CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 1 - Was-wordt-tabel

Commissie Maatschappij en Financiën 14 mei 2025, gemeente larenBij agendapunt: Algemene plaatselijke verordening Laren 202510.054 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

A

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

Inhoudsopgave (…)

De inhoudsopgave in de aanhef van de verordening wordt geschrapt.

Redactionele wijziging / harmonisatie. Bij publicatie op overheid.nl verschijnt al automatisch een inhoudsopgave, waarbij er doorgeklikt kan worden naar de verschillende hoofdstukken, afdelingen, paragrafen en artikelen. In lijn met de APV’s van Blaricum en Eemnes wordt daarom voorgesteld de inhoudsopgave in de aanhef van de APV te schrappen. Bij het raadsvoorstel is een losse inhoudsopgave bijgevoegd (bijlage 2).

B

C

Artikel 1.1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: (…) gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

VNG zomeraanpassing 2024.

De definitie van ´gebouw´ komt te luiden:

Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd.

Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een

Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd:

gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

Tekstuele wijzigingen in lijn met de VNG modelAPV.

Het tweede, derde en vijfde lid komen te luiden: 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

1

APV nu

D

Voorgestelde wijziging

ambtenaar van politie, een gemeentelijk buitengewoon opsporingsambtenaar of toezichthouder van de gemeente zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie, een gemeentelijk buitengewoon opsporingsambtenaar of toezichthouder van de gemeente zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2.16 Openen straatkolken e.d.

Het opschrift van artikel 2.16 komt te luiden:

Toelichting

c.

3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Tekstuele wijziging in lijn met de VNG model-APV.

Artikel 2.16 Openen straatkolken en dergelijke E

Artikel 2.19A Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, met inbegrip van daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en de daarbij behorende erven, messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Dit verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere voorwerpen, die als steekwapen kunnen

Artikel 2.19A komt te luiden: Artikel 2.19A Messen en andere voorwerpen als steekwapen (Vervallen; opgenomen in artikel 2.50A)

Verplaatsing artikel in lijn met de nummering van de VNG model-APV. Zie ook de voorgestelde wijziging onder O.

2

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

Artikel 2.28, derde en vierde lid, komen te luiden:

Toevoeging aanvullende weigeringsgrond exploitatievergunning openbare inrichting.

worden gebruikt, mits deze voorwerpen zodanig zijn ingepakt, dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik. F

G

Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan, tenzij en voor zover voor de exploitatie van de openbare inrichting bij een omgevingsvergunning van het omgevingsplan is afgeweken. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting, of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waar de openbare inrichting is gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. (…)

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting, of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. een eerdere vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting is ingetrokken, anders dan op verzoek van de vergunninghouder, of als de openbare inrichting met toepassing van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. 4. Bij de toepassing van de in het derde lid, aanhef en onder a, genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waar de openbare inrichting is gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. Na artikel 2.34 wordt onder vernummering van de afdelingen 5 tot en met 11 van Hoofdstuk 2 een

Dit artikel regelt de horeca-exploitatievergunning. Voorgesteld wordt een aanvullende weigeringsgrond toe te voegen op basis waarvan de exploitatievergunning kan worden geweigerd als een eerdere exploitatievergunning is ingetrokken, anders dan op verzoek van de vergunninghouder, of als de openbare inrichting is gesloten met toepassing van de APV of artikel 13b van de Opiumwet (Wet Damocles). Dit geeft de burgemeester de bevoegdheid om de exploitatievergunning bijvoorbeeld te weigeren als de openbare inrichting eerder gesloten is vanwege drugshandel of het aantreffen van (een handelshoeveelheid) drugs.

Overheveling Drank- en Horecaverordening gemeente Laren 2014 (hierna: Drank- en Horecaverordening) naar de APV.

3

APV nu

Voorgestelde wijziging nieuwe afdeling ingevoegd, waarvan het opschrift komt te luiden: Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet

Toelichting

De huidige Drank- en Horecaverordening is aan actualisatie toe. Onder meer omdat de Drank- en Horecawet inmiddels is vervangen door de Alcoholwet. Voorgesteld wordt deze verordening (geactualiseerd) over te hevelen naar de APV. De APV regelt al aanverwante zaken zoals de horecaexploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke. Zie het raadsvoorstel voor een algemene toelichting en deze Was-wordt-tabel voor een specifieke toelichting per artikel.

H

Drank- en Horecaverordening nu: Artikel 1 Begripsbepalingen 1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: Drank- en Horecawet; b. terras: het buiten de besloten ruimte gelegen deel van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse mogen worden verstrekt; c. vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet; d. bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:  leidinggevenden in de zin van de wet;

Na het opschrift van Hoofdstuk 2, afdeling 5 (nieuw) wordt een nieuw artikel 2.34a ingevoegd, dat komt te luiden: Artikel 2.34a Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf exploiteert; b. terras: het buiten de besloten ruimte gelegen deel van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse mogen worden verstrekt. 2. In deze afdeling wordt verder verstaan onder:  alcoholhoudende drank;

Actualisatie definities / wijziging in lijn met de VNG model-APV. De definities van ´paracommerciële inrichting´ en ´terras´ worden overgenomen in het nieuwe artikel 2.34a van de APV. De overige definities van artikel 1 van de Drank- en Horecaverordening zijn niet meer relevant voor de APV-artikelen in deze afdeling. De definities in artikel 2.34a, tweede lid, worden in lijn met de VNG model-APV opgenomen. De definities uit de Alcoholwet werken door in de op de Alcoholwet gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen naar de Alcoholwet.

4

APV nu  

I

Voorgestelde wijziging

Toelichting

personen die dienst doen in de inrichting; personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; e. paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf exploiteert; f. restaurant: een inrichting voornamelijk gericht op het verstrekken van maaltijden. 2. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de overige begrippen in deze verordening verstaan hetgeen de wet daaronder verstaat.

 horecabedrijf;  horecalokaliteit;  inrichting;  paracommerciële rechtspersoon;  sterke drank;  slijtersbedrijf;  slijtlokaliteit;  zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Drank- en Horecaverordening nu:

Na artikel 2.34a (nieuw) wordt een nieuw artikel 2.34b ingevoegd, dat komt te luiden:

Wijzigingen in lijn met de VNG model-APV / op verzoek van cluster APV en bijzondere wetten.

Artikel 2.34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken dagelijks vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur. 2. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste zes bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 3. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk 48 uur voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.

Voorgesteld wordt gelijke schenktijden te hanteren voor alle paracommercie. De artikelen 7 en 8 van de Drank- en Horecaverordening worden samengevoegd in artikel 2.34b, eerste lid, van de APV. Afgezien van SV Laren, valt de aanwezige paracommercie onder de uitzonderingen en mag dus al langer open. Het gelijktrekken van de schenktijden voor alle paracommercie is duidelijker en is ook de wens van de paracommerciële horeca. De reguliere horeca heeft hier geen bezwaar tegen. Voor Blaricum en Eemnes zijn dezelfde schenktijden voorgesteld.

Artikel 7 Schenktijden paracommerciële inrichtingen (Hoofdregel) 1. Het is verboden in paracommerciële inrichtingen alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden: maandag tot en met vrijdag 17.00 uur tot 24.00 uur zaterdag en zondag en algemeen erkende feestdagen. 12.00 uur tot 21.00 uur 2. Van het bepaalde onder lid 1 kan zes keer per jaar ontheffing worden verleend voor activiteiten die betrekking hebben op de in de statuten genoemde doelstellingen van de paracommerciële inrichting. 3. De ontheffing voor de in lid twee bedoelde activiteiten dient tenminste vier weken voordat de activiteit plaatsvindt te worden aangevraagd. 4. De ontheffing kan worden geweigerd indien door het verlenen van de ontheffing het woon- en

De eerdere ontheffingsmogelijkheid van de schenktijden (artikelen 7, tweede lid, en 8, tweede lid, van de Drank- en Horecaverordening) wordt niet opgenomen in het nieuwe artikel, omdat dit

5

APV nu leefklimaat wordt aangetast en dat daaraan niet door middel van het stellen van voorschriften tegemoet kan worden gekomen. Artikel 8 Andere schenktijden voor bepaalde typen paracommerciële inrichtingen 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 7 hanteren de in onderstaand schema opgenomen typen paracommerciële inrichtingen de hierna opgenomen schenktijden: gemeenschapshuizen (buurt- en dorpshuizen), kerkgebouwen en daarmee gelijk te stellen paracommerciële inrichtingen, biljart,- schaak-, klaverjas-, en daarmee gelijk te stellen verenigingen, tennisvereniging, dierensportverenigingen, schietvereniging Alle dagen van de week 12.00 uur tot 24.00 uur zaalsporten, manege, watersport, Vliegclub, toneelcarnavalsvereniging, muziekvereniging en daarmee gelijk te stellen inrichtingen Alle dagen van de week 15.00 uur tot 24.00 uur 2. De burgemeester kan zes keer per jaar ontheffing verlenen van de in het eerste lid opgenomen schenktijden. 3. De ontheffing dient tenminste vier weken van te voren te worden aangevraagd. 4. De ontheffing kan worden geweigerd indien door het verlenen van de ontheffing het woon- en leefklimaat wordt aangetast en dat daaraan niet door middel van het stellen van voorschriften tegemoet kan worden gekomen.

Voorgestelde wijziging

Toelichting in de Alcoholwet is geregeld. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van de door de raad gestelde regels voor schenktijden en voor de verschillende soorten bijeenkomsten van paracommerciële rechtspersonen. Hier wordt terughoudend mee omgegaan, en dat moet ook gelet op de bewoordingen van de wet. Artikel 9 van de Drank- en Horecaverordening gaat over naar artikel 2.34b, tweede lid, van de APV. Nu geldt een verbod om alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, of tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken. De burgemeester kan vier keer per jaar ontheffing verlenen van dit verbod. Op basis van het nieuwe artikel 2.34b, tweede lid, van de APV mag een paracommercieel rechtspersoon alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar maximaal zes van dergelijke bijeenkomsten. Het afschaffen van de ontheffingsplicht is wenselijk, zowel vanuit de ambtelijke organisatie als de paracommercie. Het is bekend dat dergelijke bijeenkomsten worden gehouden in de paracommercie.

De reguliere horeca is hier niet op tegen, maar ziet wel graag dat het gemaximaliseerd blijft en dat daar ook op wordt toegezien. Vanuit de paracommercie ligt het

6

APV nu

Voorgestelde wijziging

Artikel 9 Privé-bijeenkomsten en bijeenkomsten derden 1. Ter voorkoming van oneerlijke mededinging is het verboden in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken: a. tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, of b. tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken. 2. De burgemeester kan vier keer per jaar ontheffing verlenen van het in het eerste lid opgenomen verbod. De ontheffing dienst tenminste vier weken van te voren te worden aangevraagd. 3. De ontheffing kan worden geweigerd indien door het verlenen van de ontheffing het woon- en leefklimaat wordt aangetast en dat daaraan niet door middel van het stellen van voorschriften tegemoet kan worden gekomen. 4. Tijdens de onder a en b genoemde bijeenkomsten dient te allen tijde een op de vergunning of op het aanhangsel van de vergunning genoemde leidinggevende aanwezig te zijn. J

Drank- en Horecaverordening nu: Artikel 10 Verbod verstrekken van sterke drank Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester in paracommerciële inrichtingen met jeugdleden sterke drank te verstrekken.

Toelichting verzoek om het maximum te verhogen. Met een uitbreiding van vier naar zes keer per jaar betekent het voor Larense paracommercie dat er twee dergelijke bijeenkomsten extra mogen worden gehouden, maar dat dit dus nog steeds gemaximaliseerd blijft. De paracommerciële rechtspersoon moet uiterlijk 48 uur voor de bijeenkomst daarvan melding doen aan de burgemeester.

Na artikel 2.34b (nieuw) wordt een nieuw artikel 2.34c ingevoegd, dat komt te luiden:

Wijziging op verzoek van cluster APV en bijzondere wetten.

Artikel 2.34c Verbod verstrekken van sterke drank Het is verboden in paracommerciële inrichtingen met jeugdleden sterke drank te verstrekken.

Voorgesteld wordt het zinsdeel ‘’zonder ontheffing van de burgemeester’’ te schrappen. Een dergelijke ontheffing kan voor onderscheid zorgen tussen de verschillende paracommercie. Dit is niet wenselijk en de ontheffing werd daarom in het

7

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting verleden doorgaans niet verleend. Ook vanuit het oogpunt van preventie is het gewenst om deze bevoegdheid te schrappen.

K

Drank- en Horecaverordening nu: Artikel 2 Voorschriften aan vergunningen om het horecabedrijf uit te oefenen De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld: ter bescherming van de volksgezondheid, of in het belang van de openbare orde, of ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de wet.

Na artikel 2.34c (nieuw) wordt een nieuw artikel 2.34d ingevoegd, dat komt te luiden: Artikel 2.34d Voorschriften aan een vergunning om het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid, de volksgezondheid of ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Alcoholwet aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Wijziging in lijn met de VNG model-APV. In artikel 3 van de Alcoholwet is bepaald dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. In artikel 25a van de Alcoholwet is bepaald dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat de burgemeester volgens bij die verordening te stellen regels voorschriften aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 kan verbinden en de vergunning kan beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Een vergelijkbaar artikel is nu in artikel 2 van de Drank- en Horecaverordening opgenomen. In lijn met de VNG model-APV wordt toegevoegd dat de voorschriften aan een vergunning voor een horecabedrijf én slijtersbedrijf (vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet) kunnen worden verbonden en dat de vergunning kan worden beperkt tot het verstrekken van zwakalcoholische drank. Als dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid, de volksgezondheid of ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Alcoholwet (verbod verstrekken alcohol aan personen onder de 18 jaar) nodig is.

8

L

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

Drank- en Horecaverordening nu:

Na artikel 2.34d (nieuw) wordt een nieuw artikel 2.34e ingevoegd, dat komt te luiden:

Wijziging in lijn met de VNG model-APV.

Artikel 3 Prijsacties horeca Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd. M

Artikel 2.34e Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Dit betreft het verbod op ‘’happy hours’’. Het verbod dat nu in artikel 3 van de Drank- en Horecaverordening staat (prijsacties horeca) komt terug in het nieuwe artikel 2.34e van de APV. De tekst van het artikel is in lijn gebracht met de tekst van het artikel in de VNG model-APV.

Na artikel 2.34e (nieuw) wordt een nieuw artikel 2.34f ingevoegd, dat komt te luiden:

Nieuw artikel. Facultatief artikel uit de VNG model-APV.

Artikel 2.34f Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Dat volgt uit de artikelen 3 en 14 van de Alcoholwet. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven als hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. De gemeenteraad mag dus bepalen of ze dit wil toestaan. Er gelden (strenge) voorwaarden. Deze staan in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit:

9

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting 

Er mag in een slijtlokaliteit maximaal 1 proeverij per dag en maximaal 3 proeverijen per week worden gegeven. (Dit lijkt veel, maar door de verdere beperkingen zoals hieronder omgeschreven, zullen deze aantallen in de praktijk niet zo snel worden gehaald) Vóór aanvang van de proeverij moeten de kosten van deelname door een leidinggevende van het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. (Dit betekent dat er betaald moet worden door de deelnemers aan een proeverij. Het mag niet gratis zijn) De deelnemers aan de proeverij moeten vóór aanvang bekend zijn bij de leidinggevende. (Dit betekent dat het dus niet op ´inloop´ mag zijn, maar dat de deelnemers zich vooraf moeten aanmelden) De deur van de slijterij is tijdens de proeverij gesloten voor publiek. Alleen de deelnemers hebben toegang. (Dit betekent dat als er een proeverij is, de ´winkel´ niet tegelijk open mag zijn) Tijdens de proeverij mag alleen die (alcoholhoudende en alcoholvrije) drank worden verkocht die in het kader van de proeverij aan de deelnemers is verstrekt. (Dit betekent dat er alleen flessen drank (zowel alcoholisch als alcoholvrij) die tijdens de proeverij zijn geproefd verkocht mogen worden om mee te nemen. Er mag dus niet verder ´gewinkeld´ worden)

10

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

Een proeverij mag alleen plaatsvinden op een tijdstip dat de slijterij normaal gesproken is gesloten maar bij of krachtens de Winkeltijdenwet wel geopend zou mogen zijn (artikel 25e van de Alcoholwet). Dit betekent in de praktijk dat een proeverij nooit later mag eindigen dan 22.00 uur. Als een slijterij gebruikelijk sluit om 18.00 uur, dan zou tussen 18.00 en 22.00 uur een proeverij kunnen worden gegeven. De vrijstellingen gelden alleen voor slijterijen, dat zijn drankenhandels die een slijtersvergunning hebben (waarmee ze sterke drank mogen verkopen) en niet voor andere winkels. In winkels waar ze wel alcohol verkopen, maar geen sterke drank (zoals supermarkten en wijnhandels), mogen proeverijen dus niet georganiseerd worden. Bijna alle slijterijen zouden deze mogelijkheid graag willen en het merendeel van de reguliere horeca heeft geen problemen met het houden van proeverijen in slijterijen. N

Na artikel 2.47 wordt een nieuw artikel 2.47A ingevoegd, dat komt te luiden: Artikel 2.47A Betredings- en verblijfsverbod 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter voorkoming van overlast of baldadigheid plaatsen of gebieden binnen de gemeente aan te wijzen,

Nieuw artikel / harmonisatie. Met deze wijziging wordt voorgesteld om een artikel in de APV te introduceren op basis waarvan het college ter voorkoming van overlast of baldadigheid plaatsen of gebieden binnen de gemeente kan aanwijzen waar tussen bepaalde tijdstippen een betredings- en verblijfsverbod

11

APV nu

O

Artikel 2.50A Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (Vervallen)

Voorgestelde wijziging

Toelichting

waar het verboden is zich tussen bepaalde tijdstippen te bevinden dan wel zich op te houden. 2. Het is een ieder verboden zich tussen de krachtens het eerste lid bepaalde tijdstippen op de krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen te bevinden, dan wel zich op te houden. 3. Burgemeester en wethouders kunnen van het gestelde verbod ontheffing verlenen. 4. Het verbod geldt niet voor politie, brandweer, ambulancediensten of enige andere hulpverleningsdiensten in gevallen waarin de door deze diensten te bieden hulpverlening ten tijde van het verbod binnen het krachtens het eerste lid aangewezen gebied noodzakelijk is. 5. Het verbod geldt ook niet voor gemeentelijk buitengewoon opsporingsambtenaren en toezichthouders in de uitoefening van hun taken en bevoegdheden.

geldt. Het verbod kan bijvoorbeeld ́s avonds (late avonduren) en ́s nachts gelden, gedurende de periode waarin vandalisme en vernielingen voornamelijk plaatsvinden, en kan worden ingezet op openbare plaatsen waar dit een probleem is. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod (lid 3). Verder geldt er een uitzondering voor hulpverleningsdiensten, zoals de politie en ambulancediensten (lid 4). Ook geldt het verbod niet voor gemeentelijke boa ́s en toezichthouders in de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (lid 5).

Artikel 2.50A komt te luiden:

VNG najaarsaanpassing 2023.

Artikel 2.50A Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

Een vergelijkbaar artikel in nu opgenomen in artikel 2.19A van de APV. In de najaarsaanpassing 2023 van de model-APV stelt de VNG voor om een nieuw artikel 2.50A op te nemen. We stellen voor het messenverbod van artikel 2.19A te verplaatsen naar artikel 2.50A en tekstueel in overeenstemming te brengen met het artikel in de VNG model-APV.

Blaricum heeft dit artikel al opgenomen in de APV, onder meer om overlast op het Voorland Stichtsebrug aan te kunnen pakken. In het kader van harmonisatie wordt voorgesteld dit artikel ook in de APV’s van Eemnes en Laren op te nemen.

Na een uitspraak van de rechtbank Rotterdam uit 2023 is discussie ontstaan over de juridische toelaatbaarheid van een messenverbod in de APV. De rechtbank verklaarde het messenverbod in de

12

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

APV van Rotterdam onverbindend, omdat volgens de rechtbank in de Wet wapens en munitie (Wwm) hetzelfde al uitputtend is geregeld. Uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 2020 volgt dat het mogelijk is een bepaling in de APV op te nemen met een ´messenverbod´, als:  dat artikel een ander belang dient dan de Wwm: voorkomen van aantasting van de openbare orde en het bevorderen van de veiligheid;  niet geldt voor dezelfde wapens als bedoeld in de Wwm. De VNG stelt zich, gelet op deze uitspraak van de Hoge Raad, op het standpunt dat een messenverbod in de APV mogelijk is. Het artikel is een aanvulling op de Wwm en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen, als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor

13

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet. De bepaling waarop de uitspraak van Rotterdam is gebaseerd wijkt af van de model-APV. In deze zaak had de politie geconstateerd dat sprake was van een wapen in de zin van de Wwm. Daarom kon niet meer toegekomen worden aan handhaving op basis van de (Rotterdamse) APV. Daarnaast bevatte het Rotterdamse artikel het bestanddeel ´openlijk´; een verbod om openlijk messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. Hiervan kan een dreiging uitgaan of kun je vanwege de aard en/of omstandigheden waaronder het voorwerp wordt aangetroffen redelijkerwijs aannemen dat het is bedoeld om letsel toe te brengen of te dreigen. In dat geval is het een wapen als bedoeld in de Wwm en kan niet worden gehandhaafd op basis van de APV. Het voorstel is dit standpunt van de VNG te volgen en het messenverbod in de APV te laten staan. Zie ook de voorgestelde wijziging onder E.

P

Artikel 2.58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. De eigenaar of houder van een hond is verplicht om ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid, op eerste vordering van een ambtenaar belast met de

Artikel 2.58 wordt als volgt gewijzigd:

Wijziging op verzoek van de boa’s.

In het tweede lid wordt ‘’deugdelijke hulpmiddelen’’ vervangen door ‘’een opruimzakje’’.

Om discussie te voorkomen over wat een ‘’deugdelijk hulpmiddel’’ is, wordt voorgesteld expliciet op te nemen dat de eigenaar of houder

14

APV nu

Voorgestelde wijziging

zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van de hond deugdelijke hulpmiddelen bij zich draagt ter verwijdering van de uitwerpselen van de hond. (…) Q

Artikel 2.65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.

Toelichting van een hond verplicht is bij het uitlaten van de hond een opruimzakje bij zich te dragen.

Artikel 2.65 komt te luiden: Artikel 2.65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Wijziging in lijn met de VNG model-APV / harmonisatie. Een algemeen verbod op bedelarij staat op gespannen voet met de rechten van de mens. In lijn met de VNG model-APV wordt daarom voorgesteld een verbod op bedelarij op te nemen dat geldt op openbare plaatsen in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Wanneer naar het oordeel van het college in een bepaald gebied een overlastgevende situatie ontstaat, kan het college voor dat gebied een bedelverbod instellen. De VNG heeft het motief van ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ toegevoegd vanwege een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Hierin oordeelde het Hof dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd wordt door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven). Dit recht kan beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen

15

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting van het individu en die van de maatschappij. Daarom heeft de VNG ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ opgenomen in artikel 2.65. In de APV’s van Blaricum en Eemnes is dit artikel al aangepast.

R

Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1º dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2º van een verandering van de onder a, sub 1º , bedoelde adressen; 3º als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4º dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b.de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2.68 wordt als volgt gewijzigd:

Wijziging op verzoek van cluster Openbare orde en veiligheid (OOV) / harmonisatie. Dit artikel bevat voorschriften die tot doel hebben om heling te voorkomen.

Sub d komt te luiden: d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Voorgesteld wordt de bewaartermijn voor opgekochte goederen te wijzigen van zeven naar vijf dagen. Deze termijn sluit aan bij een landelijke richtlijn van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV). Voor Blaricum en Eemnes wordt ook voorgesteld

16

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting de termijn aan te passen naar vijf dagen, zodat in de drie gemeenten een gelijke termijn geldt.

S

T

Artikel 2.71 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder:  consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;  fop- en schertsvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2.71 wordt als volgt gewijzigd:

VNG najaarsaanpassing 2023.

De definitie van ´consumentenvuurwerk´ komt te luiden: • consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;

In de definitie van ´consumentenvuurwerk´ wordt ´van categorie F1, F2 of F3´ geschrapt.

Artikel 2.80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting ook bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

Artikel 2.80 komt te luiden:

VNG najaarsaanpassing 2023.

Artikel 2.80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2.30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.

De VNG heeft dit artikel bij de najaarsaanpassing 2023 opgenomen in de model-APV. Het huidige artikel 2.80 is al eerder in de APV van Laren opgenomen naar aanleiding van een advies van de Taskforce Georganiseerde Ondermijnende Criminaliteit. Het voorstel is het artikel in overeenstemming te brengen met het (nieuwe) artikel in de model-APV.

Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is overbodig.

Het artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2.81 bevat een aanvullende

17

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

sluitingsbevoegdheid als sprake is van een vergunningplicht als bedoeld in dat artikel. De burgemeester kan met behulp van artikel 2.80 optreden als in of vanuit een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. Ter aanvulling op de huidige bepaling wordt opgenomen dat het verboden is het afschrift, als bedoeld in het derde lid, te verwijderen. Niemand mag een gesloten gebouw of erf betreden zonder toestemming van de burgemeester. In lijn met de VNG model-APV wordt in het vijfde lid ‘’zonder toestemming van de burgemeester’’ toegevoegd.

U

Artikel 2.81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de

Artikel 2.81 komt te luiden: Artikel 2.81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht

VNG najaarsaanpassing 2023 en zomeraanpassing 2024. De VNG heeft dit artikel bij de najaarsaanpassing 2023 opgenomen in de VNG model-APV. Het huidige artikel 2.81 is al eerder in de APV van Laren opgenomen naar aanleiding van de Handreiking APV en ondermijning. Het voorstel is het artikel in overeenstemming te brengen met

18

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b.

als de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2.28 of 3.3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of gedeelten van gebouwen of bij die gebouwen of gedeelten van die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, in een door hem aangewezen gedeelte van een gebouw, op een bij dat gebouw of gedeelte van dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;

het (nieuwe) artikel in de model-APV. Het gaat voornamelijk om juridisch-technische en redactionele wijzigingen; de strekking van het artikel blijft hetzelfde. De systematiek van dit artikel gaat uit van een gebouw-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk geleverd worden. Als sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaald(e) branche, gebouw, gedeelte van een gebouw of gebied kan op grond van het APV-artikel een vergunningplicht voor een branche, gebouw, gedeelte van een gebouw of gebied worden ingevoerd. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben. Het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan echter ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid of leefbaarheid gereguleerd moeten worden. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Dit maakt het voor de gemeente ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door middel van een Bibobtoets.

19

APV nu 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vijfde en zesde lid gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. als de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan. 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

Voorgestelde wijziging b.

de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw, gedeelte van het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het aangewezen gebied of de directe omgeving van het aangewezen gebouw of aangewezen gedeelte van een gebouw of bij dat gebouw of gedeelte van dat gebouw behorende erf door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

Toelichting Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Als bedrijfsmatige activiteit (eerste lid, onder a) wordt niet aangemerkt (de uitoefening van) een slijtersbedrijf, horecabedrijf of andere openbare inrichting of een seksbedrijf, waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, respectievelijk artikel 2.28 (exploitatievergunning openbare inrichting) of artikel 3.3 (vergunning seksinrichting) van de APV. Bij die vergunningaanvragen vindt al een vergelijkbare toetsing plaats. Ook de weigeringsen intrekkingsgronden zijn vergelijkbaar. In voorkomend geval kan sluiting plaatsvinden op basis van andere artikelen; zie artikel 2.80. Seksinrichtingen waren al uitgezonderd van de vergunningplicht in het huidige artikel 2.81 (via de definitie van bedrijf in het eerste lid, onder c). Ter aanvulling op de bepaling uit de VNG modelAPV wordt toegevoegd dat het mogelijk is om ´gedeelten van gebouwen´ aan te wijzen. Er kunnen situaties zijn waarin het wenselijk is om niet het gehele gebouw, maar een gedeelte van het gebouw aan te wijzen. Denk bijvoorbeeld aan een gedeelte van een appartementengebouw. Toegevoegd wordt dat een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder moet worden verstrekt bij de vergunningaanvraag.

20

APV nu a.

de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

Voorgestelde wijziging als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer. 6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit en de aanvraag aan de vereisten voldoen. 7. Het is verboden het gebouw, gedeelte van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw, gedeelte van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.

Toelichting

c.

De weigerings- en intrekkingsgronden voor de vergunning (vijfde en negende lid) worden in lijn gebracht met de VNG model-bepaling. Deze wijzigingen zijn afgestemd met cluster OOV.

21

APV nu e.

de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan. 8. Als een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of als een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Voorgestelde wijziging

Toelichting

9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2.80, een besluit nemen tot

22

APV nu

Voorgestelde wijziging

11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

sluiting van het gebouw, gedeelte van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw, gedeelte van dat gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw, gedeelte van een gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting

23

V

APV nu

Voorgestelde wijziging

Toelichting

Artikel 5.15 Ventverbod 1. Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 uur en 09.00 uur. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor venten met etenswaren voor zover dat niet aan de deur gebeurt op maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 uur en 22.00 uur en op zondag tussen 13.00 uur en 22.00 uur. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5.15 wordt als volgt gewijzigd:

Harmonisatie.

Na het vierde lid wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, dat komt te luiden: 5. Het is verboden te venten aan de deur.

Venten is gedefinieerd als: ‘’het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.’’ (Zie voor wat er niet onder valt, artikel 5.14, tweede lid, van de APV). Het venten moet onderscheiden worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. Kortgezegd betekent venten dat goederen of diensten steeds op een andere plek (huis aan huis, op straat of een andere openbare plek) worden verkocht. Dus niet op een vaste plaats. Denk bijvoorbeeld aan een ijsverkoper. In artikel 5.15 van de APV zijn regels opgenomen voor venten. In Blaricum geldt een verbod om te venten aan de deur. Voorgesteld wordt dit verbod ook in de APV van Laren op te nemen.

W

Artikel 6.1 Sanctiebepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden

Artikel 6.1 wordt als volgt gewijzigd:

Afbakening hogere wet- en regelgeving.

Onder vernummering van het tweede naar het derde lid wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, dat komt te luiden:

Het nieuwe tweede lid wordt toegevoegd in verband met het overhevelen van de Drank- en Horecaverordening naar de APV.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15541382/1