CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

B23 00835 BIJLAGE 1 - koersdocument

Commissie Ruimte en Infrastructuur 14 juni 2023, gemeente larenBij agendapunt: Koersdocument Programma duurzaamheid 2023-202715.765 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Faciliteren laadinfrastructuur Faciliteren van voldoende publieke laadpunten in Laren. Aantal benodigde publieke laadpunten op basis van de prognose binnen MRA: - 2025: 74 laadpunten - 2030: 256 laadpunten Stimuleren van alternatieven voor de auto

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

27

-

-

Gemeentelijke organisatie - Gemeentelijk wagenpark: lichte voertuigen emissieloos in 2030, zware voertuigen zoveel mogelijk emissieloos in 2030 - Duurzame inkoop doelgroepenvervoer: zo veel mogelijk emissieloos in 2025, uiterlijk in 2030 zonder emissies

-

-

Verbeteren van de OVbereikbaarheid (o.a. ondersteuning voor inzet van de ‘Singer Expres’ en maximaal profiteren van de HOV-buslijn tussen Hilversum en Huizen) In samenwerking met Provincie Noord-Holland realiseren van doorfietsroutes Terugdringen zwaar verkeer Faciliteren van autodelen Gemeentelijk wagenpark: lichte voertuigen emissieloos in 2030, zware voertuigen zoveel mogelijk emissieloos in 2030 Duurzame inkoop doelgroepenvervoer: zo veel mogelijk emissieloos in 2025, uiterlijk in 2030 zonder emissies

Monitoring op basis van gegevens gemeentelijke organisatie.

Faciliteren laadinfrastructuur Om de snelle groei van het aantal elektrische auto’s in Laren te stimuleren en te zorgen dat er voldoende laadpunten zijn, faciliteert de gemeente de plaatsing van openbare laadpunten. Binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) zijn prognoses opgesteld voor het aantal benodigde publieke laadpunten. De ambities en strategie van de gemeente voor een toereikend laadnetwerk voor elektrische voertuigen worden momenteel vastgelegd in een laadvisie. Om de plaatsing van openbare laadpunten te faciliteren werkt gemeente Laren samen met MRAElektrisch. Oplaadpalen worden geplaatst op verzoek van (toekomstige) eigenaren van elektrische auto’s die geen mogelijkheid hebben om op eigen terrein een oplaadpunt te realiseren. De laadpalen zelf worden gratis ter beschikking gesteld door de MRA-Elektrisch. De kosten van de benodigde infrastructuur (aanpassen parkeervoorziening, aanbrengen bebording en markering) worden door de gemeente betaald. Faciliteren en stimuleren van alternatieven voor de auto Naast het faciliteren van elektrisch autoverkeer, zetten we in op andere vormen van mobiliteit. Samen met de provincie Noord-Holland en de gemeenten Blaricum, Eemnes, Hilversum en Huizen investeert gemeente Laren in een betrouwbaar OV-netwerk en goede fietsverbindingen voor inwoners en reizigers in ’t Gooi.

De hoogfrequente busverbinding tussen Hilversum en Huizen die vanaf begin 2022 van start is gegaan, is daarvan een goed voorbeeld. Binnen de regio Gooi- en Vechtstreek stellen we momenteel een nieuwe samenwerkingsagenda op. Mobiliteit is daarin een belangrijk thema.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

28

Lokaal werken we daarnaast aan verduurzaming van mobiliteit door een nieuwe Verkeersvisie op te stellen. We werken aan OV fietspunten en laadpunten. We gaan de hoeveelheid zwaar verkeer terugdringen en gaan in overleg met ondernemers de beste werkwijze daarvoor zoeken. Daarbij wegen we, naast verkeersveiligheid, de milieueffecten van de verschillende keuzes nadrukkelijk mee. We verkennen, eventueel via het inwonerspanel en met de jongerenraad, welke (kleine) ingrepen mogelijk zijn om fietsen aantrekkelijker te maken. Gemeentelijke organisatie Als gemeentelijke organisatie geven we het goede voorbeeld. Bij de aanschaf van wagens voor het gemeentelijk wagenpark kopen we duurzaam in. Vanaf 2030 moeten alle lichte voertuigen in het gemeentelijk wagenpark emissieloos zijn. Zware voertuigen moeten zo veel mogelijk emissieloos zijn.

5.4 Uitvoeringsprogramma De maatregelen en interventies die de gemeente in 2023-2024 neemt om de doelstellingen te bereiken zijn opgenomen in het uitvoeringsprogramma 2023-2024. Daarin wordt per maatregel benoemd welke rol de gemeente op zich neemt.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

29

6. Programma duurzaamheid als verbindend beleid Het programma duurzaamheid 2023-2027 dient als verbindend beleid voor duurzame ontwikkeling binnen de gemeente Laren. In dit hoofdstuk worden de overkoepelende beleidskaders toegelicht, die voor alle thema’s en hun onderlinge samenhang van belang zijn.

6.1 Organisatie Bestuurlijk Duurzaamheid is een aspect dat terugkomt in iedere portefeuille binnen het College. Duurzaamheid is daar integraal onderdeel van en verantwoordelijkheid voor de afzonderlijke thema’s (zoals energietransitie, groen en klimaatbestendig, circulaire economie, duurzame mobiliteit) ligt bij de verschillende portefeuillehouders. De rol van de wethouder duurzaamheid is coördinerend. Ambtelijke projectgroep Op ambtelijk niveau is een projectgroep duurzaamheid geformeerd met vertegenwoordiging vanuit nagenoeg alle beleidsterreinen. Om het beleid uit het programma duurzaamheid goed ten uitvoer te brengen blijft de projectgroep duurzaamheid periodiek samenkomen. Zo wordt tevens een integrale manier van werken geborgd. De projectgroep wordt gecoördineerd door de beleidsmedewerker duurzaamheid.

6.2 Inwoner betrokkenheid en communicatie Inwonerbetrokkenheid Voor duurzaamheid in het algemeen en voor de onderliggende vier thema’s geldt dat de gemeente Laren de gestelde ambities en doelstellingen alleen kan behalen in samenwerking met inwoners, ondernemers en andere stakeholders binnen en buiten de gemeente. Daarom heeft betrokkenheid van inwoners bij alle thema’s binnen duurzaamheid een belangrijke rol. Hiervoor werd onder andere het inwonerspanel geraadpleegd waaraan ruim 300 respondenten hebben deelgenomen om vragen te beantwoorden. De verschillende stakeholders worden betrokken bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma. In dat uitvoeringsprogramma wordt per project, actie of maatregel de meest passende werkwijze voor inwonerbetrokkenheid gekozen. We ondersteunen daarbij initiatieven van inwoners, maar ook bij gemeentelijke plannen vragen we actief de betrokkenheid van onze inwoners.6 Communicatie en informatie Communicatie met inwoners en informatievoorziening over duurzame ontwikkeling zijn essentieel onderdeel van het programma duurzaamheid. We zetten daarvoor onder andere de gemeentelijke kanalen zoals het Larens Journaal, de website, social media in. Voor onafhankelijke informatie over verduurzaming van hun woning kunnen inwoners terecht op de website van het Duurzaam Bouwloket.

Samen met buurgemeenten onderzoeken we de mogelijkheden om communicatie over kansen en initiatieven voor duurzame ontwikkeling verder te verbeteren.

6

Coalitieakkoord

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

30

6.3 Budget Het budget voor de uitvoering van het duurzaamheidsprogramma zal uit de volgende onderdelen bestaan: 1.

Klimaatgelden van het Rijk: CDOKE

2.

Subsidies: NIP, Energiebesparing Provincie en Energiearmoede

3.

Aanvullend: Gemeentebudget

Inzet van de gelden CDOKE In de regeling Capaciteit Decentrale Overheden voor Klimaat- en Energiebeleid (CDOKE) is aangegeven wat de gemeenten kunnen verwachten aan uitvoeringsmiddelen voor de aanpak van klimaat en duurzaamheid. Deze middelen zijn bestemd voor personele, en bijbehorende materiele kosten van gemeenten. Het voorstel van de drie BEL-gemeenten is om deze gelden één op één door te zetten naar de BEL Combinatie. De middelen zullen in elk geval van 2023 t/m 2025 beschikbaar zijn, en naar verwachting ook in de jaren daarna. Ze kunnen dus structureel worden ingezet voor het bekostigen van personeel. De toegezegde bedragen zullen in de toekomst nog oplopen. Het gaat om de volgende bedragen voor Blaricum, Laren en Eemnes: Gemeente Blaricum Laren Eemnes Totaal

2023 € 250.626 € 259.043 € 213.137 € 722.806

2024 € 252.899 € 261.393 € 215.070 € 729.362

2025 € 255.173 € 263.743 € 217.004 € 743.217

Overige budgetten Voor de uitvoering van het klimaatbeleid zijn ook nog andere budgetten beschikbaar die voor de uitvoering van projecten gebruikt kunnen worden. Deze bestaan uit: o

Subsidies (voorbeelden):

o

Rijk: Energiearmoede en NIP

o

Provincie: Soortenmanagementplan (Provincie Utrecht), Energiebesparing (Provincie NoordHolland

o

Gemeente budget

Voor bepaalde onderwerpen ontvangen gemeenten subsidies vanuit het rijk. Voorbeelden hiervan zijn subsidies voor de aanpak van energiearmoede, en voor de uitvoering van een lokaal isolatieprogramma. Ook op provinciaal niveau kunnen voor bepaalde onderwerpen subsidies worden aangevraagd. In de basis wordt het CDOKE budget aangewend om vanuit het team de basisactiviteiten op te pakken. Het opstellen van bijvoorbeeld beleid- en visiestukken vallen hierbinnen. Indien er voor een bepaalde thema subsidie beschikbaar is dan zal dit aan het budget voor het betreffende thema worden toegevoegd. Indien er verdere, aanvullende activiteiten voor gemeenten worden uitgevoerd dan zullen hiervoor specifiek middelen vanuit de gemeente beschikbaar worden gesteld. Hiervoor zal dan een apart college –en of raadsvoorstel worden ingediend

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

31

Naast de structurele CDOKE-gelden ontvangen de gemeenten ook incidentele gelden voor de uitvoering van het klimaatbeleid, bijvoorbeeld voor bestrijding van energiearmoede en voor een lokaal isolatieprogramma. Waar mogelijk zal in de uitvoering ook hier de samenwerking tussen de BELgemeenten worden gezocht en zal vooraf moeten worden vastgesteld welk deel van de gelden per gemeente worden ingezet op de gezamenlijkheid. Wat niet aan de samenwerking wordt besteed zal beschikbaar zijn voor de lokale-en regionale opgaven.

6.4 Monitoring en rapportage Een jaarlijkse voortgangsrapportage zorgt voor sturingsinformatie op bestuurlijk (College en raad) en op ambtelijk niveau voor het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid. De voortgangsrapportage krijgt, conform de aanbeveling van de rekenkamercommissie in het rapport Inzicht in de energietransitie in de BEL-gemeenten (2020), een soortgelijke opzet als de monitoringsrapportage van gemeente Eemnes. In de duurzaamheidsrapportage kijken we naar de input (budget, capaciteit), de output (de concrete resultaten van beleid en projecten) en de outcome (de impact van het programma op duurzame ontwikkeling in Laren) van het beleid. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat niet iedere beleidsmaatregel een kwantificeerbaar en meetbaar effect heeft. Daarbij is duurzame ontwikkeling ook sterk afhankelijk is van externe factoren, zoals nationaal beleid en bijvoorbeeld stijgende energieprijzen. De jaarlijkse voortgangsrapportage duurzaamheid bestaat uit drie onderdelen: -

Voortgang duurzame ontwikkeling in Laren aan de hand van indicatoren;

-

Voortgang per project uit het uitvoeringsprogramma en toelichting behaalde resultaten;

-

Reflectie op de resultaten en indien nodig bijsturing van het programma.

Voortgang aan de hand van indicatoren Het eerste deel van de voortgangsrapportage bevat de stand van zaken per duurzaamheidsthema aan de hand van de belangrijkste indicatoren uit openbare bronnen en indices (zoals de Klimaatmonitor, gegevens van het CBS, etc). Hieruit blijkt of Laren op koers ligt om de gestelde doelen in het programma duurzaamheid te behalen. Hieruit blijkt de geboekte voortgang, en de resterende opgave. De indicatoren om ontwikkeling voor de kwantificeerbare doelstellingen te monitoren zijn in de voorgaande hoofdstukken opgenomen. Sommige ontwikkelingen kunnen gevisualiseerd worden in bijvoorbeeld een grafiek of taartdiagram om de ontwikkeling zichtbaar te maken. Voor de meeste cijfers geldt dat ze met een vertraging van ongeveer 2 jaar beschikbaar zijn in de Klimaatmonitor. Ook binnen de RES-regio en vanuit de provincie Noord-Holland wordt de ontwikkeling van hernieuwbare energie gemonitord. Voortgang per project en toelichting van behaalde resultaten Het tweede deel van de rapportage bevat de stand van zaken van de maatregelen en projecten die worden opgenomen in het uitvoeringsprogramma bij dit programma duurzaamheid. Dit betreft de output. Daarmee krijgt de raad jaarlijks inzicht de voortgang van het proces en wordt duidelijk wat is bereikt, wat extra is gedaan, en wat nog niet is bereikt.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

32

Reflectie op resultaten en indien nodig bijsturing Tenslotte wordt in de rapportage gereflecteerd op de behaalde resulaten en kan indien nodig worden bijgestuurd.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

33

Bijlage I. Europese en nationale beleidskaders Sustainable Development Goals (SDG’s) Het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ is in 2015 door de Verenigde Naties vertaald naar zeventien wereldwijde hoofddoelen, de Sustainable Development Goals (SDG’s) voor 2030. Deze ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’ omvatten de zeventien grote opgaven waar we als wereld voor staan. Ze vormen een internationale leidraad voor duurzame ontwikkeling in de sociale en fysieke aspecten van onze omgeving.

De SDG’s vormen een breed kader om de wereld tot ‘een betere plek te maken in 2030’. De SDG’s bevatten zowel doelstellingen op economisch, sociaal, als op ecologisch gebied. Ook voor gemeenten ligt er een verantwoordelijkheid om te werken aan het realiseren van deze doelen. Lokale overheden verkeren in de beste positie om de mondiale doelen te koppelen aan wat er lokaal moet gebeuren. In Nederland heeft de VNG in een handreiking 7 in beeld gebracht hoe de ontwikkelingsdoelen binnen de Nederlandse context verbonden zijn met de opgaven van gemeenten. De SDG’s bieden een gezamenlijke taal, communicatiekracht en een goed kader voor samenwerking. Ze laten zien hoe internationale, nationale en lokale maatregelen samenhangen en bijdragen aan een gezamenlijk doel. SDG’s kunnen daarnaast de samenhang tussen verschillende duurzaamheidsthema’s duidelijk maken. Energie Klimaatakkoord Parijs (2015) In 2015 is in het internationaal Klimaatakkoord Parijs de ambitie uitgesproken om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële niveau, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad.

De betrokken partijen zetten zich in om de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen en overige schadelijke stoffen te verminderen in combinatie met de beschikbare technieken van dat moment en verplichten zich hieraan een financiële bijdrage te leveren. 7

Zie de brochure De Global Goals in het gemeentelijk beleid. Een handreiking voor Nederlandse gemeenten (2018).

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

34

Europese klimaat- en energiedoelstellingen Naast het wereldwijde Klimaatakkoord van Parijs, heeft de Europese Unie ook Europese doelstellingen gesteld. In 2019 heeft de Europese Commissie de Green Deal gepresenteerd en spraken de EUlidstaten af dat de EU in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Een belangrijk onderdeel van de Green Deal was het opstellen van een Europese klimaatwet. In 2021 werd de Europese klimaatwet van kracht met het doel de CO2-uitstoot in 2030 met 55 procent te verlagen ten opzichte van het niveau in 1990. Onder de noemer ‘Fit for 55’ neemt de Europese Unie concrete maatregelen om dat tussendoel te bereiken. De belangrijkste Europese doelstellingen voor 2030 zijn: o

Vermindering van de CO2-uitstoot met ten minste 55 procent ten opzichte van de uitstoot in 1990

o

Het aandeel hernieuwbare energie in de EU moet ten minste 40 procent bedragen

o

Verplichting tot energiebesparing van 0,8 procent per jaar. De Europese Commissie wil de doelstelling vanaf 2024 verhogen naar 1,5 procent per jaar van het totale eindgebruik van energie.

Nederlandse Klimaatwet (2019) De Klimaatwet is met ingang van 1 september 2019 in werking getreden. De Klimaatwet borgt de Nederlandse klimaatambities op de lange termijn. Deze wet biedt een kader voor ontwikkeling van beleid gericht op het onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland. De doelstellingen uit de Klimaatwet zijn: o

Reductie van de uitstoot van CO2 met 95% ten opzichte van 1990 in 2050

o

49% van deze reductie moet in 2030 moet zijn gerealiseerd

o

In 2050 is de elektriciteitsproductie 100% CO2-neutraal

Het kabinet Rutte IV scherpt de doelstellingen voor het klimaatbeleid aan. Het wil dat Nederland in 2050 klimaatneutraal is. Daarom past het kabinet het doel voor de vermindering van CO 2-uitstoot voor 2030 in de Klimaatwet aan naar minstens 55%. Dit staat in het coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’. Klimaatakkoord (2019) In het nationale Klimaatakkoord zijn concrete maatregelen opgenomen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. In het Klimaatakkoord worden maatregelen voorgesteld aan de hand van vijf thema’s: Elektriciteit, Industrie, Mobiliteit, Landbouw & landgebruik en Gebouwde Omgeving. Gemeenten (en regio’s) krijgen een belangrijke regierol toebedeeld in de uitvoering van het Klimaatakkoord. Voor decentrale overheden, waaronder gemeenten, is de grootste rol weggelegd bij de thema’s: o

Gebouwde Omgeving (o.a. energiebesparing en transitie naar aardgasloze wijken in 2050),

o

Elektriciteit (met name opwek van duurzame energie op land en bij het opstellen van Regionale Energie Strategieën.)

Programma Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving en Nationaal Isolatieprogramma Het programma Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving (2022) beschrijft de aanpak van de Rijksoverheid om woningen, scholen, winkels en kantoren versneld te verduurzamen. Het Nationaal Isolatieprogramma is onderdeel van het Programma Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving. Het doel van het Nationaal Isolatieprogramma is om tot 2030 2,5 miljoen huur- en koopwoningen te isoleren met de nadruk op de slecht geïsoleerde woningen1 (label E, F en G), waarbij één of meerdere stappen worden gezet richting de standaard voor woningisolatie.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

35

o

Onder actielijn 1 van het Nationaal Isolatieprogramma kunnen gemeenten meerjarige plannen indienen, die aansluiten bij de transitievisie warmte en bewonersinitiatieven en zich zoveel als mogelijk richten op het verbeteren van woningen met de slechtste labels.

o

Onder actielijn 4 ontvangen gemeenten budget voor een gemeentelijke aanpak die is gericht op het voorkomen van energiearmoede en ondersteuning van kwetsbare mensen in koop- en huurwoningen.

Daarnaast is stelt de Rijksoverheid budget beschikbaar voor uitvoeringskosten en de aanpak van energiearmoede. Regelgeving utiliteitsgebouwen Voor utiliteitsgebouwen gelden de milieuregels in het zogenoemde Activiteitenbesluit. Daarnaast zijn er wettelijke verplichtingen voor energiebesparing door bedrijven en organisaties. Vanuit het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer geldt een energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen die meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalent) per jaar gebruiken. Dit houdt de verplichting in om alle energiebesparende maatregelen te treffen die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Vanuit het Bouwbesluit moeten kantoren groter dan 100 m2 vanaf 2023 minimaal energielabel C hebben. Utiliteitsgebouwen en woningen die na 2020 worden opgeleverd moeten bijna energieneutraal zijn: Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) Als onderdeel van de uitwerking van de Klimaatakkoord-afspraken over de gebouwde omgeving, biedt dit wetsvoorstel gemeenten de bevoegdheid tot het stellen van lokale regels om de transitie in de gebouwde omgeving naar duurzame alternatieven tot uitvoering te brengen. Dit wetsvoorstel biedt gemeenten de mogelijkheid om te regelen welke wijken op termijn overstappen op een duurzaam alternatief voor aardgas.

Op basis van dit wetsvoorstel kunnen gemeenten de netbeheerders de opdracht geven om wijken, die aangewezen zijn in het omgevingsplan, van het gas af te sluiten. Het gaat daarbij om wijzigingen van de Omgevingswet en de Gaswet. De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is voorzien voor 2024. Sectorale routekaart verduurzaming schoolgebouwen Er is steeds meer aandacht voor het verduurzamen van onder meer vastgoed. Ook voor onderwijs geldt dit in toenemende mate. Hiervoor is specifiek de Sectorale routekaart verduurzaming schoolgebouwen opgesteld door de PO-raad, de VO-raad en VNG. Duurzame schoolgebouwen dragen bij aan goed onderwijs en aan het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord. Groen en klimaatbestendig Nationaal Deltaprogramma In het Nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de deltacommissaris. Het programma bestaat uit drie onderdelen: o

Deltaprogramma Waterveiligheid

o

Deltaprogramma Zoetwater

o

Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie

Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing en een Deltaplan.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

36

Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk Nederland willen inrichten om de gevolgen van de toenemende hitte, droogte, hevige neerslag en overstromingen op te vangen. Onderdeel van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie uit 2015. Daarin is afgesproken dat Nederland in 2050 ‘waterrobuust en klimaatbestendig’ is ingericht. In 2021 is de deltabeslissing herijkt en zijn de volgende (voor gemeenten relevante) tussendoelen opgenomen: o

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is vanaf 2020 in al het beleid en handelen van overheden en overige partijen een vast onderdeel.

o

Overheden analyseren de kwetsbaarheid van het eigen gebied met een stresstest, vertalen de resultaten in een risicodialoog met alle relevante (gebieds)partners naar een adaptatiestrategie met een uitvoeringsagenda. Deze cyclus wordt periodiek herhaald (eens in de zes jaar, of eerder als daar aanleiding voor is).

o

Uiterlijk in 2024 zorgen gemeenten voor borging in gemeentelijke omgevingsvisies, (sectorale) programma’s en omgevingsplannen.

Deltaplan Biodiversiteitsherstel Vanaf 2020 is het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een van de partners van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. In dit plan staan voorstellen voor de aanpak van het herstel van biodiversiteit in Nederland. Programma Versterken Biodiversiteit Verschillende ministeries werken samen aan plannen om biodiversiteit te versterken. Deze plannen komen samen in het programma ‘Versterken Biodiversiteit’. Eén van de doelen van dit programma is de instandhouding van alle soorten uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Ook moet de ecologische voetafdruk van Nederland nog maar half zo groot zijn in 2050. Het programma moet bijdragen aan het nakomen van internationale afspraken over biodiversiteit, zoals de Biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro (CBD) en de Europese Biodiversiteitsstrategie (EBS). Tevens moet het programma de natuurkwaliteit van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland te verbeteren. Wet natuurbescherming Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wnb regelt soortenbescherming, gebiedsbescherming en stelt regels voor het op nationaal niveau bewaren van houtopstanden. Verder stelt de Wnb regels voor hout en houtproducten.

In het beheer, onderhoud van bomen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen kan de gemeente te maken krijgen met de regels van de Wnb. Chemische bestrijdingsmiddelen Sinds 1 november 2017 geldt er buiten de landbouw een verbod op professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in openbaar gebied. Dat betekent dat gemeentes onkruid met andere methoden moeten tegengaan. Er gelden verschillende uitzonderingen. Bijvoorbeeld bij plantensoorten die niet of zeer moeilijk te bestrijden zijn zoals Japanse duizendknoop.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

37

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk is de voortzetting van de Ecologische Hoofdstructuur. Deze werd in 1990 door het Rijk op kaart getekend. Het doel was en is om natuurgebieden te verbinden. Planten en dieren krijgen daarmee meer kans zich te verspreiden en voort te planten. Dit helpt om de diversiteit aan soorten in stand te houden. De provincie Noord-Holland staat nu voor de taak om het NNN in 2027 binnen de provincie af te ronden. Om dit te bereiken is binnen de provincie het Regiebureau Natuurnetwerk opgezet. Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze Natura 2000-gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden. Circulaire economie Europese doelstellingen circulaire economie In overeenstemming met de EU-doelstelling uit de Green Deal uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn, presenteerde de Europese Commissie in 2020 een nieuw (tweede) EU-Actieplan voor de circulaire economie (A new Circular Economy Action Plan for a Cleaner and More Competitive Europe). Dit actieplan is gericht op afvalpreventie en -beheer en op het stimuleren van groei en het concurrentievermogen van de EU op dit gebied. Het actieplan moet daarnaast bijdragen aan het voorkomen van biodiversiteitsverlies.

De Kaderrichtlijn afvalstoffen (KRA) (2008/98/EG) vormt de basis van de EU-wetgeving op het gebied van afvalstoffen. De kaderrichtlijn afvalstoffen bevat o.a. een verplichting om stedelijk afval gescheiden in te zamelen. Nederland Circulair 2050 & Grondstoffen-akkoord In het Rijksbrede programma Nederland Circulair 2050 (2016) en het daaraan gekoppelde Grondstoffenakkoord (2017) is de ambitie vastgelegd dat Nederland in 2050 circulair moet zijn. Als tussendoel is daarbij gesteld om in 2030 50% minder primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) te gebruiken. De Rijksoverheid heeft samen met ondertekenaars van het Grondstoffenakkoord 5 transitieagenda’s opgesteld met concrete maatregelen. Het gaat om de transitieagenda’s Kunststoffen, Consumptiegoederen, Maakindustrie, Bouw en Biomassa en Voedsel. Wet milieubeheer: gemeentelijke zorgplicht inzamelen huishoudelijk afval Gemeenten hebben een wettelijke zorgplicht voor het (gescheiden) inzamelen van huishoudelijk afval. De zorgplicht is vastgelegd in hoofdstuk 10 van Wet Milieubeheer. Bedrijfsafval valt niet onder de zorgplicht van de gemeente; bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor het afvoeren van hun afval. Gemeenten zijn sinds 1 juli 2020 wettelijk verplicht om gft-afval, papier, metaal, kunststof, glas en elektronische apparatuur gescheiden in te zamelen.

Op die datum trad het besluit gescheiden inzameling in werking. Vanaf 1 januari 2025 moeten ook textiel en gevaarlijke afvalstoffen gescheiden worden ingezameld. In het Activiteitenbesluit zijn verplichtingen voor gemeenten opgenomen als het gaat om de scheiding van grof huishoudelijk afval op milieustraten. Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029 (LAP3) en Uitvoeringsprogramma VANG (Van Afval Naar Grondstof) Het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) is het beleidskader voor afval in de circulaire economie in Nederland. Alle overheden moeten bij de uitvoering van hun taken op het gebied van afval rekening

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

38

houden met het LAP. In 2017 is het derde LAP in werking getreden. Hierin zijn de volgende doelstellingen opgenomen voor huishoudelijk afval: o

reductie hoeveelheid huishoudelijk restafval naar maximaal 100 kg per inwoner per jaar in 2020, en maximaal 30 kg per inwoner per jaar in 2025.

o

verhogen van het aandeel afvalscheiding (fijn en grof) huishoudelijk afval naar minimaal 75% in 2020 (via bron- of nascheiding).

Via het Uitvoeringsprogramma VANG-HHA wordt aan gemeenten algemene en specifieke kennis en ondersteuning geboden. Voor de periode 2021-2025 blijft het streven om door middel van goede afvalscheiding hoogwaardige recycling te faciliteren, maar het accent komt sterker te liggen op hoogwaardigere (kwalitatief betere) ingezamelde stromen. Daarnaast kijken gemeenten voor bepaalde reststromen ook naar mogelijkheden om de hoeveelheid afval te beperken door waar mogelijk in te zetten op preventie. Raamovereenkomst Verpakkingen 2013-2022 en Ketenovereenkomst Verpakkingen 2020-2029 De producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingsafval is uitgewerkt in de Raamovereenkomst Verpakkingen 2013 - 2022. In de overeenkomst staan de afspraken tussen Rijk, het verpakkende bedrijfsleven en gemeenten (VNG) over de uitvoering van het Verpakkingenbesluit. Conform de Raamovereenkomst ontvangen gemeenten een kostendekkende vergoeding voor de gescheiden inzameling van kunststof verpakkingsafval. In de Ketenovereenkomst staan afspraken ter aanvulling en opvolging van de Raamovereenkomst. Afspraken uit de Raamovereenkomst over de vergoedingen en regie van de materiaalsoorten glas, papier en karton en hout worden gedurende de looptijd van de Raamovereenkomst gecontinueerd totdat VNG en AFV andere afspraken maken.

Uiterlijk voor het einde van de Raamovereenkomst leggen VNG en AFV nieuwe afspraken vast over de regie en vergoedingen van deze verpakkingsmaterialen voor de periode 2023-2029. MRA Intentieverklaring Circulair opdrachtgeverschap en Circulair Inkopen (2018) 33 gemeenten, 2 provincies en de Vervoerregio Amsterdam hebben zich door ondertekening van de Intentieverklaring uitgesproken voor circulair inkopen en opdrachtgeverschap. Met de intentieverklaring richten de MRA-partners zich op de volgende doelstellingen: o

in 2022 minstens 10% van alle producten, goederen en diensten circulair inkopen.

o

In 2025 moet dit zijn opgelopen tot 50%.

o

Daarna wordt gekeken hoe de overheden zo snel mogelijk naar 100% circulair inkopen en opdrachtgeverschap kunnen komen.

Bij de intentieverklaring is een roadmap opgesteld die dient als praktische handleiding waarin alle MRApartijen terugvinden wat ze moeten doen om de inkoopambities te bereiken. Duurzame mobiliteit Europese doelstellingen duurzame mobiliteit Europees beleid voor duurzaam vervoer sluit aan bij de doelstelling om in 2050 klimaatneutraal te zijn en in 2030 de CO2-uitstoot met 50 procent te verminderen ten opzichte van 1990. In de Europese Green Deal wordt opgeroepen om de uitstoot van broeikasgassen door de gehele sector mobiliteit met 90 procent te verminderen in 2050 (ten opzichte van 2021). Voor wegverkeer zijn in het Fit for 55pakket (2021) de doelstellingen opgenomen om in 2030 de CO 2-uitstoot van auto's met 55% en van

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

39

bestelwagens met 50% terug te dringen (ten opzichte van 2021). In 2035 moet de uitstoot van zowel auto's als bestelwagens zelfs met 100% omlaag. Klimaatakkoord (2019) In het Klimaatakkoord zijn voor het thema mobiliteit de volgende afspraken gemaakt: o

Duurzame inkoop gemeentelijk wagenpark (lichte voertuigen emissieloos in 2030, zware voertuigen zoveel mogelijk emissieloos in 2030)

o

Duurzame inkoop doelgroepenvervoer (zoveel mogelijk emissieloos in 2025, uiterlijk in 2030 zonder emissies)

o

Emissieloos vervoer uiterlijk in 2030 als voorwaarde bij inkoop van opdrachten

Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) Om te zorgen dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn is de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) als bijlage bij het Klimaatakkoord toegevoegd. Een groot deel van de afspraken uit de NAL moeten op regionaal en gemeentelijk niveau worden uitgevoerd. o

Gemeenten stellen eind 2020 (bij voorkeur in regionaal verband) een integrale visie op laadinfrastructuur vast.

o

Gemeenten en regio’s borgen (de voorbereiding op) de uitrol van laadinfrastructuur in de Regionale Energiestrategie (RES), de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

o

Regio’s of individuele gemeenten stellen uiterlijk 2020 plaatsingsbeleid vast voor publieke laadinfrastructuur.

o

De gemeenten en provincies wijzen geschikte locaties aan voor snellaadinfrastructuur in binnenstedelijk gebied en langs provinciale wegen.

o

Gemeenten en regio’s maken in bestaande en nieuwe samenwerkingsovereenkomsten met bedrijven aanvullende afspraken over de minimale hoeveelheid laadinfrastructuur voor bedrijventerreinen.

Communicatie, participatie en educatie Participatie en de Omgevingswet De invoering van de Omgevingswet is voorzien voor 1 januari 2024. Planning in de fysieke leefomgeving dient participatief en in samenhang tot stand te komen. Duurzaamheid moet hierin een plek krijgen. De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om de kwaliteit van oplossingen te vergroten en ervoor te zorgen dat verschillende perspectieven, kennis en creativiteit tijdig op tafel komen. De Omgevingswet zegt over participatie: ‘het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden [...] bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit’. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. Omdat participatie maatwerk is, schrijft de wet niet voor hoe de participatie moet plaatsvinden. De wet geeft het bevoegd gezag en de initiatiefnemer de vrijheid eigen keuzes te maken voor de inrichting van het participatieproces. De locatie, het soort besluit, de omgeving en de betrokkenen zijn immers elke keer anders. Ook het moment waarop participatie start, verschilt per keer.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

40

Bijlage II. Potentie voor reductie CO2-uitstoot Potentie voor reductie energieverbruik en CO2-uitstoot woningen Door DWA is een inschatting gemaakt van de potentiële CO2-besparing door isolatie en verduurzaming van woningen. De potentiële besparing van CO2-uitstoot in de sector woningen in de periode 2023-2030 door woningen energiezuiniger te maken, bedraagt 11,3 kton. De potentiële CO2besparing voor de periode 2023-2043 bedraagt 32,3 kton. Daarvoor is een inschatting gemaakt van de huidige energielabels in Laren op basis van bouwjaar:

In onderstaande tabel is de potentiële besparing van energie en CO2-uitstoot in de periode 2023-2030 (7 jaar) en in een periode 2023-2043 (20 jaar) weergegeven.

Hierbij is uitgegaan van de energielabels die op dit moment bekend zijn (Van de woningen had 51% in Laren een energielabel). Bovendien is op bouwjaar een inschatting gemaakt van de energielabels van woningen waarbij dit niet bekend was. De opgenomen CO2 uitstoot is berekend op basis van de verwachte energiebesparing per jaar in combinatie met de emissiefactor voor aardgas volgens co2emissiefactoren.nl. Bij de berekening van de totale besparing in de tabellen is uitgegaan van een ongeveer lineaire snelheid waarmee de huizen worden verduurzaamd over 20 jaar (tot ongeveer 2043). Tot 2030 is nog 7 jaar waarin een deel van de woningen het voorspelde energielabel hebben gehaald. Het besparingspotentieel tot 2030 kan gezien worden als 35% van de berekende totale besparing. Dit levert dan de besparing over 7 jaar op. Ter indicatie is de besparing uitgedrukt in een gemiddeld energielabel over 7 jaar.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

41

Potentie reductie CO2-uitstoot door middel van opwek zonne-energie De potentie voor opwek van zonne-energie op daken in Laren is in beeld gebracht met de tool Zonnedakje.nl/noord-holland. Uit de analyse van daken in de gemeente blijkt dat de potentiële te vermijden CO2-uitstoot door opwek van zonne-energie op daken in Laren ruim 6 kton bedraagt. Ongeveer 2,8 kton kan daarvan op grote daken (meer dan 15 kWp potentie) gerealiseerd worden.

Potentie opwek zonne-energie op daken op basis van Zonnedakje.nl/noord-holland.

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

42

Bijlage III. Inpassing duurzaamheid in de systematiek van de Omgevingswet Duurzaamheid is één van aanleidingen en een centrale doelstelling van de Omgevingswet: “De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, gericht op het (…) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies” (zie 1.3 - “Transitie naar een duurzame samenleving”8). De Omgevingswet biedt lokale overheden verschillende ‘instrumenten’ om concreet invulling te geven aan het aspect duurzaamheid. Leeswijzer Het eerste deel van deze bijlage geeft een korte introductie op de Omgevingswet, de doorwerking voor gemeenten en de aanknopingspunten voor duurzame ontwikkeling. Het tweede deel gaat nader in op verankering van duurzame ontwikkeling per thema (Energie, Groen en klimaatbestendig, Circulaire economie, en Duurzame mobiliteit) in de instrumenten van de Omgevingswet.

Kerninstrumenten voor gemeenten De Omgevingswet heeft zes kerninstrumenten9; hiermee kan de overheid beleid schrijven en uitvoeren. De zes kerninstrumenten zijn: Kerninstrument: I. Omgevingsvisie II. Programma III. Decentrale regels, IV. Algemene rijksregels, V. Omgevingsvergunning VI. het projectbesluit.

Gemeente: Gemeentelijke Omgevingsvisie Actieplannen en overige (vrijwillige en verplichte) programma's Omgevingsplan n.v.t. Omgevingsvergunning n.v.t.

Hieronder lichten we de instrumenten die voor gemeenten relevant zijn nader toe. Omgevingsvisie De omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan over de leefomgeving. Dit plan richt zich op de hele fysieke leefomgeving, en houdt rekening met alle ontwikkelingen in een gebied. Het betreft een visie voor de lange termijn. De omgevingsvisie is hèt instrument voor het adresseren van duurzame ontwikkelingen zoals energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie. Programma’s In programma’s wordt de omgevingsvisie verder uitgewerkt door middel van maatregelen. Dit is een optioneel, dus geen verplicht instrument. Echter: een programma is een beleidsdocument en is wel degelijk bindend voor de overheid die het vaststelt. Het programma richt zich op een onderwerp, een bepaalde bedrijfssector of een gebied. Verschillende overheden kunnen ook samen een programma opstellen. Voor sommige onderwerpen verplicht de Omgevingswet de overheid een programma op te 8 9

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33962-3.html https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/samenhang-instrumenten/6-kerninstrumenten/

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

43

stellen. Voorbeelden van maatregelen die een overheid kan gebruiken zijn beleidsregels en financiële instrumenten. Maar ook communicatie, convenanten en de uitvoering van projecten zijn een maatregel om de doelstelling uit programma’s te bereiken. Omgevingsplan Het omgevingsplan bevat algemene regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. Iedere gemeente heeft één omgevingsplan. Als de Omgevingswet in werking treedt, beginnen gemeenten met een omgevingsplan van rechtswege. Dit is een samenvoeging van alle bestaande gemeentelijke bestemmingsplannen aangevuld met ‘de bruidsschat’ met voormalige rijksregels. Vanuit de wetgever krijgen gemeenten de opdracht om dit omgevingsplan van rechtswege in de periode van 1-1-2023 tot 31 december 2029 te vervangen door een nieuw omgevingsplan dat voldoet aan de regels van de Omgevingswet en waarin alle regels die de fysieke leefomgeving wijzigen (dus ook regels uit lokale verordeningen) zijn opgenomen.10 Beleid voor duurzame ontwikkeling, zoals uit de Regionale Energiestrategie (RES), moet ruimtelijk worden ingepast in het omgevingsplan. Duurzame omgevingswaarden In het omgevingsplan worden omgevingswaarden opgenomen. Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid uit een omgevingsvisie kunnen implementeren. Omgevingswaarden leggen de kwaliteit vast die de gemeente voor de fysieke leefomgeving wil bereiken.

Voorbeelden hiervan zijn waarden voor luchtkwaliteit en waterkwaliteit. Een omgevingswaarde is objectief meetbaar, kan gelden als een resultaats- of inspanningsverplichting en is gekoppeld aan een tijdstip of termijn. De omgevingswaarde bindt alleen de gemeente voor het bereiken van die waarde. Een omgevingswaarde schept dus verplichtingen voor een gemeente zoals: o

De plicht tot monitoring om te bewaken of aan de waarde wordt voldaan (artikel 2.1 Ow).

o

De plicht tot het opstellen van een programma met maatregelen wanneer sprake is van een dreigende overschrijding (artikel 3.1 Ow)

Laren: Duurzaamheid onder de Omgevingswet Per thema uit het programma duurzaamheid lichten we hieronder globaal toe hoe de instrumenten van de Omgevingswet gebruikt kunnen worden om duurzame ontwikkeling te verankeren. Voor meer gedetailleerde informatie verwijzen we naar andere bronnen. Energie RES en Transitievisie Warmte De energietransitie heeft onmiskenbaar gevolgen voor de fysieke leefomgeving en moet daarin ingepast worden. Waar komen bijvoorbeeld zonnepanelen? Is er ruimte voor windmolens? En wat zijn de normen voor energieprestaties van gebouwen? In 2021 hebben gemeenten Regionale Energiestrategieën (RES) en Transitievisies Warmte vastgesteld. De RES moet zorgen voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van hernieuwbare energieopwekking, warmte(rest)bronnen en bijbehorende infrastructuur. Een RES is echter, net als een Transitievisie, niet bindend voor inwoners en bedrijven. Met de instrumenten van de omgevingswet kan de energietransitie geborgd worden. Omgevingsvisie 10

https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/omgevingsplan-hoofdlijnen/omgevingsplan-rechtswege/

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

44

o

De Regionale Energiestrategie en de Transitievisie Warmte vormen belangrijke bouwstenen voor de gemeentelijke omgevingsvisie. Daarin worden RES en Transitievisie Warmte geborgd. Zo worden RES en TVW onderdeel van de gemeentelijke omgevingsvisie en daarmee samenhangende uitvoeringsprogramma’s en omgevingsplannen.

Programma o

De Transitievisie Warmte kan als beleid worden uitgewerkt in een programma.

Omgevingsplan o

In het omgevingsplan werken overheden hun omgevingsvisie op het gebied van energietransitie uit in regels voor hun grondgebied. Bijvoorbeeld door regels over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. Het is aan de gemeente om de (minimale) eisen en voorwaarden vanuit de energietransitie te borgen in het omgevingsplan.

o

Ook Wijkuitvoeringsplannen (WUP’s) landen in het omgevingsplan.

Opwek duurzame energie In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)11 staan verplichte instructies die gemeenten in het omgevingsplan moeten doorvoeren. Gemeenten moeten voldoende ruimte reserveren in het omgevingsplan voor de opwekking en het transport van energie (artikel 5.157 tot en met 5.159, Bkl). Bijvoorbeeld ruimte voor hoogspanningskabels. In de omgevingsregeling is de exacte begrenzing aangegeven die de gemeente kan overnemen. Gemeenten kunnen naast de verplichte locaties ook zelf locaties voor energieopwekking aanwijzen in het omgevingsplan. Of ruimte reserveren voor distributienetwerken voor energie of warmte. Deze locaties kunnen volgen uit de Regionale Energiestrategie. Zo kan het omgevingsplan het realiseren en gebruiken van een zonnepark juridisch toestaan in een bepaalde wijk.12 Energiebesparing Onder de Omgevingswet verhuist een aantal energiebesparingsregels van het Rijk naar gemeenten. Met het Invoeringsbesluit zorgt het Rijk ervoor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan terechtkomen. Deze regels noemt men de 'bruidsschat'. De bevoegdheid voor deze regels gaat over van de rijksoverheid naar de gemeente. Zolang de gemeente het omgevingsplan niet aanpast, blijven de regels voor energiebesparing die onder de bruidsschat vallen van kracht.

Omdat de bruidsschat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan de gemeente de regels voor energiebesparing lokaal aanpassen. Meer info op: https://iplo.nl/thema/energiebesparing/regelsomgevingsplan/ Staalkaart Energietransitie gebouwde omgeving De VNG heeft een staalkaart opgesteld voor de borging van de energietransitie in een omgevingsplan.13 Dit betreft een actualisatie van de staalkaart Energietransitie die in 2018 is opgesteld

11

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de 4 algemene maatregelen van bestuur (AMvB's)

onder de Omgevingswet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Zie: https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/besluit-kwaliteitleefomgeving/ 12 13

https://iplo.nl/thema/energietransitie/energietransitie-instrumenten/ https://vng.nl/publicaties/staalkaart-energietransitie-gebouwde-omgeving

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

45

Het doel van de actualisatie is om verschillende varianten weer te geven van regelmodules voor het omgevingsplan en zo de instrumentele mogelijkheden van het omgevingsrecht handen en voeten te geven. De staalkaart geeft inspiratie over de manier waarop de ambities voor een gebied kunnen worden vertaald in regels in een omgevingsplan. Groen en klimaatbestendig Klimaatbestendig In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is als tussendoel op weg naar een klimaatbestendig Nederland in 2050 opgenomen dat gemeenten uiterlijk in 2024 hun beleid voor klimaatadaptatie borgen in hun omgevingsplan. Het gaat daarbij om de thema’s droogte, wateroverlast, hitte, en overstromingsgevaar. Voorbeelden van eisen die kunnen worden vastgelegd in een omgevingsplan zijn: o

iedere woning heeft op max ca 300 m2 een aangename koele plek

o

is er voldoende schaduw op belangrijke looproutes

o

minimaal 30% groen in een buurt14.

Natuur en biodiversiteit De Omgevingswet regelt ook het belang van natuur en biodiversiteit als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.15 Enkele voorbeelden: o

Gemeentelijke verordeningen regelen nu vaak dat een vergunning nodig is voor het kappen van bomen binnen de bebouwde kom. Met de Omgevingswet worden deze regels in het omgevingsplan opgenomen.

o

Soortenbescherming is een onderdeel van de Omgevingswet. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Gemeenten mogen decentraal regels stellen over natuur. Bijvoorbeeld door het treffen van maatregelen. Te denken valt aan specifieke eisen waaraan gebouwen moeten voldoen, zoals nestmogelijkheden.

Handreiking Klimaatbestendig bouwen en inrichten Klimaatadaptief bouwen inrichten kan bevorderd worden via decentrale regelgeving. In de praktijk wordt hier echter nog maar weinig gebruik van gemaakt. De rijksoverheid heeft daarom in 2020 een handreiking16 gepubliceerd (78 pagina’s). Enkele voorbeelden uit de handreiking van gebruik van de intrumenten van de Omgevingswet om klimaatadaptieve inrichting te bevorderen: o

Wateroverlast: stel eisen aan onder meer het minimale vloerpeil en het aanbrengen van waterberging bij (ver)nieuwbouw.

o

Hittestress: In het omgevingsplan kan de verplichting worden opgenomen om bij nieuwbouw of vernieuwbouw van gebouwen een blauw-groen dak te realiseren.

o

Droogte: De gemeente kan met maatwerkregels in het omgevingsplan bedrijven verplichten om (relatief schoon) bedrijfsafvalwater te infiltreren in de bodem, zodat de gevolgen van droogte worden beperkt.

https://www.omgevingsweb.nl/wp-content/uploads/po-assets/601592.pdf https://iplo.nl/thema/natuur/ 16 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2020/04/30/handreiking-regelgeving-klimaat14 15

adaptief-bouwen-en-inrichten

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

46

De handreiking is beschikbaar op de website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2020/04/30/handreiking-regelgeving-klimaatadaptief-bouwen-en-inrichten Circulaire economie Onder de Omgevingswet bestaan meer mogelijkheden om circulair bouwen te bevorderen dan in het oude stelsel. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, zal het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) het Bouwbesluit vervangen. Het Bbl moet de milieueffecten van woningen en kantoorgebouwen verminderen, waardoor woningen en kantoren duurzamer en meer circulair worden. Onder het Bbl kunnen gemeenten in omgevingsplannen bepaalde maatwerkregels opnemen over duurzaam gebruik van materialen.17 De Omgevingswet biedt daarmee concrete mogelijkheden om de circulaire economie te versnellen. Zie de volgende brochure voor planregels circulair bouwen: https://www.omgevingsweb.nl/wp-content/uploads/po-assets/601592.pdf Duurzame mobiliteit Het omgevingsplan biedt mogelijkheden om duurzame mobiliteit te stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan een verplichting om laadpalen te plaatsen bij aanleg van de openbare ruimte. Participatie Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet: belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de besluitvorming over een project of activiteit.

De manier waarop de participatie precies wordt vormgegeven verschilt per keer. Bij het opstellen van omgevingsvisies, omgevingsplannen en programma’s geven gemeenten aan op welke manier ze belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding daarvan. Participatiegids De Inspiratiegids Participatie Omgevingswet (Participatiegids) bevat informatie over wat overheden rond participatie moeten regelen in omgevingsvisie, programma, omgevingsplan, projectbesluit, omgevingsvergunning, omgevingsverordening en waterschapsverordening. https://vng.nl/publicaties/inspiratiegids-participatie-omgevingswet

17

https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/de-hoogste-tijd-voor-circulariteit-circulair-bouwen-nu-en-

straks-onder-de-omgevingswet/

| Koersdocument duurzaamheid gemeente Laren

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12874402/1