III-A4 college - raadsinformatiebrief herziening Beleidsregel Natuurinclusief bouwen en inrichten Buurtschap Crailo 2022 BIJLAGE 2
Tekst van het document
Natuurpuntensysteem natuurinclusieve bouw en inrichting Buurtschap Crailo 18 oktober 2021
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Verantwoording
Colofon
Titel
Natuurpuntensysteem natuurinclusieve bouw en inrichting Buurtschap Crailo
TAUW bv
Opdrachtgever
GEM Crailo B.V.
Australiëlaan 5
Projectleider
Maurice Tijm
Postbus 3015
Auteur
Martin van Oosterhout
3502 GA Utrecht
Kwaliteitscontrole
Maikel Aragon van den Broeke
T +31 30 28 24 82 4
Projectnummer
1279748
E info.utrecht@tauw.com
Aantal pagina’s
38
Datum
18 oktober 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
2/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Inhoud 1
2
Inleiding ..................................................................................................................................................................................................................................... 4 1.1
Doel van dit document ....................................................................................................................................................................................................... 4
1.2
Werkwijze om tot het natuurpuntensysteem te komen ...................................................................................................................................................... 4
1.3
Gebruik menukaarten ......................................................................................................................................................................................................... 8
Menukaarten maatregelen natuurinclusieve bouw en inrichting ............................................................................................................................................. 12 2.1
Gebouwtype 1: Her te ontwikkelen bebouwing ................................................................................................................................................................ 13
2.2
Gebouwtype 2: Grondgebonden woningen op Kazernekwartier ...................................................................................................................................... 15
2.3
Gebouwtype 3: Her te ontwikkelen tot gemengde functies .............................................................................................................................................. 18
2.4
Gebouwtype 4: Appartementen op Kazernekwartier ....................................................................................................................................................... 21
2.5
Gebouwtype 5: Woningclusters Op de Hei ...................................................................................................................................................................... 24
2.6
Gebouwtype 6: Grondgebonden woningen Op Zuid ........................................................................................................................................................ 27
2.7
Gebouwtype 7: Bedrijven Op Zuid ................................................................................................................................................................................... 30
2.8
Gebouwtype 8: Appartementen Op Zuid .......................................................................................................................................................................... 33
2.9
Gebouwtype 9: CPO / Initiatieven .................................................................................................................................................................................... 36
3/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
1 Inleiding 1.1
Doel van dit document
Het Buurtschap Crailo is een woon- en werkwijk met hoge ambities op het gebied van ecologie, natuur en duurzaamheid. Bij de besluitvorming over het stedenbouwkundig- en landschapsplan Buurtschap Crailo is ‘biodiversiteit’ als één van de vier duurzame bouwstenen voor de ontwikkeling van het buurtschap benoemd. De ambitie bestaat om hoogwaardige natuur te realiseren waar mensen in wonen, werken en recreëren. Voor de inrichting van het buurtschap worden diverse maatregelen genomen om zo goed mogelijke natuurwaarden te realiseren en aan de hoge biodiversiteitsambities te voldoen. Dat geldt zowel voor de openbare ruimte als bij de invulling van de uitgeefbare kavels. Dit document focust zich op de kavels en bevat negen menukaarten met maatregelen waarmee bij de inrichting van de kavels invulling kan worden gegeven aan de biodiversiteitsambities. Door, per kavel, een selectie van de maatregelen uit te voeren, wordt de aanwezige en de nieuwe natuur van Crailo ondersteund en krijgt deze een plek binnen de kavels.
1.2
Werkwijze om tot het natuurpuntensysteem te komen
De beoogde bebouwing van het Buurtschap Crailo is te verdelen in negen verschillende gebouwtypen. Voor ieder van de gebouwtypen is een aparte menukaart met specifieke maatregelen en het minimum te behalen aantal natuurpunten beschikbaar (zie hoofdstuk 2). Via het bestemmingsplan wordt, via een verplichting tot het nemen van voldoende maatregelen (artikel 20.6 sub a), geborgd dat (per kavel/perceel, locatie- en gebouwspecifiek) een minimum aan maatregelen wordt gerealiseerd. Voorliggend rapport beschrijft onder andere wat wordt verstaan onder ‘voldoende maatregelen’. Als onderdeel van artikel 20.6 van het bestemmingsplan dienen initiatiefnemers een Realisatieplan natuurinclusief bouwen en inrichten op te stellen (en bij te voegen als onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning) waaruit moet blijken welke maatregelen (van de menukaarten) worden gerealiseerd. Deze maatregelen moeten uiterlijk binnen 2 jaar na de start van de bouw zijn gerealiseerd en men moet onderbouwen hoe deze duurzaam, ten minste 30 jaar, in stand worden gehouden en beheerd. De natuurinclusieve maatregelen volgen uit drie focusgebieden, zijnde de natuurdoeltypen, de Big Five van Crailo en beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming (tezamen de doelnatuurwaarden genoemd). Tabel 1.1 geeft een overzicht van de verschillende gebouwtypen en de bijbehorende doelnatuurwaarden.
De maatregelen in de menukaarten zijn toegespitst op het ondersteunen van de betreffende doelnatuurwaarden die van toepassing zijn voor dat gebouwtype.
4/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
•
Natuurdoeltypen: het volledige oppervlakte van Crailo is te verdelen in vier natuurdoeltypen, zijnde: Bos & zoom, Heischraal grasland, Poelen en
•
Voedseltuinen1. Figuur 1.1 geeft de kavelverdeling van de negen gebouwtypen in het Buurtschap Crailo met de bijbehorende natuurdoeltypen weer. In bijlage 1 worden de vier natuurdoeltypen behandeld en worden enkele (algemene) inrichtings- en beheereisen genoemd Big Five van Crailo: Naast natuurdoeltypen zijn er ook doelsoorten voor het buurtschap aangewezen, namelijk eekhoorn, levendbarende hagedis, bruin blauwtje, gevlekte witsnuitlibel en gekraagde roodstaart1. Deze Big Five-soorten moeten van de ontwikkeling van de natuurdoeltypen profiteren en samen met mensen volop van het gebied gebruik gaan maken. In bijlage 2 worden de vijf soorten beschreven en worden enkele (algemene) inrichtings- en beheereisen en inrichtingselementen genoemd waar de Big Five-soorten van (kunnen) profiteren
•
Beschermde soorten: Verder zijn er ook soorten die al voor de ontwikkeling van het buurtschap gebruik maakten van het gebied en die via de Wet natuurbescherming een beschermde status genieten. Voor deze soorten geldt dat er tijdens, en na de ontwikkeling van het gebied continu voldoende leefgebied van goede kwaliteit beschikbaar moet zijn. In bijlage 3 worden de vijf beschermde soorten die in Crailo voorkomen beschreven
De in de menukaarten voorgestelde maatregelen zijn middelen waarmee binnen de kavels bijgedragen kan worden aan ieder van de natuurdoeltypen, Big Five- en beschermde soorten. Ondanks dat ook in de openbare ruimte veel bereikt kan worden om te voldoen aan de hoge biodiversiteitsambities en verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming, ligt de focus van de voorgestelde maatregelen in dit document niet op de openbare ruimte. Voor de inrichting van de openbare ruimte worden andere instrumenten gebruikt om de beoogde natuurwaarden te realiseren. Tabel 1.1 De negen gebouwtypen van het toekomstige Buurtschap Crailo met de bijbehorende natuurdoeltypen, Big five- en beschermde soorten Gebouwtype
Natuurdoeltype
Big Five-soorten
Beschermde soorten
1.
•
Voedseltuinen
•
Eekhoorn
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
•
Bos & zoom
•
Gekraagde roodstaart
•
Eekhoorn
•
Bunzing
•
Boommarter
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
2.
1
Her te ontwikkelen bebouwing
Grondgebonden woningen op
•
Voedseltuinen
•
Eekhoorn
Kazernekwartier
•
Bos & zoom
•
Gekraagde roodstaart
Eekhoorn •
Bunzing
•
Boommarter
TAUW, 2019. Biodiversiteit op Crailo. TAUW-rapportage met kenmerk R001-1267071JRE-V01-nda-NL. d.d. 22 november 2019. 5/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype
Natuurdoeltype
Big Five-soorten
Beschermde soorten
3.
•
Voedseltuinen
•
Eekhoorn
•
•
Bos & zoom
•
Gekraagde roodstaart
4.
Her te ontwikkelen tot gemengde functies
Appartementen op Kazernekwartier
•
Eekhoorn
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
•
Gekraagde roodstaart
•
Eekhoorn
•
Bunzing
•
Boommarter
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
6.
Grondgebonden woningen Op Zuid
•
Heischraal grasland
•
Poelen
9.
CPO / Initiatieven
Boommarter
Bos & zoom
Heischraal grasland
Appartementen Op Zuid
Bunzing
• Voedseltuinen
•
8.
•
•
Woningclusters Op de Hei
Bedrijven Op Zuid
Eekhoorn
•
5.
7.
Gewone en ruige dwergvleermuis
•
Bruin blauwtje
•
Levendbarende hagedis
•
Bruin blauwtje
•
Levendbarende hagedis
•
Gevlekte witsnuitlibel
•
Heischraal grasland
•
Bruin blauwtje
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
•
Bos & zoom
•
Levendbarende hagedis
•
Eekhoorn
•
Eekhoorn
•
Boommarter
•
Bunzing
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
•
Gewone en ruige dwergvleermuis
•
Heischraal grasland
•
Bruin blauwtje
•
Poelen
•
Levendbarende hagedis
•
Gevlekte witsnuitlibel
•
Heischraal grasland
•
Bruin blauwtje
•
Poelen
•
Levendbarende hagedis
•
Gevlekte witsnuitlibel
6/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Figuur 1.1 Verdeling van de negen gebouwtypen over het oppervlakte van het toekomstige Buurtschap Crailo. De nummering komt overeen met de nummering in tabel 1.1 7/38
Kenmerk
1.3
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebruik menukaarten
Om te bepalen welke maatregelen binnen een ontwerp passen moeten de volgende stappen gezet worden. Deze stappen zijn verwerkt in het stroomschema (van het gehele te volgen proces rondom de implementatie van de maatregelen uit de menukaarten) zoals getoond in figuur 1.2. Stap 1: Vaststellen gebouwtype Om te bepalen welke menukaart van toepassing is op de betreffende ontwikkeling hoeft er alleen maar naar figuur 1.1 gekeken te worden. Dat figuur laat op een kaart de ligging van de negen gebouwtypen zien. Vervolgens is in tabel 1.1 te zien voor welke doelnatuurwaarden de maatregelen van het gebouwtype genomen worden. Stap 2: Vaststellen groottecategorie Nadat bepaald is met welk gebouwtype er gewerkt wordt, moet nagegaan worden welke groottecategorisering van toepassing is. Daarvoor wordt het onderscheid gemaakt zoals in tabel 1.2 weergegeven en op de specifieke menukaarten beschreven. Van projecten met een grotere omvang wordt een grote bijdrage aan het versterken van de doelnatuurwaarden verwacht. Stap 3: Vaststellen (minimum) te behalen aantal punten Van ieder gebouwtype en respectievelijke groottecategorieën wordt een specifiek minimaal aantal natuurpunten verwacht. Tabel 1.2 geeft het minimaal verwachte aantal natuurpunten per gebouwtype en (indien van toepassing) de groottecategorie aan. Het te behalen aantal natuurpunten wordt ook in de betreffende menukaarten beschreven.
Wanneer genoeg maatregelen genomen worden om het minimaal aantal natuurpunten te bereiken, levert een project een voldoende bijdrage aan de natuurinclusieve ambities van het Buurtschap Crailo. Een ontwikkelaar is natuurlijk altijd vrij om, geïnspireerd door de menukaart, meer dan het minimum aan natuurinclusieve maatregelen in het ontwerp toe te passen. Stap 4: Vaststellen maatregelen en score In de menukaarten staat beschreven hoeveel natuurpunten per maatregel te verdienen zijn. De initiatiefnemer kiest zijn of haar maatregelen voor natuurinclusieve bouw en inrichting waarmee wordt voldaan aan het (minimum) aantal benodigde natuurpunten en toont dit aan via het Realisatieplan natuurinclusief bouwen en inrichten2. Let op: elke maatregel mag daarbij slechts éénmaal worden gekozen, tenzij in de menukaart specifiek anders is aangegeven. Achterliggende gedachte hierbij is dat er zo veel mogelijk variatie op het perceel en in het gebied ontstaat.
2
Onder figuur 1.2 staat puntsgewijs beschreven wat minimaal moet worden opgenomen in het Realisatieplan natuurinclusief bouwen en inrichten. 8/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Het is natuurlijk mogelijk meer maatregelen/punten dan minimaal voorgeschreven in het ontwerp mee te nemen. Daarnaast is het aan te raden een ecoloog te laten adviseren over welke maatregelen het best passen bij het ontwerp van het gebouw en de specifieke locatie. Het advies van een ecoloog kan ervoor zorgen dat de maatregelen doeltreffend(er) en correct(er) uitgevoerd en ingepast worden. Dit is echter geen verplichting. Ook, via het Realisatieplan natuurinclusief bouwen en inrichten, goed onderbouwde maatregelen die niet in de menukaarten zijn opgenomen mogen worden voorgesteld. Het is dan wel aan een deskundig ecoloog om te bepalen hoeveel natuurpunten dergelijke maatregelen opleveren. Tabel 1.2 Categorisering van de verschillende gebouwtypen en de bijbehorende verwachte minimaal behaalde aantal natuurpunten Gebouwtype
Groottecategorisering
1.
Her te ontwikkelen bebouwing
Alle gebouwen
7
2.
Grondgebonden woningen op Kazernekwartier
Kavelgrootte < 500 m2
15
2.
Grondgebonden woningen op Kazernekwartier
Kavelgrootte ≥ 500 m2
18
3.
Her te ontwikkelen tot gemengde functies
KMAR
12
3.
Her te ontwikkelen tot gemengde functies
Keukengebouw
18
3.
Her te ontwikkelen tot gemengde functies
Spiegelhorst
18
4.
Appartementen op Kazernekwartier
Alle complexen
18
5.
Woningclusters Op de Hei
Alle clusters
18, vanaf twintig woningen in gebouw, 1 extra punt per woning
6.
Grondgebonden woningen Op Zuid
Alle kavels
18
7.
Bedrijven Op Zuid
Kavelgrootte < 1.000 m2
Bedrijven Op Zuid
Kavelgrootte ≥ 1.000 m < 3.000 m
7.
Bedrijven Op Zuid
Kavelgrootte ≥ 3.000 m
8.
Appartementen Op Zuid
Alle complexen
18
9.
CPO / Initiatieven
Alle initiatieven
2 per woning, met een maximum van 18 punten per gebouw
7.
2 2
Minimum aantal te behalen natuurpunten
15 2
18 20
9/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Figuur 1.2 Stroomschema van het te volgen proces rondom de (implementatie van de maatregelen uit de) menukaarten
10/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
* In het Realisatieplan natuurinclusief bouwen en inrichten moet tenminste het volgende worden beschreven: • •
Onderbouwing onder welk gebouwtype en groottecategorie het perceel/kavel valt Welke maatregelen uit de menukaart zijn gekozen, met eventueel een onderbouwing van één of meerdere maatregelen die niet op de menukaart staan
• • •
Hoeveel punten er daarmee in totaal worden gescoord In hoeverre dat voldoende is, gerelateerd aan het gebouwtype en groottecategorie Hoe en waar de maatregelen worden ingepast/uitgevoerd op het perceel/kavel
• •
Dat en hoe de maatregelen uiterlijk binnen 2 jaar na de start van de bouw zijn gerealiseerd Hoe de maatregelen duurzaam, ten minste 30 jaar, functioneel in stand worden gehouden en beheerd (beheer- en instandhoudingsplan)
11/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
2 Menukaarten maatregelen natuurinclusieve bouw en inrichting De volgende pagina’s bevatten de menukaarten met maatregelen voor natuurinclusieve bouw en inrichting voor de negen gebouwtypen van het Buurtschap Crailo.
12/38
Kenmerk
2.1
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 1: Her te ontwikkelen bebouwing
2.1.1 Minimum te behalen punten Voor de her te ontwikkelen bebouwing worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal zeven (7) natuurpunten per kavel. 2.1.2
Menukaart her te ontwikkelen bebouwing
Maatregel
Onderdeel
Punten
Voorwaarden
kavel Beplanting Gevelbeplanting
Gevel
3
Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Realiseren mossedum dak
Dak
1
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een mossedum bedekking met een grondlaag van 4 tot 7 centimeter, voorzien van mos- of sedumbegroeiing met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen.
Habitatmaatregelen Vleermuisvriendelijke verlichting
Gevel
2
Alle buitenlampen worden voorzien van amberkleurige led-lampen of andere vleermuisvriendelijke verlichting.
Gevel
1
Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte
Dierenverblijfplaatsen Vogelnestkast in gevels
nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden. Vogelnestkast aan gevels
Gevel
1
Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 10 geschikte nestkasten met oriëntatie noord of oost op de gevel gemonteerd. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden.
Vleermuiskast in gevels
Gevel
1
Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht. 13/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel
Punten
Voorwaarden
kavel Vleermuiskast aan gevels
Gevel
1
Minimaal zes vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn op de gevel gemonteerd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Voor vleermuizen geschikte en
Gevel
3
toegankelijke spouwmuur
Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en binnenmuur/isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
Gevelbetimmering voor vleermuizen
Gevel
3
Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
14/38
Kenmerk
2.2
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 2: Grondgebonden woningen op Kazernekwartier
2.2.1 Minimum te behalen punten Het minimaal aantal natuurpunten voor Grondgebonden woningen op Kazernekwartier is afhankelijk van de kavelgrootte. • •
Voor kavels met een oppervlakte tot 500 m2 worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal vijftien (15) natuurpunten Voor kavels met een oppervlakte vanaf 500 m2 worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten per kavel
2.2.2
Menukaart grondgebonden gebouwen op het Kazernekwartier
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting >10 m2 streekeigen beplanting
Terrein
3
Ten minste 10 m2 van het kavel wordt voorzien van streekeigen (laag blijvende) plantensoorten. Dit wil zeggen: soorten die van nature voorkomen op de zandgronden van het Gooi.
Planten streekeigen bomen
Terrein
3
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 3 meter bij aanplant) van een van nature op de zandgronden van het Gooi voorkomende soort.
Planten inheemse dracht-,
3
noten- of fruitbomen Planten inheemse dracht-,
voorkomende soort die noten of fruit draagt en/of in nectar voorziet. Terrein
2
noten- of vruchtstruiken 2
1 m nectarrijke beplanting
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 2 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland
Er wordt ten minste één grote struik geplant (hoogte minimaal 1 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland voorkomende soort die noten of fruit draagt en/of in nectar voorziet.
Terrein
2
Terrein
2–3
Minimaal 1 m2 van het kavel wordt ingezaaid met bloemen die veel nectar geven.
aanbrengen Erfafscheiding middels inheemse (fruit)hagen
Er wordt bij ten minste twee derde van de erfgrens geen erfafscheiding van hout, beton of een ander hard materiaal geplaatst. In plaats daarvan wordt een (fruit)haag van in Nederland voorkomende soort(en) aangebracht. Een punt extra wordt verdiend wanneer meer dan één soort wordt toegepast.
Realiseren mossedum dak
Dak
1
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een mossedum bedekking met een grondlaag van 4 tot 7 centimeter, voorzien van mos- of sedumbegroeiing met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen. 15/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Realiseren kruiden dak
Dak
Punten 3
Voorwaarden Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een kruidendak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 30 centimeter) met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen.
Gevelbeplanting
Gevel
3
Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Habitatmaatregelen Takkenrillen aanbrengen
Terrein
1
Realiseer binnen 2 meter van de rand(en) van het perceel een (gevlochten) takkenril van minstens 2 meter lang, 15
Egelwegel in schutting
Terrein
1
Dood hout of houtstobben
Terrein
1
Realiseer minstens 1 m2 aan liggende boomstronk(en) of houtstobben voor insecten, reptielen en amfibieën.
Vogelnestkasten aan boom
Terrein
1
Minstens vier nestkasten voor vogels, op voldoende hoogte voor de doelsoort, aan één of meerdere bomen
Eekhoornnestkast
Terrein
2
centimeter breed en 40 centimeter hoog als schuilplek voor reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren. Iedere dichte schutting (van hout, beton of ander hard materiaal) wordt voorzien van een opening van Ø 15 centimeter of (vierkant) 15 x 15 centimeter bedoeld als egelpoortje.
neerleggen Dierenverblijfplaatsen
gemonteerd. Minimaal twee eekhoornnestkasten in zicht van elkaar, opgehangen 3 tot 4 meter van de grond. Het is belangrijk dat er tenminste één ingang nabij een tak van een boom hangt zodat de eekhoorn toegang heeft en altijd snel kan ontsnappen. Vleermuiskasten aan boom
Terrein
1
Minimaal vier bolle vleermuiskasten van minstens 30 tot 40 centimeter hoog en een doorsnede van minstens 15 tot 20 centimeter met een opening van 1,5 tot 2 centimeter breed, aan een boom gemonteerd op minstens 3 meter hoogte.
Vogelnestkast in gevels
Gevel
1
Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden.
16/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Vleermuiskast in gevels
Gevel
Punten 1
Voorwaarden Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kast is in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Voor vleermuizen geschikte en
Gevel
3
toegankelijke spouwmuur
Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
Gevelbetimmering voor vleermuizen
Gevel
3
Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
17/38
Kenmerk
2.3
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 3: Her te ontwikkelen tot gemengde functies
2.3.1 Minimum te behalen punten Het minimaal aantal natuurpunten voor her te ontwikkelen gebouwen tot gemengde functies is afhankelijk van het her te ontwikkelen gebouw. • •
Voor de herontwikkeling van het voormalige KMAR-gebouw worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal twaalf (12) natuurpunten Voor de herontwikkeling van het voormalige keukengebouw worden natuurinclusieve maatregelen verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien
•
(18) natuurpunten Voor het voormalige Spiegelhorst worden natuurinclusieve maatregelen verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten
2.3.2
Menukaart Her te ontwikkelen tot gemengde functies
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting > 10 m2 streekeigen beplanting
Terrein
3
Ten minste 10 m2 van het kavel wordt voorzien van streekeigen (laag blijvende) plantensoorten. Dit wil zeggen: soorten die van nature voorkomen op de zandgronden van het Gooi.
Planten streekeigen bomen
Terrein
3
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 3 meter bij aanplant) van een van nature op de zandgronden van het Gooi voorkomende soort.
Planten inheemse dracht-,
3
noten- of fruitbomen Planten inheemse dracht-,
voorkomende soort die noten of fruit draagt en/of in nectar voorziet. Terrein
2
Terrein
2
Inheemse (fruit)hagen
Terrein
2–3
Realiseren mossedum dak
Dak
1
noten- of vruchtstruiken 1 m2 nectarrijke beplanting
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 2 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland
Er wordt ten minste één grote struik geplant (hoogte minimaal 1 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland voorkomende soort die noten of fruit draagt en/of in nectar voorziet. Minimaal 1 m2 van het kavel wordt ingezaaid met bloemen die veel nectar geven.
aanbrengen Er wordt een (fruit)haag geplant (minimaal 20 meter lengte) van in Nederland voorkomende soort(en). Een punt extra wordt verdiend wanneer meer dan één soort wordt toegepast. Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een mossedum bedekking met een grondlaag van 4 tot 7 centimeter, voorzien van mos- of sedumbegroeiing met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen. 18/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Realiseren kruiden dak
Dak
Punten 3
Voorwaarden Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een kruidendak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 30 centimeter) met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen.
Intensief begroeide daktuin
Dak
3
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een begroeide daktuin met een grondlaag vanaf 30 centimeter. De begroeiing is voorzien van een hoge diversiteit met streekeigen soorten grassen, kruiden, struiken en/of bomen, waarvan ten minste 20 soorten insectvriendelijk zijn.
Gevelbeplanting
Gevel
3
Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Inbouwbloembakken
Gevel / balkon
1
Ieder balkon is voorzien van een vaste, ingebouwde bloembak, beplant met streekeigen bloemen en/of kruiden.
Terrein
3
Realiseer een vijver van ten minste 5 m2 en minstens 60 centimeter diep met flauwe, begroeide oevers, waarbij
Habitatmaatregelen Vijver
(periodieke) droogvalling is voorkomen. Takkenrillen aanbrengen
Terrein
1
Realiseer binnen 2 meter van de rand(en) van het perceel een (gevlochten) takkenril van minstens 2 meter lang, 15 centimeter breed en 40 centimeter hoog voor reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren. Iedere dichte schutting (van hout, beton of ander hard materiaal) wordt voorzien van een opening van Ø 15
Egelwegel in schutting
Terrein
1
Vleermuisvriendelijke verlichting
Gevel
2
Alle buitenlampen worden voorzien van amberkleurige led-lampen of andere vleermuisvriendelijke verlichting.
Vogelnestkasten aan boom
Terrein
2
Minstens tien nestkasten voor vogels, op voldoende hoogte voor de doelsoort, aan één of meerdere bomen
Eekhoornnestkasten
Terrein
1
centimeter of (vierkant) 15 x 15 centimeter bedoeld als egelpoortje.
Dierenverblijfplaatsen
gemonteerd. Minimaal twee eekhoornnestkasten in zicht van elkaar, opgehangen 3 tot 4 meter van de grond. Het is belangrijk dat er ten minste één ingang nabij een tak van een boom hangt zodat de eekhoorn toegang heeft en altijd snel kan ontsnappen.
19/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Vleermuiskasten aan boom
Terrein
Punten 1
Voorwaarden Minimaal vier bolle vleermuiskasten van minstens 30 tot 40 centimeter hoog en een doorsnede van minstens 15 tot 20 centimeter met een opening van 1,5 tot 2 centimeter breed, aan een boom gemonteerd op minstens 3 meter hoogte.
Vogelnestkast in gevels
Gevel
1
Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden.
Vleermuiskast in gevels
Gevel
1
Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kast is in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Voor vleermuizen geschikte en
Gevel
3
toegankelijke spouwmuur
Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
Gevelbetimmering voor vleermuizen
Gevel
3
Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
20/38
Kenmerk
2.4
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 4: Appartementen op Kazernekwartier
2.4.1 Minimum te behalen punten Voor appartementen op Kazernekwartier worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten per complex. 2.4.2
Menukaart appartementen op het Kazernekwartier
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting > 10 m2 streekeigen beplanting
Terrein
3
Ten minste 10 m2 van het kavel wordt voorzien van streekeigen (laag blijvende) plantensoorten. Dit wil zeggen: soorten die van nature voorkomen op de zandgronden van het Gooi.
Planten streekeigen bomen
Terrein
3
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 3 meter bij aanplant) van een van nature op de zandgronden van het Gooi voorkomende soort.
Planten inheemse dracht-,
3
noten- of fruitbomen Planten inheemse dracht-,
voorkomende soort die noten of fruit draagt en/of in nectar voorziet. Terrein
2
noten- of vruchtstruiken 2
1 m nectarrijke beplanting
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 2 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland
Er wordt ten minste één grote struik geplant (hoogte minimaal 1 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland voorkomende soort die noten of fruit draagt en/of in nectar voorziet.
Terrein
2
Inheemse (fruit)hagen
Terrein
2–3
Realiseren mossedum dak
Dak
1
Minimaal 1 m2 van het kavel wordt ingezaaid met bloemen die veel nectar geven.
aanbrengen Er wordt een (fruit)haag geplant (minimaal 20 meter lengte) van in Nederland voorkomende soort(en). Een punt extra wordt verdiend wanneer meer dan één soort wordt toegepast. Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een mossedum bedekking met een grondlaag van 4 tot 7 centimeter, voorzien van mos- of sedumbegroeiing met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen. Realiseren kruiden dak
Dak
3
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een kruidendak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 30 centimeter) met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen.
21/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Intensief begroeide daktuin
Dak
Punten 3
Voorwaarden Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een begroeide daktuin met een grondlaag vanaf 30 centimeter. De begroeiing is voorzien van een hoge diversiteit met streekeigen soorten grassen, kruiden, struiken en/of bomen, waarvan ten minste 20 soorten insectvriendelijk zijn.
Gevelbeplanting
Gevel
3
Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Inbouwbloembakken
Gevel / balkon
1
Ieder balkon is voorzien van een vaste, ingebouwde bloembak, beplant met streekeigen bloemen en/of kruiden.
Terrein
3
Realiseer een poel/vijver van ten minste 5 m2 en minstens 60 centimeter diep met flauwe, begroeide oevers,
Habitatmaatregelen Poel of vijver
waarbij (periodieke) droogvalling is voorkomen. Takkenrillen aanbrengen
Terrein
1
Realiseer binnen 2 meter van de rand(en) van het perceel een (gevlochten) takkenril van minstens 2 meter lang, 15 centimeter breed en 40 centimeter hoog voor reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.
Egelwegel in schutting
Terrein
1
Iedere dichte schutting (van hout, beton of ander hard materiaal) wordt voorzien van een opening van Ø 15 centimeter of (vierkant) 15 x 15 centimeter bedoeld als egelpoortje.
Vleermuisvriendelijke verlichting
Gevel
2
Alle buitenlampen worden voorzien van amberkleurige led-lampen of andere vleermuisvriendelijke verlichting.
Vogelnestkasten aan boom
Terrein
2
Minstens tien nestkasten voor vogels, op voldoende hoogte voor de doelsoort, aan één of meerdere bomen
Eekhoornnestkasten
Terrein
1
Dierenverblijfplaatsen
gemonteerd. Minimaal twee eekhoornnestkasten in zicht van elkaar, opgehangen 3 tot 4 meter van de grond. Het is belangrijk dat er ten minste één ingang nabij een tak van een boom hangt zodat de eekhoorn toegang heeft en altijd snel kan ontsnappen. Vleermuiskasten aan boom
Terrein
1
Minimaal vier bolle vleermuiskasten van minstens 30 tot 40 centimeter hoog en een doorsnede van minstens 15 tot 20 centimeter met een opening van 1,5 tot 2 centimeter breed, aan een boom gemonteerd op minstens 3 meter hoogte.
22/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Vogelnestkast in gevels
Gevel
Punten 1
Voorwaarden Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden.
Vleermuiskast in gevels
Gevel
1
Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kast is in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Voor vleermuizen geschikte en
Gevel
3
toegankelijke spouwmuur
Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
Gevelbetimmering voor vleermuizen
Gevel
3
Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
23/38
Kenmerk
2.5
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 5: Woningclusters Op de Hei
2.5.1 Minimum te behalen punten Voor woningclusters Op de Hei worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten per gebouw met vanaf twintig woningen in een gebouw, één (1) extra natuurpunt per woning. 2.5.2
Menukaart Woningclusters Op de Hei
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting >10 m2 streekeigen beplanting
Terrein
3
Ten minste 10 m2 van het kavel wordt voorzien van streekeigen (laag blijvende) plantensoorten. Dit wil zeggen: soorten die van nature voorkomen op de zandgronden van het Gooi.
Planten streekeigen bomen
Terrein
3
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 3 meter bij aanplant) van een van nature op de zandgronden van het Gooi voorkomende soort.
Planten inheemse struiken
Terrein
2
Er wordt tenminste één grote struik geplant (hoogte minimaal 1 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland voorkomende soort.
Realiseren kruiden dak
Dak
3
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een kruidendak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 30 centimeter) met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen.
Intensief begroeide daktuin
Dak
3
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een begroeide daktuin met een grondlaag vanaf 30 centimeter. De begroeiing is voorzien van een hoge diversiteit met streekeigen soorten grassen, kruiden, struiken en/of bomen, waarvan tenminste 20 soorten insectvriendelijk zijn.
Gevelbeplanting
Gevel
3
Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Inbouwbloembakken
Gevel / balkon
1
Ieder balkon is voorzien van een vaste, ingebouwde bloembak, beplant met streekeigen bloemen en/of kruiden.
24/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Habitatmaatregelen Open, onbetreden zand
Minimaal 0,5 m2 open zand nabij dood hout en/of kruidenbeplanting voor grondgebonden insecten aanbrengen.
Terrein
1
Takkenrillen aanbrengen
Terrein
1
Dood hout of houtstobben
Terrein
1
Realiseer minstens 1 m2 aan liggende boomstronk(en) of houtstobben voor insecten, reptielen en amfibieën.
Terrein
1
Realiseer losse steenstapels met een minimale oppervlakte van 1 m2 en hoogte van 50 centimeter als schuilplaats
aanbrengen
Zand niet betreden. Realiseer binnen 2 meter van de rand(en) van het perceel een (gevlochten) takkenril van minstens 2 meter lang, 15 centimeter breed en 40 centimeter hoog voor reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.
neerleggen Stenen stapels aanbrengen
voor reptielen en amfibieën. Vleermuisvriendelijke verlichting
Terrein
2
Alle buitenlampen worden voorzien van amberkleurige led-lampen of andere vleermuisvriendelijke verlichting.
Terrein
1
Realiseer een losstaande insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m 2. Het insectenhotel is bij
Dierenverblijfplaatsen Losstaand insectenhotel aanbrengen Insectenhotel in gevel
voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd. Gevel
1
aanbrengen Vogelnestkast in gevels
Insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m2, ingebouwd in de gevel. Het insectenhotel is bij voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd.
Gevel
1
Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden.
Vleermuiskast in gevels
Gevel
1
Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kast is in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Voor vleermuizen geschikte en toegankelijke spouwmuur
Gevel
3
Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
25/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Gevelbetimmering voor
Gevel
vleermuizen
Punten 3
Voorwaarden Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
26/38
Kenmerk
2.6
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 6: Grondgebonden woningen Op Zuid
2.6.1 Minimum te behalen punten Voor Grondgebonden woningen op Zuid worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten per kavel. 2.6.2
Menukaart grondgebonden Woningen Op Zuid
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting >10 m2 streekeigen beplanting
Terrein
3
Ten minste 10 m2 van het kavel wordt voorzien van streekeigen (laag blijvende) plantensoorten. Dit wil zeggen: soorten die van nature voorkomen op de zandgronden van het Gooi.
Planten streekeigen bomen
Terrein
3
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 3 meter bij aanplant) van een van nature op de zandgronden van het Gooi voorkomende soort.
Planten inheemse struiken
Terrein
2
Er wordt ten minste één grote struik geplant (hoogte minimaal 1 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland voorkomende soort.
Erfafscheiding middels
Terrein
2–3
inheemse (fruit)hagen
Er wordt bij ten minste twee derde van de erfgrens geen erfafscheiding van hout, beton of een ander hard materiaal geplaatst. In plaats daarvan wordt een (fruit)haag van in Nederland voorkomende soort(en) aangebracht. Een punt extra wordt verdiend wanneer meer dan één soort wordt toegepast.
Realiseren kruiden dak
Dak
3
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een kruidendak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 30 centimeter) met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen.
Gevelbeplanting
Gevel
3
Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Habitatmaatregelen
27/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Open, onbetreden zand
Terrein
Punten 1
aanbrengen Poel of vijver
Voorwaarden Minimaal 0,5 m2 open zand nabij dood hout en/of kruidenbeplanting voor grondgebonden insecten aanbrengen. Zand niet betreden.
Terrein
3
Realiseer een poel / vijver van ten minste 5 m2 en minstens 60 centimeter diep met flauwe, begroeide oevers, waarbij (periodieke) droogvalling is voorkomen.
Wadi
Terrein
3
Realiseer een beplante greppel of wadi van minstens 30 centimeter diep ten opzichte van maaiveld en minstens 120 centimeter lang en breed waar regenwater naar wordt afgevoerd en langzaam wordt opgenomen in de grond.
Takkenrillen aanbrengen
Terrein
1
Realiseer binnen 2 meter van de rand(en) van het perceel een (gevlochten) takkenril van minstens 2 meter lang, 15 centimeter breed en 40 centimeter hoog voor reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.
Dood hout of houtstobben
Terrein
1
Realiseer minstens 1 m2 aan liggende boomstronk(en) of houtstobben voor insecten, reptielen en amfibieën.
Terrein
1
Realiseer steenstapels, los of in schanskorven met een minimale lengte van 3 meter, hoogte van 50 centimeter en
neerleggen Schanskorven of stenen stapels aanbrengen
breedte van 30 centimeter als schuilplaats voor reptielen en amfibieën.
Dierenverblijfplaatsen Losstaand insectenhotel
Terrein
1
aanbrengen Insectenhotel in gevel
voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd. Gevel
1
aanbrengen Vogelnestkast in gevels
Realiseer een losstaande insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m 2. Het insectenhotel is bij
Insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m2, ingebouwd in de gevel. Het insectenhotel is bij voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd.
Gevel
1
Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden.
Vleermuiskast in gevels
Gevel
1
Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kast is in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
28/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Voor vleermuizen geschikte en
Gevel
Punten 3
toegankelijke spouwmuur
Voorwaarden Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
Gevelbetimmering voor vleermuizen
Gevel
3
Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
29/38
Kenmerk
2.7
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 7: Bedrijven Op Zuid
2.7.1 Minimum te behalen punten Het minimaal aantal natuurpunten voor Bedrijven Op Zuid is afhankelijk van de kavelgrootte. •
Voor kavels met een oppervlakte tot 1.000 m2 worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal vijftien (15) natuurpunten
•
Voor kavels met een oppervlakte vanaf 1.000 m2 tot 3.000 m2 worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten Voor kavels met een oppervlakte vanaf 3.000 m2 worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in
•
totaal twintig (20) natuurpunten 2.7.2
Menukaart Bedrijven Op Zuid
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting > 10 m2 streekeigen beplanting
Terrein
3
Planten streekeigen bomen
Terrein
3
Planten inheemse struiken
Terrein
2
Realiseren kruiden dak
Dak
3
Intensief begroeide daktuin
Dak
3
Ten minste 10 m2 van het kavel wordt voorzien van streekeigen (laag blijvende) plantensoorten. Dit wil zeggen: soorten die van nature voorkomen op de zandgronden van het Gooi. Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 3 meter bij aanplant) van een van nature op de zandgronden van het Gooi voorkomende soort. Er wordt ten minste één grote struik geplant (hoogte minimaal 1 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland voorkomende soort. Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een kruidendak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 30 centimeter) met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen. Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een begroeide daktuin met een grondlaag vanaf 30 centimeter. De begroeiing is voorzien van een hoge diversiteit met streekeigen soorten grassen, kruiden, struiken en/of bomen, waarvan ten minste 20 soorten insectvriendelijk zijn.
30/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Gevelbeplanting
Gevel
Punten 3
Voorwaarden Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Habitatmaatregelen Open, onbetreden zand
Terrein
1
aanbrengen Poel of vijver
Minimaal 0,5 m2 open zand nabij dood hout en/of kruidenbeplanting voor grondgebonden insecten aanbrengen. Zand niet betreden.
Terrein
3
Realiseer een poel / vijver van ten minste 5 m2 en minstens 60 centimeter diep met flauwe, begroeide oevers, waarbij (periodieke) droogvalling is voorkomen.
Wadi
Terrein
3
Realiseer een beplante greppel of wadi van minstens 30 centimeter diep ten opzichte van maaiveld en minstens 120 centimeter lang en breed waar regenwater naar wordt afgevoerd en langzaam wordt opgenomen in de grond.
Takkenrillen aanbrengen
Terrein
1
Realiseer binnen 2 meter van de rand(en) van het perceel een (gevlochten) takkenril van minstens 2 meter lang, 15 centimeter breed en 40 centimeter hoog voor reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.
Dood hout of houtstobben
Terrein
1
Realiseer minstens 1 m2 aan liggende boomstronk(en) of houtstobben voor insecten, reptielen en amfibieën.
Terrein
1
Realiseer steenstapels, los of in schanskorven met een minimale lengte van 3 meter, hoogte van 50 centimeter en
Terrein
2
Alle buitenlampen worden voorzien van amberkleurige led-lampen of andere vleermuisvriendelijke verlichting.
Terrein
1
Realiseer een losstaande insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m 2. Het insectenhotel is bij
Gevel
1
Gevel
1
neerleggen Schanskorven of stenen stapels aanbrengen Vleermuisvriendelijke verlichting
breedte van 30 centimeter als schuilplaats voor reptielen en amfibieën.
Dierenverblijfplaatsen Losstaand insectenhotel aanbrengen Insectenhotel in gevel
voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd.
aanbrengen Vogelnestkast in gevels
Insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m2, ingebouwd in de gevel. Het insectenhotel is bij voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd. Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden. 31/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Vleermuiskast in gevels
Gevel
Punten 1
Voorwaarden Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kast is in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Voor vleermuizen geschikte en
Gevel
3
toegankelijke spouwmuur
Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
Gevelbetimmering voor vleermuizen
Gevel
3
Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
32/38
Kenmerk
2.8
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 8: Appartementen Op Zuid
2.8.1 Minimum te behalen punten Voor Appartementen Op Zuid worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten per complex. 2.8.2
Menukaart Appartementen Op Zuid
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting > 10 m2 streekeigen beplanting
Terrein
3
Ten minste 10 m2 van het kavel wordt voorzien van streekeigen (laag blijvende) plantensoorten. Dit wil zeggen: soorten die van nature voorkomen op de zandgronden van het Gooi.
Planten streekeigen bomen
Terrein
3
Er wordt ten minste één boom geplant (hoogte minimaal 3 meter bij aanplant) van een van nature op de zandgronden van het Gooi voorkomende soort.
Planten inheemse struiken
Terrein
2
Er wordt ten minste één grote struik geplant (hoogte minimaal 1 meter bij aanplant) van een van nature in Nederland voorkomende soort.
Realiseren kruiden dak
Dak
3
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een kruidendak met (sedum), grassen, kruiden en dwergheesters (15 30 centimeter) met streekeigen soorten, zonder soorten die niet van nature in Nederland voorkomen.
Intensief begroeide daktuin
Dak
3
Minstens 40 % van het dakoppervlak heeft een begroeide daktuin met een grondlaag vanaf 30 centimeter. De begroeiing is voorzien van een hoge diversiteit met streekeigen soorten grassen, kruiden, struiken en/of bomen, waarvan ten minste 20 soorten insectvriendelijk zijn.
Gevelbeplanting
Gevel
3
Gevelbeplanting zodanig aanbrengen dat het aannemelijk is dat 5 jaar na aanplant minimaal 25 % van het geveloppervlak (uitgezonderd ramen en deuren en andere objecten waar beplanting niet kan of mag groeien) begroeid is. Gevelbeplanting bestaat uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie van in Nederland van nature voorkomende soorten, eventueel gecombineerd met tegen de gevel geplaatste dekking gevende struikachtigen
Habitatmaatregelen
33/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Open, onbetreden zand
Terrein
Punten 1
aanbrengen Poel of vijver
Voorwaarden Minimaal 0,5 m2 open zand nabij dood hout en/of kruidenbeplanting voor grondgebonden insecten aanbrengen. Zand niet betreden.
Terrein
3
Realiseer een poel / vijver van ten minste 5 m2 en minstens 60 centimeter diep met flauwe, begroeide oevers, waarbij (periodieke) droogvalling is voorkomen.
Wadi
Terrein
3
Realiseer een beplante greppel of wadi van minstens 30 centimeter diep ten opzichte van maaiveld en minstens 120 centimeter lang en breed waar regenwater naar wordt afgevoerd en langzaam wordt opgenomen in de grond.
Takkenrillen aanbrengen
Terrein
1
Realiseer binnen 2 meter van de rand(en) van het perceel een (gevlochten) takkenril van minstens 2 meter lang, 15 centimeter breed en 40 centimeter hoog voor reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.
Dood hout of houtstobben
Terrein
1
Realiseer minstens 1 m2 aan liggende boomstronk(en) of houtstobben voor insecten, reptielen en amfibieën.
Terrein
1
Realiseer steenstapels, los of in schanskorven met een minimale lengte van 3 meter, hoogte van 50 centimeter en
Terrein
2
Alle buitenlampen worden voorzien van amberkleurige led-lampen of andere vleermuisvriendelijke verlichting.
Terrein
1
Realiseer een losstaande insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m2. Het insectenhotel is bij
Gevel
1
neerleggen Schanskorven of stenen stapels aanbrengen Vleermuisvriendelijke verlichting
breedte van 30 centimeter als schuilplaats voor reptielen en amfibieën.
Dierenverblijfplaatsen Losstaand insectenhotel aanbrengen Insectenhotel in gevel
voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd.
aanbrengen Vogelnestkast in gevels
Insectenvoorziening met een oppervlak van minstens 1 m2, ingebouwd in de gevel. Het insectenhotel is bij voorkeur naar het zuiden of westen gericht en wordt zo min mogelijk beschaduwd.
Gevel
1
Per vogelsoort (gierzwaluw, huismus, gekraagde roodstaart of andere vogelsoort) worden minimaal 6 geschikte nestkasten ingebouwd met oriëntatie noord of oost. Kasten worden niet boven ramen geplaatst. Er kunnen voor maximaal twee vogelsoorten punten verdiend worden.
Vleermuiskast in gevels
Gevel
1
Minimaal vier vleermuiskasten van minstens 50 centimeter hoog, 20 tot 30 centimeter breed en met 1 tot 2 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kasten zijn in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
Kraamkast vleermuizen
Gevel
3
Minimaal twee vleermuiskasten van minstens 80 centimeter hoog, 70 centimeter breed en met 3 tot 4 compartimenten van rond de 2 centimeter diep. De kast is in de gevel ingebouwd op minimaal 3 meter hoogte, buiten verstoring van kunstlicht.
34/38
Kenmerk
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Maatregel
Onderdeel kavel
Voor vleermuizen geschikte en
Gevel
Punten 3
toegankelijke spouwmuur
Voorwaarden Een vrije ruimte tussen de buitenmuur en isolatiemateriaal van 2 centimeter diepte, met een geveloppervlakte van ten minste 2 x 1 meter. De spouw moet bekleed zijn met ruw hard materiaal. Openingen (stootvoegen) van 1,7 tot 2 x 4 centimeter op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond, maken de spouw toegankelijk.
Gevelbetimmering voor vleermuizen
Gevel
3
Houten betimmering aan de gevel van minstens 2 x 1 meter met aan onderzijde invliegopeningen van 2 x 4 centimeter op minstens 3 meter hoogte. Tussen de betimmering en de gevel is 2 centimeter loze ruimte.
35/38
Kenmerk
2.9
R001-1279748MFO-V04-sal-NL
Gebouwtype 9: CPO / Initiatieven
2.9.1 Minimum te behalen punten Voor CPO’s / Initiatieven worden natuurinclusieve maatregelen uit onderstaande catalogus verwacht met een minimale waarde van in totaal achttien (18) natuurpunten per gebouw met een minimale waarde van twee (2) per woning met een maximum van achttien (18) per gebouw. Bit betekent bijvoorbeeld dat bij een gebouw met 6 woningen minimaal 12 natuurpunten nodig zijn. Bij een gebouw met tien woningen zijn minimaal achttien (18) natuurpunten nodig. Het is uiteraard wel mogelijk om op vrijwillige basis meer natuurpunten te behalen dan vereist. 2.9.2
Menukaart CPO / Initiatieven
Maatregel
Onderdeel kavel
Punten
Voorwaarden
Beplanting > 10 m2 streekeigen beplanting