twee eisen aan de toepassing van de coördinatieregeling. Het moet gaan om de verwezenlijking van gemeentelijk beleid en het moet wenselijk zijn om de gecoördineerde besluitvorming in te zetten voor de verwezenlijking van dat beleid. Coördinatie is alleen toegestaan wanneer een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning deel uitmaken van de te coördineren besluiten. Het bestemmingsplan is vereist om te waarborgen dat het om uitvoering van gemeentelijk beleid gaat. Als er op uitvoering gerichte elementen in het bestemmingsplan voorkomen, is het wenselijk om in één procedure zowel de planologische wijziging - het bestemmingsplan als de concrete uitwerking in de vorm van een bouwplan te regelen. Daarmee is de samenhang tussen de besluiten maximaal zichtbaar. Het voorliggende plan voldoet aan de wettelijke eisen om de coördinatieregeling te kunnen toepassen. De efficiënte procedure van de coördinatieregeling zorgt naar verwachting voor tijdwinst, lagere procedurekosten en minder bestuurlijke lasten.

34

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie Het plan is besproken met de dorpscoöperatie Grou, de belangenvereniging De Burd en met de molenstichting. De dorpscoorperatie is positief over het plan. De belangenvereniging heeft in algemene zin zorgen over de toename van de verkeersdruk op de Burd als gevolg van een aantal projecten in het gebied. Dit bezwaar is echter niet of nauwelijks aan de orde bij het initiatief voor de drie arken. De molenstichting is wel kritisch over het initiatief. Dit heeft te maken met de omstandigheid dat de arken zich binnen de molenbeschermingszone bevinden. Door middel van de landelijk gehanteerde 'biotoopformule' is echter aangetoond dat de plaatsing van de arken geen invloed heeft op de windvang voor de molen. De molenstichting kan zich niet vinden in deze uitkomst. Vooroverleg In het kader van het Overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan 'Grou – realisatie drie recreatiearken ten zuiden van Burd 22' toegezonden aan de overlegpartijen. Binnen de gestelde termijn zijn door de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân overlegreacties ingediend. Hieronder de inhoud van de overlegreacties en het gemeentelijke commentaar. De volledige overlegreacties zijn als Bijlage 5 bijgevoegd. 1.

Provincie Fryslân

De provincie heeft gevraagd om: a. b. c. d. e.

om de bijbehorende gronden de natuurbescherming te geven in plaats van de tuinbestemming; binnen deze bestemming kan het medegebruik als tuin worden vastgelegd; vast te leggen dat de gronden binnen de bestemming water ook mede bestemd zijn voor de instandhouding van de natuurlijke waarden; een voorwaardelijke verplichting op te nemen in verband met de landschappelijke inpassing; de dubbelbestemming 'molenbeschermingszone' op te nemen in het bestemmingsplan in verband met de molenbiotoop; een stikstofberekening bij het bestemmingsplan te voegen, waarbij de nieuwste aeriuscalculator is gebuikt.

Reactie: Alle opmerkingen van de provincie zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. 2. a.

b.

c.

Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip geeft aan dat de realisatie van de drie recreatie-arken geen betrekking heeft op de waterkering. Dit is onjuist. Voor de ontsluiting van de recreatie-arken zijn werkzaamheden nodig ter plekke van de beschermingszone van de waterkering. Wegen, paden en verharding ter plekke van de beschermingszone van de waterkering zijn mogelijk toegestaan, wanneer aan bepaalde randvoorwaarden van het Wetterskip wordt voldaan. Voor alle werkzaamheden ter plekke van de beschermingszone van de waterkering is het nodig om een watervergunning aan te vragen bij het Wetterskip. Op de landschappelijke inpassing zijn bomen ingetekend langs de westelijk sloot. De aanplant moet buiten de beschermingszone van de regionale waterkering blijven. Wanneer bomen, inclusief verstoringszone (ontgrondingskuil bij omwaaien), buiten de beschermingszone van de kering aangeplant wordt, dan zijn er geen bezwaren vanuit een waterveiligheidsperspectief ongeacht de afmetingen van de boom.

35

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

d.

Tenslotte wordt geadviseerd om voor de aanleg van de steigers rekening te houden met de fluctuaties van het Friese boezempeil.

Reactie: De toelichting van het bestemmingsplan is aangepast naar aanleiding van deze overlegreactie. Voor de ontsluiting van de recreatie-arken zijn werkzaamheden nodig ter plekke van de waterkering en over de aanleg van paden en verharding zal afstemming plaatsvinden met het Wetterskip Fryslân. Er zal worden voldaan aan de vereisten om de stabiliteit en de levensduur van de waterkering te garanderen, waarbij rekening gehouden wordt met zettingen. Voor de aanleg van steigers, kabels en leidingen ter plekke van de beschermingszone van de waterkering zal een watervergunning worden aangevraagd bij het Wetterskip. De aanplant van bomen zal buiten de beschermingszone van de regionale waterkering plaatsvinden. Ook zal bij de aanleg van de steigers rekening worden gehouden met de fluctuaties van het Friese boezempeil. Hiermee wordt volledig tegemoet gekomen aan de overlegreactie van het Wetterskip. Conclusie: Het ontwerpbestemmingsplan is aangepast conform de overlegreacties van de provincie en het Wetterskip. Vaststelling Het ontwerpbestemmingsplan 'Leeuwarden Buitengebied – Realisatie 3 recreatiearken Burd 22' heeft 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen vormen geen aanleiding om goedkeuring aan het bestemmingsplan te onthouden.

Wel wordt vanwege deze zienswijzen de definitie van het begrip 'recreatieark' gewijzigd in 'De arken zijn uitsluitend bestemd voor recreatief gebruik'. De reactienota is als Bijlage 6 bijgevoegd. Nu er ook geen andere feiten en omstandigheden bekend zijn die realisatie van het plan in de weg staan, kan worden overgegaan tot vaststelling van het bestemmingsplan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De Grondexploitatiewet stelt als onderdeel van de Wro een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan ruimtelijke plannen. Een zogenaamd exploitatieplan is derhalve een verplicht onderdeel tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. De kosten die samenhangen met voorliggend plan zullen door de ontwikkelende partij worden gedragen. Door het verlenen van een omgevingsvergunning voor de betreffende gronden is er de kans dat door belanghebbende eigenaren van gronden in de omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. De mogelijke kosten die samenhangen met een planschadeverhaal worden door de aanvrager van de omgevingsvergunning gedragen. Hiervoor wordt tussen de gemeente en de aanvrager een planschadeovereenkomst ondertekend. Op grond van voorgaande mag het plan economisch uitvoerbaar worden geacht.

36

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

Bijlagen toelichting

37

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

38

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

Bijlage 1 Advies Nije Pleats

39

ADVIES NIJE PLEATS De Burd 20 en 22 te Grou

Datum: 1 februari 2017

COLOFON

Nije Pleats, 1 februari 2017 Status rapport: definitief Rapportnummer: 2016/124

Rapport opgesteld door: Nije Pleats

Opdrachtgever: , De Burd 20, 9001 ZW te Grou , De Burd 22, 9001 ZW te Grou

In samenwerking met: Gemeente Leeuwarden

Provincie Fryslân

Hûs en hiem

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Proces 1.3 Leeswijzer

2

Het bedrijf 2.1 Locatie 2.2 Huidige bedrijfsvoering 2.3 Wensen voor de toekomst

3

Advies Nije Pleats 3.1 Proces 3.2 Analyse 3.3 Advies

4

Checklist planologische toets 4.1 Beleidskader 4.2 Hinder van bedrijven 4.3 ProjectMER 4.4 Verkeerslawaai 4.5 Waterparagraaf 4.6 Ecologisch onderzoek 4.7 Archeologisch onderzoek 4.8 Externe veiligheid 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Bodemkwaliteit 4.11 Verkeersaspecten 4.12 Maatschappelijke haalbaarheid 4.13 Financiële haalbaarheid

1 1.1

INLEIDING Aanleiding

De familie en de familie zijn voornemens om op hun respectievelijke percelen De Burd 20 en De Burd 22 recreatieve mogelijkheden te realiseren. In het kader van de herinrichting van Swette-De Burd ontstaan daarvoor mogelijkheden die al door de provincie zijn bekrachtigd. Om de ruimtelijk-landschappelijke haalbaarheid van deze ontwikkelingen op deze locaties aan te tonen, is het voorliggende advies opgesteld. Dit advies kan worden gebruikt bij het planologisch regelen van de recreatieve mogelijkheden. Het advies is uitdrukkelijk geen vergunning. Het daarvoor geldende (juridische) proces dient nog te worden doorlopen. Het voorliggende rapport is één van de “schakels” die nodig zijn voor dat proces.

1.2 Proces Voorliggend advies is via het spoor van de Nije Pleats tot stand gekomen. Dit betekent dat er een proces gevolgd is waarbij alle partijen, die uiteindelijk het bouwplan moeten toetsen, betrokken zijn geweest. Middels een werksessie van de Nije Pleats nabij de erven van de beide initiatiefnemers is met alle betrokkenen/deskundigen gekomen tot een ontwikkelingsconcept voor de komende jaren. Deze proceslijn betekent een commitment van de deelnemende partijen aan het resultaat van de werksessie. Zij zullen zich herkennen in de concrete uitwerking in het voorliggende advies. Voorliggend advies vormt de ruimtelijk landschappelijke input voor een eventuele planologische procedure. Naast dit advies is daarvoor meestal ook een aantal nader te bepalen planologische onderzoeken noodzakelijk. Een checklist hiervoor is in hoofdstuk 4 van voorliggende advies opgenomen.

1.3 Leeswijzer Achtereenvolgens wordt in dit advies ingegaan op het bedrijf (hoofdstuk 2), het advies van de Nije Pleats (hoofdstuk 3) en een checklist voor de planologische toets (hoofdstuk 4).

2 2.1

HET BEDRIJF Locatie

De beide erven zijn gelegen op het eiland De Burd ten oosten van Grou en grenzend aan de Alde Feanen. De erven liggen naast elkaar op het zuidelijke deel van het eiland, net ten zuiden van het water De Wide Burd dat over het eiland loopt. De erven worden via een gezamenlijke oprit ontsloten op de weg De Burd. Middels een pont is die weg verbonden met de vaste wal (nabij het recreatiegebied Yn ‘e Lijte).

Figuur

Ligging erven in de regio (Bron: Google Maps, 2016)

Figuur

Overzicht huidige erven ten zuiden van het water De Burd (Bron: GoogleMaps, 2016)

2.2 Huidige situatie De familie exploiteerde op de locatie De Burd 22 tot voor kort een melkveehouderij. De familie exploiteerde op de locatie De Burd 20 een timmerwerkplaats. Door de herinrichting van het eiland De Burd waren delen van de gronden van de families en nodig voor het realiseren van een nieuw meer(tje). De beide families zijn daardoor in de gelegenheid gesteld om aan de watersport gerelateerde recreatieve voorzieningen te realiseren op hun erf, in de gebouwen en aansluitend aan hun erven.

Zicht op de entree van beide erven (Bron: GoogleMaps Streetview, 2016)

2.3 Wensen voor de toekomst Beide families willen recreatieve voorzieningen op en nabij hun erf realiseren ter versterking van het (water)recreatieve aanbod rond Grou. Familie De -

wil graag: 4 woonarken realiseren 2 zomerwoningen realiseren 3 appartementen in de boerderij realiseren een jachthaven realiseren met een beperkt aantal ligplaatsen voor passanten parkeerruimte realiseren voor ongeveer 12 auto’s

Familie De familie wil graag: een jachthaven realiseren met ongeveer 25 ligplaatsen voor passanten een camping met 16 toeristische staplaatsen (geen jaarplaatsen, uitgezonderd de 4 die er al zijn) centrale voorzieningen voor de camping in de boerderij 3 appartementen in de boerderij realiseren 4 woonarken realiseren parkeerruimte realiseren voor ongeveer 25 auto’s

3 3.1

ADVIES NIJE PLEATS Proces

Op 3 november 2016 is een werksessie van de Nije Pleats gehouden. De werksessie werd gehouden op de locatie De Burd 13 te Grou (de overburen van de families en Bij de bijeenkomst waren aanwezig: -

, initiatiefnemer , intiatiefnemer , initiatiefnemer , adviseur familie tevens bewoner van De Burd , initiatiefnemer , initiatiefnemer , overbuurman van de families , tevens gastheer voor de werksessie , gemeente Leeuwarden , gemeente Leeuwarden , provincie Fryslân , gemeente Littenseradiel , adviseur ruimtelijke kwaliteit, hûs en hiem , team Nije Pleats, landschapsarchitect , team Nije Pleats, voorzitter

3.2 Landschappelijke analyse Landschapstype - Verordening Romte De percelen liggen in het landschapstype ‘Beekdallandschap’ binnen het deelgebied Laagveengebied (van het Lage Midden). Binnen het landschapstype Beekdallandschap liggen de erven in het beekdal De Ieën (benedenloop). Het laagveengebied van het Lage Midden is een laag gelegen kom, gevormd door een hogere omranding van de kleigebieden van Westergo in het westen en de hogere zandgronden van de Noordelijke en Zuidelijke Wouden. De laagveengebieden zijn in het huidige landschap als twee uitgesproken eenheden te herkennen: het Merengebied met structuren van grote en kleine meren en kleinschalige, kronkelende waterverbindingen en het grootschaliger Laagveengebied van het Lage Midden met ontgonnen veenpolders en uitgestrekte veenweidegebieden. In het begin van het Holoceen (zo'n 10.000 jaar geleden) ontstond het laagveen door een combinatie van hoge grondwaterstanden en het afsmelten van het landijs. Het huidige laagveen dateert van circa 500 v Chr. De benedenlopen van de beken maakten deel uit van dit laagveengebied evenals de nu nog rudimentaire aanwezige veenstromen in het merengebied. Toen de zee dominanter werd, vormden beken als Het Alddjip/De Boarn, maar ook de Lende de toegangen tot het veen waardoor hier zeeklei afzettingen tot diep het land in worden aangetroffen op het veen.

In het begin van de middeleeuwen is het veenweidegebied in cultuur gebracht vanuit deze beken en veenstromen, waarbij de boerderijen, maar ook hele nederzettingen opschoven door het steeds weer onbruikbaar raken van de in gebruik genomen gronden door vernatting. Op kleinschalige schaal zal altijd wel veenwinning hebben plaatsgevonden maar pas in de 17e eeuw werd dit grootschaliger aangepakt. Tussen de Veenpolders liggen enkele laaglandstromen; de benedenlopen van beken. Zij vormden de oorspronkelijke afwatering van het zandgebied en waren belangrijke voedingsbronnen voor het veengebied. Onderling verschillen deze

stromen sterk. De Ieën tussen Grou en Drachten (ook een soort beekdal) zijn ontstaan door erosie van het stroomgebied; het gebied heeft plaatselijk het karakter van een langgerekt meer gekregen. De beeklopen liggen nu hoger dan de uitgegraven veenpolders. Provinciale belangen - Grutsk op ‘e Romte In Grutsk op ‘e Romte zijn de volgende aspecten in de omgeving van het plangebied van provinciaal belang: De benedenlopen van de beekdalen [Lende, Tsjonger, Alddjip (de Boarn), de Ieën, onderdeel van het grotere systeem van beken en beekdalen]. o Behoud van een relatieve openheid in het beekdal, waarbij enige mate van verdichting in de vorm van moerasstruweel kan bijdragen aan de herkenbaarheid van de karakteristieken van de benedenloop. Beekloop, dal en oeverwallen met soms nog bestaande bebouwing, per onderdeel en als geheel herkenbaar in het landschap houden. In het beekdal zijn nieuwe bebouwing en verdichting door hoge of boomvormende beplanting niet gewenst. o Ontwikkelingen van de beek en beekdal respecteren door het zichtbaar houden van de huidige zichtbare verschijningsvorm, dus het beloop in de huidige vorm (inclusief de gekanaliseerde delen) behouden en respecteren. o Bij hydrologisch noodzakelijke ingrepen zowel de gekanaliseerde delen als het oorspronkelijke beloop van de beek respecteren. Het totale watersysteem van beeklopen, meren, vaarten, ringsloten en ringvaarten.

o Waterwege herkenbaar en zo mogelijk functioneel houden. Ontwikkelingen 1865 - 2015 Op onderstaande topografische kaarten geven een indruk van de ruimtelijke veranderingen van het plangebied en de directe omgeving. Lange tijd is de structuur van het landschap ongewijzigd gebleven. De kaarten van 1865, 1915 en 1965 geven een gelijkwaardig beeld. De Burd is herkenbaar als eiland en het opstrekkende verkavelingspatroon, de ligging van de Neare en Wide Burd en de bebouwingsstructuur zijn nagenoeg ongewijzigd. Hooguit is de hoeveelheid bebouwing toegenomen. Kenmerkend voor het gebied is de mate van openheid, de boerderijen die als groene verdichtingen langs de Neare en Wide Burd liggen en de hogere ligging van de kaden. De boerenerven liggen alle aan, of zijn met een opvaart verbonden met, de Neare of Wide Burd. De ontsluiting van de boerderijen vond daarmee alleen via het water plaats; er waren geen wegen in het gebied. De eerste weg werd pas in 1970 aangelegd, waardoor de boerderijen in het gebied ook met auto bereikbaar waren. In 2000 heeft een forse verandering plaatsgevonden door de aanleg van eenhaven en de bouw van recreatiewoningen (zoals te zien is op de kaart van 2015). Hierdoor is de hoeveelheid water in het gebied fors toegenomen en is het eiland fors kleiner geworden.

Fragment topografische kaart 1865

Fragment topografische kaart 1915

Fragment topografische kaart 1965

Fragment topografische kaart 2015

Aanleg nieuwe meer 2015 In het kader van de herinrichting Swette-De Burd wordt De Burd ingericht als natuurgebied. Op de Noarderburd ligt de nadruk op open graslanden met weidevogelbeheer. De Suderburd heeft een botanische doelstelling en er wordt een nieuw meer aangelegd ten behoeve van de waterrecreatie. In 2015 is door de gemeente Leeuwarden een vergunning afgegeven voor het aanleggen van het nieuwe meer, een vaarverbinding tussen het Pikmeer en de Wide Ie/Sitebuorster Ie. Hiervoor is inmiddels circa 25 hectare landbouwgrond afgegraven. De hoeveelheid water in het gebied is hierdoor, net als de eerdere ingreep in 2000, fors toegenomen.

Functieverdeling Burd. Noardeburd openheid en weidevogelbeheer, Suderburd bebouwing/recreatie en waterrijke natuur.

Huidige situatie erven De twee boerenerven zijn ten zuiden van de Wide Burd gesitueerd en hebben beide een eigen opvaart naar deze waterloop. De percelen zijn met een gezamenlijk toegangspad ontsloten op De Burd. De percelen worden gekenmerkt door opgaande beplanting op de perceelsranden en een forse groene ruimte tussen de Wide Burd en de bebouwing. Kenmerkend voor het plangebied is het contrast tussen de meer besloten sfeer van de Wide Burd en de relatieve openheid van het achterliggende natuurgebied/weidegebied en de nieuw aan te leggen opvaarten/havens ten zuiden van de erven. De besloten sfeer van de Wide Burd is ontstaan de door opgaande beplanting langs de oever van het water en de beplante erven. Rondom de nieuwe opvaarten/havens wordt een polderdijk aangelegd die vanaf de landzijde het zicht op bouwwerken en bootjes grotendeels weg neemt. De polderdijk krijgt flauwe taluds, zodat het geheel geleidelijk overgaat in de aangrenzende graslandpercelen. Vanaf de waterzijde, het nieuwe meer, wordt het zicht op de opvaarten/havens weggenomen door een brede natuurvriendelijke oever. Deze oever is circa 25 meter breed en bestaat uit een luwe zone met riet- en oeverplanten. De boerderij Burd 20 is een koprompboerderij en is met de voorgevel op de Wide Burd georiënteerd.

De boerderij Burd 22 heeft de vorm van een stelpboerderij, maar heeft als opvallend kenmerk dat de lange gevel als voorgevel is vormgegeven. De voorgevel van Burd 22 is daarmee op het erf en de boerderij van Burd 20 georiënteerd.

3.3 Advies De twee boerderijen hebben geen agrarische functie meer en worden getransformeerd naar (kleinschalige) recreatiebedrijven. Het perceel Burd 20 kent het volgende functionele programma: twee ligplaatsen voor pleziervaartuigen in de nieuwe opvaart/haven; vier recreatiearken in de nieuwe opvaart/haven; twee recreatiewoningen aan de noordzijde van de nieuwe opvaart/haven; drie recreatieappartementen in de bestaande boerderij; circa twaalf parkeerplaatsen ten behoeve van de recreatieve voorzieningen. Burd 22 kent het volgende functionele programma: vijfentwintig ligplaatsen voor pleziervaartuigen in de nieuwe opvaart/haven; vier recreatiearken aan weerszijden van de nieuwe opvaart/haven; camping met zestien plaatsen. De voorzieningen voor de camping worden ondergebracht in de boerderij; drie recreatieappartementen in de bestaande boerderij; circa vijfentwintig parkeerplaatsen ten behoeve van de recreatieve voorzieningen.

Concept inpassing Voor het ontwerp voor de inpassing van de nieuwe functies is gezocht naar een concept dat enerzijds ruimtelijke samenhang geeft en anderzijds gelijkwaardig is voor beide initiatiefnemers. Het concept voor de inpassing gaat ten eerste uit van handhaving van de hoofdopzet van de twee boerenerven: de opdeling van de boeren erven in een voor- en achtererf niet wordt aangetast; de gezamenlijke ontsluiting wordt gehandhaafd. Op de boerenerven wordt aan de voor- en zijkant van de boerderijen geen nieuwe verharding aangebracht, anders dan nodig is om het achtererf op een goede manier te bereiken. Nieuwe verharding is alleen mogelijk achter de bestaande boerderij; de hoofdopzet/hoofdvorm/architectuur van de boerderijen wordt gehandhaafd en/of gerespecteerd en waar mogelijk versterkt.

Ten aanzien van de inpassing van nieuwe functies wordt vervolgens aangesloten bij het bestaande contrast in een besloten en een open gebied. In het besloten gebied overheerst de sfeer van een erf met bebouwing, verharding en stevige opgaande beplanting en is een zekere mate van dynamiek mogelijk. De parkeerplaatsen en de camping worden daarom in dit gebied ingepast. In het open gebied overheerst de sfeer van openheid en natuur en overheerst rust. De ligplaatsen voor pleziervaartuigen, de recreatiearken en de recreatiewoningen worden in dit relatief open gebied zorgvuldig landschappelijk ingepast. Qua beeldkwaliteit zijn de recreatiewoningen en de recreatiearken op elkaar afgestemd doordat sprake is van een bij de natuurlijke omgeving passende vormgeving en passend kleur- en materiaalgebruik. De mate van verharding in dit gebied is beperkt (elke opvaart/haven heeft één toegang vanaf het boerenerf), evenals de buitenruimte bij de recreatievoorzieningen. De buitenruimte is met bebouwing meeontworpen. Geparkeerde auto’s en tuinen, hoge erfafscheidingen etc. horen in dit gebied niet thuis.

Uitgangspunten uitwerking Op basis van het concept gelden voor de Burd 20 de volgende uitgangspunten: alle parkeerplaatsen worden geclusterd en worden achter de bestaande boerderij ingepast; twee bestaande schuren worden gesloopt, mede om ruimte te maken voor het parkeren; de vier woonarken hebben een maximale hoogte van 3 meter en een maximale oppervlakte van 90 m2. Dakoverstekken tot 2 meter zijn mogelijk en worden niet meegerekend in het oppervlak bebouwing. De recreatiearken hebben maximaal 135 m2 buitenruimte; de twee recreatiewoningen hebben een maximale hoogte van 3 meter en een maximale oppervlakte van 60 m2. Dakoverstekken tot 2 meter zijn mogelijk en worden niet meegerekend in het oppervlak bebouwing. De recreatiewoningen hebben maximaal 135 m2 buitenruimten; de haven, de recreatiewoningen en de recreatiearken zijn toegankelijk middels een smal pad. Auto’s kunnen dit pad gebruiken voor laden en lossen. In het gebied rondom de haven, de recreatiewoningen en de recreatiearken worden geen auto’s geparkeerd; de drie recreatieappartementen worden ingepast in de bestaande boerderij. Op basis van het concept gelden voor de Burd 22 de volgende uitgangspunten: alle parkeerplaatsen worden geclusterd en achter de bestaande boerderij ingepast.

Indien noodzakelijk zal een beperkt deel van de opvaart gedempt moeten worden om het achterterrein optimaal toegankelijk te maken; de zestien kampeerplaatsen worden in en tegen de bestaande opgaande beplanting aan de Wide Burd. Deze beplanting wordt versterkt waardoor de kampeerplaatsen, wanneer deze in gebruik zijn, nauwelijks zullen opvallen; de vier woonarken zijn ingepast in het open gebied met riet en lage opgaande beplanting, conform het bútlân langs de Ie. De woonarken hebben een maximale hoogte van 4 meter en een maximale oppervlakte van 90 m2. Dakoverstekken tot 2 meter zijn mogelijk en worden niet meegerekend in het oppervlak bebouwing. De woonarken hebben (maximaal) twee bouwlagen (met een benedenverdieping deels onder de waterlijn en een bovenverdieping vanaf circa 1 meter boven de waterlijn). De recreatiearken hebben maximaal 135 m2 buitenruimte; de camping, de haven en de recreatiearken zijn toegankelijk middels een smal pad. Auto’s kunnen dit pad gebruiken voor halen/brengen en/of laden en lossen. In het gebied van de camping en rondom de haven en de recreatiearken worden geen auto’s geparkeerd; de drie recreatieappartementen worden ingepast in de bestaande boerderij. De erfscheiding tussen de nieuwe recreatieve functies van Burd 20 en 22 wordt vormgegeven met laag struweel, passend bij het karakter van het gebied.

Beeldkwaliteit bestaande boerderijen De hoofdvorm van de bestaande boerderijen wordt gehandhaafd. Nieuwe ingrepen respecteren de hoofdvorm en laten de kapvorm in tact. Hierbij geldt als vuistregel dat het beter is om één forse ingreep te plegen dan meerdere kleine. Het kleuren materiaalgebruik wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de bestaande boerderij en/of de natuurlijke

omgeving. Gedekte kleuren en natuurlijke materialen zijn uitgangspunt voor nieuwe ingrepen in de boerderij. De vormgeving van de gevels wordt gerespecteerd.

Referentiebeelden ingreep in bestaande boerderij (J.O.N.G. Architecten)

Beeldkwaliteit recreatiearken en recreatiewoningen De vormgeving van de recreatiewoningen en recreatiewoningen wordt afgestemd op de ligging in open gebied aan het water. De relatie met het water staat centraal in het ontwerp. Een horizontale geleding van de hoofdvorm is uitgangspunt. Het kleur- en materiaalgebruik past bij de natuurlijke omgeving en bestaat overwegend uit hout, zink en glas. Grijstinten en onbehandeld zink en hout geven passend kleuren.

Referentiebeeld recreatiearken (Aannemersbedrijf De Bouwhorst)

Referentiebeelden recreatiewoningen (Bron: Jaro Houtbouw)

Tot slot Landschappelijk gezien is de inpassing van de nieuwe recreatieve voorzieningen te verantwoorden omdat er ingrepen worden gedaan die bijdragen aan een goede inpassing in het landschap. Het karakter van het landschap en de provinciale belangen worden gerespecteerd. De relatieve openheid van de benedenloop van het beekdal wordt gerespecteerd evenals

het beloop van de beek. Ook de relatieve beslotenheid van de Wide Burd en de hoofdopzet van de boerenerven worden niet aangepast. Tevens wordt het watersysteem wordt niet aangetast. De landschappelijke inpassing is gevisualiseerd in de ‘Schets landschappelijke inpassing’. Mede op basis van deze schets, kan geconcludeerd worden dat: de hoofdopzet van de bestaande boerenerven niet wordt aangetast. Nieuwe ingrepen vinden plaats op het achtererf en/of achter de boerderij. Ingrepen op het erf worden ingepast met opgaande beplanting, waardoor het groene karakter van de erven wordt versterkt en op het erf Burd 22 tevens aangesloten wordt bij de beslotenheid van de Wide Burd; de relatieve openheid van de benedenloop wordt gerespecteerd door de ingrepen zo klein mogelijk te houden en waar nodig in te passen met riet en struweel, passend bij het karakter van het gebied; de beeldkwaliteit van de nieuwe bebouwing is afgestemd op de natuurlijke omgeving; ingrepen in de boerderij vinden plaats met respect voor de bestaande hoofdvorm en architectuur.

Schets landschappelijke inpassing

4

CHECKLIST PLANOLOGISCHE TOETS

4.1

Beleidskader

4.2

Hinder van bedrijven

4.3

ProjectMER

4.4

Verkeerslawaai

4.5

Waterparagraaf

4.6

Ecologisch onderzoek

4.7

Archeologisch onderzoek

4.8

Externe veiligheid

4.9

Luchtkwaliteit

4.10

Bodemkwaliteit

4.11

Verkeersaspecten

4.12

Maatschappelijke haalbaarheid

4.13

Financiële haalbaarheid

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

Bijlage 2 Beknopte natuurtoets

55

Beknopte

natuurtoets

plaatsing

arken

De

Burd Grou projectnummer: P001350 Onderwerp:

Beknopte natuurtoets plaatsing arken De Burd Grou

Datum:

18-07-2022

Inleiding KADER De initiatiefnemer is van plan om in de reeds gerealiseerde opvaart ten zuiden van Burd 22 in Grou drie recreatie-arken te realiseren. Hiervoor wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel van de inventarisatie is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb)1 of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het projectgebied ten behoeve van de natuurtoets 7 juli 2022 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: bewolkt, af en toe een korte bui, circa 19˚C en een stevige wind. PROJECTGEBIED EN PLANNEN Het projectgebied ligt aan de Wide Ie ten zuiden van Burd 22 in Grou (figuur 1). Het wordt begrensd door de Wide Ie in het zuiden en door grasland met sloten in het westen, noorden en oosten. Het projectgebied bestaat uit een opvaart met de bijbehorende oevers. De opvaart is in het zuiden aangesloten op de Suderburds Wiid en de Wide Ie. In het projectgebied is geen bebouwing of opgaande beplanting aanwezig. De oever is gedeeltelijk beschoeid met houten palen en deels met stenen. Op enkele plekken staan in het water al palen om boten aan te leggen.

1

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.

Figuur 1. Locatie van het projectgebied (rood). Bron kaartondergrond: www.ruimtelijkeplannen.nl

Foto’s 1 en 2. Impressie van het projectgebied op 7 juli 2022. Links het projectgebied gezien vanuit het noordwesten. Rechts het projectgebied gezien vanuit het zuidwesten

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

2

De plannen bestaan uit het plaatsen van drie arken in de kleine haven. Deze worden via loopplanken op houten palen in het water met de oever verbonden. De oevers blijven hierdoor vrijwel ongemoeid. Soortbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: -

alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);

-

dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);

-

nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. INVENTARISATIE Uit het raadplegen van gegevens van de laatste vijf jaar in de Nationale Databank Flora en Fauna2 (NDFF) op 30 juni 2022 blijkt dat in de directe omgeving (0 – 2 km) van het projectgebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn. Het betreft vogels met jaarrond beschermde nesten en zoogdieren. Langs de oevers van het projectgebied staan voornamelijk algemene gras- en plantensoorten, zoals pitrus, klimmende winde, Engels raaigras, akkerdistel en grote brandnetel. In het water nabij de oevers groeit onder andere riet, zwanenbloem en lisdodde. Deze soorten duiden op voedselrijke tot zeer voedselrijke omstandigheden. Gezien de terreingesteldheid, de voedselrijkdom en het ontbreken van waarnemingen (NDFF) zijn beschermde plantensoorten niet in het projectgebied te verwachten. Vanwege het ontbreken van bomen of bebouwing in het projectgebied, kunnen jaarrond beschermde nesten van vogels, zoals de uit de omgeving bekende huismus en buizerd (NDFF), worden uitgesloten. In de oeverzones van het projectgebied kunnen algemene vogelsoorten, zoals wilde eend, broeden.

Nesten van algemene soorten zijn alleen tijdens de broedperiode beschermd.

2 De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waar-

nemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd.

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

3

De oevers van het projectgebied zijn door de inrichting slechts marginaal geschikt foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerds die in de omgeving van het projectgebied kunnen broeden (NDFF). Het water in het projectgebied kan onderdeel vormen van het foerageergebied van de uit de omgeving bekende zeearend (NDFF). In het projectgebied is geen opgaande beplanting met holtes of scheuren die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen aanwezig. Verder is ook geen bebouwing aanwezig waarin geschikte openingen voor vleermuizen kunnen zitten. Wel kan het projectgebied onderdeel zijn van het foerageergebied van soorten als meervleermuis, die uit de directe omgeving van het projectgebied bekend zijn (NDFF). Verder is geen opgaande beplanting of rechtlijnige watergangen aanwezig die onderdeel zijn van een doorgaande structuur die dienst kan doen als essentiële vliegroute. De oevers van het projectgebied vormen geschikt leefgebied voor een aantal grondgebonden zoogdiersoorten, zoals de uit de omgeving bekende soorten woelrat en veldmuis (NDFF). Voor deze soorten geldt in de provincie Fryslân een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb. In de directe omgeving van het projectgebied is het voorkomen van de niet-vrijgestelde otter bekend (NDFF). Otter is aangewezen op watergangen en oeverzones met voldoende beschutting en rust.

De kale oevers in het projectgebied bieden geen dekking en zijn hierdoor niet geschikt als leefgebied voor otter. Ook zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van otter waargenomen. Otter is hooguit incidenteel foeragerend in het projectgebied te verwachten. De watergang en oever vormen geschikt biotoop voor enkele algemene amfibieënsoorten, zoals gewone pad, meerkikker en bruine kikker (NDFF). Voor deze soorten geldt in de provincie Fryslân een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb. Niet–vrijgestelde amfibieënsoorten zijn door het ontbreken van geschikt biotoop en waarnemingen uit de omgeving (NDFF) niet in het projectgebied te verwachten. Overige beschermde soorten uit de soortgroepen vissen, reptielen en ongewervelden zijn in de directe omgeving niet bekend (NDFF). Het projectgebied biedt deze soortgroepen ook geen geschikt leefgebied. Gezien dit gegeven kan de aanwezigheid van beschermde vissen, reptielen en ongewervelden worden uitgesloten. TOETSING Bij uitvoering van het plan gaan geen jaarrond beschermde vogelnesten verloren. Wel kunnen de oevers in het projectgebied veranderen als foerageergebied voor buizerds die in de omgeving nesten kunnen hebben. In de huidige situatie vormt het projectgebied door het ontbreken van dekking en

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

4

bomen echter geen hoogwaardig foerageergebied. Daarnaast is in de directe omgeving alternatief en hoogwaardiger foerageergebied voor buizerd voorhanden. Ook kan als gevolg van de plannen het water veranderen als foerageergebied voor zeearend. Het projectgebied vormt hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van zeearend en in de directe omgeving is voldoende alternatief en hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Een negatief effect op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treedt niet op. Het vernietigen of verstoren van in gebruik zijnde nesten van (algemene) vogelsoorten is bij wet verboden. Dit kan worden voorkomen door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De meeste vogels broeden tussen half maart en half juli. Bij uitvoering van het plan gaan geen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Wel wordt het projectgebied mogelijk minder geschikt als foerageergebied voor meervleermuis, die is aangewezen op grote, open wateren. Het projectgebied vormt echter hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van de te verwachten soorten en bovendien is in de directe omgeving in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig.

Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied treden dan ook niet op. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Gebiedsbescherming Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. WET NATUURBESCHERMING In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

5

NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de provincie Friesland nog Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Dit netwerk moet voldoende robuust zijn voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN en de bijbehorende natuurverbindingen is voor provincie Fryslân uitgewerkt in het Streekplan Fryslân 2007 en de Verordening Romte Fryslân 2014 (vastgesteld 23-03-2021). NATUUR BUITEN HET NNN EN WEIDEVOGELLEEFGEBIED Vanuit het Streekplan Fryslân 2007 en de Verordening Romte Fryslân 2014 wordt buiten de NNNgebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van bestaande natuurgebieden en natuurwaarden in agrarisch gebied en de bescherming van weidevogelgebieden. INVENTARISATIE Het projectgebied ligt circa 1,5 km ten zuidwesten van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Alde Feanen’. Het gehele gebied valt binnen het NNN als overige natuur.

De graslanden circa 200 m ten noorden van het projectgebied zijn aangewezen als weidevogelkansgebied. Ten noorden van het projectgebied liggen op circa 2,5 km enkele weide en akkergebieden aangewezen als Natuur buiten het NNN. TOETSING NATURA 2000 Het projectgebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied ‘Alde Feanen’. Hierdoor zijn in potentie alleen effecten door externe werking mogelijk. Het projectgebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door wegen en agrarisch gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Eventuele toename van stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase is op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering vrijgesteld van vergunningplicht. Voor het project worden drie recreatie-arken gerealiseerd voor particulier gebruik zonder verhuurformule. Het aantal verkeersbewegingen per jaar zal daarom te verwaarlozen zijn. Hierdoor wordt geen toename van stikstofdepositie boven 0.00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000gebieden in de gebruiksfase verwacht.

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

6

TOETSING NATUURNETWERK NEDERLAND Het projectgebied bestaat uit een opvaart en oeverzone die zijn aangewezen als NNN. Het water binnen het projectgebied is aangewezen als ‘N04.02 Zoete plas’. De oevers aan de zuidelijke rand van het projectgebied zijn aangewezen als ‘N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland’ en de overige oevers als ‘N00.01 Nog om te vormen naar natuur’ (figuur 2). Volgens artikel 7.1.1.2 in Verordening Romte Fryslân 2014, mag een ruimtelijk plan in het NNN niet leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en significant verlies van oppervlakte.

Figuur 2. Locatie van het projectgebied (rood) en de beheertypen: N04.02 Zoete plas (blauw), N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (geel) en N00.01 Nog om te vormen naar natuur (zalmroze). Bron kaartondergrond: www.fryslan.frl

Het grasland van de zuidelijke oever is als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland gespecificeerd. Deze oever en het grasland blijven in de huidige staat behouden, waardoor geen oppervlakte verloren gaat

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

7

of wezenlijke kenmerken of waarden worden aangetast. Voor de rest van de oevers van het projectgebied zijn nog geen wezenlijke kenmerken of waarden gespecificeerd in het Natuurbeheerplan 2022 Friesland. Alle oevers zijn als natuurlijk oevers ingericht. In de huidige situatie zijn de oevers sinds het realiseren van de opvaart aangeplant met uit de directe omgeving voorkomende inheemse waterplanten. Door de plaatsing van enkele loopplanken, wordt vrijwel geen oevervegetatie verwijderd. Deze loopplanken worden namelijk met palen in het water gezet en worden met het grasland verbonden. Het water in het projectgebied is aangewezen als N04.02 Zoete plas als onderdeel van het aangrenzende Suderburds Wiid en de Wide Ie. Het beheertype Zoete plas omvat waterlichamen met stilstaand of langzaam stromend water van meer dan 4 m breed en meer dan 20 cm gemiddelde diepte. Het water is daarnaast vaak voedselrijk en vrij helder, met waterplanten en verlanding vanaf de oever. De nieuwe arken worden in de inhammen van de opvaart gerealiseerd. De oevers en de breedte en diepte van de waterinham worden hierbij niet aangetast. Hierdoor is geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of van (significant) verlies van oppervlakte en samenhang van het NNN. TOETSING NATUUR BUITEN HET NNN EN WEIDEVOGELLEEFGEBIED Het Natuur buiten het NNN in Fryslân kent geen externe werking.

Met de uitvoering van de plannen gaat geen Natuur buiten het NNN verloren, waardoor negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten. Weidevogelleefgebieden zullen eveneens geen verstoring ondergaan, gezien de grote afstand tot het projectgebied en de tussenliggende inrichting. Beschermde houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 1.000 m2 en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom. INVENTARISATIE EN CONCLUSIE In het projectgebied is geen opgaande beplanting aanwezig. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Fryslân is daarom niet nodig. Conclusie Voor dit plan is op 7 juli 2022 een veldbezoek uitgevoerd en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het projectgebied uit de NDFF geraadpleegd. Het veldbezoek en de verspreidingsgegevens geven voldoende beeld van de natuurwaarden in het gebied om de toetsing aan de Wnb op te baseren. Het aanvragen van een ontheffing van de Wnb voor beschermde soorten is niet nodig.

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

8

Wel moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat er bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het projectgebied gaan broeden vanwege de continue verstoring. Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het projectgebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden worden niet verwacht. Gezien de aard van het plan achten wij het uitvoeren van een Aeriusberekening niet nodig. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Verlies van oppervlakte en samenhang van het NNN is niet aan de orde. Er vindt als gevolg van de werkzaamheden ook geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in het projectgebied plaats. Ten aanzien van kwaliteit van het NNN treedt dus ook geen negatief effect op. Het plan is daarom niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân 2014.

datum 18-07-2022

projectnummer P001350

9

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

66

bestemmingsplan Leeuwarden Buitengebied - Realisatie 3 recreatie-arken De Burd 22

Bijlage 3 AERIUS-berekening

67

Ber ek en in g s t ik s t of d ep os i ti e Gr ou - r ea l i sa t ie d r i e rec re at i e - ark en

D EF IN I TI EF

Ber ek en in g s t ik s t of d ep os i ti e Gr ou - r ea l i sa t ie d r i e rec re at i e - ark en

D EF IN I TI EF

5 december 2023 Projectnummer P001182

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Wettelijk kader

4

3

Ligging projectgebied

5

4

Invoergegevens AERIUS

6

4.1

Aanlegfase

6

4.1.1

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

6

4.1.2

Werkverkeer (bron 2 en 3)

7

4.1.3

Vaarbewegingen (bron 6)

7

4.2 4.3

Gebruiksfase

8

4.2.1

8

Verkeersgeneratie (bron 4 en 5)

Totale emissie

8

5

Model

9

6

Rekenresultaten en conclusie

10

5 december 2023

1

Inleiding In het kader van de ruimtelijke onderbouwing ‘Grou - realisatie drie recreatie-arken ten zuiden van perceel Burd 22’ is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van drie recreatie-arken in de gemeente Leeuwarden berekend. Het project maakt de bouw van 3 recreatie-arken mogelijk op een locatie in het sterk stedelijk woonmilieu. De omvang van het project is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (5 december 2023). Dit rapport vormt een toelichting op de berekening.

Afbeelding 1 – Omvang projectgebied (bron: BügelHajema, d.d. 31-01-2023)

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming bij vergunningaanvragen of bestemmingsplanprocedures. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.

5 december 2023

3

2

Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een bestemmingsplan. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenhang met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen.

Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling of bestemmingsplan waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van internof extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer er voor dat de netto stikstofemissie niet toe neemt. Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten op de locatie zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling of het bestemmingsplan (extern salderen). Om intern te kunnen salderen moet er sprake zijn van één project of één plan of één locatie. Intern salderen kan gaan om het treffen van maatregelen aan een bestaand project of kan worden toegepast op nieuwe projecten op de locatie van een bestaand project. Bij extern salderen gaat het om verschillende projecten of plannen. Extern salderen wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.

Stikstofregistratiesysteem Naast saldering bestaat er de mogelijkheid om voor woningbouwprojecten waarbij er sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken via het stikstofregistratiesysteem. In dit stikstofregistratiesysteem wordt alle stikstofruimte van stikstof reducerende maatregelen opgeslagen. De door deze maatregelen beschikbaar gekomen ruimte kan voor maximaal 70 % worden besteed aan economische ontwikkelingen.

5 december 2023

4

3

Ligging projectgebied Zoals in de inleiding is aangegeven, is het projectgebied gelegen aan zuidzijde van de Burd 22 te Grou. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Afbeelding 2 – Ligging projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -

Alde Feanen, gelegen op een afstand van circa 1,5 km;

-

Deelen, gelegen op een afstand van circa 7 km;

-

Sneekermeergebied, gelegen op een afstand van circa 7 km;

-

Van Oordt’s Mersken, gelegen op een afstand van circa 9,8 km.

Hierbij dient wel te worden vermeld dat de Natura 2000-gebieden Deelen en Sneekermeergebied niet stikstofgevoelig zijn.

5 december 2023

5

4

Invoergegevens AERIUS In AERIUS zijn standaard emissie-kengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 worden bepaald. Naast de bronnen van de gebouwen en mobiele werktuigen dienen ook de verkeersbewegingen op en van en naar het terrein in de berekeningen meegenomen te worden. Conform het handboek “Werken met AERIUS Calculator” dient de verkeersgeneratie beschouwd te worden. Uit jurisprudentie blijkt dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling toegerekend worden wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de recreatie-arken gasloos worden uitgevoerd. Dit betekent dat er geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit zal geborgd moeten worden in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de werkzaamheden, vaarbewegingen en de verkeersgeneratie van de recreatiearken zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3).

4.1

Aanlegfase

4.1.1 Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1) In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. De gegevens over de in te zetten mobiele werktuigen, het aantal draaiuren en het bouwjaar (stageklasse) zijn door de opdrachtgever verstrekt. Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie

Aantal

Werktuig

kW

Stage

Aanleg Verharding

280 280 280

kraan trilplaat trekker Terreinkraan inrichting trilplaat trekker Totale emissie in kg NOx /jaar

21,5 4,8 15 21,5 4,8 24

Stage IV Stage V Stage I Stage IV Stage V Stage I

5 december 2023

m2 m2 m2

Eenheid

2 u/ 2 u/ 2 u/

50 m2 50 m2 50 m2

Draaiuren

Verbruik liters /uur

Totaal Verbruik liters

12 uur 12 uur 12 uur 60 uur 4 uur 14 uur

4,36 2,37 2,93 4,36 2,37 5,19

49 27 33 262 10 73

Emissie NOx

1,0 0,6 1,1 5,5 0,2 2,3 10,7

kg kg kg kg kg kg kg

6

4.1.2 Werkverkeer (bron 2 en 3) Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Deze gegevens zijn door de opdrachtgever verstrekt. -

licht verkeer 200 ritten/jaar;

-

middelzwaar vrachtverkeer 220 ritten/jaar.

Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van InfoMil (tabel 2). Tabel 2. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen

- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen

Middelzware motorvoertuigen

- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen

Zware motorvoertuigen

-vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger

Het werkverkeer is opgedeeld in verkeersbewegingen buitenwegen en binnen de bebouwde kom. De totale emissie van het werkverkeer bedraagt 2,6 kg NOx/jr en 0,1 kg NH3/jr. 4.1.3 Vaarbewegingen (bron 6) Door de opdrachtgever is aangegeven dat de recreatie-arken door twee kleine sleepboten naar de locatie verplaatst worden. Aangezien het vermogen van de kleine sleepboten nog niet geheel duidelijk is wordt in het model rekening gehouden met 12 vaarbewegingen van het motorvrachtschip type M0 (overig). Hierbij is uitgegaan van een laad capaciteit van 50% omdat een recreatie-ark verplaatst wordt. De vaarbewegingen zijn opgenomen tot de grote vaarroute Prinses Margrietkanaal. De totale emissie van de vaarbewegingen in de aanlegfase bedraagt 1,3 kg NOx/jr.

5 december 2023

7

4.2

Gebruiksfase

4.2.1 Verkeersgeneratie (bron 4 en 5) In het model is het verkeer van en naar de recreatie-arken opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROW publicatie 381, december 2018. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor recreatiewoningen in het buitengebied (2,8 ritten per recreatie-ark). Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 9 ritten per etmaal. De totale emissie van de verkeersgeneratie van de recreatie-arken in de gebruiksfase bedraagt in dat geval ongeveer 4,1 kg NOx/jr en 0,2 kg NH3/jr.

4.3

Totale emissie

De totale emissie van het project in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt afgerond ongeveer 18,8 kg NOx/jr en 0,3 kg NH3/jr.

5 december 2023

8

5

Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (5 december 2023). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2024. Indien het project later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worst-case worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.

Afbeelding 3 - AERIUS model

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie

2023.0.1_20231106_3125d8b3c1

Database versie

2023.0.1_3125d8b3c1_calculator_nl_stable

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=6b998632-6085-4642-8735-8407524ac27c