BIJLAGE 1 - Bopa-motivering uitbreiding Johanneskerk Naarderstraat 5
Tekst van het document
VERZONDEN OP:
Ruimtelijke motivering – ETFAL Onderbouwing voor de fysieke leefomgeving , bouwplan Johanneskerk, Naarderstraat 5 te Laren
25 augustus 2025
1
1 Inhoud Samenvatting........................................................................................................................................... 4 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 5
2
Huidige situatie en nieuwe situatie ................................................................................................. 5
3
4
5
6
2.1
Beschrijving huidige situatie .................................................................................................. 6
2.2
Beschrijving nieuwe situatie .................................................................................................. 9
2.3
Beschrijving strijdigheid ....................................................................................................... 14
Toetsing aan beleid ....................................................................................................................... 15 3.1
Toetsing rijksbeleid. ............................................................................................................. 15
3.2
Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening ......................................................... 17
3.3
Toetsing beleid waterschap ................................................................................................. 20
3.4
Toetsing gemeentelijk beleid. .............................................................................................. 22
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ..................................................................................... 25 4.1
Gezondheid als basis ............................................................................................................ 25
4.2
M.e.r.-beoordeling ............................................................................................................... 28
4.3
Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................ 28
4.4
Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie)...................... 32
4.5
Waterparagraaf.................................................................................................................... 37
4.6
Bodem .................................................................................................................................. 37
4.7
Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................ 38
4.8
Geurhinder ........................................................................................................................... 39
4.9
Geluid ................................................................................................................................... 40
4.10
Luchtkwaliteit....................................................................................................................... 41
4.11
Omgevingsveiligheid ............................................................................................................ 42
4.12
Volksgezondheid .................................................................................................................. 44
4.13
Verkeer en parkeren ............................................................................................................ 44
Participatie .................................................................................................................................... 46 5.1.1
Participatie omgeving ...................................................................................................... 46
5.1.2
Bestuurlijk vooroverleg.................................................................................................... 46
Financiële haalbaarheid ................................................................................................................ 47 6.1.1
Kostenverhaal .................................................................................................................. 47
6.1.2
Nadeelcompensatie ......................................................................................................... 47
7
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties? ...................................................... 48
8
Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan. .......................................... 49
2
Bijlagen 1. Gevels, situatie en plattegronden, Woudstra architecten, 23 mei 2025; 2. Definitief ontwerp buitenruimte aanbouw Johanneskerk Laren, H+ N+ S Landschapsarchitecten, 25 juli 2025; 3. Bureauonderzoek BOPA Johanneskerk Laren (gemeente Laren), Antea Group Archeologie, projectnummer 493934, 3 september 2024; 4. Bouwhistorische verkenning Johanneskerk Laren, bureau voor bouwhistorisch onderzoek J.A. van der Hoeve, november / december 2019; 5. Predvies omgevingsvergunning rijksmonumentactiviteit, Rijksdienst voor het cultureel erfgoed – Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 26 november 2024; 6. Natuurtoets Johanneskerk Laren, Antea Group, projectnummer 0493934.100, 3 september 2024; 7. Bomen Effect Analyse Johanneskerk Laren, Pius Floris Boomverzorging, 2 november 2023; 8. Groeiplaatsonderzoek Johanneskerk Laren, Pius Floris Boomverzorging, 20 mei 2025; 9. Stikstofonderzoek Johanneskerk, Laren, Antea Group, projectnummer 0493934, 30 oktober 2024; 10. Afweging water en bodem Johanneskerk Laren, projectnummer 0493934, 5 december 2024; 11. Memo parkeren t.b.v. BOPA Johanneskerk Laren, Antea Group, projectnummer: 493934.100, 2 oktober 2024; 12. Omgevingsdialoog 13. Gecombineerde principe advies ruimtelijke kwaliteit en monumenten uitbouwen van de kerk, Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van Laren, dossiernummer: LAR 24-0126- november 2024.
3
Samenvatting Het plan betreft het realiseren van een uit-/aanbouw bij de Johanneskerk, Naarderstraat 5 te Laren. De initiatiefnemer, de Protestante Gemeente Laren-Eemnes is initiatiefnemer van het project, is voornemens om de Ontmoetingskerk aan de Kerklaan te sluiten en alle activiteiten samen te brengen in de Johanneskerk te Laren. Daarvoor is er naast de kerkzaal ook behoefte aan multifunctionele nevenruimtes en ruimte voor ondersteunende voorzieningen. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Derhalve zijn de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling gemotiveerd. Het initiatief is verder niet in strijd met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie en is het mogelijk om dit met een BOPA te vergunnen.
4
1 Inleiding Het plan betreft het realiseren van een uit-/aanbouw bij de Johanneskerk te Laren. De initiatiefnemer, de commissie Gebouwen Protestantse Gemeente Laren-Eemnes, is voornemens om de Ontmoetingskerk aan de Kerklaan te sluiten en alle activiteiten samen te brengen in de Johanneskerk te Laren. Daarvoor is er naast de kerkzaal ook behoefte aan multifunctionele nevenruimtes en ruimte voor ondersteunende voorzieningen. De Johanneskerk is een Nederlands Hervormde kerk met een eenbeukig schip van omstreeks 1500. Het koor is reeds verdwenen. De kerk is in 1970 aangewezen als Rijksmonument en gelegen in het beschermde dorpsgezicht van Laren. De kerk, het projectgebied, ligt op het erf van de Johanneskerk te Laren, ten noorden van de Bij den Toren en ten westen van de Naarderstraat, en is geadresseerd aan de Naarderstraat 5. Uit navolgende afbeelding blijkt dat het projectgebied, inclusief kerkgebouw en terrein landschapsplan, bekend is als Gemeente Laren, sectie F, nummers 400, 401, 899 en 2119. De voorziene uitbreiding vindt plaats binnen de nummers 401, 899 en deels 2119.
2 Huidige situatie en nieuwe situatie De Johanneskers betreft de Protestantse kerk te Laren. Deze kerk is sinds 15 december 1970 ingeschreven als Rijksmonument onder de nummers 23951 (toren) en 23952 (kerk). Op basis van deze omschrijving is de hele kerk beschermd met alle aan- en bijbouwen, zowel voor wat betreft het exterieur als het interieur. Er wordt ten noorden van de kerk een aanbouw voorzien. Deze aanbouw komt deels op de locatie van de huidige consistorie, die hiervoor (deels) gesloopt wordt. Volgens het huidige ontwerpplan betreft het een aanbouw van circa 12,5 meter bij 15 meter. Hierbij wordt ook een kelder gebouwd. Het doel bij het planvoornemen is om de omgeving intact te houden en om het erfgoed niet aan te tasten. Zo wordt de uitbouw opgericht tussen twee bomen die behouden blijven. Doel van de onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit-procedure is om, in afwijking van het vigerende (tijdelijke) omgevingsplan (voormalig bestemmingsplan), omgevingsvergunning te verkrijgen. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het (tijdelijk) omgevingsplan en niet vergunningsvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 5
1. Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen. 2. Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a lid 2 Bkl); b. als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e Bkl. Deze beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. Met deze omgevingsvergunning kan de Protestantse gemeente Laren-Eemnes (PGLE) invulling geven aan de wens om de Rijksmonumentale Johanneskerk als enige kerk aan te houden en uit te breiden met multifunctionele nevenruimtes. De Ontmoetingskerk wordt afgestoten. Dit heeft de kerkenraad besloten omdat uit onderzoek naar voren komt dat het in de toekomst financieel niet haalbaar is om twee kerkgebouwen in stand te houden. Het college van de gemeente Laren heeft in principe een positieve grondhouding ten opzichte van het bouwplan. Navolgende afbeelding geeft de gewenste ontwikkeling weer.
2.1 Beschrijving huidige situatie Ter plaatse van het projectgebied geldt vanaf 1 januari 2024 het tijdelijke deel omgevingsplan. Deze bestaat onder andere uit de ruimtelijke regels uit de vervallen bestemmingsplannen. Conform het bestemmingsplan ‘Centrum Laren 2018 luiden ter plaatse de functies ‘Groen’ en Maatschappelijk en de dubbelfuncties ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’. Voorts is er een bouwvlak aanwezig, geldt de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding gemeentelijk- cq rijksmonument’ en zijn er diverse maatvoeringen van kracht. Navolgende afbeelding betreft het projectgebied weergegeven op de verbeelding van het vigerende omgevingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
6
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
groenvoorzieningen, gazons en beplantingen; voet- en fietspaden; in- en uitritten; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; bermen en bermsloten; nutsvoorzieningen, waaronder oplaadpalen; openbare toiletvoorzieningen; water, waterbeheer en waterberging;
met de daarbij behorende voorzieningen zoals: j.
ondergrondse afvalinzamelvoorzieningen, kunstwerken (waaronder duikers, bruggen en faunapassages) en beeldende kunst uitingen.
Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte mag ten hoogste 3 meter bedragen; b. de oppervlakte mag ten hoogste 15 meter bedragen. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. horeca in lichte vorm met een maximum brutovloeroppervlak van 80 m2, ter plaatse van de aanduiding 'horeca'; c. kantoor ter plaatse van de aanduiding 'kantoor'; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - medische en sociale voorzieningen' uitsluitend medische en sociale voorzieningen; e. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' uitsluitend nutsbedrijven; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk overheidsvoorzieningen' uitsluitend overheidsvoorzieningen; g. ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs' uitsluitend onderwijs; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - culturele voorzieningen' uitsluitend culturele voorzieningen; 7
i.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - museum en theater', uitsluitend een theater, museum, beeldentuin, ondergeschikte detailhandel en horeca in lichte vorm; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - sociëteit', uitsluitend een sociëteit; k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kantoren op begane grond', uitsluitend kantoren op de begane grondlaag van gebouwen; l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - woningen op verdieping', uitsluitend wonen op de verdiepingen van gebouwen; m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 4 dienstwoningen op verdieping', uitsluitend wonen in 4 dienstwoningen op de verdiepingen van gebouwen; n. wonen ter plaatse van de aanduiding 'wonen'; o. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk- cq rijksmonument' aangegeven bouwwerken; met de daarbij behorende: p. parkeervoorzieningen; q. verkeers- en groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen. Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn toegestaan: 1.
binnen het bouwvlak; 2. ter plaatse van de aanduidingen 'maximum goot-, bouwhoogte (m)' en 'maximum goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage'; c. het bebouwingspercentage van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)', mag niet worden overschreden; d. de goot- en bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot-, bouwhoogte (m)' danwel 'maximum goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' mag niet worden overschreden; e. de voorgevel van een gebouw moet in de naar de straat gekeerde bestemmingsgrens worden gebouwd, indien de afstand tussen het voor rijdend verkeer bestemde gedeelte van de straat en de bestemmingsgrens meer bedraagt dan 1,5 meter; f. de inhoud van een woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - woningen op verdiepingen' mag niet minder bedragen dan 125 m3; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overkluizing' dient de eerste bouwlaag van het gebouw onbebouwd te blijven. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt.
8
a. De aanvrager van een Omgevingsvergunning - activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die betrekking heeft op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden legt een KNA conform archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. b. Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in sub a genoegzaam blijkt dat: 1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; 2. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning - activiteit bouwen verbonden voorwaarden. De voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de versterking dan wel het herstel van het waardevol dorpsgezicht. De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan: 1. de situering en de omvang van de bebouwing; 1. de nokrichting van de kappen van gebouwen; 2. de gevelindeling; 3.
materiaal- en kleurgebruik; 4. ten einde het behoud, de versterking of het herstel van de karakteristiek van het dorpsgezicht te verzekeren. 2. Bij het stellen van nadere eisen zoals genoemd onder a: 1. mag het doelmatig gebruik van de gronden niet worden geschaad; 2. dient vooraf advies te worden ingewonnen bij in van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. 2.2 Beschrijving nieuwe situatie Om de Johanneskerk te Laren voor de toekomst in haar functie te behouden, is er naast de kerkzaal ook behoefte aan multifunctionele nevenruimtes. De Protestantse Gemeente Laren-Eemnes (PGLE) heeft derhalve laten onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om via een aanbouw, binnen de grenzen van de eigen gronden, in het plantsoen naast de kerk (Sectie F, perceel 899) extra ruimte te creëren voor de Johanneskerk. De PGLE bezit twee kerkgebouwen in Laren, de Ontmoetingskerk aan de Kerklaan en de Johanneskerk aan de Naarderstraat. De Ontmoetingskerk is gebouwd in de jaren 60 van de vorige eeuw en beschikt over een grote kerkzaal en drie nevenruimten voor vergaderingen en andere activiteiten. De Johanneskerk is een Rijksmonument, gelegen midden in het beschermde dorpsgezicht van Laren. In 2021 werd het 500-jarig jubileum van de kerk gevierd, ter gelegenheid van dit jubileum is dankzij subsidies en fundraising zowel het exterieur als het interieur gerestaureerd.
In de Johanneskerk viert de PGLE diensten in de week voor Pasen, zondagmorgendiensten in de zomermaanden en bijzondere diensten zoals huwelijken en uitvaarten. Daarnaast wordt de Johanneskerk gebruikt voor lezingen, concerten, diners, kleine exposities en presentaties.
9
Uit intern onderzoek komt duidelijk naar voren dat het in de toekomst financieel niet haalbaar is om twee kerkgebouwen in stand te houden. De kerkenraad heeft daarom besloten om op termijn één kerkgebouw af te stoten, de Ontmoetingskerk of de Johanneskerk. De Commissie Gebouwen heeft de opdracht te onderzoeken of het mogelijk is de Johanneskerk als het enige kerkgebouw aan te houden voor de PGLE. Dit leidt tot het volgende Programma van Eisen: -
-
Het kunnen houden van kerkdiensten met minimaal 100 bezoekers Er dienen nevenruimtes te zijn tijdens de kerkdiensten voor de kinderdienst, 12+ groep en de crèche Keuken, garderobe en toilet dienen zodanig te zijn dat de Johanneskerk geschikt is voor mindervalide bezoekers en dat de kerk breed te gebruiken is voor meer dan alleen kerkdiensten Een ontmoetingsruimte c.q. vergaderruimte Twee vergaderruimtes voor respectievelijk 4-6 en 10-14 personen Opslag- en bergruimte Aandacht voor infrastructuur rondom de JK: o Parkeermogelijkheid o Fietsenstalling o Plek om mensen af te zetten voor de kerk o Bereikbaarheid
Om het Programma van Eisen te vertalen naar een schetsplan heeft de Commissie Gebouwen Woudstra architecten te Schijndel benaderd. Er is gekozen voor een architect die veel ervaring heeft met aanbouwen aan en hergebruik van monumentale gebouwen. Woudstra architecten heeft het volledige Programma van Eisen weten te vertalen in het schetsplan dat nu voorligt. Navolgende afbeeldingen betreffen de nieuwe, gewenste situatie van de Johanneskerk met aanbouw. Zie bijlagen 1 en 2 voor nadere uitwerking.
10
11
De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. De aanbouw en de inrichting zijn passend bij het de omgeving. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied in stand houdt en, door de voorgestelde aanpassingen, verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft derhalve een positieve invloed op de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 4. Energietransitie De toepassing van energietransitie in een nieuwbouwplan is van cruciaal belang voor het realiseren van duurzame, energie-efficiënte en milieuvriendelijke gebouwen.
De energietransitie heeft als doel om over te stappen van traditionele, op fossiele brandstoffen gebaseerde energiebronnen, naar hernieuwbare en schone energiebronnen. Bij het ontwerpen en bouwen van een nieuwbouwproject is het daarom essentieel om vanaf het begin rekening te houden met innovatieve en duurzame energieoplossingen.
12
Een belangrijk aspect van de energietransitie in nieuwbouwplannen is de integratie van hernieuwbare energiebronnen. Voor onderhavig planvoornemen kan dit bestaan uit toepassing van zonnepanelen, gebruik maken van geothermische energie of beter omgaan met huishoudelijk water en hemelwater. Het implementeren van zonnepanelen op daken, het gebruik van geothermische warmtepompen en het beter omgaan met water kunnen bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en het minimaliseren van de ecologische voetafdruk van het gebouw. Energie-efficiëntie speelt ook een sleutelrol in de energietransitie van nieuwbouwplannen. Het bouwplan zal gecombineerd kunnen worden met toepassing van hoogwaardige isolatie, vergelijkbaar met die van een hedendaags woonhuis, efficiënte ventilatiesystemen door middel van warmteterugwinning en geavanceerde verlichtingstechnologieën ,zoals door middel van Ledarmaturen. Het verbruik van energie zal hierdoor aanzienlijk verminderen. De nieuwbouw draagt de volgende onderdelen van energietransitie met zich mee: het gebouw wordt gasloos opgericht, wordt hoogwaardig geïsoleerd en wordt voorzien van een duurzame verwarming door middel van een warmtepomp of stralingspanelen.
Klimaatadaptatie Het integreren van klimaatadaptatie in een nieuwbouwplan is een tweede, essentieel belang om te anticiperen op de steeds veranderende klimaatomstandigheden en de impact ervan op de gebouwde omgeving. Klimaatadaptatie omvat maatregelen die ervoor zorgen dat gebouwen en hun omgeving veerkrachtiger zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals overmatige regenval, hittegolven en overstromingen. Een belangrijke focus bij het ontwerpen van nieuwbouwprojecten met klimaatadaptatie in het achterhoofd is watermanagement. Voorbeeld van maatregelen zijn de toepassing van groene daken, regenwaterinfiltratiesystemen en strategisch geplaatste waterretentiegebieden. Door deze maatregelen te integreren, kan overtollig regenwater effectief worden afgevoerd, overstromingsrisico's worden verminderd en de belasting van het rioleringssysteem worden verlicht. Onderhavig planvoornemen heeft een uitbreiding van verhard oppervlak ten aanzien van de huidige braakliggende situatie tot gevolg. De overige ruimte wordt ingericht als groenvoorziening of halfverharding, is groen van karakter en omvat dan ook een bovengemiddelde infiltratiecapaciteit voor hemelwater (bergen en infiltreren) en heeft met de groenvoorziening een positieve bijdrage ter voorkoming van hittestress.
Voorts wordt een afkoppeling van de hemelwaterafvoer geïntegreerd, wordt de openbare ruimte ingericht met veel groen en er zal worden voldaan aan de maximum MPG-waarde (MilieuPrestatie gebouwen) volgens het BBL waarbij ook het plan getoetst wordt aan de BCI (Building Circularity Index). In het terrein wordt rekening gehouden met nieuw, door een extern adviesbureau uitgewerkt ontwerp ten behoeve van groenvoorzieningen rondom de nieuwbouw en de waterberging/infiltratie van het gebouw zal ook op eigen terrein gebeuren, waarbij een speciale aandacht geldt voor het conserveren van het wortelstelsel van de beide aanwezig bomen (esdoorns).
13
2.3 Beschrijving strijdigheid Het initiatief ziet op de uitbreiding van een bestaande kerk in de vorm van multifunctionele nevenruimtes en ruimte voor ondersteunende voorzieningen op gronden welke thans vallen binnen de functie groen, waarbinnen de oprichting van dergelijk bouwwerken met dergelijk functies thans niet is toegestaan. Daarnaast kennen kerk en projectgebied een beschermde status en is er een archeologische dubbelfunctie van kracht. Derhalve is het planvoornemen thans in strijd met de vigerende wet- en regelgeving zoals opgenomen in het omgevingsplan.
14
3 Toetsing aan beleid In het kader van de ruimtelijke motivering is onderzocht of het hiervoor beschreven planinitiatief past binnen het geldende beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In dit hoofdstuk komen de bevindingen met betrekking tot het relevante ruimtelijke beleid aan de orde. 3.1 Toetsing rijksbeleid. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: • • •
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen.
Belangrijkste keuzes in de NOVI •
• •
een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
15
•
• •
de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking project(gebied) Het voorliggende projectgebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op de onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving) Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft zorgvuldig ruimtegebruik als doel.
De Ladder geeft invulling aan het zorgvuldig en transparant afwegen van besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. De behoefte wordt aan de toelichting van een omgevingsplan toegevoegd. Dit op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de 16
overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
De ruimtelijke motivering van het planvoornemen moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het projectgebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de ruimtelijke motivering een beschrijving van de behoefte te bevatten. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking project(gebied) Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Laren. Het voorliggende planvoornemen is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 3.4 (gemeentelijk beleid).
Conclusie Zoals hiervoor is uiteengezet, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in dat artikel 5.129g BKL. Daarmee is het doorlopen van de Laddertoets niet noodzakelijk. Desondanks kan worden vermeld dat de planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. 3.2 Toetsing provinciaal beleid/ provinciale verordening Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid Toetsingskader De provincie Zuid-Holland probeert kansen te benutten die zich bij veranderingen voordoen. Economische kansen bijvoorbeeld van energietransitie, ingegeven door de gunstige ligging van Noord-Holland. Kansen voor mooie aanvullende woonmilieus en aansprekende landschappen, om de 17
mensen die hier wonen, werken en op bezoek komen in een prettig leefbare provincie te verwelkomen. Kansen ook om nieuwe mobiliteitsconcepten uit te proberen in een gebied met bereikbaarheidsopgaven. Mogelijkheden voor de ontwikkeling van circulaire economie door slimmer om te gaan met de al aanwezige grondstoffen. En uitdagingen om in een drukker wordende provincie oplossingen te bedenken waardoor het hier leefbaar blijft. Een van de 8 uitgangspunten uit de omgevingsvisie betreft ‘Sterke kernen, sterke regio's’. De beweging ‘Sterke kernen, sterke regio’s’ beoogt handvatten te geven om de werkgelegenheid, het voorzieningenniveau en de bereikbaarheid op peil te houden. En om dorpen, steden en regio’s de krachtige identiteit die ze zo kenmerkt te laten behouden of te ontwikkelen. Groen-binnenstedelijke kernen en dorpskernen horen bij het regionale netwerk, versterken dat en zijn aanvullend op wat de centrumstad te bieden heeft en andersom. Zij bieden een woon- en werkmilieu passend bij dit type kern. Het beleid is er op gericht om kernen hun eigen identiteit te laten behouden. Versterking van de relatie met het landschap kan helpen hun identiteit krachtiger te maken. Groenblauwe structuren tussen de kernen door kunnen een voorbeeld daarvan zijn. Binnen geheel Noord-Holland spelen de doelen uit deze beweging. Noord-Holland Noord kent een eigen kracht en dynamiek.
De regio heeft op het gebied van economie, energie, toerisme, recreatie en gedeeltelijk woningbouw verbinding met de metropool in ontwikkeling rondom Amsterdam. Deze sectoren komen tot uitdrukking in de bewegingen Dynamisch schiereiland, Nieuwe energie en Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving. De opgave bepaalt het schaalniveau waarop afstemming en samenwerking plaatsvinden. De ene keer is dat op de schaal van Noord-Holland als geheel, de andere keer op Noord-Holland Noord of op regionaal niveau, zoals bij het voorzieningenniveau op peil houden en de afstemming van woningbouwontwikkeling. Het is zaak dat regio’s vitaal blijven en zich verder kunnen ontwikkelen. Doorwerking project(gebied) Het plan vindt aansluiting op de door de provincie gestelde doelstellingen en uitgangspunten. Om het aanbod vanuit de protestants-christelijke gemeenschap te behouden en te versterken is er voor gekozen om de Ontmoetingskerk aan de Kerklaan te sluiten en alle activiteiten samen te brengen in de Johanneskerk te Laren. Dit zorgt voor een intensivering van gebruik en behoud van aanbod van een maatschappelijke functie binnen de gemeenschap. Het voorliggende planvoornemen is een vorm van inbreiding, transformatie en conservering van een bestaand monumentaal pand.
Door de voorgenomen ontwikkeling en daarmee samengaande investering kan er een kwaliteitsslag worden gemaakt welke het rijksmonument versterkt. Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de door de provincie Noord-Holland opgestelde ambities en uitgangspunten. Met onderhavig planvoornemen wordt een reeds voor maatschappelijke doeleinden bestemde locatie uitgebreid binnen bestaande stedelijk gebied. Uitbreiding van de stedelijke zone wordt hiermee voorkomen. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid. Omgevingsverordening NH2022 Toetsingskader De provincie Noord-Holland wil een overheid zijn die anticipeert op deze veranderingen in de 18
maatschappij. Daarbij staat de opgave centraal en draagt de provincie vanuit haar toegevoegde waarde hieraan bij. Dit sluit aan bij de doelstellingen en uitgangspunten van de Omgevingswet De provincie Noord-Holland heeft ervoor gekozen zich tijdig voor te bereiden op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet al vormgegeven aan de kerninstrumenten van de provincie van deze wet: de Omgevingsvisie en de omgevingsverordening. De provinciale Omgevingsvisie is hét langetermijnontwikkelingsbeeld dat strategische keuzes bevat over de noodzakelijke en gewenste ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving in Noord-Holland. De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten vastgesteld. Om de lange termijn ambities waar te maken zet de provincie Noord-Holland onder andere programma’s en projecten in en onderzoekt nieuwe vormen van samenwerking om samen met partners maatschappelijke opgaven te slechten. Dit past bij de sturingsfilosofie zoals deze in de Omgevingsvisie is verwoord. Deze sturingsfilosofie luidt als volgt: We gaan uit van het principe ‘Lokaal wat kan, regionaal wat moet’, gelet op de diversiteit aan regio’s, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking.
Wat ontwikkelingen in de ruimte betreft streeft men naar een concentratie van verstedelijking binnen de stedelijke structuur. Men tracht hierin onder meer zorgvuldig ruimtegebruik en meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit te bereiken De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.
Doorwerking project(gebied) Het plan vindt aansluiting op de door de provincie gestelde doelstellingen en uitgangspunten. Het voorliggende planvoornemen is een vorm van inbreiding, transformatie en conservering van een bestaand monumentaal pand. Door de voorgenomen ontwikkeling en daarmee samengaande investering kan er een kwaliteitsslag worden gemaakt welke het Rijksmonument versterkt. Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de door de provincie Noord-Holland opgestelde ambities en uitgangspunten. Met onderhavig planvoornemen wordt een reeds voor maatschappelijke doeleinden bestemde locatie uitgebreid binnen bestaande stedelijk gebied. Uitbreiding van de stedelijke zone wordt hiermee voorkomen en door combinatie van de bestaande kerk met de nieuwe multifunctionele nevenruimtes en ruimte voor ondersteunende voorzieningen komt ter plaatse van de Kerklaan ruimte vrij voor een passende stedelijke invulling.
19
Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Omgevingsverordening NH2022. 3.3 Toetsing beleid waterschap Navolgend is op drie verschillende schaalniveaus de vigerende wet- en regelgeving geformuleerd. In het volgende hoofdstuk wordt de watertoets behandeld welke is uitgevoerd ten behoeve van onderhavig planvoornemen. In het volgende hoofdstuk vindt dan ook de toetsing aan het vigerende beleid plaats. Rijksbeleid Omgevingswet 2024 Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In de Omgevingswet wordt de leefomgeving op een andere manier benaderd dan voorheen, waarbij wordt ingezet op een duurzame economische structuur met borging van de kwaliteit en veiligheid daarvan. In de Omgevingswet worden de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu natuur en water gebundeld. Deze wet regelt daarmee het beheer en de ontwikkeling met minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk. Ingezet wordt op integraliteit, vertrouwen en participatie van alle belanghebbenden. De wet krijgt vorm in de omgevingsvisie, waarbij de huidige provinciale plannen komen te vervallen en worden geïntegreerd in deze visie.
Afweging van het waterbelang De watertoets, zoals deze bestond onder de Waterwet, is in de Omgevingswet overgegaan in de afweging van het waterbelang. In de Omgevingswet is opgenomen dat ruimtelijke plannen (waaronder omgevingsplannen) die ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een afweging van het waterbelang. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. gemeente of projectontwikkelaar) worden overlegd met de verschillende waterbeheerders. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016- 2021. Met de samenvoeging van deze twee plannen werd geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen. Het Nationaal Water Programma bevat: •
•
Een uitwerking van het te voeren beleid (inclusief het nationale ruimtelijke en ecologische beleid) voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer en de bescherming of het behoud van water; Maatregelen vanwege nationale belangen en om wateropgaven te bereiken en daaraan te blijven voldoen.
Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot de aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Kaderrichtlijn Water (KRW) Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het 20
bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Provincie Noord-Holland Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) bevat de ambities en doelen voor oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s binnen de Provincie Noord-Holland. Het RWP is opgenomen in de Omgevingsvisie NH2050. De doelen van de provincie zijn: • • • • •
Een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater; een goede ecologische en chemische toestand; voldoende waterkwantiteit en kwaliteit voor de natuur; het regionale waterkeringen voldoen uiterlijk 2050 aan de veiligheidsnorm; veiligheid door klimaat adaptieve maatregelen.
Omgevingsvisie NH2050 In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Deze hoofdthema’s zijn: Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; Bodem, water en luchtkwaliteit; Biodiversiteit; Economische transitie; Energietransitie; Mobiliteit; Verstedelijking; en Landschap. Provincie Noord-Holland heeft ten opzichte klimaatverandering de volgende ambities: • • • •
Een klimaatbestendig en water robuust Noord-Holland; Ontwikkeling van een richten stad, land en infrastructuur klimaatbestendig en water robuust; Overal wordt voldaan aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier; Alle nieuwe ruimtelijke (her)ontwikkelingen doorlopen een klimaatstresstest.
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerplan (WBP) geeft het waterschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op digitalisering. De strategische uitganspunten zijn onder ander de klimaatverandering, bodemdaling, afname van biodiversiteit, achteruitgang van ecologische kwaliteit van wateren, stikstofproblematiek, landbouwtransitie, bevolkingsgroei en woningbouwopgave, energietransitie, toenemende vraag naar grondstoffen, circulaire economie, technologische ontwikkelingen en digitalisering. Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024 Door de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt de Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2024 de Keur. De Waterschapsverordening is een verordening met de wettelijke regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). In de Waterschapsverordening wordt specifieker gekeken naar de regelgeving voor verschillende soorten gebieden en activiteiten. 21
In de Waterschapsverordening staat beschreven in Afdeling 2.1 Regels over verhard oppervlak en stedelijke uitbreiding, artikel 2.4 dat het is verboden om een uitbreiding op het verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2 binnen stedelijk of glastuinbouwgebied te doen zonder mgevingsvergunning. Voor het overige beheergebied van het waterschap wordt een maximale uitbreiding van het stedelijk gebied van 5.000 m2 zonder omgevingsvergunning toegestaan. De compensatienorm in artikel 2.5 benadrukt dat de toename in hemelwater vanaf het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door oppervlaktewater aan te leggen dat in omvang minimaal 10% van het verhard oppervlak is. 3.4 Toetsing gemeentelijk beleid. Omgevingsvisie Laren (ontwerp) Toetsingskader Laren behoort tot de meest aantrekkelijke woongemeenten van het land. Tegelijk spelen er opgaven die vragen om aanpassing of extra ruimte. In de omgevingsvisie bepalen we onze ambities en doelen voor de leefomgeving op lange termijn (tot 2040). Geen blauwdruk maar een set van doelen en ambities waar we met onze partners, inwoners en ondernemers aan werken. De omgevingsvisie is het startpunt voor uitwerking van beleid in programma’s en projecten en het monitoren in hoeverre we onze doelen en ambities behalen. Twee leidende principes De volgende hoofdprincipes zijn leidend bij ontwikkelingen en staan centraal staan in ons beleid: 1.
Behoud én ontwikkeling. Het is steeds zoeken naar de juiste balans tussen behoud van onze kernkwaliteiten en de gewenste en noodzakelijke aanpassing van de leefomgeving. Bij elke nieuwe ontwikkeling staat de vraag centraal: hoe kan een bijdrage worden geleverd aan behoud en versterking van onze kwaliteiten? 2. Het binden en verbinden van generaties. Demografische en sociale veranderingen zetten de gemeenschapszin en het zelforganiserende vermogen onder druk. Bij elke nieuwe ontwikkeling staat de vraag centraal: hoe kan het plan bijdragen aan het (ver)binden van generaties in een gezonde omgeving? Deze leidende principes zijn vertaald naar doelen en ambities voor zes verschillende thema’s: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Generatie(ver)bindend wonen. Ontmoeten en bewegen. Veilige en duurzame mobiliteit voor iedereen. Ruimte voor werken en ondernemen. Duurzaam voor volgende generaties. Gezonde en veilige leefomgeving.
Het thema ‘Ontmoeten en bewegen’ sluit het beste aan op onderhavig planvoornemen. De omgevingsvisie zegt hierover het volgende: Met de inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving dragen we bij aan een gezonde bevolking, fysiek en mentaal. We stimuleren een gezonde levensstijl, zorgen voor goede voorzieningen in de buurt om te sporten en bewegen, jezelf te ontplooien, elkaar te ontmoeten en samen activiteiten te ondernemen. Zowel binnen (in accommodaties) als buiten (in de openbare ruimte). Verder zet gemeente Laren in het omgevingsbeleid in op de volgende principes:
22
a. Behoud door ontwikkeling: het benutten van ontwikkelingen om kwaliteiten te behouden en waar mogelijk te versterken. Voorbeeld: een monumentaal pand wordt verduurzaamd zodat deze toekomstbestendig wordt en behouden kan blijven. b. Ontwikkeling met behoud: het benutten van kwaliteiten als inspiratiebron en toetsingskader bij nieuwe ontwikkelingen. Voorbeeld: bij de herinrichting van straten wordt het karakteristieke groene karakter van ons dorp als uitgangspunt genomen en versterkt. Specifiek benoemt de omgevingsvisie de Johanneskerk als monument en cultuurhistorie die gemeente wil behouden en waar mogelijk versterken Doorwerking project(gebied) Het plan vindt aansluiting op de door de gemeente gestelde doelstellingen en ambities. De versterkte functie van de kerk aan de Naarderstraat 5 draagt bij aan het thema ontmoeten en bewegen. De verbeterde opzet van de kerk stimuleert ontmoetingen en het samen ondernemen van activiteiten. Voorts is de Johanneskerk specifiek genoemd als monument om voor de toekomst te behouden en mogelijk te versterken. Onderhavig planvoornemen voorziet hierin. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Omgevingsvisie Laren (ontwerp).
Welstandsnota Laren 2013 Toetsingskader Veel van wat we in Laren zien en waarderen is in het verleden aangelegd en gebouwd. Dit ondanks het feit dat er ook destijds discussie is gevoerd over de schoonheid van een aantal van de nu gewaardeerde gebouwen. De Larense commissie voor welstand en monumenten is o.a. uit die discussie ontstaan. Een waardering voor het bestaande veronderstelt dan ook begrip en respect voor het historisch ontstaat. Om met respect voor het verleden op een eigentijdse manier in Laren te bouwen, is een analyse van de ruimtelijke ontwikkeling van Laren verricht. Daaruit blijkt wat, historisch gezien, belangrijk is om bij het maken van plannen te respecteren. De analyse is als bijlage aan deze welstandsnota toegevoegd. Er zijn in Laren vijf deelgebieden te onderscheiden. Per gebied is aangegeven welk welstandsregiem van toepassing is. In het centrum wordt de lat hoog gelegd omdat de historische kwaliteit dit vraagt; in andere gebieden wordt een extra inspanning gevraagd omdat het gebied extra bijdraagt aan het collectieve beeld. In grote delen ligt de nadruk op een conformeren aan de bestaande kwaliteit.
Het specifiek welstandstoezicht omvat het Beschermd dorpsgezicht Brink, waarbij met name zal worden gelet op de samenhang van het te beoordelen plan met zijn omgeving; de wijze waarop met de redengevende omschrijving, die ten grondslag ligt aan het monument en/of het te beschermen gebied, wordt omgegaan; kleur en materiaalgebruik van het pand; de toepassing van reclame en rolhekken; de mate van ‘verrijking’ of ‘versobering’ van een gebouw in de detaillering (bijvoorbeeld goten en kozijnen); de terreininrichting inclusief beplanting en erf afscheidingen. Het te beoordelen plan dient inzicht te geven in deze aspecten. Deze plannen worden in de commissie beoordeeld. Het bijzondere welstandstoezicht geldt vooral voor die straten en terreinen die bij een eerste kennismaking met Laren bepalend zijn voor de beeldvorming en het image van het dorp Laren als geheel. In het algemeen gaat het om de entrees van het dorp en doorgaande wegen.
23
Onderhavig projectgebied behoort tot Deelgebied 1. "Rond de Brinken”. De Brink is het hart van Laren. Door ligging, omvang, bladerendak, dobbe (vijver) en gebruiksmogelijkheden is De Brink beeldbepalend voor het landelijke karakter van Laren. De Naarderstraat is kenmerkend met rooilijnen dicht op de straat met daartussen een volledige bestrating kenmerkende hoekpanden (nr.8a, 23 en 36) forse panden met bovenwoningen en kap de overgang tussen Brink en Naarderstraat waarin de Johanneskerk, het Bonte Paard, Mauve en de voormalige boerderij (nr. 3) beeldbepalend zijn de overgang van het centrumgebied bij de Tafelbergweg. Voor monumenten geldt een bijzonder welstandsregime: Aan en uitbouwen dienen of te zijn opgenomen in de hoofdmassa of een toevoeging van ondergeschikte aard te zijn. In de vormgeving komt dit tot uitdrukking in harmonische verhoudingen tussen bestaande en toe te voegen elementen. Gevelindeling en materialisering met respect voor het bestaande pand. Beton, glas, metaal of kunststof, welke meer dan 15% van een gevelaanzicht bepalen, zijn niet toegestaan. Het gewenste kleurgebruik is traditioneel en terughoudend van aard. Doorwerking project(gebied) Het planvoornemen wordt met respect voor bestaande kenmerken, waarden en kwaliteiten uitgevoerd. Planvorming heeft plaatsgevonden in nauw overleg met gemeente en adviseurs op het gebied van monumentale panden en kerken.
De cultuurhistorische waardebepaling van de Johanneskerk heeft mede bepaald op welke wijze de aanbouw wordt opgericht. Zie bijlage 13 voor het ‘gecombineerde principe advies ruimtelijke kwaliteit en monumenten uitbouwen van de kerk’ van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van Laren. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in het welstandbeleid van gemeente Laren.
24
4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. 4.1 Gezondheid als basis Ruimtelijke inrichting dient de gezondheid te beschermen. De volgende kernwaarden zijn daarin belangrijk voor een gezonde woonomgeving: •
Dat wonen en druk verkeer gescheiden zijn,
•
dat functies (wonen, werken en voorzieningen) goed gemengd zijn
•
en overlastgevende bedrijven op afstand staan.
Onder gevoelige functie en verstaat de GGD (anders dan in ‘besluit gevoelige bestemmingen’) niet alleen kinderdagverblijven, scholen en verzorgings- en verpleegtehuizen, maar ook (voormalige bedrijfs- en plattelands-)woningen. Luchtkwaliteit Blootstelling aan fijnstof (PM2,5-PM10), stikstofdioxide (NO ) en andere luchtverontreinigende stoffen kan leiden tot luchtwegklachten, acute klachten van ogen, neus en bovenste luchtwegen, verminderde longfunctie, hart- en vaatziekten en vervroegde sterfte. Voor kinderen, ongeboren baby’s, ouderen en mensen die al ziek zijn (denk aan astma en COPD), is het risico groter dan voor gezonde mensen. Verschillende bronnen van luchtverontreiniging (zoals wegverkeer, vliegverkeer en industrie) stoten ook ultrafijnstof uit. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat langdurige blootstelling aan ultrafijnstof een negatieve invloed heeft op de gezondheid, met name op de luchtwegen, hart en bloedvaten en de ontwikkeling en groei van de foetus. Dit komt bovenop de effecten van andere componenten van luchtverontreiniging. Er zijn nog geen gezondheidskundige advieswaarden vastgesteld voor ultrafijnstof. Het is bekend dat de wettelijke grenswaarden voor o.a. fijnstof niet voldoende beschermen tegen de schadelijke gezondheidseffecten van luchtverontreiniging; ook ónder deze grenswaarden treden er gezondheidseffecten op.
Geur Geuren kunnen (ernstige) hinder en daarmee samenhangend klachten als stress, misselijkheid, hoofdpijn, prikkeling van slijmvliezen, irritatie van ogen en neus, en slaapproblemen veroorzaken. Dit kan het dagelijks leven behoorlijk verstoren, bijvoorbeeld doordat mensen ramen altijd gesloten willen houden of bijvoorbeeld niet graag thuis willen zijn. Het ruiken van een geur kan ook een waarschuwing zijn voor gevaarlijke situaties. Of en in welke mate mensen hinder en andere klachten ervaren hangt af van demografische, sociaaleconomische, persoonsgebonden en cognitieve factoren. Ook wanneer voldaan wordt aan de geurnormen, betekent dit niet automatisch dat niemand hinder ervaart. Dat toch hinder kan ontstaan ligt bijvoorbeeld aan het moment waarop de stank voorkomt (in de avond als mensen thuis zijn) of door weersomstandigheden (windstil). Bij geur van veehouderij bleek uit evaluaties dat ook de systematiek van de wetgeving en het V-stacks model bijdraagt aan meer hinder dan wenselijk. Daarnaast zijn niet-geur gerelateerde factoren zoals in de tekst hierboven van invloed op de manier waarop geur ervaren wordt. 25