III-A6 college - raadsinformatiebrief Ontwerpbestemmingsplan Onderstation Crailo BIJLAGE 2
Tekst van het document
28
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Fase 1 2 transformatoren van elk 40 MVA; bedieningsruimte met o.a. accuruimte, LS-ruimte en een secundaire ruimte; MS-ruimte. Fase 2 toevoeging van 1 transformator van 40 MVA. toevoeging van een extra MS-ruimte. De cellen waarin de transformatoren staan opgesteld zijn aan de bovenzijde en aan de zuidoostzijde open.
5.2
Verkeer en parkeren
Het onderstation is onbemand en wordt slechts periodiek bezocht voor onderhoud en monitoring. Er is dan ook nauwelijks sprake van verkeersaantrekkende werking. Verkeerskundig treedt er dan ook nauwelijks een verandering op ten opzichte van de bestaande situatie. De bestaande infrastructuur kan de beperkte verkeersbewegingen zonder meer aan. Omdat het onderstation onbemand is, is er geen sprake van een substantiële dan wel dagelijks optredende parkeerbehoefte. Het terrein biedt voldoende ruimte voor incidenteel parkerende auto's, deze auto's kunnen via de toegangspoort het terrein op.
5.3
Natuur
Door Bureau Aandacht Natuur is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Gezien de ligging van de projectlocatie en de minimale afstand van 3,7 kilometer, wordt niet verwacht dat er directe negatieve effecten zijn te verwachten op de Natura 2000 gebieden Naardermeer en het Eemmeer & Gooimeer Zuidoever. De projectlocatie en de directe omgeving bevatten geen elementen die de specifieke waarden van genoemde Natura 2000 gebieden versterken en hebben geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende vogelsoorten, habitattypen en habitatsoorten. Echter is het mogelijk dat door externe effecten verstoring plaatsvindt aan genoemd Natura 2000 gebieden. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden. Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,00 kg/jr.), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk.
Conclusie en advies Stikstofdepositie Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen is een stikstofdepositieanalyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de stikstofemissie op de projectlocatie door het planvoornemen toeneemt met 41,17 kg per jaar. Middels het programma Aerius is de nieuwe situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat de nabij gelegen Natura 2000 gebieden het Naardermeer en het Eemmeer & Gooimeer Zuidoever geen overschrijding verkrijgen door (extra) stikstofdepositie. Aan de hand hiervan zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger van de 0,00 mol/ha/j. De stikstoftoename na realisatie van het onderstation heeft betrekking op beheer en onderhoud van het station en zal een stuk lager zijn dan de reeds uitgevoerde berekening, waarmee de jaarlijks uitstoot kleiner is dan berekend en
29
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
eveneens geen negatief effect heeft op Natura 2000 gebieden. Een aparte stikstofberekening ten aanzien van het gebruik van het onderstation is dan ook niet noodzakelijk. Andere externe effecten ten opzichte van de omliggende Natura 2000 gebieden zijn geziende geruime afstand van enkele kilometers en het tussenliggende stedelijke gebied niet aan de orde. Van externe (significant) negatieve effecten op nabij gelegen Natura 2000 gebieden door toedoen van de voorgenomen bouw van het transformatorstation is geen sprake. Een vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename of andere externe effecten op Natura 2000 gebieden is dan ook niet noodzakelijk. Tevens vinden de beoogde plannen niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een ecologische verbindingszone (evz) of weidevogelleefgebied. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. Soortenbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied.
Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is het echter mogelijk dat de zwaar beschermde plantensoorten glad biggenkruid, korensla en stijve wolfsmelk voorkomen binnen de projectlocatie. Gezien de ruderale terreinomstandigheden is het dan ook noodzakelijk om nader onderzoek te verrichten naar het voorkomen van genoemde plantensoorten. Dit houdt in dat tijdens de bloeiperiode van genoemde plantensoorten een inventarisatie moet worden uitgevoerd naar het voorkomen vanexemplaren van genoemde soorten. Aan de hand van het nader onderzoek zal moeten blijken of en voor welke soorten een ontheffing moet worden aangevraagd en of er eventueel aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. In het kader van de planuitwerking zijn er altijd maatregelen voorhanden om de functionaliteit van het plangebied voor eventueel aanwezige beschermde planten te waarborgen en zal de haalbaarheid van het plan niet in de weg staan. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden.
Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op de projectlocatie zelf. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag ten aanzien van jaarrond beschermde vogelsoorten is dan ook niet aan de orde. Tevens wordt niet verwacht dat met de voorgenomen bebouwing van de projectlocatie de landelijke staat van instandhouding ten aanzien van in het gebied aanwezige vogelsoorten in het geding is. Nader onderzoek of de aanvraag tot ontheffing voor (één van) deze soorten is dan ook niet aan de orde. Zoogdieren Naast een aantal zwaar beschermde soorten komen voornamelijk algemeen voorkomende beschermde soorten voor binnen de projectlocatie.
Voor deze algemene soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en/of bestendig beheer, maar dient ten alle tijde de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming in acht te worden genomen. Andere, zwaar beschermde (grondgebonden) soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, maar voor kunnen komen op de projectlocatie zijn vleermuizen, das, eekhoorn, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. Van genoemde grondgebonden zoogdieren zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een verblijfplaats binnen de projectlocatie. Ook met betrekking tot vleermuizen zijn geen boomholten
30
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
geschikt als vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, aangetroffen. Gezien de ligging langs de A1 wordt tevens niet verwacht dat de projectlocatie van essentieel belang is voor genoemde zoogdieren. Genoemde soorten hebben veelal een groot territorium en aanwezige landschappelijke structuren zoals de bosrand langs de projectlocatie lopen ten einde bij de A1. Hierdoor wordt niet verwacht dat vliegroutes voor vleermuizen aanwezig zijn en dat grondgebonden zoogdieren mogelijk incidenteel de projectlocatie aandoen, maar gezien de menselijke activiteiten en de aanwezigheid van de A1 geen vaste rust- en verblijfplaats hebben op of nabij de projectlocatie. Een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming in verband met het voorkomen van zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten en/of vleermuizen is dan ook niet aan de orde. Amfibieën en reptielen Met betrekking tot amfibieën zijn enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoeld in Wet Natuurbescherming. Gezien de voorgenomen werkzaamheden wordt echter niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën.
Gezien de aanwezige terreinomstandigheden en het ontbreken van oppervlaktewater wordt niet verwacht dat de zwaar beschermde soorten kamsalamander of rugstreeppad voorkomen op of in de omgeving van de projectlocatie. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de zwaar beschermde reptielen zandhagedis, levendbarende hagedis en hazelworm kunnen voorkomen op of rond de projectlocatie. Van de eveneens zwaar beschermde ringslang wordt, gezien het ontbreken van geschikt habitat, niet verwacht dat deze voorkomt op de projectlocatie. Aangezien op het terrein open zandige terreintypen voorkomen in combinatie met struweel, is het mogelijk dat soorten als zandhagedis, hazelworm of levendbarende hagedis voorkomen op de projectlocatie. Voor de verdere ontwikkeling van het terrein is het dan ook noodzakelijk om vervolgonderzoek te doen naar het voorkomen van genoemde soorten. Dit houdt in dat in het voorjaar (april t/m juni) een onderzoek moet worden verricht door middel van de zogeheten "plaatjesmethode". Aan de hand van het nader onderzoek zal moeten blijken of en voor welke soorten een ontheffing moet worden aangevraagd en of er eventueel aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
In het kader van de planuitwerking zijn er altijd maatregelen voorhanden om de functionaliteit van het plangebied voor eventueel aanwezige beschermde reptielen te waarborgen en zal de haalbaarheid van het plan niet in de weg staan. Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijzigin van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). Houtopstanden De (mogelijk) te kappen delen zijn kleiner dan 10 are, waarmee er binnen de Wet Natuurbescherming geen aanvullende verplichtingen zijn ten aanzien van beschermde houtopstanden. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde. Uiteraard blijft wel de boomverordening van de gemeente Hilversum van kracht. Hiervoor geldt dat bomen met een stamdiameter, gemeten op 1.30 meter (DBH), groter dan 30 cm een kapvergunning moet worden aangevraagd.
Aan de hand van de boomverordening van de gemeente Hilversum dient, ten behoeve van de voorgenomen plannen, voor enkele bomen op het terrein een kapvergunning te worden aangevraagd. Conclusie natuur: De beoogde plannen vinden niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een ecologische verbindingszone (evz) of weidevogelleefgebied. Bebouwing vindt daarnaast slechts plaats op het bouwvlak, waardoor het gebied met de bijbehoren groenstructuren en natuurwaarden buiten het
31
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
bouwvlak zo veel mogelijk beschikbaar worden gehouden.
5.4
Duurzaamheid en leefbaarheid
5.4.1
Duurzaamheid
Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu, en is daarmee een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Dit betekent dat de gezondheids- en milieuaspecten in alle fasen van de inrichting van de gebouwde omgeving, de bouw en het gebruik (inclusief sloop) betrokken dienen te worden. Hierbij wordt gestreefd naar een duurzame (stedelijke) ontwikkeling die leidt tot een extensiever energieverbruik / lage milieubelasting, integraal ketenbeheer en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving (ruimtelijke kwaliteit). Duurzaam bouwen betekent ook dat de gerealiseerde kwaliteit in de toekomst wordt gehandhaafd, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. Energiebesparing vormt bij duurzaam bouwen een belangrijk item. Hierbij kan gedacht worden aan compacte bouwvormen, gunstige lichttoetreding en zongerichte verkaveling. Ook waterbesparing is een belangrijk aspect. Het installeren van waterbesparende voorzieningen is hiervan een voorbeeld. In het kader van duurzaamheid worden in onderhavig plan de volgende maatregelen genomen: Infiltratie hemelwater: Het terrein is momenteel onbebouwd. Met voorliggend plan neemt het verhardingspercentage toe. Er blijft echter voldoende ruimte nodig om hemelwater te infiltreren op het eigen perceel.
Duurzaamheidmaatregelen: De ambitie van de initiatiefnemer is het onderstation zo duurzaam en circulair mogelijk te bouwen. Voor een bestemmingsplan geldt de verplichting tot het maken van een 'waterparagraaf' (zie 3.4.2 en 3.7.2). Tevens moet worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het advies van de waterbeheerder. Waterhuishoudkundige aspecten worden in dit bestemmingsplan integraal betrokken en rechtstreeks vertaald. Deze onderwerpen vormen tezamen met de beschrijving hoe is omgegaan met het advies van de waterbeheerder de watertoets. Duurzame verstedelijking Ladder voor Duurzame Verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor (1) de onderliggende vraag (behoefte) en (2) voor zover het initiatief niet binnen bestaande stedelijk gebied plaatsvindt waarom dit niet kan. De ladder voor duurzame verstedelijking draagt bij aan een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, ondersteunt gemeenten en provincies in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied en helpt bij het maken van een zorgvuldige afweging van belangen bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De nieuwe locatie maakt deel uit van het toekomstige woon-/werkgebied Crailo. Daarmee wordt het onderstation binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd en is een nadere motivering voor de locatie niet noodzakelijk. Daarnaast betreft het de vervanging van een huidige voorziening. Oude plek De oude locatie wordt leeg opgeleverd. De bestaande installaties worden verwijderd. Het perceel is niet in eigendom van Liander. Conclusie: Uit het bovenstaande blijkt dat het plan voorziet in een actuele behoefte.
32
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
5.4.2
Leefbaarheid
5.4.2.1 Bedrijven en milieuzonering Het nieuw opgestelde transformatorvermogen wordt 120 MVA. Het onderstation valt daarmee in milieucategorie 3.2 (elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen van 100 t/m 200 MVA). De belangrijkste hinder is vanwege geluid en gevaar.
Milieucategorie van een elektriciteitsdistributiebedrijf (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieu-zonering, 2009)
Het plangebied ligt in de directe nabijheid van de A1. Ook zijn enkele bedrijfsmatige functies en woningen in de omgeving aanwezig. Daarmee is sprake van een gemengd gebied. De afstanden kunnen hiermee worden teruggebracht tot 100 meter voor geluid en 50 meter voor gevaar. De transformatoren zullen op meer dan 100 meter afstand van de gevels van de woning komen te staan. Voor het aspect geluid is akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarvoor verwezen wordt naar paragraaf 5.4.2.3.
5.4.2.2 Elektromagnetische velden Voor de blootstelling - kortdurend of langdurend - aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Voor onder andere transformatorstations, heeft de Europese Unie (EU) een richtwaarde voor maximale blootstelling van 100 mT (micro tesla) geadviseerd. Nederland heeft deze richtwaarde overgenomen. De richtwaarde houdt in dat burgers in de openbare ruimte niet blootgesteld mogen worden aan magneetvelden ten gevolge van de elektriciteitsvoorziening van meer dan 100 mT. De Nederlandse overheid heeft in 2005 beleid opgesteld voor magnetische velden van de hoogspanningslijnen. op basis van het voorzorgsprincipe wordt aangeraden om zo veel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden van bovengrondsehoogspanningslijnen. Dit geldt voor 'gevoelige locaties' zoals woningen, scholen en crèches waarbij als voorzorg een maximaal jaargemiddelde magnetische veldsterkte van 0,4 mT wordt gebruikt. Het voorzorgsbeleid geldt voor magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgsbeleid geldt niet voor andere infrastructuur zoals, elektriciteitskabels, transformatorstations en middenspanningsruimten. Op het station Crailo is geen sprake van bovengrondse hoogspanningslijnen.
Voor de voorgenomen uitbreiding wordt voldaan aan de richtwaarde voor maximale blootstelling van 100 mT. Hiermee is al zorgvuldig onderzoek uitgevoerd naar de elektromagnetische velden. Conclusie: Omdat op het station Crailo geen sprake is van bovengrondse hoogspanningslijnen en voor de voorgenomen uitbreiding wordt voldaan aan de richtwaarde voor maximale blootstelling van 100 mT. Hiermee is al zorgvuldig onderzoek uitgevoerd naar de elektromagnetische velden.
5.4.2.3 Geluid Door Peutz is een akoestisch onderzoek verrricht in verband met de oprichting van onderstation Crailo in de gemeenten Hilversum en Laren. . In dit onderzoek is rekening gehouden met de huidige situatie en de toekomstige gebiedsontwikkeling van Crailo. Zie bijlage 1 bij deze toelichting. Voor de toekomstige gebiedsontwikkeling zijn voor de drie hierboven benoemde varianten geluidscontouren berekend. De toekomstige gebiedsontwikkeling van Crailo is geprojecteerd tezamen met de geluidscontouren. Hieruit blijkt dat bij alle varianten het te ontwikkelen onderstation geen belemmering vormt voor de toekomstige gebiedsontwikkeling Crailo. Het station valt onder de regelgeving van het Activiteitenbesluit. Op het station zullen drie
33
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
transformatoren, elk met een elektrisch vermogen van 40 MVA worden opgesteld. Tevens zal er een bedieningsruimte en een tweetal MS-ruimten worden gerealiseerd. De transformatoren zullen worden opgesteld in driezijdig gesloten cellen (boven- en voorzijde open). Twee transformatoren worden in gebruik genomen, de derde transformator geldt als backup conform het N-1 principe. Daar er steeds één van de aanwezige transformatoren op nullast draait, zijn er 3 varianten mogelijk en onderzocht. Omdat er geen vermogensschakelaars buiten zullen worden geplaatst, kan worden gesteld dat er geen (relevante) geluidpieken zullen optreden als gevolg van het station. In het onderzoek zijn daarom de 'maximale geluidniveaus' (LAmax) niet verder beschouwd. In de huidige situatie bedraagt de afstand van het station tot de meest nabij gesitueerde woning aan de zuidwestzijde bedraagt circa 27 meter (afstand tot de inrichtingsgrens). Aan de noordoostzijde van het onderstation bevindt zich op circa 250 meter afstand het zorgcomplex Tergooi (Z) aan de overzijde van de A1. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de woningen maximaal 33 dB(A) etmaalwaarde, inclusief toeslag, bedraagt. In alle berekende varianten wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
Voor de toekomstige gebiedsontwikkeling zijn voor de drie hierboven benoemde varianten geluidscontouren berekend. De toekomstige gebiedsontwikkeling van Crailo is geprojecteerd tezamen met de geluidscontouren. Hieruit blijkt dat bij alle varianten het te ontwikkelen onderstation geen belemmering vormt voor de toekomstige gebiedsontwikkeling Crailo. Conclusie: In alle berekende varianten wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
5.4.2.4 Lucht In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2 µg/m3); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Conclusie: Omdat het om een onbemand station gaat, leidt het bestemmingsplan niet of nauwelijks tot een toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende niet-in-betekenende-mate bij en er is geen luchtkwaliteitonderzoek nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt dus geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.5
Cultuurhistorische waarden
5.5.1
Historisch-geografischewaarden
Het bestemmingsplan maakt geen deel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Evenmin is er sprake van een gebied met aardkundige waarden.
34
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
5.5.2
(Steden)bouwkundige waarden
In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Ook bevinden zich hier geen andere bouwkundige of stedenbouwkundige waarden.
5.5.3
Archeologische waarden
Door ADC ArcheoProjecten is een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het Kolonel Palmkazerne te Crailo (gemeente Bussum, Hilversum en Laren). Zie bijlage 3 bij deze toelichting Het onderzoek bestond uit een verkennend booronderzoek, met in totaal 90 boringen, op veertien hiertoe geselecteerde terreindelen. Het gaat daarbij om zones waar ontwikkelingen zijn voorzien, echter buiten de huidige bouwvlakken. Aangenomen wordt dat ter plaatse van de huidige bebouwing de bodem dusdanig vergraven is dat hier geen archeologische resten meer zijn te verwachten. Uit het booronderzoek komt naar voren dat de ondergrond van het plangebied wordt gevormd door gestuwde pleistocene formaties, bestaande uit grindhoudend, matig tot uiterst grof zand. Verder blijkt dat de natuurlijke bodem uit podzolgronden bestaat. Deze waarnemingen zijn in overeenstemming met de in het vooronderzoek uitgesproken verwachting. De podzolgronden in het plangebied worden gekenmerkt door een A-(E-)Bh/Bs-BC-C-profiel. In de terreindelen waar sprake is van een (restant van een) podzolprofiel is het potentieel archeologisch niveau nog behouden. Dit betreft met name de beboste delen in de randzones van het plangebied, in het bijzonder de noordoostrand, alsook verspreid langs de Nieuwe Crailoseweg en op het voormalig AZC-terrein.
Hier dient rekening te worden gehouden dat eventuele archeologische vondsten nog in onverstoorde ligging zijn en dat eventuele grondsporen nog bewaard zijn gebleven. Hiertoe is dan ook de dubbelbestemming opgenomen. Gezien het wijdverbreid voorkomen van podzolprofielen wordt aangenomen dat de A-(A/C)-Cbodemprofielen het resultaat zijn van grondverzet ten behoeve van de inrichting van het plangebied als militair oefen- en kazerneterrein. Bij dit grondverzet is de oorspronkelijk aanwezige podzolgrond vergraven of volledig ‘onthoofd’. Op grond van de dikte van E-, Bh/Bs- en BC-horizont in de intacte profielen bekent dit dat tenminste 40 cm van de top van de gestuwde afzettingen is verdwenen. Het potentieel archeologisch niveau is in deze terreindelen niet meer aanwezig. Alleen de onderkant van dieper ingegraven grondsporen zou nog aanwezig kunnen zijn. In veel gevallen zal gezien de dikte van de verstoorde lagen het grondverzet echter dusdanig intensief zijn geweest, dat het archeologisch bodemarchief volledig is vernietigd. Op basis van de ondiepe ligging van het potentieel archeologisch niveau mag tevens worden aangenomen dat ter plaatse van de bebouwde delen als gevolg van het bouwrijp maken van de grond en de aanleg van de funderingen het potentieel archeologisch niveau niet meer aanwezig is.
ADC ArcheoProjecten adviseert om de zones waar tijdens het verkennend booronderzoek in aangrenzende boringen een grotendeels intact podzolbodemprofiel is vastgesteld nader te onderzoeken. Gezien de aanwezigheid van boomwortels, een soms sterk verdichte, zeer droge en grindige bodem en de plaatselijk relatief diepe ligging van het potentieel archeologisch niveau wordt de uitvoering van een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek (fase 2 conform (concept)PvE 2008 en uitgangspunten 2014) niet als een werkbare optie beschouwd. Het boren met een Edelman met een diameter van 15 cm zal hier fysiek niet mogelijk zijn. Bovendien blijft ook bij een karterend booronderzoek de kans bestaan dat vindplaatsen die gekenmerkt worden door een zeer lage vondstdichtheid en/of omvang gemist zullen worden. In het overige deel van het plangebied wordt vanwege de aanwezigheid van vergraven of onthoofde bodemprofielen geen nader onderzoek noodzakelijk geacht. Benadrukt moet evenwel worden dat ook in deze hier zones plaatselijk nog sprake kan zijn van het voorkomen intacte podzolbodemprofielen. Deze zullen echter vermoedelijk in omvang beperkt zijn waardoor geen sprake meer zal zijn van een
35
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
behoudenswaardige vindplaats. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Conclusie: Voor het plangebied is geen grotendeels intact podzolbodemprofiel vastgesteld. Geadviseerd wordt om na het selectiebesluit deze gronden vrij te geven. Na vrijgave kunnen de nu nog opgenomen dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 3 van de verbeelding worden verwijderd en uit de planregels worden geschrapt.
5.6
Bodem en watersysteem
5.6.1
Bodem
Algemeen In het kader van een bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Voor het plangebied is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstation De Liander onderstations zijn voorzien van een vloeistofdichte olieopvangvoorziening welke 110% van het volume van olie welke zich in de vermogens-en regeltransformatoren bevindt kan opvangen. Tevens is deze vloeistofdichte olieopvangvoorziening uitgerust met een olie/waterscheider, welke zorgt voor detectie van olie of welke bij storing een melding bij het Liander bedrijfsvoering centrum (LBC) verzorgd. Indien sprake is van ernstige lekkage wordt de opgevangen olie afgezogen en afgevoerd volgens de geldende regelgeving. De opvangvoorziening moet bij oplevering van het onderstation gekeurd en gecertificeerd zijn conform de AS SIKB 6700 door een gecertificeerde instantie. En de opvangvoorziening wordt zo aangelegd dat inspectie mogelijk is. Opgestelde vermogens-en regeltransformatoren binnen Liander regel-of onderstations zijn voorzien van olieniveaumeting welke bij afwijkingen dit signaleren bij het LBC al waarna actie wordt ondernomen.
De kans dat olie in de bodem en daarmee in het grondwater terechtkomt is nihil. Geschat aantal liters, olie per transformator in een vergelijkbaar onderstation. Serie nr 220704 220842 220843
Bouwjr 2003 2004 2004
P Vermoge n 36 MVA 36 MVA 36 MVA
OS
Liters olie
MBK MBK MBK
17.170 ltr 19.670 ltr 19.670 ltr
Er zijn geen overige bedreigende stoffen aanwezig binnen de transformatoren. Toetsing Door Stantec is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zie bijlage 4 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem van het plangebied voornamelijk uit matig tot zeer grof, grindig zand bestaat. Plaatselijk is de bovengrond zwak tot matig humeus. Ter plaatse van boorpunt 06 is in het traject 0,50-1,00 m-mv een zwakke bijmenging met houtskool(sporen) aangetroffen. Verder zijn er visueel in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen.
36
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Afbeelding: Boorpunten
Aan het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op basis van de waarnemingen wordt de locatie als onverdacht voor asbest beschouwd. Wel dient te worden opgemerkt dat er geen asbestonderzoek conform de NEN 5707 is uitgevoerd. In de zwak humeuze zandlaag (0,00-0,95 m-mv) is een licht verhoogd gehalte PAK gemeten. In de matig humeuze zandlaag (0,45-1,00 m-mv) is in eerste instantie een sterk verhoogd gehalte PAK gemeten. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten lood en minerale olie gemeten. Naar aanleiding van het PAK-gehalte zijn de monsters uit het mengmonster separaat geanalyseerd op PAK. Uit de analyseresultaten blijkt dat in elk van de individuele monsters slechts licht verhoogde gehalten PAK
37
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
gemeten zijn. In de niet humeuze zandlaag in de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarde. Uit de analyseresultaten blijkt dat ter plaatse van de toekomstige trafocellen geen verhoogde gehalten minerale olie of vluchtige aromaten gemeten zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater is niet aangetroffen binnen 5,00 m-mv en is niet onderzocht. Conclusies Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese ‘verdacht’ aanvaard. De licht verhoogde gehalten zijn mogelijk te relateren aan voormalige bodembelastende activiteiten van de legerbasis. In eerder onderzoek zijn ook verhoogde gehalten aan PAK geconstateerd, welke voornamelijk werden gerelateerd aan zintuiglijke bijmengingen. In onderhavig onderzoek zijn geen noemenswaardige bodemvreemde bijmengingen waargenomen. De nulsituatie is ter plaatse van de toekomstige trafocellen vastgesteld. In de bodem van de onderzoekslocatie is wel plaatselijk een licht verhoogd gehalte minerale olie aangetoond. Dit betreft een zwaardere oliesoort. Hiermee dient rekening te worden gehouden met het vaststellen van de eindsituatie. Aanbevelingen Er zijn geen noemenswaardige milieuhygiënische belemmeringen geconstateerd voor de functiewijziging en herinrichting van de locatie.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem. Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen.
5.6.2
Watersysteem
Momenteel is het plangebied geheel onverhard. Met uitvoering van onderhavig plan zal er meer verharding optreden. Er is evenwel genoeg ruimte met uitvoering van het plan om hemelwater op te vangen en te infiltreren in de grond. Door het infiltreren van hemelwater op deze locatie wordt het rioolstelsel ontlast. Dit draagt bij aan een vermindering van wateroverlast tijdens zeer hevige regenbuien. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Dit betekent dat binnen het plangebied ten opzichte van de gebruikelijke zorgvuldigheid extra restricties gelden om drinkwaterwinning te beschermen. Deze restricties zijn nader uitgewerkt in de PMV. Oppervlaktewater In en nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en met onderhavig plan zal ook geen oppervlaktewater gerealiseerd worden. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt conform de standaard regels van de gemeente Laren aangesloten op het vuilwaterriool van de gemeente Laren. Aansluitend op het beleid van het waterschap geldt voor hemelwater dat het volledig op het eigen terrein, binnen de toekomstige perceelsgrenzen, verwerkt dient te worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie
38
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Grondwater Laren ligt op een stuwwal van het Gooi en is infiltratiegebied. Het maaiveld varieert van 2 meter +NAP tot circa 20,00 meter +NAP in de gemeente. Het eerste watervoerende pakket heeft haar basis op 160 meter minus maaiveld. In de zandige bodem stroomt het grondwater globaal genomen in westelijke richting. De minimale grondwaterstandsdiepte is minimaal 1 tot 3 meter onder het maaiveld in de gemeente. De grondwaterstandsfluctuatie bedraagt enkele meters. De grondwaterstanden kunnen in de toekomst stijgen door invloed van het klimaat en activiteiten in de regio zoals afname van drinkwaterwinningen en opzetten van polderpeilen. Bij ondergrondse bouw moet rekening worden gehouden met de grondwaterstand. Kelders moeten waterdicht worden uitgevoerd, zodat de noodzaak tot het lokaal verlagen van de grondwaterstand wordt voorkomen. Bij de bepaling van de maximale grondwaterstand ten behoeve van ondergrondse bouw moet rekening worden gehouden met een marge als gevolg van toekomstige regionale grondwaterstandstijgingen. Bouwrijp maken van grond Om grondwateroverlast te voorkomen moet bij het bouwrijp maken van grond worden gestreefd naar een ontwatering van minimaal 1,5 m onder het maaiveld.
Bij 1,5 m ontwatering heeft de bodem ook tijdens de bouw voldoende draagkracht en is bemaling niet nodig. In de goed doorlatende zandgrond van Laren is voor een verlaging van de grondwaterstand van enkele decimeters een fors debiet noodzakelijk. Bemaling moet daarom zoveel mogelijk worden voorkomen. Bij een ontwatering van 1,5 m onder maaiveld kunnen werkzaamheden aan kabels en leidingen ook zonder bemaling plaatsvinden. Bij de bepaling van de maximale grondwaterstand dient er rekening gehouden te worden met een marge als gevolg van toekomstige grondwaterstandstijgingen. Voldoende drooglegging is hier noodzakelijk. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie: De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor onderhavig plan is reeds een melding gedaan bij het bevoegd gezag. Onderhavige inrichting betreft geen Omgevingsvergunningplichtige inrichting waardoor in de huidige versie van de PMV, artikel 5.3.3 van toepassing is. Bij de voorgenomen activiteit wordt uitsluitend gebruik gemaakt van olie, wat potentieel een bodembedreigende stof betreft. Olie is echter uitgezonderd als bodembedreigende stof. Het verzoek tot een schriftelijke bevestiging door bevoegd gezag (provincie) is reeds uitgevraagd. Voldaan wordt aan alle eisen van het PMV waardoor dit geen belemmering is voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.
39
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
5.7
Veiligheid
5.7.1
Sociale veiligheid
Voor het plangebied geldt in de toekomstige situatie op het gebied van sociale veiligheid dat deze in ieder geval niet zal afnemen.
5.7.2
Fysieke veiligheid
Fysieke veiligheid betreft de bescherming van mens, dier en milieu tegen daadwerkelijke ongelukken. Bij de huidige inrichting van het plangebied is het gebied goed bereikbaar voor hulpdiensten, zijn er voldoende primaire en secundaire bluswatervoorzieningen en is het gebied voldoende verkeersveilig. Hier worden geen veranderingen in aangebracht, opdat ook in de toekomst de fysieke veiligheid wordt gewaarborgd.
5.7.3
Externe veiligheid
Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.
Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. Toetsing Stationaire bronnen Voor het in beeld brengen van de stationaire bronnen in de omgeving van het plangebied is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er geen Bevi-inrichtingen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied kunnen verschillende mobiele bronnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Hierbij gaat het om hogedrukaardgasleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In de navolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de mobiele bronnen in de omgeving van het plangebied.
40
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Buisleidingen In of in de omgeving van het plangebied liggen geen hogedrukaardgasleidingen. De dichtsbijzijnde gastransportleiding ligt onder het Gebed zonder End. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het spoor ligt op meer dan 2,5 kilometer. Ook zijn er geen wateren of wegen in de nabijheid van het plangebied die relevant zijn voor het aspect externe veiligheid. Conclusie: Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.7.4
NGE
Ten behoeve van de toekomstige bestemming en werkzaamheden is het plangebied Crailo onderzocht op de aanwezigheid van Niet gesprongen explosieven (NGE). In Bijlage 5 is het Procesverbaal van oplevering opgenomen. Het bouwvlak in het plangebied is aan te merken als onverdacht/vrijgegeven. In navoglende afbeelding is het bouwvlak aangegeven voor onderhavig plan. Het bouwvlak is aan te merken als onverdacht/vrijgegeven. De nog niet vrijgegeven delen van het perceel zijn niet onderzocht, omdat dit niet mogelijk was vanwege de aanwezige bomen. Als de bomen worden gekapt kan de leeftijd van deze bomen worden bepaald. Als blijkt dat deze bomen vooroorlogs zijn, is het risico op de aanwezigheid van NGE nihil en is verder onderzoek niet nodig. Mocht blijken dat de bomen naoorlogs zijn, kan in samenwerking met een NGE bureau worden besloten of nader onderzoek is vereist. In een latere periode is het plangebied gebruikt als militair oefenterrein. Om alle risico's op het tegenkomen van een NGE tijdens de graaf- en bouwwerkzaamheden uit te sluiten kan de locatie met detectieapparatuur worden onderzocht.
Afbeelding: Vrijgegeven en niet vrijgegeven gebieden NGE Onderstation Crailo
41
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
42
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Hoofdstuk 6
6.1
Implementatie
Planmethodiek
De regelgeving, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening, biedt de gemeente de mogelijkheid tot het opstellen van bestemmingsplannen met een grote mate van flexibiliteit en globaliteit. Planvormen kunnen zodanig worden gekozen dat ingespeeld kan worden op zich wijzigende omstandigheden en op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen, zodat in veel gevallen het bestemmingsplan minder vaak behoeft te worden aangepast. In dit bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling voorzien van een gedetailleerde eindbestemming.
6.2
Bestemmingsregeling
Een bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de toelichting, de regels en een verbeelding. De verbeelding en de daarin aangewezen bestemmingen en regels vormen tezamen het juridische plan. De toelichting heeft geen rechtskracht. In de toelichting worden de achtergronden en beweegredenen aangegeven die hebben geleid tot de bestemmingen. De regels omvatten de omschrijvingen van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel wordt aangegeven. In deze paragraaf wordt ingegaan op de juridische opbouw van het plan. Aan de orde komen onder meer de opbouw van de regels, de relatie tussen regels en kaarten en de beschrijving van de in de regels vastgelegde bestemmingen.
6.2.1
Toelichting op de verbeelding
Met behulp van kleuren, letteraanduidingen en/of arceringen zijn de verschillende gebieds- en functionele bestemmingen op de verbeelding weergegeven. Bij de opzet van de verbeelding is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012). De verbeelding is opgesteld conform de RO Standaarden.
6.2.2
Toelichting op de regels
De regels bevatten de juridische regeling voor het gebruik van de gronden, bepalingen over de toegelaten bebouwing en een regeling over het gebruik van bebouwing. De regels, die zijn onderverdeeld in paragrafen, worden hierna (indien nodig) toegelicht. Bij de opzet van de regels is aangesloten bij de SVBP2012 en de bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening. De artikelen bevatten bepalingen over de specifieke bestemmingen in het plan. De opbouw van deze artikelen is steeds gelijk, conform de eisen van de SVBP2012. Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar de SVBP2012, te raadplegen via de website van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, onderdeel standaarden. Hier kan men ook terecht voor een uitgebreidere uitleg over dubbelbestemmingen en aanduidingen.
6.2.3
Indeling hoofdstukken
Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid zijn de regels in hoofdstukken geplaatst. Daarbij is ook weer aangesloten bij de SVBP2012, te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels
43
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
begrippen wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels bestemmingen dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3 Algemene regels anti-dubbeltelregel algemene bouwregels algemene gebruiksregels algemene aanduidingsregels algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels overgangsrecht slotregel 6.2.4
Indeling bestemmingsregels
Ter bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid is een vaste volgorde aangehouden, te weten: Bestemmingsomschrijving Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, zijn toegekend aan de in het plan begrepen gronden. Niet iedere functie leent zich voor een eigen bestemming. Behalve om functies, gaat het bij bestemmingen altijd om concreet ruimtegebruik of om fysiek aanwezige ruimtelijke objecten. De bestemmingsomschrijving vormt het eerste toetsingskader voor (bouw)initiatieven. Als een initiatief niet past in die omschrijving, moet deze worden beschouwd als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. De bestemmingsomschrijving begint met de algemene bestemming. Daarna volgen eventuele specificaties in de vorm van aanduidingen. Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen, kent het bestemmingsplan aanduidingen. Deze aanduidingen bevatten specificaties van (dubbel)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een aanduiding, die juridische betekenis heeft, wordt niet alleen aangegeven op de analoge en digitale verbeelding van een bestemmingsplan, maar ook in de regels. Er zijn in het algemeen zes soorten aanduidingen te onderscheiden: 1. gebiedsaanduidingen; 2. functieaanduidingen; 3. bouwvlakken; 4. bouwaanduidingen; 5. maatvoeringsaanduidingen; 6. figuren.
Bouwregels Samen met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen/aanduidingen, bevatten de regels bepalingen over de situering en de maximale afmetingen van gebouwen en andere bouwwerken binnen de bewuste bestemming. Op de verbeelding is door middel van een bouwvlak aangegeven waar gebouwen mogen worden gebouwd. Buiten het bouwvlak mag weliswaar vaak ook worden gebouwd, maar dan gaat het om bijvoorbeeld bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals terreinafscheidingen. De bouwregels gaan over bouwwerken en zijn onderverdeeld in bepalingen over:
44
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
a. gebouwen; b. bouwwerken die geen gebouw zijn. De toetsing hieraan vindt in principe pas plaats indien duidelijk is dat het voorgenomen gebruik van het bouwwerk in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijving bij de bestemming. Afwijken van de bouwregels Om het bestemmingsplan flexibel te maken zijn mogelijkheden opgenomen om af te wijken van een bouwregel. Telkens als verzocht wordt om te mogen afwijken van een bouwregel moet worden gemotiveerd waarom van de standaard wordt afgeweken. De aanvrager moet aangeven waarom hij niet uit de voeten kan met de standaardregel. In sommige gevallen moet de aanvrager zelfs met onafhankelijk advies aantonen dat afwijking van de bouwregels terecht is. Specifieke gebruiksregels Indien ten aanzien van een bepaald gebruik speciale regels moeten worden gegeven dan worden deze specifiek aangegeven. Afwijken van de gebruiksregels Om het bestemmingsplan flexibel te maken zijn mogelijkheden opgenomen om af te wijken van een gebruiksregel. Het kunnen afwijken van de gebruiksregels is ook hier beslist geen automatisme. Telkens als verzocht wordt om te mogen afwijken van een gebruiksregel moet worden gemotiveerd waarom van de standaard wordt afgeweken. De aanvrager moet aangeven waarom hij of zij niet uit de voeten kan met de standaard regel.
In sommige gevallen moet de aanvrager zelfs met onafhankelijk advies aantonen dat afwijking van de gebruiksregels terecht is. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden In deze regel staan specifiek voor de bestemming geldende bepalingen over omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (aanlegvergunningen). Zo kan bijvoorbeeld via een omgevingsvergunning een bepaalde archeologische waarde worden beschermd. Aanleggen is dan niet mogelijk zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag. Wijzigingsbevoegdheid Om het bestemmingsplan flexibel te maken zijn mogelijkheden gegeven aan het college van burgemeester en wethouders om het plan op onderdelen te wijzigen. Hierbij gaat het voornamelijk om de toegestane gebruiken zoals aangegeven in de bestemmingsomschrijving. De wijzigingsbevoegdheid is iets anders dan de afwijkingsbevoegdheid. Via deze wijzigingsbevoegdheid kunnen bestemmingen worden gewijzigd, overigens binnen door de gemeenteraad aangegeven voorwaarden. Via een afwijking worden bestemmingen niet gewijzigd. De afwijking maakt het slechts mogelijk om binnen een bestemming af te wijken van de standaardregel (bijvoorbeeld van de standaard bouwhoogte).
De afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid mag niet cumulatief worden gebruikt ten opzichte van een eerder besluit tot afwijking of wijziging.
6.2.5
De regels
In de regels worden verschillende begrippen gebruikt die voor uitleg vatbaar zijn. Door het opnemen van de definities van deze begrippen wordt getracht misverstanden over de uitleg van de regels te beperken. gebouw en bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bestemming in het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit twee facetten: een bestemmingsvlak
45
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeven waarvoor de mogelijkheden om te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn door middel van aanduidingen opgenomen. Het (hoofd)gebouw mag enkel in een bouwvlak gebouwd worden. De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak (in het bestemmingsvlak) worden gebouwd. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Enkele begrippen zijn overgenomen uit de Woningwet/Bouwverordening en SVBP2012. Er is aangesloten bij de definities uit de bestemmingsplannen die voorheen voor het onderhavige plangebied van toepassing waren (zie paragraaf 2.2). Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier hoogte, inhoud van bouwwerken/percelen en peil moeten worden gemeten. De meetregels kennen 'slechts' een onzelfstandig en ondersteunend karakter.
Deze soort planregels zeggen alleen iets over hoe bepaalde bouwregels moeten worden toegepast. Deze planregels kunnen echter niet de (algemene) werking van bouwregels beperken tot (bijvoorbeeld) bouwen boven de begane grondvloer, wanneer er in die bouwregels zelf niets over is bepaald. Meetregels kunnen dus geen afbreuk doen aan de strekking van de bouwregels. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening Deze gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van het openbaar nut, in dit geval wordt hiermee het onderstation bedoeld. De gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gesitueerd en mogen niet hoger zijn dan 12 meter. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen het bouwvlak als daarbuiten worden gebouwd. De bouwhoogte bedraagt maximaal 10 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen niet meer dan 2 meter mag bedragen. Artikel 4 Waarde - Archeologie 3 Deze dubbelbestemming strekt tot het beschermen van de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het deel van het plangebied dat gelegen is binnen de gemeente Laren. Indien werken of werkzaamheden van een bepaalde omvang worden uitgevoerd, dient vooraf een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Er is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Via een opgenomen wijzigingsbevoegdheid kan deze bestemming geheel of ten dele komen te vervallen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Deze regel strekt ertoe te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van
46
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw een tweede keer zou kunnen worden gebruik gemaakt. Aangesloten is bij de standaard antidubbeltelregel die in het Bro is opgenomen. Artikel 6 Algemene bouwregels 6.1 Ondergeschikte bouwdelen In dit artikellid is opgesomd welke ondergeschikte bouwonderdelen buiten beschouwing worden gelaten bij de toepassing van de bouwregels uit dit bestemmingsplan. Artikel 7 Algemene gebruiksregels 7.1 Algemeen In dit artikellid is opgesomd wat onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt begrepen. Ook de uitzonderingen daarvan zijn benoemd. 7.2 Parkeren Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto's in de juiste mate ruimte zijn aangebracht en in stand worden gehouden in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt aansluiting gezocht bij het geldende parkeerbeleid.
Artikel 8 Algemene aanduidingsregels 8.1 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied ' mogen in afwijking van de overige bestemmingen bouwwerken alleen worden gebouwd indien de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening gewaarborgd blijft en de regels van de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland dienaangaande in acht worden genomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Dit artikel heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Er zijn enkele algemene afwijkingsregels opgenomen waarmee burgemeester en wethouders 'vrijstelling' (omgevingsvergunning) kunnen verlenen voor onder meer geringe wijzigingen in de maatvoering voor bouwwerken. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht In het Besluit ruimtelijke ordening (in werking 1 juli 2008) is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen. Indien de in het plan opgenomen regels, voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande, legale situatie, dan zijn daarop de overgangsbepalingen van toepassing. De overgangsbepaling heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe bestemmingsbepalingen dan wel bebouwingsbepalingen plaatsvindt.
Artikel 11 Slotregel In de regels van het bestemmingsplan wordt in de Slotregel aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
47
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
6.3
Handhaving
Het bestemmingsplan is bindend voor burgers, bedrijven, maatschappelijke instellingen en voor de overheid zelf. Het afdwingen van het naleven van het bestemmingsplan is, met behoud van ieders verantwoordelijkheid, in eerste instantie een taak van de gemeentelijke overheid. Het zich niet houden aan de regels doet afbreuk aan de kwaliteit van het plangebied; daadwerkelijke handhaving heeft voor de samenleving een belangrijke waarde. Tegen illegale situaties zal worden opgetreden.
6.3.1
Preventief en repressief toezicht
Handhaving van het bestemmingsplan gebeurt bij de beoordelingen van aanvragen om een omgevingsvergunning (preventieve handhaving) en vervolgens bij controle van de verleende omgevingsvergunning, maar ook aan de hand van geconstateerde illegale situaties, klachten e.d. (repressieve handhaving).
6.3.2
De instrumenten
Een overtreder riskeert: a. dat publiekrechtelijke sancties plaatsvinden (dwangsom of bestuursdwang). Een last onder dwangsom is een veel toegepast middel om te zorgen dat de overtreder, door middel van het verbeuren van een bepaald bedrag, ertoe wordt weerhouden de overtreding voort te zetten. Mocht een dwangsom niet het gewenste effect hebben dan kan de gemeente bestuursdwang toepassen hetgeen er op neer komt dat de gemeente datgene doet wat de overtreder behoort te doen of verhindert dat hij/zij doet wat niet mag. Een en ander op kosten van de overtreder; b. dat strafrechtelijke vervolging plaatsvindt. Overtreding van bepaalde bestemmingsplanregels zijn strafbare feiten. De bevoegdheid tot het instellen van vervolging op grond van het strafrecht berust bij het Openbaar Ministerie. Daartoe wordt een proces-verbaal tegen de overtreder opgemaakt en vindt vervolgens strafrechtelijke vervolging plaats. Strafrechtelijke vervolging kan plaatshebben in combinatie met de onder 1 genoemde bestuursrechtelijke dwangmiddelen. Bijzonderheid hierbij is dat de Wet Economische Delicten op overtredingen van het bestemmingsplan van toepassing is, wat inhoudt dat de strafmaat aanzienlijk is; c. de bestuurlijke boete. Door de uitbreiding van de bestuurlijke handhaving met de bestuurlijke boete kan de handhaving verder worden geïntensiveerd.
De gemeente krijgt daardoor extra mogelijkheden om daadkrachtig en snel op te treden tegen overtredingen. Aan de hand van recente luchtfoto's kan achterhaald worden wat er aan bebouwing aanwezig is op de percelen in het plangebied. Eventuele bebouwing die illegaal (zonder omgevingsvergunning) gebouwd is, en waartegen wordt, of alsnog kan worden opgetreden, wordt niet automatisch gelegaliseerd met het nieuwe bestemmingsplan. Dit geldt ook voor een eventueel gewijzigd gebruik van opstallen waarvoor geen toestemming is gevraagd c.q. verleend. Van geval tot geval zal bezien moeten worden of sprake is van een situatie die alsnog voor legalisatie in aanmerking komt of niet.
6.4
Economische uitvoerbaarheid
Met inwerkingtreding van de Wet ruimtelijk ordening (1 juli 2008) beschikt de gemeente over meer mogelijkheden voor kostenverhaal op initiatiefnemers in een plangebied. Zijn de kosten van de ontwikkeling niet op een andere manier verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten met grondeigenaren over de kosten van de ontwikkeling) dan kan de gemeente een exploitatieplan vaststellen, waarin die kosten worden benoemd. Het exploitatieplan loopt mee met de procedure van het bestemmingsplan.
48
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Daarmee wordt een exploitatieplan mede een toetsingsgrond bij omgevingsvergunningen. De gemeenteraad kan evenwel bij vaststelling van het bestemmingsplan besluiten om géén exploitatieplan vast te stellen. Dat kan de raad alleen doen, indien de kosten dus op een andere wijze zijn verzekerd en er verder geen extra eisen aan locaties hoeven te worden gesteld. Kostenverhaal Het onderhavige plan betreft een initiatief van Liander N.V. De kosten van realisatie zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. In het kostenverhaal wordt voorzien middels leges. Voor eventuele planschade wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer.
6.5
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van de inspraakverordening van Laren wordt inspraak verleend bij de totstandkoming van een bestemmingsplan. In paragraaf 5.2.5. van de Uitgangspuntennotitie zoals in 2019 vastgesteld voor het Bestemmingsplan Crailo, is de behoefte aan onderhavige ontwikkeling gemotiveerd. Aangezien in het kader van de Uitgangspuntennotitie reeds de gelegenheid is geweest om eventuele inspraakreacties ten aanzien van het onderstation naar voren te brengen, is het niet nodig om voorafgaand aan dit ontwerpbestemmingsplan eerst nog een voorontwerp van het plan ter visie te leggen.