CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 1 - Bopa-motivering uitbreiding Johanneskerk Naarderstraat 5

Gemeenteraad 28 januari 2026, gemeente larenBij agendapunt: Bindend advies gemeenteraad voor het uitbreiden Johanneskerk aan de Naarderstraat 516.669 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Geluid & trillingen Het horen van (te)veel geluid kan leiden tot hinder, stress, slaapverstoring, hoge bloeddruk en harten vaatziekten. Het RIVM heeft berekend dat geluid van wegverkeer in Nederland elk jaar bij ongeveer 750 mensen hart- en vaatziekten veroorzaken. Ongeveer 65 mensen overlijden daar elk jaar aan. Geluidsbelasting kan het gevolg zijn van verschillende bronnen, zowel binnen als buiten, zoals weg-, trein- en vliegverkeer of industrie. Laagfrequent geluid is geluid dat over grote afstanden hoorbaar is. Het is moeilijk vast te stellen uit welke richting het komt. Voorbeelden van bronnen van laagfrequent geluid zijn: bastonen uit muziek, wasmachines, verwarmingspompen, zwaar vrachtverkeer en vliegtuigen. Laagfrequent geluid kan leiden tot lichamelijke klachten als hoofdpijn, druk op de borst, zwaar gevoel in het hoofd, slapeloosheid, vermoeidheid, hartkloppingen, irritatie en stress. Het bestaan van laagfrequent geluid kan als aandachtspunt meegenomen worden bij de bouw van een nieuwe gevoelige functie. Verschillende bronnen kunnen naast (laagfrequent) geluid ook trillingen veroorzaken. Denk daarbij aan weg- en spoorverkeer, industrie en bouwwerkzaamheden. Trillingen verplaatsen zich door de bodem en bouwmaterialen heen en de sterkte neemt af als de afstand tot de bron groter wordt.

Het kan – net als geluid – leiden tot hinder, stress en verstoring van de slaap en/of dagelijkse activiteiten. Bodem Een bodemverontreiniging (grond en grondwater) kan alleen een gezondheidsrisico opleveren als je met de stof in contact komt (de blootstelling). In de meeste gevallen is de blootstelling van mensen aan een bodemverontreiniging zo laag, dat er geen nadelige gevolgen voor de gezondheid verwacht worden. Bij blootstelling aan bodemverontreiniging zijn de aard en mate van verontreiniging en gebruik van de bodem bepalend voor de eventuele gezondheidsrisico’s. Als de interventiewaarde wordt overschreden, dan is het verstandig om te laten beoordelen of er sprake is van gezondheidsrisico’s. De interventiewaarde geeft aan bij welke concentratie sprake is van een (dreigende) ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier. Voor de meeste stoffen geldt dat de interventiewaarde is gebaseerd op ecologisch risico’s en niet op risico’s voor de mens (de ecologie is veelal gevoeliger dan de mens, dus als de ecologie beschermd is, is de mens dat ook). Lood vormt hierop een uitzondering, daarvoor geldt dat er ook onder de interventiewaarde sprake is van gezondheidsrisico’s. De gezondheidskundige advieswaarden liggen lager. Bewoners kunnen op verschillende manieren met een bodemverontreiniging in contact komen.

De belangrijkste opnameroutes zijn: •

Inslikken van gronddeeltjes,

•

het eten van op verontreinigde bodem geteelde gewassen,

•

het inademen van verontreinigde binnenlucht doordat vluchtige stoffen vanuit de bodem (grond en grondwater) in een pand uitdampen. Bij uitdamping in de buitenlucht verdunnen de stoffen zeer snel en treedt in het algemeen geen relevante blootstelling op.

Elektromagnetische velden (straling) Elektromagnetische velden (in de volksmond ‘straling’) is overal om ons heen. Denk aan communicatiesignalen van radio en telefonie, het zichtbare licht, UV-straling, enzovoorts. Er zijn veel verschillende type straling, elk met een ander type (gezondheids)effect. We beschrijven op dit portaal alleen de adviezen over elektromagnetische velden als bijproduct van stroomtransport

26

(hoogspanningslijnen, transformatorhuisjes, enzovoorts), omdat deze voor vraagstukken over een gezonde inrichting van de leefomgeving het meest relevant zijn (afstandsadviezen uit voorzorg). Gezondheidsvragen of -zorgen van burgers over straling kunnen echter ook gaan over andere bronnen, zoals zendmasten; betrek dan de informatie en adviezen op GGD leefomgeving (informatie voor burgers) en het Kennisplatform Elektromagnetische Velden (diepgaandere informatie). Klimaat, groen & water Het klimaat verandert over de hele wereld. Dit kan overlast van hitte, zware regenval en droge periodes veroorzaken en heeft impact op de leefomgeving en op de gezondheid van de inwoners. Hogere gemiddelde temperaturen leiden tot een langer en heviger pollenseizoen. Daardoor zullen meer mensen (langer) te maken krijgen met hooikoorts en daarmee samenhangend ziekteverzuim. Daarnaast leiden nattere winters tot meer huisstofmijt en schimmels in woningen, wat de kans op allergieën vergroot. Mensen zijn tijdens warme dagen meer buiten en daarmee neemt de blootstelling aan Uv-straling toe. Uv-straling vergroot het risico op huidkanker en staar. Hitte kan ook leiden tot (tijdelijke) gezondheidsklachten. Door klimaatverandering kunnen veranderingen optreden bij diverse soorten planten en dieren. Dat heeft ook gevolgen voor de risico’s op infectieziekten.

Dit zijn vooral infectieziekten die worden overgedragen via dieren (o.a. muggen), of via (besmet) water. Tijdens een warme periode kan de waterkwaliteit van oppervlaktewater en recreatiewater verslechteren. Ook contact met water dat langer op straat staat door extreme regen levert gezondheidsrisico’s op. Groen en water in de leefomgeving hebben een positief effect op het klimaat. Het aanleggen van voorzieningen voor tijdelijke waterberging en groene daken kunnen wateroverlast en verdroging voorkomen. Meer groen draagt in perioden van extreme hitte bij aan minder hitteoverlast in steden, door onder andere het verkoelende effect en schaduwvorming. Daarnaast wordt water (soms opnieuw) in steden geïntegreerd om het hitte-eilandeffect te reduceren en verkoeling te bewerkstelligen. Is er sprake van een hitte-eiland? De Klimaat-effect-atlas geeft inzicht hierin, aangevuld met klimaatgerelateerde risico’s zoals wateroverlast, droogte en overstromingen. Naast een positief effect op het klimaat hebben groen en water in de leefomgeving ook een positief effect op gezondheid. Een groene leefomgeving is goed voor: de sociaalemotionele ontwikkeling van kinderen, minder overgewicht bij kinderen en volwassenen, mentale gezondheid en welzijn, hart- en vaatziekten bij oudere volwassenen.

Verder zorgt een groene leefomgeving voor: verbeterde luchtkwaliteit, verminderde hittestress, verbeterd functioneren van het immuunsysteem, verminderde chronische mentale stress, stimulatie lichamelijke activiteit, faciliteren positieve sociale contacten. Biodiversiteit Naast dat de leefomgeving groen is, is het ook belangrijk om de omgeving biodivers in te richten. Biodiversiteit kan een positief effect hebben op gezondheid. Een biodiverse leefomgeving kan luchtverontreiniging, hitte en geluidsoverlast verminderen door bijvoorbeeld het creëren van schaduwplekken en het afvangen van geluid. Een aandachtspunt bij het inrichten van omgevingen is het voorkomen van blootstelling aan infectieziekten en allergenen, want die veroorzaken juist gezondheidseffecten. Biodiversiteit zorgt ervoor dat de natuur tegen een stootje kan en zich kan aanpassen aan bijvoorbeeld klimaatverandering. Voorlopige conclusie Onderhavig planvoornemen betreft de uitbreiding c.q. transformatie van een bestaande maatschappelijke voorziening in de vorm van een kerk. Bestaand gebruik wordt hierdoor geïntensiveerd. Uiteraard zijn er altijd functies in de directe omgeving die de gezondheid van 27

bewoners mogelijk kunnen schaden. Voor onderhavig initiatief is echter sprake van een minimale wijziging, waardoor belemmeringen en hinder op voorhand nagenoeg uitgesloten zijn. In navolgende paragrafen zijn de toetsingskaders, resultaten van quickscans, inclusief eventuele maatregelen opgenomen. 4.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn (SMB-richtlijn 2001/42/EG, in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. Doorwerking project(gebied) Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: •

een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit;

•

wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag?

•

wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn?

•

zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’)

•

waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op?

Conclusie Door Antea group is een mer-beoordeling uitgevoerd. Deze bijlage is als bijlage 14 opgenomen. Uit de mer-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten ter plaatse. Het voornemen heeft weliswaar mogelijke effecten, maar deze zijn in aard en omvang niet aanzienlijk of worden ondervangen door het treffen van maatregelen of nader onderzoek. De onderzochte aspecten leiden geen van alle tot aanzienlijke milieueffecten die noodzaak geven tot het opstellen van een milieueffectrapport. 4.3 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom het projectgebied belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is.

28

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelfunctieen en cultuurhistorische dubbelfunctieen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ).

De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. De archeologische uitgangspunten zijn de volgende: •

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is;

•

de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren;

•

bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.

In de toelichting van de ruimtelijke motiveringdient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke motiveringis daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het projectgebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking project(gebied) Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd op het perceel. Bij de bouwwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg.

Voor het projectgebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de 29

gemeente Laren. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 3 aan deze motivering toegevoegd. De bespreking conclusies en (selectie)advies is navolgend opgenomen. Conclusies In het plangebied geldt in theorie een archeologische verwachting op resten uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd. Door de ligging in het centrum van Laren, op korte afstand van de Brink, is kans echter groot dat eventuele oudere resten verstoord zijn door latere laatmiddeleeuwse en vooral nieuwetijdse bebouwing. Op basis van de historische kaarten was er zeker vanaf de nieuwe tijd bewoning in de omgeving aanwezig. Net ten zuiden van het plangebied staat de Johanneskerk uit 1521. De hoogste verwachting geldt daarom op resten van begraving rondom de kerk, met menselijk skeletmateriaal. (Selectie)advies Omdat er een hoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied adviseert Antea Group om binnen het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit vervolgonderzoek dient, gezien de aarde van de verwachte resten20, te bestaan uit een archeologische begeleiding (protocol proefsleuvenonderzoek).

Het doel van de archeologische begeleiding is in de eerste plaats het opsporen van archeologische vindplaatsen en in de tweede plaats, bij aantreffen hiervan, het documenteren van gegevens en veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Hiervoor geldt dat vooraf gaand aan de uitvoer van de civieltechnische werkzaamheden een archeologisch Programma van Eisen (PvE) voor de archeologische begeleiding dient te worden opgesteld. Dit dient vooraf te zijn goedgekeurd door de opsteller van het PvE, de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Laren.

Het pand waarop onderhavige ontwikkeling betrekking heeft is een Rijksmonument. In november/december 2019 heeft in opdracht van het College van Kerkrentmeesters van de Protestantse Gemeente Laren - Eemnes een ‘bouwhistorische verkenning’ van het interieur van de kerkzaal van de Johanneskerk te Laren (NH) plaatsgevonden, gecombineerd met een beperkt literatuur- en archiefonderzoek. Dit werk is uitgevoerd door het bureau voor bouwhistorisch onderzoek J.A. van der Hoeve. Dit onderzoeksrapport is als bijlage 4 aan deze motivering toegevoegd. Navolgend zijn onderdelen van de conclusie overgenomen. De kerk te Laren is op 15 december 1970 geregistreerd als rijksmonument 23951 (toren) en 23952 (kerk), voorzien van de navolgende omschrijvingen: • ‘Toren van de Ned. Herv. Kerk. Toren van omstreeks 1500; klokkenverdieping heeft af geschuinde hoeken.’ • ‘Ned. Hervormde KERK, eenbeukig schip van omstreeks 1500. Koor is verdwenen.’ Op basis van deze omschrijvingen is de gehele kerk beschermd, zowel voor wat betreft het exterieur als het interieur. In principe is ook alles wat ‘door bestemming en gebruik’ daaraan verbonden is meebeschermd. Bovendien ligt de kerk binnen het beschermde dorpsgezicht Laren, dat van rijkswege is aangewezen op 5 december 2007.

De toelichting op de aanwijzing verwoordt de belangrijkste waarden van de ruimtelijke structuur en bebouwing (historisch- ruimtelijk karakter).45 De Johanneskerk wordt als een van de markante zichtpunten binnen dit gebied aangemerkt, waarbij onder meer een zichtlijn via de Brink naar de torens van de katholieke St. Janskerk is aangeduid. Bescherming geschiedt door middel van het bestemmingsplan. Verder zijn er beperkingen op vergunningsvrij bouwen.

30

Op basis van de bouwhistorische verkenning heeft een interne waardestelling plaatsgevonden, waarbij is aangegeven welke onderdelen in het interieur van meer of minder belang zijn voor de betekenis als rijksmonument en het verhaal van het gebouw (bouw- en gebruiksgeschiede nis). Op basis van de ‘Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, 2009’ heeft vervolgens een clas sificatie plaatsgevonden in: • hoge monumentwaarden: ‘van cruciaal belang voor de structuur en/of betekenis van het object of gebied’; • positieve monumentwaarden: ‘van belang voor de structuur en/of betekenis van het object of gebied’), en; • indifferente monumentwaarden: ‘van relatief weinig belang voor de structuur en/of betekenis van het object of gebied’. Vanuit de bouwgeschiedenis zijn de belangrijkste aspecten voor de waardestelling: • de leesbare middeleeuwse vorm en uitvoering van de kerk. Grote delen van het casco zijn origineel. Reconstructie van een aantal onderdelen (1926) heeft de leesbaarheid van de kerk in zijn middeleeuwse vorm vergroot • het 17de-eeuwse meubilair, dat een belangrijke herinnering vormt aan de eerste herin richtingsfase als Gereformeerde/ Nederduits Hervormde kerk. • het samenhangende liturgisch centrum met kansel, doophek en herenbanken • de restauratie uit 1926, uitgevoerd door het Rijksbureau voor de Monumentenzorg (W. Scheepens en H. Onnes).

Op 13 november 2024 is de Adviseur Architectuurhistorie gevraagd te adviseren over de voorgenomen wijziging(en) in het kader van de omgevingsvergunning voor onderhavig planvoornemen. Navolgend betreft een weergave van het advies met motivering. De notitie als geheel is als bijlage 5 aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd. Er worden twee varianten voorgesteld. Vanuit cultuurhistorie gaat de voorkeur uit naar de variant waarbij ook de kopse gevels gedeeltelijk in cortensstaal zijn uitgevoerd. Dit is het meest overtuigende beeld. Daarmee ligt er naar mijn idee een ontwerp dat het PVE ondersteunt en zich goed voegt naar cultuurhistorische waardevolle en beschermde omgeving. Grote verbetering ten opzichte van het SO betreft het achterwege laten van het afgedekte tussenlid. Ook de veel kleinere gevelopeningen is een groot verbeterpunt. Hierdoor oogt de aanbouw ingetogener en manifesteert het zich minder nadrukkelijk. Ook zal er minder sprake zijn van inkijk en licht dat ‘s avonds naar de omgeving uitstraalt. Bovendien kent iedere gevel een andere opening, wat voor een afwisselend beeld zorgt. Het zicht vanuit de aanbouw op de monumentale kerkmuur is fraai en zorgt voor een goede visuele verbinding tussen oud- en nieuwbouw. Voorliggend ontwerp dient nog verder te worden uitgewerkt en gedetailleerd maar kan op hoofdlijnen op goedkeuring rekenen vanuit cultuurhistorie.

Graag benadruk ik het belang van een goed ontworpen interieur, waardoor de nieuwbouw ook van binnen kwaliteit uitstraalt en de beleving van de bijzondere plek versterkt. Behoudens het nieuwe ontwerp zijn onderstaande zaken van belang. Hierover dient bij een vergunningsaanvraag duidelijkheid te bestaan. • Archeologie. Het plangebied kent een hoge archeologische waarde. Het tijdig laten doen van de benodigde onderzoeken is zeer aan te bevelen. • Bestaande Kerkruimte. Hoe wordt de kerk(ruimte) bij de plannen betrokken en zijn er ook wijzigingen voorzien aan het kerkinterieur? • Nadere uitwerking details, fundering, installaties, materialen etc.

31

Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er – gevolg gevend aan de uitgebrachte adviezen – geen belemmeringen voor realisering van het planvoornemen. 4.4 Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Toetsingskader Soortenbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Eerder is in het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Gebiedsbescherming Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum.

Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Doorwerking project(gebied) Soortenbescherming Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is door Antea Group een quickscan natuur uitgevoerd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Het onderzoeksrapport is al bijlage 6 aan deze motivering toegevoegd. Navolgend zijn de conclusie en het vervolg zoals opgenomen in het onderzoeksrapport integraal overgenomen. Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels, huismus en gierzwaluw.

In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies is beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 3.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.

32

In tabel 3.1 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar de huismus en gierzwaluw indien niet aan de voorwaarden in tabel 3.3 kan worden voldaan. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3.2 uiteengezet. Tabel 3.2. Beschrijving nader onderzoek.

In tabel 3.3 is aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 3.3 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Tabel 3.3. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Ow te voorkomen.

Zorgplicht

33

Uit paragraaf 2.3.5 blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.4. Tabel 3.4. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten.

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Bijzonder Provinciaal Landschap Het Gooi. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Beschermde houtopstanden bebouwingscontour houtkap In (de directe omgeving van) het plangebied zijn bomen aanwezig. Als gevolg van het planvoornemen kunnen de wortels van de naast liggende bomen worden aangetast. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn, en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal – Omgevingswet) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). Ook kan het noodzakelijk zijn een Boom Effect Analyse (BEA) op te stellen, waarbij wordt getoetst in hoeverre bomen in de invloedssfeer daadwerkelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden ondervinden.

Eco-Niche heeft het nader vleermuizenonderzoek in gang gezet. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is tevens een Bomen Effect Analyse (hierna: BEA genoemd) opgesteld. De BEA heeft betrekking op drie bomen op het terrein naast de Johanneskerk aan de Naarderstraat te Laren. De aanleiding voor dit onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van twee woningen. De bijbehorende werkzaamheden vinden binnen de invloedsfeer van bomen plaats. Een effect analyse is zodoende noodzakelijk. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 7 aan deze motivering toegevoegd. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies overgenomen uit dit rapport. Bomenonderzoek Er zijn drie bomen geïnventariseerd en gekeurd. Deze vallen allen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. De bomen verkeren in een redelijke of goede conditie en hebben een toekomstverwachting van meer dan 10 of 20 jaar. De kwaliteit van bomen is goed en er zijn geen nesten aangetroffen. Op basis van de boomveiligheidscontrole komt naar voren dat alle bomen op hun huidige standplaats en huidige voorkomen, in een ongewijzigde situatie, te handhaven zijn. Boom 1 toont zwaar door hout in de binnenkroon (lichtgebrek) en licht dood hout in de buitenkroon wat een indicatie kan zijn van conditievermindering door bijvoorbeeld droogte (2022/2023). Er zijn bij de bomen geen aantastingen aangetroffen.

Resultaten analyse De volgende punten hebben de grootste effecten op de bomen: - Permanente doorsnijding en inperking ondergrondse groeiplaats; - Schade aan stabiliteitswortels bij onachtzaamheid en machinaal werken - Schade door inrichting/tuinaanleg verharding Op basis van het onderzoek is de inschatting dat de ontwikkeling kan plaatsvinden zonder de bomen in hun voortbestaan te bedreigen. De wijzigingen zijn voor met name boom 1 behoorlijk groot en hierdoor is er een

34

hoog risico op schade en verval op langere termijn. Het is daarom noodzakelijk maatwerk te leveren en de boom te compenseren voor het wortelverlies. Maatwerk betekent in dit geval handwerk waarbij werkzaamheden binnen de risicozone voornamelijk met de hand dienen te worden uitgevoerd. Er is veel mogelijk indien men voorzichtig te werk gaat en met de juiste deskundigheid. De compensatie in de vorm van injecteren van de groeiplaats dient om de conditie te verbeteren en het verlies aan wortels zo snel mogelijk te compenseren. Ingeschat is dat de werkzaamheden niet leiden tot instabiliteit van de bomen maar op termijn wel kunnen leiden tot afname van de conditie en daarmee de toekomstverwachting. Op basis van de effect analyse en het huidige ontwerp is geconcludeerd dat een duurzame instandhouding van de bomen op hun huidige groeiplaats mogelijk is mits de in het rapport aangegeven aanpassingen en aanbevelingen worden opgevolgd.

In aanvulling op de bomeneffectanalyse heeft een aanvullend groeiplaatsonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek heeft betrekking op 2 bomen, op het terrein naast de Johanneskerk, die binnen de directe invloedsfeer van de geplande nieuwbouw komen te staan. Uit de uitkomst van dit onderzoek blijkt dat, onder voorwaarden, ontwikkeling mogelijk is. Het groeiplaatsonderzoek is als bijlage 8 aan deze motivering toegevoegd. Navolgend is de conclusie van het rapport opgenomen. Uit dit groeiplaatsonderzoek blijkt dat wat in het eerste onderzoek (op basis van profielsleuf 7) is geconcludeerd kan worden onderschreven door de uitkomsten van dit groeiplaatsonderzoek. De resultaten geven aan dat het zwaartepunt van de stabiliteitskluit aan de zuidwestzijde in het heestervak en aansluitend in het gazon ligt. Langs de bestrating (rand heestervak) zijn minder wortels aangetroffen wat wijst op minder gunstige groeiomstandigheden onder de verharding. In het ontwikkelingsgebied van de nieuwbouw blijken voornamelijk opnamewortels met een diameter van 0,3 – 0,5 cm aanwezig te zijn. Wortelpatroon De wortels, in het horizontale vlak, blijken zich, vrij wijd, zowel oppervlakkig (opnamewortels) als in de diepte te hebben ontwikkeld. Opnamewortels zijn hierbij tot 8 meter uit de stam aangetroffen.

Het wortelpatroon in de diepte loopt tot ca 90 cm diepte door, waarbij de stabiliteitswortels worden aangetroffen in de zone 30- 60 cm min maaiveld. Gerelateerd aan de omvang van het totale wortelgestel bedraagt de oppervlakte ca. 280 m2. Het bouwvlak dat overlapt met het doorwortelbare gebied bedraagt ca. 60 m2 en omvat daarmee ca. 21% van het totale doorwortelbare gebied.

35

De inschatting is daarmee dat de omvang van het gedeelte, aan voornamelijk opnamewortels, wat onder het bouwvlak komt te liggen vrij beperkt is. Omdat er wordt uitgegaan dat ten behoeve van de constructie in principe geen wortels hoeven te worden verwijderd is de inschatting dat de boom geen onherstelbare schade zal oplopen mits aan voldoende voorwaarden wordt voldaan zoals op te stellen in een boombeschermingsplan.

Tevens kan nog gewezen worden op het uitgevoerde ‘boombeschermingsplan’ dat als bijlage 8.1 aan deze motivering is toegevoegd. Gebiedsbescherming In voorbereiding op de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 9 aan deze motivering toegevoegd. De resultaten van de berekening en de slotconclusie luiden zoals hieronder is weergegeven. In dit stikstofonderzoek is voor de realisatiefase de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Voor de onderhavige ontwikkeling is geen berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. De AERIUS Calculator (versie 2024) geeft voor de realisatiefase een maximale bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. Er is geen omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten benodigd. Conclusie Vanuit het oogpunt van soorten- en gebiedsbescherming zijn er – gevolg gevend aan de uitkomsten 36

van het vervolgonderzoek naar vleermuizen en rekening houdend met de overige uitkomsten van de uitgevoerde natuurscan – geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.5 Waterparagraaf Toetsingskader Het beleids-/toetsingskader ten aanzien van het onderdeel water is reeds behandeld in paragraaf 3.3 van deze motivering. Doorwerking project(gebied) Binnen het projectgebied vindt een toename van bebouwd / verhard oppervlak plaats. Derhalve is door Antea Group een watertoets uitgevoerd. De watertoets is als bijlage 10 aan deze motivering toegevoegd. De belangrijkste conclusies zijn hierna opgenomen. Deze beoordeling is een procedure die waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een weging achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een omgevingsplan en de waterbeheerders (in dit geval het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de gemeente Laren) met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Voor de aanbouw bij de Johanneskerk zijn geen knelpunten vastgesteld die problemen ten aanzien van grondwaterstroming, (grond)waterkwaliteit, bodemkwaliteit, waterveiligheid of wateroverlast opleveren. Wel is er een aantal aandachtspunten. • Verstoringen van grondwaterstromen, door ondergrondse bouwwerken, zijn niet wenselijk en dient voorkomen te worden.

Het plan voorziet in een kelder. Gezien de beperkte omvang van de kelder (40 m2) is verandering in grondwaterstroming niet aannemelijk, maar dit moet uit nader onderzoek blijken. • Het plangebied ligt in Laag Laren. Hier ligt een integrale opgave om overlast te beperken en Laren regenklaar te maken. Onderzocht moet worden op welke wijze het project hier een bijdrage aan kan leveren middels bijvoorbeeld een wadi en daarmee tevens kan voldoen aan het gemeentelijk principe ‘vasthouden-bergen-afvoeren’.

Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.6 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is het bepalen van de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor de voorgenomen plannen en het bepalen of de voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn. Een bodemonderzoek geeft uitsluitsel over de financiële haalbaarheid en een eventuele saneringsnoodzaak. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: •

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); 37

•

Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal);

•

Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4)

•

Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Doorwerking project(gebied) Verontreinigingen in het plangebied zijn niet bekend. Het gebied heeft bodemfunctieklasse ‘Wonen’ en in het verleden zijn de aangrenzende gronden niet in gebruik geweest door activiteiten die potentieel vervuilend zijn (zie hiervoor ook het als bijlage 10 opgenomen onderzoek ‘afweging water en bodem’. Bovendien zal in de beoogde uit-/aanbouw geen sprake zijn van een voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijf van mensen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4.7 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. In de handreiking Activiteiten en milieuzonering worden de volgende gebiedstypen beschreven: Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen zijn gebieden waar milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten plaatsvinden die substantiële milieuhinder kunnen voorzaken.

Op delen van bedrijventerreinen, vaak aan de rand, kan menging voorkomen van verschillende functies, zoals bedrijven, bouwmarkten, kantoren en soms ook bedrijfswoningen. Ook deze gebieden behoren tot bedrijventerreinen. Andere werkterreinen Andere werkterreinen zijn in hoofdzaak gericht op de toelating van publieksgerichte activiteiten/functies. Het gaat dan bijvoorbeeld om kantorenlocaties, perifere locaties met detailhandel zoals woonwinkels, bouwmarkten en autoshowrooms en ook sportterreinen. Ook op andere werkterreinen (dan bedrijventerreinen) zijn doorgaans milieuhinderlijke activiteiten toegelaten. Over het algemeen zijn dat de lichtere, minder milieuhinderlijke activiteiten. Net als bedrijventerreinen zijn deze andere werkterreinen in de basis niet bedoeld en ingericht voor milieugevoelige functies. Wel kunnen ook op deze terreinen op maat combinaties van wonen en werken toegelaten worden. De handreiking Activiteiten en milieuzonering is gebaseerd op inwaartse zonering. Hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per activiteit beschikbaar kan zijn. Deze inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid (basis, beperkt en verruimd) en twee voor geur (basis en verruimd). De ligging van de zones is afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.

Er bestaan drie mogelijkheden om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of geschikt is voor functiemenging: 1. en inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur; 38

2. een indicatie aan de hand van bijlage A5 (Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur) van handreiking Activiteiten en milieuzonering; 3. het uitvoeren van gericht onderzoek. Doorwerking project(gebied) Gebiedstype Het plangebied maakt onderdeel uit van een ‘gemengd gebied met wonen’. Er is sprake van een menging van een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten (diverse maatschappelijke functies en woningen). De voorziene nieuwbouw en functie betreffen geen geluidgevoelige activiteiten (ruimte als milieugevoelige activiteit). De beoogde activiteiten zullen ook niet zorgen voor een relevante geluiduitstraling naar buiten toe (ruimte als milieuhinderlijke activiteit). Het geluid zal niet hoorbaar zijn ter plaatse van woningen in de omgeving. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen zijn voor onderhavig planvoornemen. 4.8 Geurhinder Toetsingskader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);

•

Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

•

Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);

•

Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een

39

omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. De standaardnormen uit de voormalige Wgv zijn in navolgende tabel opgenomen.

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passenmiddels een gemeentelijke verordening. Doorwerking project(gebied) De voorziene nieuwbouw en functie betreffen in beginsel geurgevoelige activiteiten (ruimte als milieugevoelige activiteit), echter zitten er geen geurrelevante bedrijven in de omgeving. De beoogde activiteiten zullen niet zorgen voor relevante geuremissie naar buiten toe (ruimte als milieuhinderlijke activiteit). Er is dus geen sprake van directe uitbreiding van geurgevoelige activiteiten. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 4.9 Geluid Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het omgevingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van diverse geluidbronnen in de omgeving. Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4.

Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: •

Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);

•

Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);

•

Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). 40

Doorwerking project(gebied) De voorziene nieuwbouw en functie betreffen geen geluidgevoelige activiteiten (ruimte als milieugevoelige activiteit). Omdat de bestaande kerk niet geluidgevoelig is en onderhavige ontwikkeling een uitbreiding van bestaande activiteiten behelst, is een geluidonderzoek naar wegverkeerslawaai niet nodig. Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan geen belemmeringen op. Het leefklimaat ter plaatse van het projectgebied is gewaarborgd. Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor het plan. 4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht.

Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In paragraaf 2.2.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn omgevingswaarden voor de concentratie van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Voor dit project zijn stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang.

De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood) in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Voor deze stoffen kan zeker worden voldaan aan de omgevingswaarden. Voor de toegestane concentraties NO2 en PM10 gelden de volgende grenswaarden: -

voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie;

-

voor PM10 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie;

-

voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie.

Aantonen luchtkwaliteit op basis van onderzoek, NIBM. Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit. 41

Doorwerking project(gebied) Uit het NIBM blijkt dat uitbreiding van activiteiten van een bestaande kerk significant geen invloed heeft op de luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt, uit de Atlas Leefomgeving, dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.11 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

42

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: •

Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;

•

Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

•

Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);

•

Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Doorwerking project(gebied) Op basis van gegevens van de Atlas Leefomgeving zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen en invloedsgebieden zijn weergegeven op de afbeelding hierna.

Het projectgebied ligt niet binnen aandachtsgebieden. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. Inrichtingen In de omgeving van het projectgebied liggen geen inrichtingen die relevant zijn ten aanzien van de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Wegen In de omgeving van het projectgebied liggen geen wegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. 43

Spoorwegen In de omgeving van het projectgebied liggen geen spoorwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Waterwegen In de omgeving van het projectgebied liggen geen inrichtingen die relevant zijn ten aanzien van waterwegen. Buisleidingen In de omgeving van het projectgebied liggen geen buisleidingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijvigheid in de omgeving en externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 4.12 Volksgezondheid Veehouderijen Het projectgebied ligt niet binnen de invloedssfeer van veehouderijen als het gaat om het aspect volksgezondheid. Spuitzones In de omgeving van het projectgebied liggen geen gronden waar mogelijk sprake is van een spuitzone. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het plan. Hoogspanningsleidingen In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Het aspect hoogspanningsleidingen vormt geen belemmering voor het plan. 4.13 Verkeer en parkeren De gemeente Laren kiest ervoor om de CROW-normen door te vertalen in gemeentelijk parkeerbeleid en deze van toepassing te verklaren op het gemeentelijk grondgebied. In het geldende bestemmingsplan (“Centrum Laren 2018”) is dit als volgt vastgelegd: •

•

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat voor het parkeren van motorvoertuigen en/of fietsen, alsmede voor het laden of lossen van goederen voldoende voorzieningen worden getroffen op het betreffende bouwperceel, overeenkomstig het geldende parkeerbeleid van de gemeente Laren of de daarvoor in de plaats komende regeling, en bij gebreke van parkeerbeleid van de gemeente Laren aan de ASVV (2012) en CROW (2018). Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de parkeernormen die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto's, fietsen, bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen, indien: o Op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien; o Nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en/of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de in het CROW (2018) opgenomen parkeernormen; o Het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

44

De Antea group heeft een parkeeronderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 11 aan deze motivering toegevoegd. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies overgenomen. De Protestantse gemeente Laren Eemnes heeft het voornemen om bij de Johanneskerk multifunctionele nevenruimtes en ruimte voor ondersteunende voorzieningen te realiseren. Er wordt ten noorden van de kerk een aanbouw voorzien. Met de aanbouw krijgt de Johanneskerk de volgende gebruiksmogelijkheden er bij: • Nevenruimtes tijdens de kerkdiensten voor de kinderdienst, 12+ groep en de crèche; • Keuken, garderobe en toilet; • Een ontmoetingsruimte c.q. vergaderruimten; • Opslag- en bergruimte. Bij afwezigheid van parkeerbeleid en specifieke parkeernormen is het plan getoetst aan de normen van het CROW. Dit betekent dat de Johanneskerk 20 parkeerplaatsen benodigd heeft. Het huidige gebruik is daarbij het uitgangspunt. Dit betekent parkeerruimte voor maximaal 100 bezoekers. Dit is overeenkomstig het huidig aantal zitplaatsen in de Johanneskerk (ca. 80-100) en de beschikbare ruimte voor kerkdiensten, uitvaarten, huwelijksvoltrekkingen, exposities en concerten. Rondom en nabij het plangebied zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig die kunnen voorzien in capaciteit voor de zondagse diensten, maar ook bij evenementen. Door de toekomstige situatie met nieuwe aanbouw neemt de parkeerdruk niet toe.

De capaciteit en de activiteiten van de Johanneskerk wijzigen immers niet. De aanbouw dient hoofzakelijk om de diensten en evenementen beter te faciliteren, maar vergroot niet de capaciteit en daarmee ook niet de parkeerdruk. Ten aanzien van parkeren worden geen belemmeringen verwacht.

45

5

Participatie

5.1.1 Participatie omgeving Voor de verslagen van de gevoerde omgevingsdialoog en uitkomsten daarvan wordt verwezen naar bijlagen 12. Bij de verdere uitwerking is zoveel als redelijkerwijs mogelijk invulling en uitwerking gegeven aan de uitkomsten van de omgevingsdialoog. 5.1.2 Bestuurlijk vooroverleg De betrokken hogere overheden en andere stakeholders (bijvoorbeeld de veiligheidsregio) zijn meegenomen in het vooroverleg. De gemeente betreft het bevoegde gezag voor de behandeling van de vergunningaanvraag. Specifiek kan op deze plaats gewezen worden op het advies van de ingeschakelde Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 26 november 2024 (zie bijlage 5). De rijksdienst verzocht om een nadere uitwerking met betrekking tot de volgende onderdelen: • • •

Archeologie. Het plangebied kent een hoge archeologische waarde. Het tijdig laten doen van de benodigde onderzoeken is zeer aan te bevelen. Bestaande Kerkruimte. Hoe wordt de kerk(ruimte) bij de plannen betrokken en zijn er ook wijzigingen voorzien aan het kerkinterieur? Nadere uitwerking details, fundering, installaties, materialen etc.

Bij de nadere uitwerking van het ontwerp is hier invulling aan gegeven.

46

6 Financiële haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer. 6.1.1 Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. In de legesverordening 2024 is opgenomen dat de leges voor een BOPA worden bepaald aan de hand van de bouwkosten. Indien deze niet meer bedragen dan €100.000,- euro, bedraagt het tarief €525,- euro. Indien de bouwkosten meer dan €100.000,- euro bedragen bedraagt het tarief €5.100,- euro. 6.1.2 Nadeelcompensatie Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten (bijlage format standaard overeenkomst) op basis van art. 4.5 Awb.

47

7 Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Derhalve zijn de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling gemotiveerd. Het initiatief is verder niet in strijd met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie en is het mogelijk om dit met een BOPA te vergunnen.

48

8 Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan. De BOPA moet uiteindelijk opgenomen worden in het omgevingsplan. De gemeente zorgt er voor dat de onherroepelijke BOPA met een wijziging van het omgevingsplan wordt opgenomen.

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16539983/1