CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording aanvullende technische vragen Basisnotitie Herziening Omgevingsvisie

Besluitvorming (raad) 17 december 2025, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Basisnotitie Herziening Omgevingsvisie gemeente Leeuwarden2.512 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BEANTWOORDING AANVULLENDE TECHNISCHE VRAGEN BASISNOTITIE HERZIENING OMGEVINGSVISIE BASISNOTITIE EN UITGANGSPUNTEN Q1: Wat is de status van deze Basisnotitie? Deze Basisnotitie is te beschouwen als een Startnotitie +: een Startnotitie over het proces richting besluitvorming over de nieuwe Omgevingsvisie. De ‘+’ staat voor de inhoudelijke doorkijk die de Basisnotitie biedt. Gebruikelijk is dat een Startnotitie wordt vastgesteld door het college en met een informerende brief wordt aangeboden aan de raad. In dit geval heeft het college ervoor gekozen om deze Basisnotitie ter vaststelling aan te bieden aan de raad, omdat het om een belangrijk en integraal visie-document van de gemeente gaat. Maar ook omdat we in de bijzondere situatie zitten dat de huidige raad een besluit neemt over deze Basisnotie, maar de nieuwe raad uiteindelijk een besluit neemt over de herziene Omgevingsvisie. In de besluittekst is dan ook de volgende formulering gekozen: ...vast te stellen als bouwsteen voor de herziening van de Omgevingsvisie. Dat betekent dat de Basisnotitie na vaststelling door uw huidige raad het vertrekpunt is voor de opstelling van de nieuwe visie, maar dat betekent ook dat de nieuwe raad ruimte heeft voor het aangeven van specifieke wensen. Niet voor niets is een van de uitgangspunten dat een voorbehoud geldt op basis van het nieuwe akkoord na de raadsverkiezingen. Het op blz.

6 van de Basisnotitie aangegeven stroomschema illustreert de positie van een nieuw akkoord na de gemeenteraadsverkiezingen in het proces.

Q2: Wat betekent het vaststellen van de uitgangspunten in de Basisnotitie? Hoe bindend zijn ze, is er ruimte voor nieuwe politieke keuzes binnen de uitgangspunten en is het mogelijk om tot een publieksvriendelijke versie te komen? De in Bijlage 1 opgenomen Uitgangspunten zijn voor een deel gericht op het proces, voor een deel hebben ze vooral een inhoudelijke betekenis. Zoals hiervoor is aangegeven vormen die uitgangspunten een vertrekpunt, maar ze zijn - zoals in de Basisnotitie staat - “niet in beton gegoten”. Een nieuw akkoord na de verkiezingen en nieuwe inzichten kunnen aanleiding zijn voor andere accenten. Ook het participatietraject kan daar aanleiding tot geven. Daarnaast is het altijd de raad die besluit over de inhoud van de uiteindelijke herziene Omgevingsvisie. De uitgangspunten zijn per hoofdstuk toegelicht. Er is geprobeerd om dat op een publieksvriendelijke wijze te doen. Hierbij is ook nadrukkelijk gebruik gemaakt van de expertise van de sector Communicatie. Zoals toegelicht in de Basisnotitie en in de informatieve bijeenkomst van 3 december, gaan we een uitgebreid participatietraject in waarbij uiteraard rekening wordt gehouden met het op een publieksvriendelijke manier presenteren van de juiste informatie aan de juiste doelgroep.

HERZIENING OMGEVINGSVISIE, VERHOUDING PROGRAMMA’S EN OMGEVINGSPLAN Q3: Hoe kan de raad betrokken worden bij de herziening van de Omgevingsvisie? De eerste belangrijke stap is de besluitvorming van de raad over de Basisnotitie. Daarna start de inhoudelijke uitwerking en gaat ook het participatietraject lopen. Wij houden de raad op de hoogte daarvan en u ontvangt uitnodigingen om hierbij naar eigen wens aanwezig te zijn. In maart zijn de gemeenteraadsverkiezingen. Het lijkt ons nuttig om daarna met de raad in gesprek te gaan de over de aanpak en inhoudelijke richting van de nieuwe Omgevingsvisie. Daarnaast denken wij aan een continuering van de huidige Klankbordgroep met een mogelijk gewijzigde samenstelling ná de verkiezingen. Wij zien mogelijkheden om via de Raadsacademie (nieuwe) raadsleden te informeren over de Omgevingswet in algemene zin, over de Beleidscyclus en over de diverse afzonderlijke instrumenten. Volgens onze planning wordt de ontwerp-Omgevingsvisie rond de zomer ter inzage gelegd. Wij denken dan ook aan een informatieve sessie met de raad tijdens die tervisielegging.

Q4: Op welke momenten kan de raad besluiten over de Omgevingsvisie? Hoe verhoudt dit zich tot de huidige werkwijze en hoe ziet de monitoring en evaluatie eruit? De huidige Leeuwarder Omgevingsvisie is door de raad vastgesteld in december 2021. De planning is om een herziene Omgevingsvisie eind 2026/begin 2027 aan de raad voor te leggen voor besluitvorming. Het is logisch om de Omgevingsvisie daarna regelmatig integraal te herzien. We denken nu aan een actualisatie eens per vier jaar. Er is één Omgevingsvisie voor de hele gemeente. De Omgevingsvisie komt na vaststelling in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) te staan. Dat is het leidende document. De Omgevingsvisie is leidend bij het opstellen van nieuwe beleidsprogramma’s of ontwikkelprogramma’s. En daarnaast is het ook het uitgangspunt voor alles wat de gemeente doet in de fysieke leefomgeving. Ontwikkelingen moeten daar dus binnen passen. Het kan zo zijn dat er binnen de vier jaar ontwikkelingen zijn die het nodig maken om de Omgevingsvisie aan te vullen of te wijzigen. Bijvoorbeeld als de raad nieuwe ambities vast wil stellen voor een thema als wonen, groen of economie. Of als er een nieuwe gebiedsontwikkeling bij komt waar de gemeente beleid voor wil vaststellen. Dan krijgt de raad in de gelegenheid om dat onderdeel van de Omgevingsvisie aan te passen door middel van een (kleinere) wijziging van de Omgevingsvisie.

Deze wijzigingen vervangen de huidige addenda op de Omgevingsvisie, omdat de herziene Omgevingsvisie voortaan direct in het DSO gewijzigd moet worden. Zulke wijzigingen doorlopen dezelfde wettelijke en procesmatige stappen als het opstellen van een compleet nieuwe Omgevingsvisie, zoals het doorlopen van een participatietraject, terinzagelegging en ontsluiting via het DSO en is dus tijdsintensief. In de herziene Omgevingsvisie werken we in het hoofdstuk “Handelingsperspectief” uit hoe de vierjaarlijkse actualisatie van de Omgevingsvisie in zijn werk gaat en hoe eventuele kleinere wijzigingen op onderdelen in zijn werk gaan. Daarin werken we ook uit hoe de monitoring en evaluatie vormgegeven gaat worden. Bij de besluitvorming door de raad over de herziene Omgevingsvisie maakt de werkwijze hiervan onderdeel uit. Besluitvorming over de Omgevingsvisie is altijd aan de raad.

Q5: Wat is de rol en bevoegdheid van de raad bij nieuwe beleidsprogramma’s en ontwikkelprogramma’s? De Omgevingsvisie is het belangrijkste beleidsdocument voor de fysieke leefomgeving. Vanuit deze visie kunnen verschillende programma’s worden uitgewerkt. De Omgevingsvisie biedt de kaders en stuurt de keuzes die in programma’s worden gemaakt. Voor thema’s als wonen, groen en economie gebeurt dat in beleidsprogramma’s. Voor gebieden in ontwikkelprogramma’s. Op grond van de Omgevingswet is het college bevoegd tot het vaststellen van beleids- en ontwikkelprogramma’s. In de Leeuwarder werkwijze wordt de raad hier altijd bij betrokken en in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te spreken voordat programma's door het college vastgesteld worden. Na vaststelling van de herziene Omgevingsvisie blijft dit het geval.

Q6: Wat is de verhouding van de herziene Omgevingsvisie tot de huidige beleids- en ontwikkelkaders en beleids- en ontwikkelprogramma’s? Hoe verhouden die zich tot de uitgangspunten in de Basisnotitie? Kan een overzicht gegeven worden van de stukken en wat daarmee gebeurt? In de Basisnotitie is aangegeven dat de stapeling aan beleidsstukken sinds de vaststelling van de huidige Omgevingsvisie een inhoudelijke reden is voor de herziening van de Omgevingsvisie. In bijlage 2 is een overzicht gegeven van beleidskaders/ontwikkelkaders en beleidsprogramma's/ontwikkelprogramma's die vastgesteld zijn sinds de huidige Omgevingsvisie in december 2021. De hoofdlijnen en strategische inhoud van al die beleidsstukken moet in de herziene Omgevingsvisie een plek krijgen. Die wordt dus integraal in de herziene Omgevingsvisie verankerd. De beleids/ontwikkelkaders en beleids-/ontwikkelprogramma's die al vastgesteld zijn, blijven daarna bestaan; die worden dus niet ingetrokken met het vaststellen van de herziene Omgevingsvisie. Er is namelijk veel thematisch (bijvoorbeeld wonen, biodiversiteit) en gebiedsgericht (bijvoorbeeld Spoordok, Nieuw Stroomland) beleid dat nog verder uitgewerkt moet worden in programma's. In de Omgevingsvisie maken we vooral de strategische keuzes gemaakt. Tactische en operationele uitwerking vindt plaats in programma's.

De uitgangspunten in de Basisnotitie wijzigen daar niets aan. Naar aanleiding van de herziening van de Omgevingsvisie gaan we onderzoeken of huidige beleids/ontwikkelkaders bij de vaststelling van de Herziene Omgevingsvisie omgezet moeten worden naar beleids-/ontwikkelprogramma's. De raad wordt daar uiteraard bij betrokken. Met de brief van juli 2024 over de nieuwe werkwijze met het instrumentarium van de Omgevingswet bent u geïnformeerd over de werking van programma's.

Q7: Hoe werkt de doorwerking in het Omgevingsplan? Wat is de rol van de raad? Het Omgevingsplan is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. In het Omgevingsplan wordt het beleid dat vastgesteld is in de Omgevingsvisie en in beleidsprogramma's/ontwikkelprogramma's voor zover dat mogelijk is omgezet in eenieder verbindende regels. De raad is bevoegd om het Omgevingsplan vast te stellen en te wijzigen.

Volgens de Omgevingswet heeft elke gemeente tot en met 2032 de tijd om alle huidige bestemmingsplannen en regels uit verordeningen om te zetten tot één dekkend Omgevingsplan voor het grondgebied van de hele gemeente. Momenteel wordt gewerkt aan het eerste deel daarvan, het Omgevingsplan Buitengebied-Zuid. In de komende jaren wordt het Omgevingsplan steeds verder uitgerold. De raad gaat steeds over de besluitvorming. In de beleidscyclus van de Omgevingswet is het zo dat het beleid dat vastgesteld wordt in de Omgevingsvisie en beleidsprogramma's en ontwikkelprogramma's doorvertaald wordt in eenieder verbindende regels in het Omgevingsplan. Zie hiervoor ook de informerende brief aan de raad van juli 2024. Zoals aangegeven is de raad steeds aan zet voor de besluitvorming.

PARTICIPATIE Q8: Hoe wordt de raad betrokken bij het participatietraject en hoe wordt ervoor gezorgd dat ook moeilijk bereikbare groepen worden bereikt en gehoord, bijvoorbeeld huurders, jongeren en laaggeletterden? In het participatietraject wordt gewerkt met drie hoofdlijnen. Voor de Omgevingscafés die in het kader van de hoofdlijn Ruimte voor verdieping georganiseerd worden, worden de raadsleden uitgenodigd. De hoofdlijn Ruimte voor gesprek richt zich op bewoners in de wijken en dorpen, maar ook op allerlei andere betrokkenen. Bij de grotere bijeenkomsten (al dan niet in de wijken en dorpen) kunnen raadsleden aanwezig zijn. Bij de kleinere sessies is het lastig om het gesprek goed te voeren als er veel publiek aanwezig is. Bij de derde hoofdlijn Ruimte voor een mening wordt aan zoveel mogelijk mensen gevraagd via een peiling om antwoord te geven op een aantal vragen. De opbrengst daarvan wordt meegenomen in de Omgevingsvisie en wordt op die manier met de raad gedeeld. Ook moeilijk bereikbare groepen zoals huurders, jongeren en laaggeletterden willen we graag mee laten denken en praten over de Omgevingsvisie. Daarom gaan we bij een deel van de sessies in de hoofdlijn Ruimte voor gesprek naar de wijken en de dorpen toe.

Daarbij zullen we zoeken naar een goede mix van locaties, die de kans zo groot mogelijk maakt dat we ook met moeilijk bereikbare groepen in gesprek raken en hun zo de kans geven om mee te denken en mee te praten. In het hele participatietraject zullen we zoveel mogelijk op B1-taalniveau vragen stellen en het gesprek aangaan.

FINANCIËN Q9: Hoe worden de ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gelet op de beschikbare middelen en capaciteit? Komt er per programma een financiële toets en hoe wordt de raad hierover geïnformeerd? De nieuwe Omgevingsvisie heeft een planhorizon tot 2050. Dat betekent dat voor een deel van de ambities nu nog geen middelen zijn gereserveerd gezien de lange termijn waarop deze mogelijk gerealiseerd worden. De afgelopen jaren zijn er diverse beleids- en ontwikkelprogramma's vastgesteld, veelal met een daaraan gekoppelde uitvoeringsagenda waarin aangegeven is wat wanneer uitgevoerd wordt en welk deel reeds financieel gedekt is. Voor diverse ambities voor de kortere termijn moet dus ook gezocht worden naar financiële middelen. De onderhandelingen voor een nieuw akkoord na de gemeenteraadsverkiezingen is daarvoor een belangrijk moment. In die nieuwe raadsperiode zullen mogelijk ook nieuwe beleids- en ontwikkelprogramma's opgesteld worden. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt welke ambities en maatregelen uit deze programma's gedekt zijn en waar aanvullende middelen voor nodig zijn. De raad gaat daar door middel van zijn budgetrecht over.

BREDE WELVAART Q10: Hoe wordt geborgd dat de uitvoering van de Omgevingsvisie bijdraagt aan Brede Welvaart en de spanningen tussen verschillende doelen daarbinnen? Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan brede welvaart. Veel gemeenten en andere overheden zoals het Rijk denken na over hoe de impact van ruimtelijke ingrepen op brede welvaart het beste weergegeven kunnen worden. In het vervolgproces om te komen tot de herziene Omgevingsvisie, gaan we dit verder uitwerken. Uiteraard geldt dat ingrepen verschillende effecten hebben op de brede welvaart. De ene ontwikkeling scoort beter op de ene dimensie van de brede welvaart dan de ander. We erkennen die spanning en zien het als doel om deze zo inzichtelijk mogelijk te maken.

Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Q11: Hoe wordt aangekeken tegen de zeer uitgebreide Leefomgevingsfoto, is dit een juiste, complete en feitelijke weergave? In de Leefomgevingsfoto is de focus gelegd op de thema’s en leefomgevingsaspecten (indicatoren) die naar verwachting maatgevend zijn voor de afwegingen in het kader van de Omgevingsvisie en die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Tijdens het opstellen van de OER wordt ook nog een aantal overige thema’s toegevoegd. In paragraaf 4.3 van de NRD is een overzicht in tabelvorm opgenomen. De tabel geeft een overzicht van de onderzoeksthema’s die in het OER aan bod komen en de indicatoren waarnaar wordt gekeken per thema. De meeste thema’s zijn reeds uitgewerkt in de leefomgevingsfoto. Thema’s die in deze versie nog niet zijn uitgewerkt, maar uiteindelijk wel in het OER worden meegenomen, zijn gemarkeerd met een sterretje (*). Hiermee wordt een goed overzicht geboden van alle relevante thema's.

Q12: In hoofdstuk 8 staat het thema gezondheid uitgewerkt en worden de vastgestelde Gezondheidsnota Samen Gezond 2024-2028 en het Beleidskader Sport en Bewegen 2025-2035 genoemd. Voor de leefomgevingsfoto is vervolgens om praktische redenen gekozen voor de indicatoren overgewicht en beweging (‘beweegvriendelijke omgeving’), net als de provincie Fryslân doet. En dan scoort Leeuwarden slecht. Wanneer voor andere of meer verschillende indicatoren t.a.v. gezondheid was gekozen, was dit wellicht anders geweest. Hoe ‘erg’ is een score ‘slecht’? De leefomgevingsfoto bevat diverse indicatoren. Voor elke indicator wordt het kwaliteitsniveau vastgesteld en beoordeeld als goed, redelijk of slecht. Dit op basis van de Huidige Situatie en de Autonome Ontwikkeling (HSAO; referentiesituatie). Op basis van deze beoordeling kunnen vervolgens per indicator de bijbehorende opgaven worden genoemd. De uitkomst hiervan is dat de autonome ontwikkeling als slecht wordt beoordeeld. Onder autonome ontwikkeling wordt verstaan: de verwachte ontwikkeling van de huidige situatie tot het zichtjaar 2050, wanneer er geen nieuwe omgevingsvisie wordt opgesteld. Hierbij worden alle ontwikkelingen en activiteiten meegenomen die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, zoals vastgestelde (ruimtelijke) plannen en (wetenschappelijke) trends.

Een score ‘slecht’ geeft hierbij aan dat er hier een opgave ligt. Dit biedt juist kansen om hier mee aan de slag te gaan. Via het OER kan hieraan een bijdrage worden geleverd. Door het onderzoeken van opgaven en hun invloed op de leefomgeving kan uiteindelijk een richting worden bepaald voor de Omgevingsvisie.

Q13: Het speerpunt ‘mentale gezondheid’, van jongeren en ouderen, met bijvoorbeeld ruimtelijke vraagstukken als voldoende ontmoetingsplekken komt niet of nauwelijks aan bod. Wat betekent dit voor de compleetheid van deze foto en voor het vervolgtraject richting de nieuwe Omgevingsvisie en bijbehorend OER? Ruimtelijke vraagstukken die gaan over voldoende ontmoetingsplekken en voorzieningen vragen ook om strategische keuzes. Dit aspect zal nader worden uitgewerkt in het vervolgtraject richting de herziene Omgevingsvisie en bijbehorende OER. Dit thema onderzoeken we en werken we uit onder alternatief 2 uit de NRD: De Mens Volledig Centraal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=b8f177cb-d8d5-4059-b5f2-3a3efbbbb80b