CConstaterende datLeeuwarden
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-01-21 Magazine Eindrapport Jeugdondersteuners

Informatieve bijeenkomst - oranjezaal 25 oktober 2021, gemeente LeeuwardenBij agendapunt: Steunstructuur 12-7.855 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Samen Sterk Staan

Uitkomsten pilot jeugd­ ondersteuners Leeuwarden 2018-2021

Colofon ©2021 - Grant Thornton en Gemeente Leeuwarden Dit document is een samenvatting van de pilot Steunstructuur 12-, de monitoring­ resultaten en behaalde effecten, in opdracht van de gemeente Leeuwarden.

Onderzoekers Joyce Lagerweij, Sinzer - Grant Thornton Aimée van der Wolde, Sinzer - Grant Thornton

Projectleider | innovatie-aanjager Hanny Voskuylen, gemeente Leeuwarden

Eindredactie Corien Lambregtse, Voorallesiseenwoord Kristel van der Veen, gemeente Leeuwarden

Ontwerp Meenes - Creatieve Marketing

Met speciale dank aan: Jeugdondersteuners Kindcentra Leeuwarden, IKC-besturen, IKC-teams en alle gesprekspartners voor het delen van hun kennis en inzichten

Illustraties Sinzer - Grant Thornton

Meer weten over de pilot Jeugdondersteuners Kindcentrum? Mail naar: secretariaatsd@leeuwarden.nl

openbaar basisonderwijs

Inhoudsopgave Inhoudsopgave Voorwoord 05 Inleiding 06

01.

Meer vraag, meer zorg Wat is er aan de hand

08

• Op zoek naar oorzaken • Beschermende en risico-­ factoren voor kind en gezin • Persoonlijke en institutionele kenmerken van betrokkenen • Conclusie

02.

Kansen voor kinderen Inzet steunstructuur 12-

10

• Ontwikkeling steunstructuur 12• Taken jeugdondersteuners • Ontwerpend en impact gericht werken

03.

Kracht van verbinding Effecten pilot jeugdondersteuners

14

• Eerste positieve effecten • Uitkomsten kwantitatief onderzoek • Uitkomsten kwalitatief onderzoek • Voorbeelden van organisatieveranderingen • Kosten-batenanalyse casussen

04.

Samen sterk Aanbevelingen voor de inzet van jeugdondersteuners • Vervolg pilot • Aanbevelingen

28

Wethouder jeugd & onderwijs, sport, publieke dienstverlening & digitalisering

Hilde Tjeerdema 4

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Voorwoord Alle kinderen verdienen gelijke kansen. Dat was en is de gedachte achter het eerste programma Kansen voor Kinderen (2016-2020) en het lopende programma Kansen voor Kinderen 2 (2021-2028) van de gemeente Leeuwarden. De uitdaging is groot, want ook in onze gemeente zijn er veel kinderen die met een achterstand beginnen. Hoe bieden we elk kind een goede start? Veel gemeenten worstelen met een stijgende vraag naar jeugdhulp. In Leeuwarden zien we die stijging ook. Een van de verklaringen hiervoor is de trend om gedrag van kinderen sneller te problematiseren. De bandbreedte van wat als ‘normaal’ gedrag wordt gezien, wordt steeds smaller. De vraag naar tweedelijns zorg en naar speciale hulp voor specifieke doelgroepen wordt steeds groter. Om die trend te keren, kiest Leeuwarden voor een innovatieve, impactgerichte aanpak. In 2019 zijn we als gemeente samen met de integrale kindcentra (IKC’s) een pilot gestart met als doel tot een stevige ‘ondersteuningsstructuur 12-’ te komen. Op drie IKC’s zijn drie jeugdondersteuners ingezet. Deze jeugdondersteuners werken op het snijvlak van onderwijs, kinderopvang en jeugdondersteuning (tweedelijns) en richten zich op preventie van problemen bij kinderen. Ze ondersteunen niet alleen het kind en de ouders, maar coachen ook de IKC‌-‌medewerkers. De pilot duurde drie jaar en ging gepaard met kwantitatief en kwalitatief impactonderzoek.

Het doel was meer te weten te komen over de ondersteuningsvraag van kinderen en de achterliggende problematiek, en om te onderzoeken of het mogelijk is het perspectief te verschuiven van specifieke hulp voor het kind richting versterking van de omgeving. In deze publicatie delen we de uitkomsten van dat onderzoek.

De metingen die tijdens de pilot zijn gedaan, laten zien dat de inzet van jeugdondersteuners op IKC’s tot verandering leidt: een bredere blik, betere signalering en een effectievere aanpak van problemen. Hoe eerder problemen worden onderkend, hoe beter dat is. Vroege interventie voorkomt vaak dat problemen verergeren en later specialistische hulp noodzakelijk maken. Een stevige ondersteuningsstructuur 12- levert dus ook een kostenbesparing op, wat weer bijdraagt aan de betaalbaarheid van de zorg. Dat is ook een doel dat we nastreven. Vanwege de positieve effecten is de pilot inmiddels uitgebreid van drie naar negen IKC’s in Leeuwarden, met name in de aandachtswijken. We focussen doelbewust op de meest kwetsbare kinderen en gezinnen in onze gemeente, omdat die het meest gebaat zijn bij ondersteuning. Op deze manier bieden we alle kinderen in onze gemeente gelijke kansen. Wij willen onze ervaringen met deze pilot graag delen met het hele veld van onderwijs, kinderopvang en organisaties in het sociaal domein. Samen kunnen we ervoor zorgen dat alle kinderen een goede start krijgen. Het gaat om de juiste ondersteuning op de juiste tijd en op de juiste plek. Hoe beter we daarin slagen, hoe gelukkiger de kinderen. Ik hoop dat deze pilot met jeugd­ ondersteuners vele anderen inspireert! Hilde Tjeerdema, wethouder jeugd & onderwijs, sport, publieke dienstverlening & digitalisering.

Gemeente Leeuwarden

5

Inleiding In Leeuwarden werken gemeente, kinderopvang en onderwijs al jaren met elkaar samen in het kader van ‘Kansen voor Kinderen’. Het eerste programma liep van 2016-2020, het tweede programma (KvK2) loopt van 2021-2028. De inzet op deze programma’s heeft Leeuwarden tot een voorloper gemaakt op het gebied van de ontwikkeling van integrale kindcentra (IKC’s) in Nederland. De nauwe aansluiting tussen kinderopvang en onderwijs zorgt ervoor dat kinderen tijdig in beeld zijn en een door­gaande leer en ontwikkellijn volgen. Toch hebben de IKC’s niet alle problemen opgelost. De vraag naar opvoed- en ontwikkelingsondersteuning is namelijk verder gestegen. Die stijging wordt vaak toegeschreven aan de decentralisatie van de jeugdhulp in 2015 en de bezuinigingsslag die toen is gemaakt. Daar zit zeker wat in, maar hier ligt niet de enige oorzaak. In het afgelopen decennium is de maatschappelijke visie op wat ‘normaal’ kinder­ gedrag is, veranderd. Gedrag van kinderen wordt al te snel geproblematiseerd en geëtiketteerd.

6

Leerkrachten kunnen niet alles zelf, concludeerde Peters in het rapport. “Soms zijn er meer ogen én handen nodig om een kind optimale en passende ontwikkelmogelijk­heden te bieden. Wij adviseren dan ook het verbreden van teams op school. In deze teams moet interprofessioneel worden samengewerkt door leerkrachten en andere professionals zoals orthopedagogen, psychologen, logopedisten en jeugdartsen.” Tijdens de driejarige pilot zijn drie jeugdondersteuners ingezet op drie IKC’s. Ze richtten zich samen met de IKC-teams op de volgende taken: professionalisering, preventie, normalisering, vroegtijdige signalering en adressering van problemen en een betere verbinding met de leefwereld van het kind binnen en buiten het IKC.

De stijgende vraag naar ondersteuning van ouders en kinderen levert een nieuwe uitdaging op. Die uitdaging kan alleen worden aangepakt door nauwere samenwerking tussen alle betrokkenen: onderwijs, kinderopvang en de relevante organisaties in het sociaal domein.

De pilot ging gepaard met kwantitatief en kwalitatief impactonderzoek, uitgevoerd door impact-adviesbureau Sinzer - Grant Thornton. Tijdens de pilot zijn drie metingen gedaan om de impact van de inzet van de jeugdondersteuners inzichtelijk te maken. Ook zijn er interviews gehouden met de jeugdondersteuners, IKC-‌medewerkers en andere betrokkenen. Onderzoekers van NHL/ Stenden Hogeschool hebben de werkwijze van de jeugdondersteuners vastgelegd in een eerste methodiekbeschrijving.

In 2018 heeft de gemeente Leeuwarden het voortouw genomen om samen met de IKC’s en de betrokken organisaties in het sociaal domein een pilot met jeugdondersteuners op te zetten. Het doel van de pilot was om het onderwijs en de kinderopvang te professionaliseren door expertise toe te voegen gericht op normalisering en preventie. De vraag was of de inzet van jeugdondersteuners zou helpen om sneller en effectiever te reageren op ontwikkelings- en opvoedvragen van kinderen en ouders en daarmee ook de stijgende kosten van jeugdhulp en tweedelijns zorg te bedwingen.

In deze publicatie vatten we de uitkomsten van de Pilot Steunstructuur 12- samen voor een breed, geïnteresseerd publiek. Dat doen we in 4 stappen. Eerst gaan we op zoek naar de oorzaken achter de stijgende vraag naar ondersteuning en tweedelijns zorg (hoofdstuk 1). Vervolgens beschrijven we de opzet en doelstellingen van de pilot met jeugdondersteuners (hoofdstuk 2). Daarna vatten we de gesignaleerde trends en effecten van de pilot samen (hoofdstuk 3). Ten slotte komen we tot aanbevelingen voor het vervolg (hoofdstuk 4): wat werkt en wat kan beter?

De Pilot Jeugdondersteuner is gebaseerd op het adviesrapport ‘Met andere ogen’ (2018) van René Peters, gemaakt in opdracht van de Coalitie Onderwijs, Zorg en Jeugd.

Ons doel is niet om hiermee een blauwdruk voor jeugdondersteuning te leveren. Wij willen alleen laten zien wat er mogelijk is als alle betrokkenen zich samen inzetten om de inzet van organisaties in het sociaal domein effectiever te maken, vanuit een open, lerende en impactgerichte samenwerking.

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Uitkomsten pilot jeugdondersteuners Leeuwarden samengevat Door de inzet van jeugdondersteuners groeit binnen het IKC het bewustzijn dat het IKC een belangrijke rol heeft in het ondersteunen van de bredere ontwikkeling van kinderen en het creëren van een optimale pedagogische omgeving. De inzet van jeugdondersteuners leidt tot vermindering van onnodige zorg en tot vroegere toeleiding naar passende/ nodige zorg.

Gesignaleerde trends 1. Meer samenwerking en betere overdracht tussen de kinderopvang en onderwijs. 2. Betere samenwerking met externe zorgpartners en meer grip op de gekozen zorgroutes. Kinderen worden sneller toegeleid naar passende zorg. 3. Beter signaleren van problematiek, met name de problematiek áchter het gedrag. Meer inzicht in de problematiek in gezinnen en omgeving van kinderen, meer gebruik van laagdrempelige, systeemgerichte (jeugd)hulp, minder gebruik van Jeugd-GGZ.

Aanbevelingen 1. Leg een sterke basis voor samenwerking 2. Zorg voor gemeentelijke projectleiding 3. Zorg dat het IKC goed is voorbereid 4. Heb het lef om het pedagogisch en didactisch klimaat te veranderen 5. Start met een nulmeting, stel de doelen vast en blijf daar op (bij)sturen 6. Kies voor een jeugdondersteuner met een profiel dat meerwaarde biedt 7. Bewaak de onafhankelijke positie van jeugdondersteuners 8. Rust jeugdondersteuners toe met de nodige vaardigheden 9. Zorg voor continuïteit van de aanpak

Meer weten? Maak kennis met de Leeuwarder pilot met jeugdondersteuners. zie voor het animatiefilmpje; www.ikc-leeuwarden.nl Lees de 1ste Methodiekbeschrijving Jeugdondersteuners IKC-proeftuinen en het kwantitatief en kwalitatief impactonderzoek, uitgevoerd door adviesbureau Sinzer Grant Thornton op de website: www.ikc-leeuwarden.nl

7

01.

Meer vraag, meer zorg wat is er aan de hand?

Schoolprestaties worden als heel belangrijk gezien voor de toekomstige levensstandaard van kinderen. De bijbehorende prestatiedruk werkt door in opvattingen over wat ‘normaal’ is voor de ontwikkeling van kinderen. In het AEF-rapport ‘Stelsel in groei’ wordt dit aangeduid als de ‘welzijn paradox’: “Hogere welvaart leidt als vanzelf tot hogere druk op publieke voorzieningen. In de jeugdhulp kan dat verschijnsel ook tot uiting komen, als een toenemend welzijnsniveau ertoe leidt dat steeds minder problemen gezien worden als ‘normaal’ onderdeel van opgroeien en opvoeden” (AEF 2020; NJI, 2019; Peeters e.a. 2018; Wienen, 2018).

De vraag naar ondersteuning en zorg blijft

De toets cultuur

stijgen, ook in de gemeente Leeuwarden.

De ontwikkeling van kinderen wordt continu getoetst en daarmee ook continu vergeleken met die van leeftijdsgenoten. Elk toets moment is aanleiding voor ouders en opvoeders om op zoek te gaan naar een oplossing om hun kind binnen de versmalde normen te laten passen en het afwijken van de norm te ‘rechtvaardigen’. Hobbels tijdens het opgroeien worden beschouwd als (individuele) problemen die met individuele oplossingen moeten worden bestreden (Raad van Volksgezondheid en Zorg, in NJI 2019; Peeters e.a. 2018).

Waar komt die vraag vandaan en is al die zorg ook nodig? Is er iets aan de hand met de kinderen van deze tijd of is er iets mis met onze kijk op kinderen?

Op zoek naar oorzaken Het eerste programma Kansen voor Kinderen heeft de gemeente Leeuwarden en de IKC’s heel wat geleerde lessen opgeleverd. Een van die lessen is dat de toenemende vraag naar ondersteuning en tweedelijns zorg veel te maken heeft met de manier waarop er in deze tijd naar kinderen wordt gekeken. De marges van wat ‘normaal’ is, lijken steeds smaller te worden. Gedrag van kinderen wordt al snel als ‘afwijkend’ gelabeld, en voor dat afwijkend gedrag wordt sneller specialistische zorg ingezet. De oorzaken voor de groeiende vraag naar zorg liggen dus niet zozeer bij individuele kinderen en ouders, maar bij de maatschappij als geheel, bij de opvattingen en verwachtingen die we hebben van de maatschappij, het onderwijs en de zorg. Juist als het gaat om kinderen.

8

De welzijn paradox

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

De jeugdhulp-fuik Jeugdhulp blijkt een ‘fuik’ waar je moeilijk weer uitkomt. Jeugdigen blijven vaak langer gebruikmaken van jeugdhulp (AEF, 2020). Daar zijn verschillende redenen voor. Zo zijn de verwachtingen van de inzet van hulp hoog, maar de resultaten beperkt. Ongeveer een op de vijf jeugdigen is met jeugdhulp beter af; bij zeer ernstige problematiek ligt dit percentage hoger (36 procent; NJI, 2019). Daarnaast is een deel van de problematiek waarvoor jeugdhulp wordt ingezet chronisch van aard. Soms zijn er gezinsfactoren die te complex zijn om ‘op te lossen’. En vaak hebben jeugdigen nog lang vervolghulp nodig. Een andere reden is dat onderzoek over ‘wat werkt voor wie’ onvoldoende zijn weg vindt naar de praktijk. Hulpverleners neigen ertoe om ‘voor de zekerheid’ voor een (zwaardere) diagnose en inzet van intensievere of langere zorg te kiezen (NJI, 2019).

Persoonlijke en institutionele kenmerken Als duidelijk is dat een gezin of een kind een probleem heeft, is er hulp nodig. De route naar hulp hangt af van de keuzes die worden gemaakt. Keuzes die samenhangen met de kenmerken van het kind, maar ook van de kennis en houding van ouders, school en omgeving ten opzichte van professionele hulp.

Kenmerken van kinderen De stap naar hulp voor kinderen wordt primair beïnvloed door leeftijd en gender. Hoe jonger het kind, hoe minder ouders en opvoeders geneigd zijn hulp in te schakelen bij gedrag dat afwijkt van leeftijdsgenoten. In de kinderleeftijd ontvangen jongens vaker hulp, in de tienerleeftijd zijn het juist de meisjes die vaker hulp krijgen. Dit wordt deels verklaard door de aard en ernst van de problematiek en de mate waarin het gedrag hinder veroorzaakt voor het kind en zijn omgeving. Bij jongens is vaker sprake van externaliserende problematiek, die zichtbare hinder veroorzaakt voor het kind en zijn omgeving, maar vaak afneemt in de tienerleeftijd. Bij meisjes is vaker sprake van internaliserende problematiek, die minder hinder veroorzaakt voor de omgeving, maar vaak toeneemt in de tienerleeftijd. Voor kinderen met opvallend lage of hoge IQ’s en jeugdigen die gebruik maken van verslavende middelen wordt ook vaker de stap naar jeugdhulp gezet (SCP 2013; SCP 2014; Zwaanswijk e.a., 2003).

Kenmerken van ouders en opvoeders De stap naar hulp wordt daarnaast ook beïnvloed door de verhouding tussen draaglast en draagkracht van de ouders en opvoeders. Belangrijke factoren zijn de opvoeding en het gedrag van het kind, maar ook het opleidingsniveau van ouders en opvoeders. Opvallend is dat hoogopgeleide ouders in verhouding méér gebruik maken van jeugdhulp dan lager opgeleide ouders. Dit is te verklaren vanuit hun - gemiddeld genomen - grotere kennis van jeugdhulp, betere vaardigheden om hulp te verkrijgen en een positievere houding ten opzichte van jeugdhulp. Ook denken hoger opgeleiden vaker dat zij invloed kunnen uitoefenen op aspecten van hun leven dan lager opgeleiden. Religieuze gezinnen en gezinnen met een nietwesterse migratieachtergrond maken gemiddeld minder gebruik van zorg en meer van informele hulp (SCP 2013; SCP, 2020; NVTG; Zwaanswijk e.a. 2003).

Kenmerken van andere betrokkenen Als ouders de stap naar hulp zetten, komen ze meestal eerst bij de huisarts terecht. Ook die kijkt allereerst naar leeftijd en gender. Is er daarnaast sprake van een eenouder- of samengesteld gezin of gaat de psychosociale problematiek gepaard met problemen op school of met een ingrijpende gebeurtenis, dan zijn huisartsen meer geneigd tot een verwijzing naar jeugdhulp/ tweedelijns zorg. De bekendheid met het kind, de duur van consulten, de aanwezigheid van een praktijkondersteuner GGZ, de training van de huisarts en de omvang van de praktijk spelen daarbij ook een rol (Ooms e.a. 2017, SCP 2020, Zwaanswijk e.a. 2003). Het kan zijn dat ouders de psychosociale problematiek van hun kind niet herkennen, onbekend zijn met beschikbare hulp of een negatieve houding hebben ten opzichte van professionele hulpverlening. In dat geval is het vaak de pedagogisch medewerker of leerkracht van het kind die de stap naar hulp initieert. Een verwijzing loopt in dat geval vaker via het sociaal wijkteam dan via de huisarts. Bij leerkrachten, pedagogisch medewerkers en sociale wijkteams spelen persoonlijke en institutionele kenmerken een rol in de mate waarin problematiek wordt herkend en in de route naar hulp die wordt ingeslagen. Zo zal een leerkracht problematiek eerder herkennen als het gedrag van het kind de les verstoort of samengaat met leerproblemen.

De duiding van de problematiek door de leerkracht en diens kennis van en houding ten opzichte van (tweedelijns) zorg zijn eveneens van invloed op de stappen die worden gezet om de nodige hulp te krijgen.

Conclusie Ouders, pedagogische medewerkers, leerkrachten en andere professionals kijken vanuit hun eigen perspectief naar het gedrag van kinderen en interpreteren dat ook op eigen wijze. De een kijkt vanuit het perspectief van onderwijs of kinderopvang, de ander vanuit het zorgdomein of het sociale domein. Veel interpretaties zijn gebaseerd op korte contactmomenten met kind en ouder. Hoeveel partijen er ook bij kind en ouder betrokken zijn, niemand loopt 12 jaar lang wekelijks mee met een gezin. En dat is nu net waarin jeugdondersteuners het verschil kunnen maken.

9

02.

Kansen voor kinderen 2 Inzet steun­ structuur 12De marges van wat ‘normaal’ gedrag is, staan onder druk. Daarom investeert Leeuwarden in een steunstructuur 12-. De eerste stap daarnaartoe was de pilot met jeugdondersteuners, gericht op professionalisering, normalisering en preventie. Hoe was de pilot opgezet, wat waren de doelstellingen en werkwijze?

Ontwikkeling steunstructuur 12Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeente Leeuwarden legt de focus steeds meer op preventie. Een van de strategieën die de gemeente inzet, is de steunstructuur 12-. De pilot met jeugdondersteuners was de eerste stap op weg naar die steunstructuur. De steunstructuur 12- is opgenomen in het Leeuwarder collegeprogramma ‘De Kracht van samen’ (20180-2022), gebaseerd op het Actieplan Foar Fryske Bern en het landelijke programma Met Andere Ogen: • Het Actieplan Foar Fryske Bern is een regionaal transformatieprogramma binnen het landelijke actieprogramma ‘Zorg voor de jeugd’ (2018) en de programmalijn Onderwijs & Zorg. Door betere samenwerking tussen onderwijs en zorg krijgen jeugdigen op het juiste moment de juiste ondersteuning in hun ontwikkeling. • Het programma Met Andere Ogen wordt gedragen door een brede coalitie vanuit onderwijs, kinderopvang, (jeugd)zorg en overheid en is gebaseerd op het gelijknamige adviesrapport van René Peeters. Het netwerk kent elf inspiratieregio’s, waaronder Leeuwarden, die hun kennis, kunde, dilemma’s en successen met elkaar delen en anderen willen inspireren om te ontdekken wat werkt voor kinderen. Met de steunstructuur 12- wil Leeuwarden alle kinderen de kans bieden om zich op hun eigen manier en in hun eigen omgeving optimaal te ontwikkelen.

De integrale kindcentra (IKC’s) spelen hierbij een belangrijke rol. Kenmerkend voor de IKC’s in Leeuwarden is: één team onder één dak met één pedagogische visie. In dat ene team werken leerkrachten en pedagogisch medewerkers vanuit één visie en onder eenduidige aansturing samen. Met de steunstructuur 12- gaat Leeuwarden een stap verder: er wordt ook een brug geslagen naar hulp- en opvoedondersteuning en andere organisaties in het sociaal domein. De achterliggende gedachte is dat als kind problematiek vroegtijdig wordt onderkend en aangepakt, een beroep op (duurdere) specialistisch zorg kan worden voorkomen. Op termijn leidt dit tot een besparing op tweedelijnszorgkosten.

10

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

De pilot met jeugdondersteuners is tot stand gekomen in overleg met en medefinanciering van de grootste betrokken onderwijs- en kinderopvangpartijen: Proloog, Bisschop Möller Stichting, PCBO e.o., Kinderopvang Friesland en Sinne Kinderopvang. De jeugdondersteuners hebben een onafhankelijke positie. Ze zijn dus niet in dienst van een van de betrokken organisaties. Dit helpt hen om knelpunten en signalen op een IKC eerder te herkennen, te benoemen en aan te pakken.

Taken jeugdondersteuners

Beschermende en risicofactoren

Jeugdondersteuners richten zich op professionalisering, preventie, normalisering en vroegtijdige signalering en adressering van problemen.

In de omgeving van het kind en het gezin is sprake van een samenspel van beschermende factoren en risicofactoren die de opgroei- en opvoedproblematiek respectievelijk verzachten dan wel versterken. Als de risicofactoren dominant zijn, leidt dit vaak tot verergering van problematiek. Beschermende factoren krijgen doorgaans minder aandacht dan risicofactoren, maar dragen wel in belangrijke mate bij aan het welzijn van kinderen.

Professionalisering Jeugdondersteuners bieden coaching en ondersteuning aan de pedagogisch medewerkers en leerkrachten binnen het IKC-team. Ze versterken de competenties van het IKC-team op het gebied van het signaleren en adresseren van problemen van kinderen en stimuleren de samenwerking tussen professionals in de verschillende domeinen. Daarmee slaan zij de brug tussen onderwijs, kinderopvang en hulp en opvoedondersteuning.

Preventie De jeugdondersteuner is de sparringpartner voor de IKC-directie en het hele IKC-team. Bij signalering van problemen wordt een passend preventief aanbod bedacht voor kinderen en ouders. Dit kunnen out-of-the-box oplossingen zijn, zoals een andere opbouw van de lesuren, lessen in de buitenlucht, een individueel sporttraject of een groepsaanbod over een actueel onderwerp. Daarbij worden niet alleen de risicofactoren aangepakt, maar wordt ook geïnvesteerd in beschermende factoren, zoals aanpassingen in de fysieke omgeving en versterking van de ouderbetrokkenheid en sociale netwerken. Aandacht voor wat wel goed gaat, voorkomt overmatig veel aandacht voor alle mogelijke risicofactoren die een gezonde en veilige ontwikkeling van het kind in de weg kunnen staan (zie kadertekst Beschermende en risicofactoren). Binnen het preventieve aanbod zijn drie soorten preventie mogelijk: universele, selectieve en gerichte (geïndiceerde) preventie. Universele preventie is voor iedereen, selectieve preventie is bedoeld voor groepen met een verhoogd risico en gerichte (geïndiceerde) preventie is bedoeld voor individuen met een verhoogd risico. Naarmate de jeugdondersteuners langer aanwezig zijn op een IKC, verschuift de inzet steeds meer naar de ‘voorkant’: van gerichte individuele preventie naar universele en selectieve preventie.

Normalisering Normalisering heeft als doel het ‘gewone’ leven te behouden, te herstellen en te versterken. De jeugdondersteuner biedt tegenwicht aan de versmalling van wat als ‘normaal gedrag’ wordt beschouwd, onder meer door ouders en IKCmedewerkers voor te lichten over normaal kind gedrag en over de hobbels die bij een normale ontwikkeling horen.

Risicofactoren liggen vooral bij het systeem, en minder bij het kind. Op kindniveau gaat het om een moeilijk temperament en gebrekkige competentie, op ouderniveau gaat het om psychische problemen, stress, armoede, werkloosheid en een beperkt sociaal netwerk. De interactie tussen ouders en kinderen heeft grote invloed op het gedrag en de eventuele uiting van psychosociale problematiek van kinderen. Datzelfde geldt voor ingrijpende gebeurtenissen als een verhuizing, echtscheiding en het overlijden van een bekende (NJI, 2019). Daar komt bij dat probleemgedrag vaak een negatieve reactie oproept van de omgeving, waardoor het probleemgedrag wordt versterkt, wat opnieuw tot negatieve feedback leidt. (NJI, 2018). En zo ontstaat er een negatieve spiraal.

Beschermende factoren zijn: je geliefd voelen (sociale binding), een goede opvoeding (pro-sociale normen), erkenning en waardering voor positief gedrag, ergens bij horen, een zinvolle dagbesteding naast school, een gevoel van trots over de eigen afkomst, religie en genderidentiteit. Een sociaal netwerk met volwassenen die meedenken en meedoen in de opvoeding, werkt ook beschermend, evenals goede (ondersteuning bij de ontwikkeling van) cognitieve vaardigheden, sociale, emotionele en gedragsmatige competenties en een gemotiveerde houding ten opzichte van school. Een belangrijke positieve factor is ook de ouderbetrokkenheid bij school (NJI, 2019).

11

Vroegtijdige signalering en adressering van problemen Bij lichte ontwikkelings- en opvoedvragen bieden de jeugdondersteuners zelf onder­ steuning aan kinderen en ouders. Bij zwaardere problematiek leggen zij de verbinding met passende ondersteuning, bijvoorbeeld van Humanitas, GGD of specialistische/ tweedelijns zorg. De jeugdondersteuners zijn daarmee de schakel tussen het IKC, het voorliggend veld (preventie) en tweedelijns zorginstellingen.

Verbinding met bredere leefwereld Problemen van kinderen staan meestal niet op zichzelf, maar hangen vaak samen met de context: gezin en leefwereld. Ouders hebben een cruciale rol in het ondersteunen van kinderen, maar hebben daar zelf soms ondersteuning bij nodig. Daarin bieden jeugdondersteuners een helpende hand. Jeugdondersteuners zijn meerdere dagen per week op het IKC aanwezig, bieden laagdrempelige hulp en zijn makkelijk benaderbaar. Ze komen zo nodig ook achter de voordeur, binnen het gezin, om de problemen achter het gedrag van kinderen te doorgronden en gezinnen passende hulp te bieden.

Ontwerpend en impactgericht werken De jeugdondersteuners kregen bij de start van de pilot geen strakke doelstellingen, maar wel een aantal algemene en locatie specifieke speerpunten mee. Daarbij kregen ze de opdracht om ontwerpend en impactgericht te werken en hun activiteiten af te stemmen op de behoeften van het IKC waar zij werden ingezet.

Methodiekbeschrijving

Impactgericht meten De pilot ging gepaard met kwantitatief en kwalitatief impactonderzoek, uitgevoerd door adviesbureau Sinzer - Grant Thornton, gespecialiseerd in impact(meting) en duurzaamheid1. De nulmeting aan het begin van de pilot vormde het startpunt voor de monitoring. Op basis hiervan zijn de algemene en locatiespecifieke speerpunten bepaald. De nulmeting bestond uit de volgende onderdelen: • Profiel van de fysieke omgeving van het IKC • Inventarisatie van zorggebruik en gesignaleerde kind- en gezinsproblematiek, uitgevraagd aan leerkrachten en interne begeleiders (IB-ers) • Inventarisatie van de zorgstructuur en -cultuur binnen het IKC • Overzicht van de toewijzingen binnen de Jeugdwet op IKC-niveau De nameting vond plaats aan het eind van het eerste jaar, begin 2020. Bij deze meting werden de aanwezige problematiek en het zorggebruik opnieuw geïnventariseerd, ditmaal uitgevraagd aan de jeugdondersteuners. Ook waren er gesprekken met de jeugdondersteuners over hun ervaringen. De nameting gaf inzicht in de voortgang en leidde tot aanvullende speerpunten. De eindmeting, halverwege 2021, was de derde inventarisatie van de aanwezige problematiek en het zorggebruik. Bij deze meting is ook met interne en externe samen­ werkingspartners gesproken over hun ervaringen met de inzet van de jeugdondersteuners.

Verder is een analyse gemaakt van de Jeugdwet-toewijzingen in de periode oktober-juni 2021. De eindmeting heeft de eerste effecten van de inzet van jeugdondersteuners inzichtelijk gemaakt.

De pilot werd gevolgd door lectoren van NHL/ Stenden Hogeschool, met als doel tot de eerste bouwstenen voor een methodiekbeschrijving te komen. Dit is noodzakelijk voor de implementatie en overdraagbaarheid van de steunstructuur naar andere IKC’s. De lectoren hebben op mede op basis van werksessies met de jeugdondersteuners het doel, de doelgroep, werkwijze en de onderbouwing van de steunstructuur 12- uitgewerkt in een 1e Methodiekbeschrijving1.

12

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

1

www.ikc-leeuwarden.nl

“

Jeugdondersteuners wijzen ouders de weg in het oerwoud van hulpverlening en bespreken met hen wat hulpverlening voor het kind en henzelf oplevert. Ze pakken de regie rondom een casus en voorkomen dat kinderen en/of gezinnen na afronding van een traject buiten beeld raken en binnen de hulpverlening gaan ‘shoppen’. IKC-directeur Leeuwarden 13

03.

De kracht van verbinding Uitkomsten monitoring De driejarige pilot is intensief gemonitord. Wat zijn de effecten? Is er sprake van een duurzame verandering in de relatie tussen onderwijs, kinderopvang en zorg? Wegen de kosten van de inzet van jeugdondersteuners op tegen de baten?

Eerste positieve effecten Uit de monitoring blijkt dat de inzet van de jeugdondersteuners verschillende positieve effecten heeft opgeleverd: • IKC-teams zijn zich meer bewust geworden van de rol van het IKC en het belang van een goede pedagogische omgeving waarin kinderen zich breder kunnen ontwikkelen. • Problematiek bij kinderen wordt eerder gesignaleerd. Dat geldt ook voor problematisch gedrag dat niet tot slechtere leerprestaties of onrust in de klas leidt. Er is meer inzicht in de problematiek achter probleemgedrag, zoals problemen binnen gezinnen en in de omgeving van kinderen. • Er wordt minder (onnodige) zorg verleend. Kinderen worden vroeger toegeleid naar passende, nodige zorg, waardoor ze zich op hun eigen manier en in hun eigen tempo kunnen ontwikkelen. • De samenwerking, het contact en de overdracht tussen kinderopvang en basis­­ school zijn verbeterd. Het resultaat is een meer integrale aanpak binnen het IKC en een preventieve aanpak van problemen. • De samenwerking met externe zorgpartners is verbeterd, doordat jeugdondersteuners inzicht hebben in het zorgaanbod en het sociaal domein. Het IKC wordt door zorgverleners als serieuze gesprekspartner beschouwd. • De jeugdondersteuners hebben geregeld overleg met de medewerkers van het sociaal wijkteam en de praktijkondersteuners GGZ-jeugd (POHGGZ-jeugd) in huisartsenpraktijken.

De gemeente heeft de POH’s in overleg met de huisartsen ingezet ter ondersteuning van de huisartsen­ zorg voor kinderen.

14

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Invloed zorgcultuur De (zorg)cultuur en -structuur van een IKC hebben grote invloed heeft op het zorggebruik van leerlingen. Zo had een IKC-team de overtuiging dat er eerst rust moet worden gebracht in een gezin voordat kindproblematiek kan worden geadresseerd. Dit leidde tot een hoog gebruik van systeemgerichte zorg en een extreem laag gebruik van Jeugd-GGZ.

15

Uitkomsten kwantitatief onderzoek Hiernaast vatten we de uitkomsten van de nul-, na- en eindmetingen op hoofdlijnen samen. Figuur 1 geeft de veranderingen schematisch weer.

Uitkomsten nulmeting Uit de nulmeting kwamen de volgende punten naar voren: • Invloed IKC-cultuur op signalering en zorggebruik. Elk IKC heeft een eigen (zorg)cultuur met dominante opvattingen over problematiek en zorg. Die cultuur werkt door in de signalering van problematiek, de duiding hiervan en het zorggebruik (zie kadertekst Invloed zorgcultuur). • Verkokerde blik. Leerkrachten signaleren met name problematiek gerelateerd aan leerproblemen en ‘storend’ gedrag in de klas. Dit leidt tot extreem hoge scores op (externaliserende) gedragsproblematiek en lage scores op emotionele problematiek. • Onder signalering in onderbouw. In de onderbouw wordt weinig problematiek op kindniveau gesignaleerd. Dit is problematisch, omdat kinderen die aan het einde van groep 3 achterlopen in hun ontwikkeling, hun hele schoolloopbaan achter blijven lopen (Wienen, 2018). Problematiek die pas laat in beeld komt, krijgt bovendien de kans te verergeren, waardoor in een latere fase zwaardere zorg nodig is. • Geen inzicht in relatie tussen kind- en gezinsproblematiek. Er wordt geen verband gelegd tussen de gesignaleerde kind problematiek en de bij het IKC bekende problematiek in gezin en/of context. • Zwak/ geen verband tussen kind problematiek en zorggebruik. De zorg gaat onvoldoende naar kinderen met problemen.

Hoog jeugdzorggebruik komt niet alleen voor bij populaties met de grootste risicokenmerken voor problematiek. • Belang van goede interne/ eerstelijns zorg. Als op een IKC goede interne of andere eerstelijns zorg aanwezig is, is er minder gebruik van tweedelijnszorg.

16

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Op basis van de nulmeting kregen de jeugdondersteuners naast locatie specifieke speerpunten ook een aantal algemene speerpunten mee. Deze speerpunten zijn voor elk IKC van toepassing: • Maak het IKC-team bewust van de zorgcultuur en het effect daarvan op hulpgebruik. • Ondersteun het IKC-team bij signalering van problemen, met name ook in de onderbouw. • Geef aandacht aan de signalering van internaliserende gedragsproblemen en gezinsproblematiek. • Normaliseer: bied laagdrempelige en preventieve hulp aan. Bespreek met het IKC-team en met ouders wat ‘normaal’ gedrag is, passend bij de ontwikkelfase van een kind. • Werk samen met het voorliggend veld (preventie) om het gezin passende zorg te bieden. • Stem tweedelijnszorg af met de jeugdarts, de POH GGZ-jeugd en het sociaal wijkteam.

Uitkomsten nameting De nameting, begin 2020, laat al duidelijke veranderingen zien ten opzichte van de nulmeting. De signalering van problematiek in de voorschoolse groepen en onderbouw is verbeterd. De problematiek achter gedrag en zorggebruik is beter in beeld. Het gebruik van jeugd-GGZ is gedaald, het gebruik van laagdrempelige eerstelijnszorg en systeemgerichte jeugd- en opvoedhulp gestegen.

Uitkomsten eindmeting Uit de eindmeting, halverwege 2021, blijkt dat de signalering verder is verbeterd. De IKC-professionals hebben meer inzicht in de internaliserende problematiek, de gezinsproblematiek en de problematiek achter gedrag, in gezinnen en omgeving. Het gebruik van eerstelijnszorg en jeugd- en opvoedhulp is verder toegenomen, het gebruik van jeugd-GGZ verder gedaald. Een kanttekening: het zorggebruik in 2020 en 2021 is onvermijdelijk beïnvloed door de coronapandemie. In het hele land was sprake van een daling van het zorggebruik, onder meer vanwege een complete stop van groepstrajecten. Toch nam de psychische problematiek onder jeugdigen toe. Ook was er een toename van factoren in gezinssituaties die voorspellend zijn voor kind problematiek, zoals armoede, stress en kindermishandeling. De vraag is of en in hoeverre de daling van het GGZ-gebruik na coronatijd doorzet, of juist zal stijgen door de effecten van corona.

Figuur 1 Verandering in signalering problematiek tijdens de pilot met jeugdondersteuners Figuur 1 | Verandering in signalering problematiek tijdens de pilot met jeugdondersteuners

17

Uitkomsten kwalitatief onderzoek De uitkomsten van het kwantitatieve onderzoek werden bevestigd in het kwalitatieve onderzoek: de interviews met de jeugdondersteuners, IKCmedewerkers en zorgpartners. De opbrengsten van het kwalitatieve onderzoek zijn weergegeven in de effectketen in figuur 2.

Belangrijke uitkomsten: • Het bewustzijn rond signalering en zorggebruik is sterk verhoogd. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden van onder signalering in de richting van een bredere en ook andere signalering. De samenhang tussen problematiek en zorg­gebruik is verbeterd. De zorg komt meer terecht bij kinderen en gezinnen die deze het hardst nodig hebben. • Er wordt beter samengewerkt, zowel binnen het IKC als met externe zorgpartners. Ouders en jeugdondersteuners weten elkaar steeds beter te vinden. • Er is meer grip op de verschillende zorgroutes die worden ingezet om kinderen en ouders te ondersteunen. Dit is zichtbaar in een verandering van het zorggebruik. • Het hoge gebruik van kortdurende GGZ-trajecten (diagnostiek en behandeling) heeft deels plaatsgemaakt voor kortdurende jeugd- en opvoedhulptrajecten en deels voor langduriger GGZ-trajecten. Dit duidt erop dat er dankzij de inzet op oudercontact en bezoeken ‘achter de voordeur’ nu een groep met ernstiger zorgvragen wordt bereikt. • Het hoge gebruik van kindgerichte GGZ heeft plaatsgemaakt voor laagdrempelige eerstelijnszorg in combinatie met meer systeemgerichte jeugden opvoedhulp, dankzij de toegenomen aandacht voor (gezins)problematiek achter gedrag.

18

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Figuur 2 | Effectketen inzet jeugdondersteuners

19

Voorbeelden van organisatieveranderingen De inzet van jeugdondersteuners heeft tot structurele veranderingen binnen de IKC-organisaties geleid. Ook als de jeugdondersteuner vertrekt, blijven de IKC’s deze structuur handhaven. Hieronder een aantal voorbeelden.

Overlegstructuren Door de komst van de jeugdondersteuners zijn bij alle IKC’s nieuwe overlegstructuren ingevoerd, zowel intern als extern. Een voorbeeld is het peuterkleuteroverleg, vooral gericht op preventie. Door dit overleg is de jeugdondersteuner op de hoogte van hoe het er met de peuters en kleuters bijstaat. De jeugdondersteuner kan waar nodig bijspringen, coachen en interveniëren. Door preventief te werken, tijdig te signaleren en goed te communiceren, kan het zorggebruik worden beperkt. Een bijkomend effect is de sterke verbetering van de doorgaande lijn binnen het IKC, alsook de samenwerking met zorgpartners. De jeugdondersteuner heeft hierbij een duidelijke rol. Hij/zij heeft zicht op alle stakeholders en ziet waar een verbetering in overdracht waardevol kan zijn. De nieuwe overlegstructuur is geïntegreerd in de IKC-organisatie.

Vroege interventie bij financiële problemen Armoede is een belangrijke voorspellende factor voor andere problematiek in gezinnen. Kinderen kunnen hiervan gevolgen ondervinden in hun ontwikkeling, onder meer door stress in het gezin en doordat ze niet kunnen deelnemen aan voorof buitenschoolse activiteiten, waarbij ze in contact komen met leeftijdsgenoten en zich in brede zin kunnen ontwikkelen. De jeugdondersteuners op IKC’s in aandachtswijken komen veel armoede in gezinnen tegen. Een van de jeugdondersteuners heeft dit onderwerp samen met de leerkrachten en pedagogisch medewerkers van het betreffende IKC bespreekbaar gemaakt.

20

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Voorheen mocht een kind bij een betalingsachterstand in de eigen bijdrage niet meer naar de opvang. Nu is met de kinderopvangorganisatie afgesproken dat kinderen niet meer van de opvang hoeven. In plaats daarvan wordt de betalingsachterstand met de ouders besproken. Zo nodig kan de jeugdondersteuner financiële of andere hulp bieden. Ouders die financiële hulp nodig hebben om hun kinderen mee te laten doen met buitenschoolse activiteiten, krijgen hulp met de aanvraag bij fondsen als het Jeugd Sporten Cultuurfonds, LINDA Foundation, Kinderhulp en Foppe Fonds. Het resultaat is dat 80 procent van de kinderen van dit IKC actief bezig is buiten school.

Verbinding met ouders De jeugdondersteuner kijkt niet alleen hoe het met een kind in de IKC-omgeving gaat, maar komt ook achter de voordeur en kan daardoor in de thuissituatie toetsen of kindsignalen kind-eigen zijn of voortkomen uit gezinsproblematiek. Door informatie vanuit het IKC en de thuissituatie samen te voegen, wordt de kans kleiner dat problemen over het hoofd worden gezien. Daardoor kan een gedegen plan van aanpak worden opgesteld. Kinderen en/of gezinnen ontvangen hierdoor sneller en eerder de juiste hulp. Doordat ouders de jeugdondersteuner niet als werknemer van de school of een zorginstelling zien, blijkt de jeugdondersteuner heel toegankelijk. Dit is vooral van belang voor gezinnen met wantrouwen tegen en/of negatieve ervaringen met hulpverlening. De positieve ervaringen met de jeugdondersteuner maken de weg vrij voor andere hulpverlening, zoals het sociaal wijkteam, waardoor een laagdrempelige en preventieve zorgstructuur kan worden opgezet. Zo nodig staat de jeugdondersteuner ouders bij in de communicatie met hulpverleners. Doordat de jeugdondersteuner ook de situatie achter de voordeur kent, wordt de afstand tussen het IKC en de thuissituatie kleiner en kan het IKC-team zich nog meer inzetten voor de brede ontwikkeling van het kind.

“

Het kost soms tijd om aansluiting bij ouders te vinden en hun vertrouwen te krijgen. Door laagdrempelig en transparant hulp te bieden, zien ouders hoe ze in het belang van hun kind en het gezin kunnen handelen. Jeugdondersteuner IKC Leeuwarden 21

Kosten-batenanalyse casussen Tijdens de pilot hebben de jeugdondersteuners 17 casussen gedetailleerd beschreven. Bij elk van deze casussen is een kosten-batenanalyse gemaakt. Daarbij is vastgesteld welke extra inzet binnen en buiten het IKC plaatsvond als gevolg van de betrokkenheid van de jeugdondersteuner, en welke verwachte verergering van problematiek en zwaardere inzet van zorg daarmee is voorkomen. Op die manier is inzicht verkregen in de besparingen die de inzet van een jeugdondersteuner kan opleveren. De inzet van de jeugdondersteuner heeft per beschreven casus geleid tot een gemiddelde besparing van €14.590 in het sociale domein. Dit betrof onder meer de inzet van een leerplichtambtenaar, een pedagoog GGD, een maatwerkvoorziening, (bijzondere) bijstand, schuldsanering, Jeugd-GGZ diagnostiek en behandeling, inzet van Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en het Behandeling en Expertise Centrum Jonge Kind. In onderstaande tabellen zijn de kosten-batenanalyses van vijf casussen ter illustratie samengevat.

22

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Casus 01. Totaal bespaarde kosten gemeente: € 5.204,-

Inzet door interventie van JOK

JOK (Gemeente Leeuwarden)

€ 994,(3 uur x €75,-)

Verwachte kosten zonder inzet JOK

Inzet wijkteam

niet gemonetariseerd

Sociaal werker (Gemeente Leeuwarden)

€ 37,50 (0,5 uur x €75,-)

Opvoedondersteuninstraject (Gemeente Leeuwarden)

€ 4.000,(Gemiddelde indicatiestelling voor jeugdhulptraject, gericht op ontwikkeling opvoedvaardigheden ouders, gemeente Leeuwarden)

IB-er (Gemeente Leeuwarden)

€ 37,50 (0,5 uur x €75,-)

J-GGZ Diagnostiek

€ 1204,-

Overplaatsing SO (Rijk)

€ 30.000,-

Totale kosten

€ 1069,-

Totaal voorkomen

€ 35.204,-

Kosten gemeente Leeuwarden

€ 1069,-

Voorkomen kosten gemeente Leeuwarden

€ 5.204,-

23

Casus 02. Totaal bespaarde kosten gemeente: € 8.777,55

Inzet door interventie van JOK

€ 994,(13.25 uur x €75,-)

Opvoedondersteuning (Gemeente Leeuwarden)

€ 4.000,(Gemiddelde indicatiestelling voor jeugdhulptraject, gericht op ontwikkeling opvoedvaardigheden ouders, gemeente Leeuwarden)

€ 255,(3 uur x €85,-)

Integrale vroeghulptraject (Gemeente Leeuwarden)

€ 5.248,80 (Gemiddelde trajectduur 9 maanden, 6 uur p.m., € 97,20/uur)

€ 332,(4 uur x €83,-)

Traject leerplicht (Gemeente Leeuwarden)

€ 486,schatting 6 uur op basis van gemiddelden

Leerkracht (Gemeente Leeuwarden)

€ 131,25 (1,75 uur x €75,-)

Tweedelijns psychologische zorg (moeder) (Gemeente Leeuwarden)

€ 830,(10 x €83,-) schatting gehanteerde uurtarief bij indicatiestellingen

IB-er (Gemeente Leeuwarden)

€ 75,(1 uur x €75,-)

Totale kosten

€ 1787,25

Totaal voorkomen

€ 10.564,80

Kosten gemeente Leeuwarden

€ 1787,25

Voorkomen kosten gemeente Lwarden

€ 10.564,80

Uren JOK (Gemeente Leeuwarden)

Uren GGD Pedagoog (Gemeente Leeuwarden)

VVE – coach (Gemeente Leeuwarden)

24

Verwachte kosten zonder inzet JOK

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Casus 03. Totaal bespaarde kosten gemeente: niet bekend

Inzet door interventie van JOK

Verwachte kosten zonder inzet JOK

Uren JOK (Gemeente Leeuwarden)

niet gemonetariseerd

Huisuitzetting gezin (Gemeente Leeuwarden)

€ 6.000,huisuitzetting huurwoning/keer (effectencalculator)

JGZ verpleegkundige (Gemeente Leeuwarden)

niet gemonetariseerd

Route schuldsanering (Gemeente Leeuwarden)

€2.750,-

Pedagoog (Gemeente Leeuwarden)

niet gemonetariseerd

BEC traject (Gemeente Leeuwarden)

€ 55-75.000,-

Kinderarts (Gemeente Leeuwarden)

niet gemonetariseerd

Totale kosten

niet bekend

Totaal voorkomen

€ 63.750,-

Kosten gemeente Leeuwarden

niet bekend

Voorkomen kosten gemeente Lwarden

€ 63.750,-

25

Casus 04. Totaal bespaarde kosten gemeente: €743.-

Inzet door interventie van JOK

Uren JOK (Gemeente Leeuwarden)

€ 450,(6 uur x €75,-)

Uren IB (Rijk)

Materiaalkosten creatieve rouw-verwerkings-activiteiten

26

€ 3.375,(45 uur x €75,-)

€ 10,(Eigen geld JOK)

Verwachte kosten zonder inzet JOK

J-GGZ Diagnostiek (Gemeente Leeuwarden)

Psycholoog voor faalangst, rouwverwerking en/of mogelijke depressie (Gemeente Leeuwarden)

Betrokkenheid RvdK voor onderzoek / verwijzing naar KKE/ Onder-toezichtstelling (Rijk)

€ 1.204,(gemiddelde kostprijs losstaande diagnostiek)

€ 830,(10 x €83,-) (schatting, gehanteerde uurtarief bij indicatie- stellingen)

Niet gemonetariseerd

OTS (RvdK zou mogelijk voogd aanstellen als ouders niet naar KKE gaan, inschatting kans: 25%) (Gemeente Leeuwarden)

€ 2084,(0.25 x €8.336,93) (25% van gemiddelde kosten jeugdbeschermingsmaatregel voor 1 jaar)

Totale kosten

€ 3.835,-

Totaal voorkomen

onbekend

Kosten gemeente Leeuwarden

€ 3.375,-

Voorkomen kosten gemeente Lwarden

€ 4.118,-

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Casus 05. Totaal bespaarde kosten gemeente: €66.150,-

Inzet door interventie van JOK

Uren JOK (Gemeente Leeuwarden)

Uren IB’er (toeleiding moeder naar stage) (Rijk)

Uren ambtenaar voor verwerking aanvraag Maatwerkvoorziening (Gemeente Leeuwarden)

Uitkering bijzondere bijstand (gift) (Gemeente Leeuwarden)

€ 2.700,(36 uur x €75,-)

€ 300,(4 uur x €75,-)

€ 324,(4 uur x €81,-)

€ 6.400,-

Verwachte kosten zonder inzet JOK

Inzet leerplichtambtenaar (Gemeente Leeuwarden)

B-GGZ voor moeder in verband met depressieve klachten (inschatting: 25% kans)

€ 324,(4 x €81,schatting)

Verzekeraar/eigen bijdrage moeder € 195,(25% van traject van 8 consulten à €95,-)

Route schuldsanering (Gemeente Leeuwarden)

€ 2.750,-

Bijstandsuitkering (Gemeente Leeuwarden)

€ 72.500,(bijstandsuitkering voor 5 jaar, de gemiddelde verblijfsduur in de bijstand) (Divosa, 2018)

Totale kosten

€ 9.724,-

Totaal voorkomen

€ 75.769,-

Kosten gemeente Leeuwarden

€ 9.424,-

Voorkomen kosten gemeente Lwarden

€ 75.574,-

27

04.

Samen sterk Aanbevelingen voor de inzet van jeugdonder­ steuners De pilot met drie jeugdondersteuners wordt in 2022 uitgebreid naar negen IKC’s in Leeuwarden. De tweede stap op weg naar de steunstructuur 12-. Wat is er nodig om de inzet van jeugdonder­ steuners nog impactvoller te maken?

Uitbreiding pilot De pilot met jeugdondersteuners heeft positieve ervaringen opgeleverd met data- en impactgericht werken. Door aan de hand van speerpunten de effecten te meten en de pilot waar nodig bij te sturen, is de gewenste verandering ingezet. In 2022 wordt de inzet van jeugdondersteuners uitgebreid naar negen IKC’s, voor een periode van in ieder geval acht jaar. Deze IKC’s worden Plus-IKC’s genoemd, in onderscheid van de andere IKC’s in Leeuwarden. De Plus-IKC’s maken deel uit van het uitvoeringsprogramma ‘Kansen voor Kinderen 2’2 . Het motto van dit tweede programma is ‘Selectief investeren om ongelijkheid tegen te gaan’. De doelen hiervan zijn: • Verminderen van ongelijkheid • Verbeteren van kwaliteit van onderwijs en opvang • Bevorderen van goede gezondheid en welzijn Het programma focust met name op kwetsbare kinderen en gezinnen in de aandachtsgebieden in Leeuwarden. Het streven is om door middel van een sterke steunstructuur 12- tot een duurzame verandering te komen, die zorgt voor kansengelijkheid zonder dat de kosten voor individuele zorgtrajecten verder oplopen. Waar mogelijk worden relevante partijen binnen en buiten het sociale domein bij de negen Plus-IKC’s betrokken. Een leerpunt uit de eerste pilot is om vooraf te definiëren wat er per IKC nodig is om de beoogde impact waar te maken.

Bij de eerste pilot werden algemene en locatie specifieke speerpunten benoemd, voor de negen Plus-IKC’s worden er per locatie heldere doelen vastgesteld en resultaatafspraken gemaakt. De effecten hiervan worden acht jaar lang gemonitord. Op die manier borgen we de maximale maatschappelijke impact van het uitvoeringsprogramma en de inzet van jeugdondersteuners (zie figuur 3).

Animatiefilmpje Uitvoerings­ programma Kansen voor Kinderen 2: www.ikc-leeuwarden.nl 2

28

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

Figuur 3 | Proces impact­ onderzoek pilot jeugdondersteuners

29

Aanbevelingen De monitoringresultaten hebben niet alleen inzicht opgeleverd in de effecten van de inzet van jeugdondersteuners, maar ook in de randvoorwaarden: wat is er nodig om jeugdondersteuners optimaal en impactvol in te zetten op een IKC? We vatten de geleerde lessen hieronder samen in 9 aanbevelingen.

01.

Leg een sterke basis voor samenwerking

Goede samenwerking vraagt korte lijnen tussen gemeente, onderwijs- en kinderopvangbesturen. Een sterke basis is noodzakelijk om besluiten te kunnen nemen, structuren te transformeren en doelstellingen vast te houden. Het uitgangspunt voor samenwerking: samen durven ontdekken wat werkt.

02.

Zorg voor gemeentelijke projectleiding

De operationele betrokkenheid van een gemeentelijke projectleider is een belangrijke succesfactor voor deze pilot. Het is belangrijk dat de projectleider goed zicht heeft op de wijze waarop de functie jeugdondersteuner zich ontwikkelt. Ook moet de projectleider binnen de gemeente de ruimte krijgen om beleidssystemen aan te passen. Verder moet de projectleider de daadkracht hebben om systemen aan te passen, rollen te veranderen en zo meer speelruimte te creëren. Tegelijkertijd mag de pilot door een te grote operationele betrokkenheid van de projectleider niet te afhankelijk worden van één persoon. Ook mag het gemeentelijk systeem niet zo dominant zijn dat het de veranderingen die in de basis nodig zijn, in de weg staat.

30

EINDRAPPORT PILOT JEUGDONDERSTEUNERS

03.

Zorg dat het IKC goed is voorbereid

De inzet van de jeugdondersteuner heeft de meeste impact als de IKC-directie een heldere visie heeft op de rol en positie van de jeugdondersteuner en als het hele IKC-team die visie kent en deelt. Ook is het van belang dat de directie die visie samen met de jeugdondersteuner, de IB-er en de pedagogische specialist verder ontwikkelt, zodat de rol van de jeugdondersteuner steeds beter vorm krijgt. De jeugdondersteuner zet zich dan niet alleen voor individuele casussen, maar kan het hele team helpen bij het reflecteren op de cultuur van en manier van werken binnen het IKC.

04.

Heb het lef om het pedagogisch en didactisch klimaat te veranderen

De inzet van de jeugdondersteuner vraagt het lef om te vernieuwen en bestaande rollen los te laten. Het vraagt van leerkrachten en pedagogisch medewerkers de bereidheid om te leren van casussen en om hun werkwijze aan te passen als de monitoringuitkomsten daar aanleiding toe geven. Bijvoorbeeld: een collectieve in plaats van individuele oplossing, of een aanpak gericht op de leerkracht of pedagogisch medewerker in plaats van op het kind. Werkwijzen en structuren moeten zo nodig worden aangepast aan de behoeften van een kind, in plaats van andersom.

05.

Start met een nulmeting, stel de doelen vast en blijf daar op (bij)sturen

Hoe duidelijker de doelstellingen, hoe beter op de gewenste duurzame verandering kan worden gestuurd. Daarom is het van belang om te starten met een nulmeting en op basis daarvan concrete doelstellingen te formuleren en resultaatafspraken te maken. Dat is een leerpunt uit de eerste pilot. Door de effecten te monitoren en de inzet waar nodig bij te sturen, wordt maximale impact bereikt.

06.

Kies een jeugdonder­ steuner met een profiel dat meerwaarde biedt

De jeugdondersteuner werkt op het snijvlak tussen onderwijs, kinderopvang en zorg. Het verschilt per IKC welk profiel het beste past: een jeugdondersteuner met een hulpverleningsachtergrond of een jeugdonder­­ steuner met een didactische achtergrond. Dit hangt af van de uitkomsten van een nulmeting, de aanwezig kennis op een IKC, de problematiek van de IKC-populatie en de bestaande verbindingen met het zorgnetwerk.

07.

Bewaak de onafhanke­ lijke positie van jeugd­ ondersteuners

Jeugdondersteuners hebben een onafhankelijke positie nodig om hun rol en taak goed te kunnen vervullen. Dit vraagt onafhankelijk werkgeverschap en onafhankelijke supervisie. Het is belangrijk dat de jeugdondersteuners van verschillende IKC’s hun ervaringen met elkaar delen. Doordat verschillende jeugdondersteuners op verschillende gebieden vakinhoudelijk zijn onderlegd, kunnen zij elkaar op casusniveau ondersteunen en worden tunnelvisies voorkomen.

08.

Rust jeugdonder­ steuners toe met de nodige vaardigheden

Zorg dat jeugdondersteuners worden toegerust met vaardigheden op het gebied van kennisoverdracht, leiderschap, coaching en verandering, om ingezette veranderingen IKC-breed duurzaam te verankeren.

09.

Zorg voor continuïteit in de aanpak

Integreer de nieuwe werkwijze, overlegstructuren en het zorgnetwerk binnen de organisatie van het IKC, zodat de aanpak niet van één persoon afhangt, maar met het hele IKC verbonden is. Sluit ook aan bij gemeentelijke ontwikkelingen op het gebied van (jeugd)zorg, het sociaal domein, armoedebestrijding en gezondheidsbevordering. Zorg dat de inzet van de jeugdondersteuner blijft afgestemd op (politieke) veranderingen in de (gemeentelijke) politiek en de betrokken domeinen.

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leeuwarden&id=5bfd3837-e392-49fe-85ad-9bc6bf241691