CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies Adviescommissie bezwaarschriften tegen raadsbesluit gronden gebied Spoordok

Besluitvorming (raad) 27 september 2023, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Bezwaarschrift tegen het raadsbesluit tot definitieve aanwijzing van gronden in het gebied Spoordok op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten.4.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Leeuwarden, 19 juli 2023

Advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, Algemene Kamer aan de gemeenteraad van de gemeente Leeuwarden

Samenstelling van de commissie: de heer drs. H. Schukking, voorzitter de heer mr. H.J. Bos, lid mevrouw mr. S. Kuypers, lid mevrouw S. Bloemhof-van der Wal, secretaris

Bezwaarschrift nr.: BZW.1.23.0097.01

Indiener: Bezwaarde: Albouw Onroerend Goed Wietze Mulderreed 6 8412 SN HOORNSTERZWAAG

Onderwerp: Bezwaar tegen het raadsbesluit van d.d. 22 maart 2023, waarbij onder andere de kadastrale percelen gelegen in Leeuwarden, sectie G, nummer 18276, 18278 en 18279 zijn aangewezen als gronden waarop een voorkeursrecht is gevestigd op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten.

Datum van de hoorzitting: 8 mei 2023

Advies van de commissie: De commissie adviseert de raad om: - de bezwaren ongegrond te verklaren; - het bestreden besluit d.d. 22 maart 2023 met het kenmerk: 2023-049003 niet te herroepen.

Bijlage: verslag van de hoorzitting

BZW.1.23.0097.01 Blad 2

1. Inleiding De Adviescommissie bezwaarschriften brengt hierbij advies uit over het bezwaarschrift d.d. 25 januari 2023 (ontvangen op 27 januari 2023) van Albouw Onroerend Goed B.V. Dit bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van de gemeenteraad d.d. 22 maart 2023, met het zaaknummer 2023-049003, waarbij onder andere de kadastrale percelen gelegen in Leeuwarden, sectie G, nummer 18276, 18278 en 18279 zijn aangewezen als gronden waarop een voorkeursrecht is gevestigd op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten De commissie heeft op 8 mei 2023 een openbare hoorzitting gehouden. Op de hoorzitting was de heer Bouma aanwezig om het bezwaarschrift toe te lichten. Het verslag van de hoorzitting is als bijlage bij dit advies gevoegd. In dit advies zal de commissie eerst aangeven wat de relevante regels zijn. Vervolgens worden de feiten kort weergegeven. Daarna volgt een opsomming van de bezwaren. Tenslotte zal de commissie de bezwaren beoordelen en daarover een advies uitbrengen. 2. Regelgeving en beleid Wet voorkeursrecht gemeenten Artikel 2 De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn. Artikel 5 1.

In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. 2. Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing. Artikel 6 1. Burgemeester en wethouders kunnen gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toebedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3,4 of 5 in werking treedt. 2. De artikelen 3, tweede en derde lid, 10 tot en met 15, 24 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Indien bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking is getreden, wordt het bezwaar of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad. Artikel 7 1.

Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing wordt door het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt. 2. Van het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing wordt door het college van burgemeester en wethouders mededeling gedaan aan ieder van de in het besluit vermelde eigenaren en beperkt gerechtigden. Artikel 9 1. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3 of artikel 9a in samenhang met artikel 3 vervalt van rechtswege tien jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan onderscheidenlijk inpassingsplan.

BZW.1.23.0097.01 Blad 3

2. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4, vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening van dat besluit, tenzij voordien een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld. 3. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening, tenzij voor dat tijdstip een structuurvisie, bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld. 4. Indien artikel 8, derde lid, van toepassing is, vervalt het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 3, van rechtswege na afloop van de in het derde lid van artikel 8 genoemde termijn, tenzij voor dat tijdstip voor de in de aanwijzing begrepen gronden een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld, dat voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, gestelde eisen. In dat geval vervalt het besluit tot aanwijzing van rechtswege tien jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan onderscheidenlijk inpassingsplan. 5. Een mededeling van het van rechtswege vervallen van een besluit tot aanwijzing wordt gevoegd bij de ingevolge artikel 7, eerste lid, ter inzage gelegde stukken en in kopie gezonden naar de desbetreffende eigenaren en beperkt gerechtigden. Artikel 10 1. Een vervreemder kan eerst tot vervreemding overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te verkrijgen. 2.

Het bepaalde in het vorige lid geldt niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolgde a. een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of met een pleegkind. Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; b. verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap; c. een uiterste wilsbeschikking; d. een overeenkomst met de Staat, een provincie, een waterschap of een door Ons aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het openbaar belang werkzame rechtspersoon. Onze aanwijzing wordt in de Staatscourant bekendgemaakt; e. een verkoop krachtens wetsbepaling of bevel des rechters of een executoriale verkoop, met dien verstande dat ingeval van een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 3:268, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de voorzieningenrechter niet beslist omtrent het verzoek tot onderhandse verkoop zolang niet het bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen; f.

een overeenkomst, betrekking hebbende op gronden die zijn aangewezen bij een besluit als bedoeld in artikel 5 of 6 dan wel artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6, gesloten met een pachter aan wie ten aanzien van deze gronden ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een voorkeursrecht toekwam als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 3. Voorts geldt het bepaalde in het eerste lid niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge een overeenkomst betreffende een onroerende zaak, dan wel een overeenkomst behelzende een verplichting van de vervreemder betreffende een onroerende zaak, voorzover: a. vervreemding geschiedt aan een in die overeenkomst met name genoemde partij, en een tegen een in die overeenkomst met name genoemde prijs, dan wel tegen een volgens die overeenkomst bepaalbare prijs, en b. de overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voordat een besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing in werking is getreden, en c. de vervreemding geschiedt binnen zes maanden na de dag van de inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers als bedoeld onder b. 4. Een overeenkomst als bedoeld in het derde lid, aanhef, kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in het derde lid, mits deze is vervat in een akte.

De inschrijving heeft het rechtsgevolg dat voor de vervreemder niet de verplichting zoals bedoeld in het eerste lid ontstaat, voorzover is voldaan aan de in het derde lid, onder a,b en c, genoemde vereisten.

BZW.1.23.0097.01 Blad 4

5. Het derde lid is telkens gedurende een periode van drie jaar op een overeenkomst als bedoeld in dat lid met betrekking tot een bepaalde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, en de daarin met name genoemde vervreemder of verkrijger, slechts één maal van toepassing. De periode van drie jaar vangt aan op de datum van eerste inschrijving in de openbare registers. Onder verkrijger wordt in dit geval verstaan de partij waarmee een overeenkomst is gesloten. 6. Het eerste lid geldt eveneens niet indien burgemeester en wethouders op aanvraag van een vervreemder op grond van door die vervreemder aannemelijk gemaakte gewichtige redenen daartoe besluiten. Zij kunnen daarbij beperkingen opleggen. Artikel 11 1. Ter voldoening aan artikel 10, eerste lid, bericht de vervreemder aan burgemeester en wethouders bij aangetekende brief dat hij in beginsel bereid is over te gaan tot vervreemding van het desbetreffende goed aan de gemeente tegen nader overeen te komen voorwaarden. 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, bevat een opgave van het goed dat onderwerp uitmaakt van de voorgenomen vervreemding alsmede ten aanzien van de desbetreffende onroerende zaken: a. de kadastrale aanduiding; b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien het aanbod betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak.

3. Indien de opgave betrekking heeft op onroerende zaken die slechts ten dele in de aanwijzing of voorlopige aanwijzing zijn opgenomen maar een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, eisen dat dit geheel van onroerende zaken wordt betrokken in de mogelijke vervreemding aan de gemeente. 4. De vervreemder kan eisen dat in de vervreemding wordt betrokken het bedrijf of de onderneming waarin de onroerende zaken als onderdeel daarvan worden geëxploiteerd. Artikel 12 1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen zes weken na ontvangst van de opgave of de gemeente al dan niet in beginsel bereid is het goed tegen nader overeen te komen voorwaarden te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen. 2. Indien burgemeester en wethouders binnen de termijn genoemd in het eerste lid, beslissen niet bereid te zijn het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen heeft de vervreemder gedurende drie jaar na die beslissing vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn aanbod vermelde goed.

De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 3. Bij overschrijding van de termijn, genoemd in het eerste lid, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in dat lid genoemde periode van drie jaar aanvangt na verloop van die termijn. Artikel 13 1. Indien burgemeester en wethouders en de vervreemder in onderhandeling zijn getreden ter bepaling van de vervreemdingsvoorwaarden en gehandeld is overeenkomstig de artikelen 11 en 12, eerste lid, kan de vervreemder aan burgemeester en wethouders verzoeken om binnen vier weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven. 2. Bij hun verzoekschrift overleggen burgemeester en wethouders een gewaarmerkt afschrift van het verzoek van de vervreemder. 3. Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn of indien burgemeester en wethouders schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen, is artikel 12, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

BZW.1.23.0097.01 Blad 5

4. De rechtbank benoemt een of meer deskundigen die zo spoedig mogelijk aan de rechtbank advies over de prijs uitbrengen. Bij het ten behoeve van het advies uit te voeren onderzoek wordt onder meer de ligging en de gesteldheid van de desbetreffende onroerende zaak betrokken. De rechtbank oordeelt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet. 5. De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak. Van de beschikking van de rechtbank staat uitsluitend beroep in cassatie open. 6. De kosten van de rechterlijke procedure, het deskundigenadvies alsmede de redelijkerwijs door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand gemaakte kosten komen ten laste van de gemeente. Indien de rechter daartoe termen vindt in de omstandigheden van het geval, is deze bevoegd de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseren. 7. Indien door schriftelijke intrekking van het verzoek door burgemeester en wethouders de procedure tussentijds wordt beëindigd, heeft de vervreemder gedurende drie jaar na de intrekking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn opgave vermelde goed. De rechter beslist dan bij beschikking over de kosten, bedoeld in het zesde lid.

Artikel 14 Indien de vervreemder binnen drie maanden, te rekenen van de dag van onherroepelijk worden van de beschikking, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, bij aangetekende brief aan de gemeente verlangt dat deze het betrokken goed verkrijgt, is de gemeente verplicht haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een notariële akte tot levering aan haar van het betrokken goed tegen betaling aan de vervreemder van de bij onherroepelijke rechterlijke beschikking bepaalde prijs. Artikel 15 1. De vervreemder kan de rechtbank verzoeken te bepalen dat de gemeente wegens de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de vervreemder gehouden is medewerking te verlenen aan de overdracht tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs van het goed, dat is vervat in de opgave, bedoeld in artikel 11, eventueel met inbegrip van de ingevolge het derde en vierde lid van dat artikel mede in die opgave vermelde bestanddelen. 2. Het met redenen omkleed verzoekschrift kan worden gedaan binnen twee maanden te rekenen van de dag: a. waarop burgemeester en wethouders de termijn, bedoeld in artikel 13, eerste lid, hebben overschreden of indien zijn schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen; b. waarop de intrekking, bedoeld in artikel 13, zevende lid, van het verzoek ter griffie is ontvangen. 3.

De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak over het verzoek en bij toewijzing daarvan tevens over de prijs. Zij beoordeelt of het redelijk is dat vervreemding aan de gemeente, gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden die terzake van belang kunnen zijn, achterwege zou blijven. Van de beschikking staat uitsluitend beroep in cassatie open. 4. Bij afwijzing van het verzoek heeft de vervreemder gedurende drie jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beschikking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover betreft het in zijn opgave, bedoeld in artikel 11, vermelde goed. De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolgde artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 5. De artikelen 13, vierde en zesde lid, en 14 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 24 1.

De inschrijving in de in afdeling 2 van titel 1 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers van een akte, behelzende een vervreemding anders dan aan de gemeente, vindt alleen plaats indien op het in te schrijven stuk is opgenomen een notariële verklaring, houdende dat op de betrokken onroerende zaak geen aanwijzing of voorlopige aanwijzing in de zin van deze wet van toepassing is, hetzij dat de vervreemding niet in strijd is met deze wet.

BZW.1.23.0097.01 Blad 6

2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt met de daar bedoelde notariële verklaring gelijkgesteld de verklaring van een persoon bedoeld in artikel 91 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, die overeenkomstig het daar bepaalde een onderhandse akte tot levering heeft opgesteld. Artikel 26 1. Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in deze wet geregelde voorkeurspositie. 2. Het verzoek moet worden gedaan binnen acht weken nadat de gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de gemeente is gelegen. De gemeente is niet ontvankelijk in haar verzoek indien zij met de desbetreffende rechtshandeling schriftelijk heeft ingestemd. 3. Feiten Bij besluit van 10 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) onder andere de kadastrale percelen Leeuwarden, sectie G, nummer 18276, 18278 en 18279, voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Dit besluit is op 13 januari 2023 gepubliceerd. Op 16 januari 2023 is de heer Bouma, eigenaar van Albouw Onroerend Goed B.V.

(hierna bezwaarde) door het college in kennis gesteld van het (voorlopige) besluit om zijn in eigendom zijnde kadastrale percelen Leeuwarden, sectie G, nummer 18276 en 18279 aan te wijzen als gronden waarop de Wvg van toepassing is. Bezwaarde is op 16 januari 2023 op persoonlijke titel door het college in kennis gesteld van het (voorlopige) besluit om zijn in eigendom zijnde kadastrale perceel Leeuwarden, sectie G, nummer 18278 aan te wijzen als grond waarop de Wvg van toepassing is. Op 25 januari 2023 (ontvangen op 27 januari 2023) heeft bezwaarde bezwaar gemaakt tegen het collegebesluit van d.d. 10 januari 2023. Op 22 maart 2023 heeft de gemeenteraad (hierna: raad) het definitieve besluit genomen om onder andere de kadastrale percelen Leeuwarden, sectie G, nummer 18276, 18278 en 18279, die in eigendom zijn van bezwaarde, op grond van het bepaalde in artikel 5 van Wvg aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Dit besluit is op 30 maart 2023 gepubliceerd. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van bezwaarde heeft op 8 mei 2023 een openbare hoorzitting plaatsgevonden. 4.Beoordeling van de bezwaren en de gevolgde procedure Ten aanzien van de ontvankelijkheid Het bestreden besluit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en is voor bezwaar vatbaar.

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en voldoet ook voor het overige aan de te stellen eisen (artikelen 6:5 en 6:7 Awb). Voorts moet bezwaarde worden aangemerkt als belanghebbende, in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb. De commissie acht bezwaarde ontvankelijk in zijn bezwaren. Nu bezwaarde ontvankelijk is in zijn bezwaren ziet de commissie zich voor de vraag gesteld of de raad terecht en op juiste gronden het besluit heeft genomen om de kadastrale percelen van bezwaarde aan te wijzen als gronden waarop een voorkeursrecht mag worden gevestigd. Uitgaande van een volledige heroverweging op de grondslag van de ingediende bezwaren overweegt zij het volgende.

BZW.1.23.0097.01 Blad 7

Ten aanzien van de bezwaren Bezwaarde is van mening dat het vestigen van een voorkeursrecht een belemmering vormt voor de verdere ontwikkeling van zijn gebouwen met als gevolg een ernstige waardedaling. Hij heeft veel geld geïnvesteerd in de gebouwen ten aanzien van duurzaamheid. Het vestigen van een voorkeursrecht vormt volgens bezwaarde een blokkering van zijn vrije ondernemingschap. Voorheen hebben bezwaarde en zijn vrouw veel spanning ervaren bij eerdere gebeurtenissen tussen verweerder en bezwaarde. Bezwaarde wil deze spanning niet weer ervaren. Het duurt volgens bezwaarde nog jaren voordat er ontwikkeld kan worden aan de Snekertrekweg. Hij snapt niet waarom er nu al een voorkeursrecht op zijn gronden gevestigd moet worden. Daarnaast vindt bezwaarde dat er sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Voor de gebouwen van Vitens en Zandleven is geen voorkeursrecht op grond van de Wvg van toepassing. Bezwaarde geeft aan dat zijn gebouwen ook in het bezit zijn van een energielabel en zonnepanelen. Aanleiding vestigen voorkeursrecht Aanleiding voor het vestigen van een voorkeursrecht op de kadastrale percelen van bezwaarde is dat verweerder een andere bestemming voor de kadastrale percelen van bezwaarde voor ogen heeft. Dit heeft te maken met de ontwikkelingen rondom het Leeuwarder Spoordokgebied.

Om de gemeentelijke regie en sturing te behouden, haar onderhandelingspositie bij de grondverwerving te verbeteren en te voorkomen dat er grondspeculatie kan plaatsvinden heeft de raad besloten om ondere andere op de kadastrale percelen van bezwaarde een voorkeursrecht op grond van de Wvg te vestigen. De Wvg is een wet die de overheid, waaronder een gemeente, de mogelijkheid geeft om gronden aan te wijzen en hierop een voorkeursrecht te vestigen. Door deze aanwijzing verkrijgt de overheid het eerste recht van koop. De eigenaar die zijn grond wil verkopen is door de vestiging van het voorkeursrecht verplicht de grond eerst aan de overheid aan te bieden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 april 20151 geoordeeld dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wvg volgt dat de wetgever met de invoering van deze wet heeft beoogd om de positie bij grondverwerving ten behoeve van de verwezenlijking van ruimtelijk beleid te willen versterken door de raad een middel te geven waarmee speculatie kan worden tegengegaan en de regie te behouden. De raad heeft besloten tot het vestigen van een voorkeursrecht wegens de ontwikkeling van het Spoordokgebied. Verweerder heeft een andere bestemming voor ogen wat betreft de kadastrale percelen van bezwaarde.

De raad wil hierop regie houden en om te voorkomen dat er grondspeculatie kan plaatsvinden heeft de raad besloten om op onder andere de percelen van bezwaarde een voorkeursrecht op grond van de Wvg te vestigen. De commissie komt tot de conclusie dat deze motieven in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de Wvg. Aanwijzing kadastrale percelen Het college heeft op 10 januari 2023 onder andere de kadastrale percelen, die in eigendom zijn van bezwaarde, voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. De voorlopige aanwijzing is gebaseerd op artikel 6 van de Wvg. In dit artikel is bepaald dat het college gronden kan aanwijzen waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd, mits aan deze gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt (artikel 7 lid 1 Wvg). In dit geval 14 januari 2023. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de raad tot aanwijzing op grond van artikel 3,4 of 5 van de Wvg in werking treedt. Op 22 maart 2023 heeft de raad de definitieve aanwijzing door middel van een raadsbesluit bekrachtigd.

1

ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL: RVS:2015:1089 (ro. 4.2)

BZW.1.23.0097.01 Blad 8

In lid 3 van artikel 6 van de Wvg is opgenomen dat wanneer bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de raad tot definitieve aanwijzing in werking is getreden, het bezwaar of beroep mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van de raad. Nu bezwaarde op 25 januari 2023 (ontvangen op 27 januari 2023) een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het voorlopige aanwijzingsbesluit van het college en de raad op 22 maart 2023 het definitieve besluit heeft genomen, komt de commissie tot de conclusie dat het bezwaarschrift van bezwaarde op grond van artikel 6 lid 3 van de Wvg kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het raadsbesluit van 22 maart 2023. De definitieve aanwijzing door de raad is gebaseerd op artikel 5 Wvg. In dit artikel is opgenomen dat voor een aanwijzing ook in aanmerking komen de gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt (artikel 7 lid 1 Wvg).

In dit geval 31 maart 2023. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 van de Wvg vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening van dit besluit, tenzij een structuurvisie, inpassingsplan of bestemmingsplan is vastgesteld (artikel 9 lid 3 Wvg). Een besluit tot aanwijzing vermeldt het volgende: - kadastrale aanduiding; - de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; - de grootte van een perceelsgedeelte, indien de aanwijzing betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak; - de namen van de eigenaren van de desbetreffende onroerende zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die zaken zijn onderworpen. ( artikel 3 lid 2 van de Wvg) Bij het besluit moet volgens artikel 3 lid 3 van de Wvg een kadastraal overzicht behoren, waarop duidelijk is aangegeven op welke gronden en de bijbehorende percelen of perceelsgedeelten de aanwijzing betrekking heeft. De commissie komt gelet op bovenstaande tot de conclusie dat de voorlopige en definitieve aanwijzing van de gronden in overeenstemming met de Wvg hebben plaatsgevonden. Beide besluiten bevatten de gegevens zoals genoemd in artikel 3 lid 2 en 3 van de Wvg. Belangenafweging: algemeen belang vs.

individuele belangen Bezwaarde heeft aangegeven dat de aanwijzing van het voorkeursrecht op zijn kadastrale percelen een belemmering vormt voor de verdere ontwikkeling van zijn gebouwen met als gevolg een ernstige waardedaling. Volgens bezwaarde leidt het vestigen van een voorkeursrecht tot een blokkering van zijn vrije ondernemingschap. Volgens een uitspraak van 12 december 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 heeft het vestigen van een voorkeursrecht slechts een beperkte inbreuk op het eigendomsrecht. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niet tot gevolg dat bezwaarde niet langer de hem toekomende eigendomsrechten zou kunnen uitoefenen. Indien bezwaarde tot vervreemding over zou willen gaan moet eerst de gemeente in de gelegenheid worden gesteld om de gronden te kopen. Tevens is bij de totstandkoming van de Wvg het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemeen belang afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren. Het opnieuw afwegen van het financiële belang van bezwaarde hoeft niet meer afzonderlijk in de afweging betrokken te worden. Dit omdat dit bij de totstandkoming van de wet al is gebeurd. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juli 20183.

2 3

ABRvS 12 december 2022, ECLI:NL: RBDHA: 2022: 13366 (ro. 6.4) ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL: RVS: 2018:2332 (ro. 2.2)

BZW.1.23.0097.01 Blad 9

De commissie komt tot de slotsom dat de vestiging van een voorkeursrecht bezwaarde niet beperkt in de uitoefening en ontwikkeling van zijn bedrijf. Het voorkeursrecht heeft uitsluitend tot doel dat verweerder bij verkoop een eerste recht van koop heeft. Ook het financiële nadeel dat bezwaarde zou lijden is volgens jurisprudentie voldoende afgewogen bij de totstandkoming van de wet. Ontwikkeling Spoordokgebied Volgens bezwaarde duurt het nog jaren voordat er ontwikkeld kan worden aan de Snekertrekweg. Bezwaarde kan verweerder niet volgen waarom er nu al een voorkeursrecht op zijn gronden gevestigd moet worden. Verweerder heeft aangegeven dat het noodzakelijk is om nu een voorkeursrecht te vestigen, zodat er met alle eigenaren afspraken gemaakt kunnen worden en er voorkomen kan worden dat er prijsopdrijving plaatsvindt met als gevolg dat de gebiedsontwikkeling duurder wordt. Uit een uitspraak van 22 mei 20194 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat op het moment van vestiging van het voorkeursrecht veelal nog niet zeker is of de beoogde uitwerking feitelijk zal kunnen worden gerealiseerd en hoe het uiteindelijke grondgebruik eruit zal zien. Bij vestiging van een voorkeursrecht op basis van een structuurplan behoeft nog geen zekerheid te bestaan over de verwezenlijking van de uitwerking.

Uit jurisprudentie blijkt dat dit temeer geldt voor een vestiging van een voorkeursrecht op grond van artikel 5 Wvg. Dit omdat de raad juist hierdoor kan voorkomen dat de verwezenlijking van de ontwikkelplannen wordt belemmerd. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 20125. De commissie komt tot het oordeel dat gelet op bovenstaande het noodzakelijk is dat in een vroegstadium een vestiging van voorkeursrecht plaatsvindt. Gelijkheidsbeginsel Ter zitting heeft bezwaarde aangegeven dat hij van mening is dat er sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Dit omdat voor de gebouwen van Vitens en Zandleven geen voorkeursrecht op grond van de Wvg van toepassing is. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd dat voor deze gebouwen geen voorkeursrecht van toepassing is, omdat deze gebouwen de gebiedsontwikkeling niet belemmeren. Persoonlijke omstandigheden Voorheen hebben bezwaarde en zijn vrouw veel spanning ervaren bij eerdere gebeurtenissen tussen verweerder en bezwaarde. Bezwaarde wil deze spanning niet weer ervaren. De commissie snapt dat deze omstandigheden voor bezwaarde en zijn partner heel vervelend zijn geweest. Desondanks kunnen deze omstandigheden de vestiging van het voorkeursrecht niet in de weg staan.

4 5

ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1638 (ro. 5.1) ABRvS 28 maart 2012, ECLI:NL: RVS:2012:BW0295 (ro. 2.4.1)

BZW.1.23.0097.01 Blad 10

5. Advies van de commissie De commissie adviseert de raad om: - de bezwaren ongegrond te verklaren; - het bestreden besluit d.d. 22 maart 2023 met het kenmerk: 2023-049003 niet te herroepen. de Adviescommissie bezwaarschriften, de voorzitter,

de secretaris,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=e328d494-08af-4769-bc29-13d8798e18d5