Bijlage 10 - MER-aanmeldnotitie
Tekst van het document
Ravelijn 10 4285 ED Woudrichem Tel. 0613165830 info@vdh-omgevingsadvies.nl
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Verleggen gastransportleiding W-500-01 nabij de Weg over Anna’s Hoeve te Laren.
Datum: Documentnummer: In opdracht van:
22-12-2025 2310-0507-3 N.V. Nederlandse Gasunie, Dhr. T.J. van de Velde
Projectbeschrijving Gasunie Transport Services B.V. heeft twee bestaande afsluiterschema’s S-6210 en S-6365 gelegen ter hoogte van de Weg over Anna’s Hoeve tussen Baarn en Hilversum, gemeente Laren. De in de ondergrond aanwezige afsluiters voldoen niet meer aan de huidige eisen en voorwaarden en moeten vervangen worden. De S-6365 zal vervangen worden door een passtuk, terwijl de S-6210 gereconstrueerd zal worden. De vernieuwde S-6210 zal tevens iets naar het westen worden verplaatst.
Figuur 1 Topografisch overzicht van de locatie.
In de huidige situatie is op de locatie van het nieuw te realiseren afsluiterschema een 2-tal plannen van kracht; bestemmingsplan ‘Natuurgebied 2009’ dat is vastgesteld op 25 november 2009 en het provinciaal inpassingplan ‘Hoogwaardig Openbaar Vervoer in het Gooi’ dat is vastgesteld op 10 april 2017. De locatie waar de ontwikkeling is voorzien is bestemd als ‘Natuur’ en ‘Verkeer’ in bovengenoemde plannen.
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
1
Figuur 2 Vigerende planologische situatie (links Natuurgebied 2009, rechts inpassingsplan HOV ’t Gooi)
De voorgenomen realisatie van een gecombineerd afsluiterschema op een nieuwe locatie is afwijkend ten opzichte van de vigerende bestemmingsplanen en wordt een herziening van het bestemmingsplan doorlopen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van een gastransportleiding. Voor de voorgenomen activiteit geldt conform het Besluit milieueffectrapportage een m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze verplichting komt voor uit artikel 2, lid 5 onder b van het besluit mer in combinatie met bijlage D, C 8.1 kolom 4 (besluiten) van het besluit. De activiteit die met het bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt genoemd in bijlage II bij het Besluit m.e.r.: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van aardgas” (D 8.1). Een m.e.r.-beoordelingsplicht is aan de orde in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied (zoals Natura 2000-gebied, Ecologische hoofdstructuur of grondwaterbeschermingsgebied). Alhoewel de activiteit ruimschoots onder de drempelwaarde ligt, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk (artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage 1994).
Op grond van het Besluit Milieueffectrapportage moet het besluit om geen MER te verlangen separaat (als zelfstandig besluit) worden genomen, dit proces kan parallel met de bestemmingsplanherziening meelopen. Het doel van een m.e.r.-beoordeling is om te analyseren in hoeverre sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Als uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kan het bevoegd gezag besluiten een m.e.r.- procedure op te starten. Als de milieugevolgen beperkt zijn of hier in het plan goed mee om kan worden gegaan, volstaat deze m.e.r.-beoordelingsnotitie. De m.e.r.-beoordeling is dan afgeronden vormt dan een bijlage bij dit bestemmingsplan. Dit betekent dat het bevoegd gezag in casu gemeente Laren, moet beoordelen of al dan niet een m.e.r.procedure moet worden doorlopen en dus een MER moet worden opgesteld. In voorliggende notitie zijn voor de relevante aspecten de milieueffecten van de voorgenomen activiteit – de beoogde situatie beoordeeld.
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
2
Concrete aanpassingen De voorgenomen aanpassing gaat om permanente werkzaamheden. In onderstaande figuur is de nieuwe, beoogde situatie weergegeven waarbij het nieuwe leidingwerk door middel van paars is aangegeven. Het lichtroze deel betreft het bestaande afsluiterschema dat vervangen zal worden door een passtuk.
Figuur 3 De situatie van het nieuwe leidingwerk na afloop van de werkzaamheden (in paars het nieuwe leidingwerk)
Aan de hand van onderstaande aspecten wordt een uiteenzetting gegeven van de impact van de beoogde ontwikkeling in relatie tot m.e.r.-beoordelingscriteria. Archeologie & cultuurhistorie Om de aanwezigheid van eventuele archeologische waarden in de ondergrond te kunnen bepalen heeft in opdracht van initiatiefnemer recent bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (booronderzoek)1 plaatsgevonden. De ondergrond van het plangebied bestaat zoals verwacht uit dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). In het westelijke deel van het plangebied, dat op het grondgebied van de gemeente Laren ligt, is in het dekzand een intacte podzolbodem aanwezig en is het dekzand afgedekt door veen (Formatie van Nieuwkoop) en/of stuifzand (Laagpakket van Kootwijk, Formatie van Boxtel).
1
17-07-2023, RAAP Rapport 6545, Plangebied afsluiterschema S-6210 te Laren en Baarn.
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
3
Figuur 4 locaties van de boringen in het kader van archeologisch onderzoek
In boring 3 is de podzol verrommeld en is een afwijkende donkergrijze laag met houtskoolspikkels aangetroffen. Dit betreft mogelijk een grondspoor. De verrommelde podzol is wel afgedekt door intact stuifzand. Het betreft dus geen recente verstoring. De houtskoolhoudende laag wordt gezien als aanwijzing voor een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Het is echter niet mogelijk om te bepalen of het om resten van jager-verzamelaars uit de steentijd of van landbouwers (vanaf neolithicum) gaat. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen wordt voor het deel van het plangebied in de gemeente Laren vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een waarderende fase van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Voorafgaand aan een dergelijk onderzoek moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld, waarin onder meer de doel- en vraagstelling en de methode van het onderzoek zijn vastgelegd. Dit PvE dient voor aanvang van het onderzoek akkoord te zijn bevonden door de bevoegde overheid, in deze de gemeente Laren. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden voor start van de werkzaamheden en is geen belemmering voor de voortgang van de procedure. Aan de hand van het proefsleuvenonderzoek kan bepaald worden of er daadwerkelijk archeologische sporen in de ondergrond aanwezig zijn die moeten worden veilig gesteld tijdens de graafwerkzaamheden.
In, om in de directe omgeving van, het projectgebied zijn geen historische bouwwerken of monumentale panden met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. De verlegging van de gastransportleiding is dan ook niet van (negatieve) invloed op de cultuurhistorie ter plaatse.
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
4
Bodem Omdat de werkzaamheden zich met name in en op de bodem zullen plaatsvinden is historisch milieukundig onderzoek2 verricht binnen het plangebied, zowel voor de bodem als de waterbodem. Hiermee is getracht relevante informatie met betrekking tot het voormalig en huidige gebruik te verzamelen en tevens potentieel verdachte activiteiten zichtbaar te maken die de bodemkwaliteit op de locatie mogelijk hebben beïnvloed. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is vast te stellen of er ter hoogte van de onderzoekslocatie sprake is van een verontreiniging van grond en/of grondwater. Aan de hand van een groot aantal peilbuizen en boringen is de ondergrondse situatie op milieukundig aspect inzichtelijk gemaakt. Onderstaande illustratie geeft het aantal onderzoekslocaties weer waarop het onderzoek is gebaseerd.
Figuur 5 Onderzoekslocaties bodemonderzoek
Onderzoeksresultaten bestaande locaties Uit het verrichte onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter hoogte van afsluiterschema S-6365 sterke grond-verontreinigingen met nikkel, PAK aanwezig zijn in de ondergrond. Middels het nader onderzoek zijn de beide verontreinigingen volledig afgeperkt. Verder onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient voorafgaand aan de werkzaamheden een plan van aanpak te worden opgesteld. De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen door een BRL7001 gecertificeerd aannemer onder toezicht van een BRL6001 gecertificeerd milieukundig begeleider te worden uitgevoerd. Onderzoeksresultaten nieuwe locatie Ter hoogte van de nieuwe locatie van het afsluiterschema kan op grond van het uitgevoerde verkennend en nader onderzoek worden geconcludeerd dat ter hoogte van de boringen 31, 32, 125, 127 en 132 een matige tot sterke grondverontreiniging met PAK aanwezig is welke te relateren is aan de aangetoonde 27 juni 2023, WSP, Verkennend en nader bodemonderzoek afsluiterschema’s S-6210 en S-6365 aan de weg over Anna’s Hoeve te Laren, SOL022574MK, versie 3.0 2
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
5
grondverontreiniging met PAK in 2021/2022. Op basis van het onderhavige onderzoek is de omvang van de sterke grondverontreiniging met PAK voor de geplande werkzaamheden voldoende in beeld. Voorafgaand aan de geplande werkzaamheden dient een BUS-melding te worden verricht. De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen door een BRL7001 gecertificeerd aannemer onder toezicht van een BRL6001 gecertificeerd milieukundig begeleider te worden uitgevoerd. Ter bepaling van de veiligheidsklasse zijn de gemeten waarden tevens getoetst aan de CROW400. Uit deze toetsing blijkt dat er bij graafwerkzaamheden ter hoogte van boring 04 (aftappunt 81), naast de basishygiëne, de veiligheidsklasse ‘’Rood vluchtig’’ van toepassing is op basis van de gemeten waarde aan minerale olie in de grond. Ter hoogte van de overige boorpunten is, naast de basishygiëne, geen veiligheidsklasse van toepassing bij graafwerkzaamheden. De definitieve veiligheidsklasse dient door een veiligheidskundige te worden vastgesteld.
Flora en Fauna Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet samengevoegd tot één nieuwe wet. De bevoegdheden zijn hierbij meer komen te liggen bij de provinciale overheden. Een uitzondering hierop zijn ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor de natuur hebben, waaronder het gastransportnetwerk van Gasunie. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) blijft hiervoor het bevoegd gezag. Gebieden In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in soorten en gebieden. Met name voor gebieden valt de wetgeving terug op Europese regelgeving van de Habitat- en Vogelrichtlijn waardoor er weinig verandert. Het plangebied is niet gelegen in, of in nabijheid van, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Provinciale gebiedsbescherming De projectlocatie is gelegen in het NatuurNetwerk Nederland (NNN) van provincie Noord-Holland en net buiten het NNN-gebied van de provincie Utrecht.
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
6
Figuur 6 Situatie plangebied ten aanzien van NNN-gebieden (paars en groen)
De werkzaamheden in de oostelijke berm van de Zandheuvelweg vinden plaats in Droog bos met productie (N16.03). Hier worden twee bomen gekapt op de grens van het NNN. Deze beperkte kap in een natuurtype waar houtoogst een doel is en reeds periodiek bomenkap plaatsvindt, zorgt niet voor aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN Utrecht. Het bostype blijft als dusdanig behouden. De werkzaamheden in de westelijke berm van de Zandheuvelweg vinden plaats in Dennen-, eiken, en beukenbos (N15.02) en omvatten het definitief kappen van circa 1320 m2 en mogelijk kappen van 405 m2 van dit natuurtype. Ten zuiden van de Weg over Anna’s Hoeve dient mogelijk gekapt te worden vanwege het tijdelijk afsluiten (ook wel bekend als stoppelen) van de gasleiding. Deze locatie ligt binnen natuurtype Dennen-, eiken-, en beukenbos (N15.02) en afhankelijk van de definitieve begrenzing ook mogelijk in natuurtype Droge heide (N07.01). Gezien de omvang van de te kappen oppervlakte binnen het NNN en, zoals reeds beschreven in paragraaf 3.2.3. van deze toelichting, is compensatie van dit oppervlakte noodzakelijk in de provincie Noord-Holland. Het plangebied ligt in gemeente Laren in het NNN-gebied Gooi Midden en Zuid (A18) met als kenmerk “dennen-, eiken-, en beukenbos” (N15.02).
Door middel van natuurcompensatie worden de negatieve effecten op kwaliteit (de wezenlijke kenmerken en waarden), samenhang en het oppervlak van het NNN gecompenseerd op de compensatielocatie, die in gemeente Hilversum ligt. Hiervoor hebben Gasunie en Provincie Noord-Holland een compensatieovereenkomst NNN gesloten met als doel het vastleggen van de rechten en verplichtingen van Partijen met betrekking tot de ten behoeve van de verwezenlijking van het project te nemen compensatiemaatregelen. Als locatie van compensatie is gekozen voor een nabijgelegen locatie in hetzelfde NNN-gebied, echter binnen gemeente Hilversum. Onderstaande locatie is hiervoor geschikt geacht.
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
7
Figuur 7 Locatie ontwikkeling (rood) en de locatie van de compensatieopgave in gemeente Hilversum (zwart)
Figuur 8 Situatie compensatieopgave binnen NNN-gebied
Compensatieopgave Voor een deel betreft het een tijdelijke en voor deel een permanente aantasting. Voor de permanente aantasting ter grootte van het afsluiterschema en het pad van beton geldt een compensatie-opgave van 1,33 (oppervlakte + toeslag van 1/3) keer de oppervlakte die verloren gaat (zie ook figuur 4.1). De toeslag van 1/3 is gebaseerd op een ontwikkeltijd van de bosvegetatie die valt in de categorie 0-25 jaar. Voor het
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
8
afsluiterschema (89 m2) en pad van grasbeton (84,5m2) is dus een compensatieopgave vereist zoals vermeld in tabel 4.1. Voor de tijdelijke aantasting van het NNN, 506 m2 aan oppervlak van de nieuw te leggen leidingen in het plangebied geldt dat het NNN ter plaatse gehandhaafd kan blijven en is geen extra kwaliteitstoeslag benodigd aangezien dit een ander NNN-beheertype kan krijgen (zoals struikgewas).
Conform de Omgevingsverordening NH2022 dienen effecten op de ecologische waarden en kenmerken van het NNN te worden gecompenseerd (art. 6.54). Hierbij wordt de keuze gegeven tussen fysieke compensatie en financiële compensatie en geldt een compensatietoeslag op basis van de ontwikkeltijd van het vernietigde areaal (in dit geval bosgebied). Bij onderhavig voornemen is gekozen voor fysieke compensatie. Met de ondertekende compensatieovereenkomst op basis van bovengenoemde compensatieplan is de compensatieverplichting door initiatiefnemer juridisch vastgelegd en overeengekomen met betrokkenpartijen (o.a. Provincie Noord-Holland, gemeente Hilversum en grondeigenaar Goois Natuurreservaat) waardoor de ontwikkeling passend is binnen dit beleidskader. Gebiedsbescherming conform Wet Natuurbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied ligt op ruim 7 kilometer ten oosten van het plangebied. Het gaat hier om het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.
Figuur 9 Situatie plangebied ten opzichte van Natura2000-gebieden
Tussen het plangebied en het Natura2000-gebied bevinden zich meerdere drukke wegen. Gezien de aard van de ingreep (kleinschalige ingrepen) in het plangebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
9
door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Er is geen kans op fysieke aantasting of verstoring. Verdere toetsing aan de Wnb voor het onderdeel gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. Negatieve effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden op Natura 2000-gebieden kan niet worden uitgesloten. Hiervoor is een Aerius-berekening uitgevoerd en is een onderbouwing toegevoegd waarin de berekening verder is toegelicht. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is de partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor activiteiten van de bouwsector komen te vervallen. Dat houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie zal moeten worden berekend aan de hand van een Aeriusberekening. Op basis van de Aerius-berekening wordt per Natura2000-gebied zichtbaar in hoeverre en in welke mate er sprake is van stikstofdepositie. Voor de werkzaamheden is deze berekening uitgevoerd. Uit de berekening3 blijkt dat er ten gevolge van de activiteiten tijdens de realisatiefase geen toenames groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvinden op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er is daarom geen sprake van een vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming.
Soorten De verandering die de Wet natuurbescherming voor soorten met zich mee heeft gebracht is dat er nieuwe soorten beschermd zijn en eerder beschermde soorten juist geen beschermde status meer hebben. Per provincie is hierin onderscheid gemaakt waardoor de soortenbescherming niet meer landelijk gelijk is. Vanuit de natuurwetgeving blijft bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden of (mitigerende) maatregelen kunnen worden genomen. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer heeft dan ook een natuurtoets4 naar flora en fauna verricht op en rond de projectlocatie. Resultaten Aan de hand van gegevens uit de bureaustudie, de aanwezige biotoop en ecologische expertise is een inschatting gemaakt met betrekking tot het (mogelijk) voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Tevens is natuurinformatie opgevraagd bij de Nationale Databank Flora en Fauna. Uit het onderzoek wordt het volgende geconstateerd: •
Het verspreidingsbeeld van streng beschermde soorten hazelworm en levendbare hagedis op de ingreeplocatie en binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep is onvoldoende actueel en volledig om effecten van de ingreep te kunnen beoordelen. Vervolgonderzoek is nodig. Aan de hand van het vervolgonderzoek kan de verplichting volgen voor een eventueel noodzakelijke Wnbontheffing of nadere mitigerende maatregelen tijdens uitvoering. Deze zullen door initiatiefnemer
•
worden opgevolgd. Binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep kunnen de volgende streng beschermde soorten voorkomen: das, hazelworm en levendbarende hagedis. Verder dient gedurende het broedseizoen rekening te worden gehouden met broedende vogels.
•
Negatieve effecten kunnen deels worden voorkomen door het treffen van mitigerende
maatregelen voorafgaand of tijdens de werkzaamheden.
3 3 december 2025, Antea Group, stikstofdepositie-onderzoek, vervangen afsluiterschema’s S-6210 en S6365 te Hilversum, 0496049.000, revisie 01 4 20-06-2023, WSP Nederland B.V., Natuurtoets afsluiterschema’s S-6365 en S-6210, SOL022574FF, definitief
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
10
•
Indien de voorgestelde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, wordt overtreding van verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en 3.10 voor de meeste soorten voorkomen. Alleen voor de nader te onderzoeken soorten is dat nog onduidelijk.
De voorgestelde mitigerende maatregelen voor de aanwezige soorten dassen en (algemene) broedvogels luidt als volgt; Grondgebonden zoogdieren (dassen) •
De werkputten worden met een flauw talud afgewerkt als uittreedplaats voor dieren of er worden uittreedplanken aangebracht. Op deze wijze kunnen dassen zelfstandig de werkput verlaten.
•
Ook is het mogelijk te voorkómen dat dassen in de werkput terecht komen door deze volledig af te zetten met een dassenkerend raster.
Broedvogels •
De werkzaamheden (inclusief bomenkap) worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van
aanwezige broedvogels. Dat loopt globaal van maart t/m juli, maar in het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. •
Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om de ingreeplocatie voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken voor vogels om er te broeden, op voorwaarde dat met zekerheid is vastgesteld dat er geen essentiële functies, zoals verblijfplaatsen en vliegroutes, voor andere beschermde soorten aanwezig zijn. Dat kan door binnen de begrenzing van het werkterrein (werkputten, grond- en materiaalopslag, parkeerplaatsen, etc.) bomen en struiken te rooien en overige vegetaties kort te houden. Dergelijke maatregelen dienen uitsluitend voor het voorkómen van vestiging, niet voor het bestrijden van al aanwezige broedgevallen. Op deze wijze wordt voorkomen dat broedvogels gaan broeden op het werkterrein, waarna werkzaamheden ook in het broedseizoen kunnen plaatsvinden.
Opgemerkt moet worden dat voor werkzaamheden aan het hoge druk gastransportnetwerk van Gasunie het ministerie van EZ (RVO) bevoegd gezag is in het kader van de Wnb5. Hydrologie De leidingen bestaan uit een afgesloten geheel van niet uitlogend materiaal en zijn daarmee niet van invloed op het grondwater in de ondergrond. Naar verwachting zal er gedurende de werkzaamheden bouwputbemaling benodigd zijn om deze droogte te kunnen realiseren. Het te onttrekken water zal geloosd worden op nabij gelegen oppervlakte water, in overleg met het waterschap. Naar verwachting zal, gezien de kortstondigheid van de uitvoeringsperiode, de invloed op de omgeving nihil zijn, eventueel door middel van passende maatregelen en/of monitoring. Externe veiligheid Groeprisico Gezien de minimale aanpassing van het leidingwerk en de ligging van de voorgenomen aanpassing ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten, kan worden aangenomen dat er geen negatieve beïnvloeding is van het groepsrisico. Het voorliggende bestemmingsplan alsmede het vigerende bestemmingsplan bieden 5 Zie artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
11
ook geen mogelijkheden tot de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten in directe nabijheid van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast biedt de locatie voldoende mogelijkheden om te vluchten in geval van een calamiteit. Nota bene zijn er in de directe omgeving van de leiding geen kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, e.d.) gelegen die het groepsrisico op een negatieve wijze beïnvloeden. Verdere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van gastransportleiding voldoet, in huidige en toekomstige situatie, in het plangebied aan het Bevb en Revb. Aan de gestelde voorwaarde, dat het PR van deze leiding op een afstand van vier meter gemeten uit het hart van de leiding niet hoger is dan 10-6 per jaar, wordt voldaan. Het niveau van 10-6 wordt niet bereikt waardoor dan tevens voldaan wordt aan de voorwaarde dat er zich geen kwetsbare objecten binnen deze contour bevinden. Zowel het Groepsrisico als het Plaatsgebonden Risico voldoen aan de normen van het Bevb. Het nieuwe tracé heeft dus geen (nadelige) gevolgen voor PR en GR. Niet Gesprongen Explosieven (NGE’s) Ondanks dat de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in de ondergrond niet direct een ruimtelijk aspect betreft, kan het de realisatie van de gewenste ontwikkeling wel degelijk bemoeilijken.
Er is dan ook een vooronderzoek6 uitgevoerd om de kans op mogelijke aanwezigheid van (niet gesprongen) explosieven inzichtelijk te maken. Op basis van de beoordeelde feiten is geconcludeerd dat er geen indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Derhalve is het onderzoeksgebied niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hinder Bouw- en aanlegwerkzaamheden zullen ongetwijfeld enige vorm van hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid door draaiende machines of transport door vrachtwagens, met zich mee brengen. Dit is echter van beperkte omvang en voor slechts een aantal weken. Daarnaast zal de uitvoerend aannemer de werkzaamheden met zorg voor de omgeving uitvoeren, de omgeving hierover informeren en waar nodig nadere afspraken maken. Alle eventuele afvalstoffen zullen worden verzameld en afgevoerd naar een erkende verwerker. Er zijn geen gelijktijdige andere projecten in de directe omgeving (bekend) die een cumulatief effect kunnen hebben. Conclusie Op basis van bovenstaande uitwerking van de milieukundige relevante aspecten die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zouden kunnen optreden, kan geconcludeerd worden dat er geen significante nadelige gevolgen worden voorzien.
Wel gelden een aantal aandachtspunten en aanvullende maatregelen die genomen moeten worden alvorens de milieukundige situatie volledig en actueel in beeld is. De volgende acties zijn in ieder geval noodzakelijk alvorens de uitvoering kan worden opgestart; -
Er dient aanvullend archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden om de definitieve ondergrondse archeologische waarden inzichtelijk te maken. Afhankelijk van de resultaten moet
6 29-03-2023, AVG Explosieven Opsporing, Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten, Hilversum S-6210 n S-6365, 143000154-VO-02D
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
12
beoordeeld worden of aanwezige waarden voorafgaand of tijdens de werkzaamheden in veiligheid moeten worden genomen. Gemeente Laren is hiervoor het bevoegd gezag. -
Er dient een aerius-berekening te worden uitgevoerd met een rapportage waaruit blijkt dat er sprake is van 0,00mol/ha uitstoot op nabijgelegen, en stikfstofgevoelige Natura2000-gebieden. Indien er uit de Aerius-berekening blijkt dat er een grotere uitstoot is dient een voortoets, mogelijk gevolgd door een passende beoordeling en Wnb-ontheffing te worden aangevraagd en verkregen. De conclusie van de uitgevoerde aerius-berekening luidt dat er niet meer dan 0,00mol/ha/jaar uitstoot zal plaatsvinden.
-
Om het uitgevoerde natuuronderzoek verder compleet te maken dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van levendbare hagedis en hazelworm te kunnen uitsluiten of bevestigen. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek dient een ecoloog te bepalen of met mitigerende maatregelen de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder negatieve impact op de instandhoudingsdoelstellingen van de genoemde soorten te hebben. Mocht dat niet het geval zijn dan is een Wnb-ontheffing noodzakelijk
-
-
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dienen ten minste mitigerende maatregelen genomen te worden vanwege de (mogelijk) aanwezige beschermde diersoorten das en (broed)vogels. E.e.a. afhankelijk van de uitvoeringswijze en -periode. Op basis van het uitgevoerde bodemodnerzoek is het noodzakelijk dat er een BUS-melding bij het bevoegd gezag wordt ingediend en geaccordeerd, tevens dienen de (graaf)werkzaamheden onder milieukundige begeleiding te worden uitgevoerd.
Uitgaande van de professionele benadering van opdrachtgever waarbij alle noodzakelijke onderzoeken en maatregelen worden getroffen, kan geconcludeerd worden dat het voornemen niet leidt tot significante nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet milieubeheer. Er is daarom geen aanleiding om een m.e.r.-procedure te doorlopen, omdat dit geen additionele informatie verschaft inzake het beoordelen van de milieueffecten. Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Laren wordt gevraagd om in te stemmen met voorliggende notitie en te besluiten dat voor de voorgenomen ontwikkeling een milieueffectrapportage niet noodzakelijk wordt geacht.
Ravelijn 10 4285 ED Woudrichem Tel. 0613165830 info@vdh-omgevingsadvies.nl
Verleggen gastransportleiding W-500-01 te Laren
Aanmeldnotitie
13