20230329RVSb23 00216 Wijzigingen verordening sociaal domein gemeente Laren 2018 BIJLAGE huidige tekst verordening
Tekst van het document
Huidige tekst verordening sociaal domein Laren 2018 Hoofdstuk 7 Wmo en bijlage 2 Gebruikelijke Hulp Wmo 2015
Hoofdstuk 7 Wmo Paragraaf 1 Maatwerkvoorziening Artikel 7.1.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het persoonlijk plan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening; 2. het college zet bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening zal worden verstrekt, steeds de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal en betrekt bij de beoordeling van diens aanvraag alle betrokken belangen, waaronder de belangen van de cliënt zelf, diens naaste omgeving, diens familie, het maatschappelijk belang in algemene zin en de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid; 3. de maatwerkvoorziening wordt toegekend, indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg; algemene voorzieningen en/of; een voorziening op grond van andere wet- en regelgeving conform artikel 2.3.5 lid 5 van de Wet; 4. een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of; het voeren van een gestructureerd huishouden en/of; het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of; beschermd woont en/of; wordt opgevangen; 5.
indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe; 6. bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is. Artikel 7.1.2 Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 7.1.1 lid 3 van deze verordening; b. indien het een voorziening betreft die de cliënt voor de melding, aanvraag of het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend; c. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale
afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; d. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; e. voor zover de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als: • de voorziening gewoon verkrijgbaar is, niet specifiek voor gehandicapten is ontworpen en adequate compensatie biedt; • de prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht; • een gezond persoon ook over de voorziening zou kunnen beschikken en • deze door de cliënt financieel gedragen kan worden. 2. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in- en om de woning gebruikte materialen; b. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft; c. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere noodzakelijke reden voor verhuizing aanwezig is; d.
indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; e. voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden; f. als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. g. Het college verstrekt geen woonvoorziening als de cliënt woont in of verhuist naar een hotel, pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning, tweede woning of intramurale opvang. 3. Geen voorziening voor huishoudelijke hulp wordt verstrekt: a. Indien het belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting, na aftrek van (aanvullende) ziektekosten, voor een huishouden gezamenlijk meer bedraagt dan 150% van het geldend minimumloon vanaf 21 jaar, inclusief vakantiegeld, en de voorziening op de markt beschikbaar en passend is. 4. Geen pgb ten behoeve van een verhuizing wordt verstrekt: a. als cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen; b. als cliënt verhuist naar een tijdelijke woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar te bewonen.
Paragraaf 2 Persoonsgebonden budget Artikel 7.2.1 Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb) 1.
Het college verstrekt, indien cliënt dit wenst, een pgb indien: a. de cliënt op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger (niet zijnde de hulpverlener), in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt de aan het pgb verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren en op zich kan nemen; c. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen; d. het college van oordeel is dat de in te kopen maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat.
2.
Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo 2015 verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de melding heeft gemaakt.
3.
De hoogte van een pgb a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; c. wanneer cliënt niet professionele ondersteuning verwerft of via het informele circuit ondersteuning verwerft, wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het geldend minimum uurloon vanaf 23 jaar; d. Een pgb ten behoeve van een verhuizing bedraagt de kosten voor verhuizing en stoffering, berekend volgens de geldende NIBUD-norm tot een maximum van € 2500. Andere inrichtingskosten mogen niet uit het pgb worden bekostigd.; e. indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is en cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de hoogte van een eenmalige pgb voor aanpassing van de betreffende woning vastgesteld op maximaal € 2.500. f. een persoonsgeboden budget voor het gebruik van een (rolstoel)taxi/individueel taxivervoer bedraagt het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 1500 kilometer per jaar; g. Het bezit van een eigen auto is algemeen gebruikelijk.
Indien het gebruik van de eigen auto in het specifieke geval van de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, bedraagt het pgb voor het gebruik van de eigen auto €0,19 per kilometer tot 2500 kilometer per jaar; h. van de maxima genoemd in sub d tot en met g kan op basis van maatwerk gemotiveerd worden afgeweken indien deze niet toereikend blijken te zijn. i. een pgb ten behoeve van een autoaanpassing bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen. Aan het verkrijgen van een pgb voor een autoaanpassing, zijn de volgende voorwaarden verbonden:
• • •
de cliënt vraagt minimaal twee offertes aan; het college accepteert de geldende goedkoopst adequate offerte; alleen noodzakelijke op het vervoer van de cliënt of het gebruik door de cliënt gerichte autoaanpassingen komen voor een pgb in aanmerking. Aanpassingen die zijn gericht op comfort zoals wandbekleding en isolatie komen niet voor vergoeding in aanmerking. j. Een pgb voor aanschaf van een sportvoorziening bedraagt maximaal de laagste prijs die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier. Een sportvoorziening wordt verstrekt als er een noodzaak bestaat voor maatschappelijke participatie; k. een pgb ten behoefte van het bezoekbaar maken van een woning bedraagt de laagste kosten van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdend met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer; l. een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning voor een cliënt die buiten de gemeente woont of een cliënt met een WLZ indicatie bedraagt de werkelijke kosten tot een maximum van € 5.000,- Uit het pgb worden alleen de kosten voor aanpassing van de entree, de woonkamer en het toilet vergoed; m.
Indien een pgb wordt verstrekt voor de aanschaf van goederen wordt indien van toepassing een (jaarlijks) bedrag verstrekt ter dekking van een deel van of de totale onderhouds- en reparatiekosten. De maximale vergoeding staat gelijk aan het bedrag voor onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura. n. Het tarief voor maatwerkvoorzieningen in natura wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index. Hier wordt bij de toekenning van het pgb rekening mee gehouden.
4.
Een pgb ten behoeve van tijdelijke huisvesting of dubbele woonlasten bedraagt maximaal de werkelijk gemaakte kosten, voor een periode van maximaal drie (3) maanden met als maximum de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.
5.
Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt aan de reiziger een bijdrage per rit gevraagd. De hoogte van de reizigersbijdrage is te vergelijken met de kosten die een reiziger maakt bij het gebruik van openbaar vervoer.
Artikel 7.2.2 Opschorting betaling uit het pgb Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet. Paragraaf 3 Bijdrage in de kosten van een voorziening Artikel 7.3.1 Regels voor bijdrage in de kosten van een algemene voorziening Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde onafhankelijke cliëntondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. De raad
bepaalt de hoogte van deze eigen bijdrage, die kan worden vastgelegd in door het college te nemen subsidie-besluiten aan de betrokken uitvoerende organisaties op grond van de subsidieverordening. Artikel 7.3.2 Regels voor bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en pgb 1.
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van een maat-werkvoorzienig of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste €19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a vijfde lid van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. Voor de maatwerkvoorziening Beschermd wonen geldt de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
2.
De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb worden vastgesteld op de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
3.
De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor opvang wordt binnen de kaders van artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld.
4.
Het Centraal Administratie Kantoor stelt de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb, vast en int deze.
5.
Het college stelt de bijdrage in de kosten voor opvang vast en int deze.
6.
De eigen bijdrage is nooit meer dan de maximale kostprijs van de voorziening.
7.
[vervallen]
8.
Bij bepaalde vormen van bemoeizorg voor maatschappelijke zorgdoelgroepen is de cliënt geen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening verschuldigd. Het gaat om de doelgroepen, bij wie zorgmijding leidt tot maatschappelijke uitval, of deze in stand houdt. Dit artikel is van toepassing op de volgende vormen van bemoeizorg: a. Bemoeizorg met vermoeden van verslavingsproblematiek of GGZ problematiek b. Consultatie & Advies vraag vanuit de uitvoeringsdienst t.b.v. verslavingsproblematiek of GGZ problematiek c. Advies bij Methadonverstrekking d. Begeleiding naasten waaronder mantelzorgers t.b.v. omgang verslavingsproblematiek e. Administratieve ondersteuning bij aanhoudende verslavingsproblematiek f. Begeleidingstraject daklozenopvang g. Ambulant begeleidingstraject vrouwenopvang h. Cliënten tot 23 jaar zijn geen bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening verschuldigd. Daarmee worden deze cliënten gelijk behandeld met hun
leeftijdgenoten, die onder de verlengde jeugdzorg vanuit de Jeugdwet vallen. Een uitzondering is de maatwerkvoorziening Beschermd wonen. Hiervoor is wel een eigen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 van het Uitvoeringsbesluit WMO 2015. Paragraaf 4 Kwaliteit Artikel 7.4.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.
Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wmo 2015, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.
2.
Van aanbieders van een voorziening als pgb wordt minimaal dezelfde kwaliteitsstandaard verwacht als van aanbieders van een voorziening in natura.
3.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en het uitvoeren van klantkwaliteitsonderzoeken zoals bedoeld in artikel 2.5.1 van de Wmo 2015 en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 7.4.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten en voorzieningen in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. een redelijke toeslag voor overheadkosten; c. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. kosten voor bijscholing van het personeel; e. kwaliteitseisen van de voorziening; f. deskundigheid van beroepskrachten; g. het handelen volgens professionele standaarden; h. arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste vaardigheden van beroepskrachten en de zwaarte van de functie; i. de eisen rondom duurzaamheid van de voorziening; j. het creëren van maatschappelijke waarde door de aanbieder; k. de reële kostprijs van de voorziening.
Paragraaf 5 Calamiteiten Artikel 7.5.1 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan;
2.
Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar;
3.
De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over de afwikkeling daarvan en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Paragraaf 6 Chronische zieken Artikel 7.5.2 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen [vervallen]
Bijlage 2: Gebruikelijke Hulp Wmo 2015 Er wordt geen maatwerkvoorziening getroffen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. In deze paragraaf wordt toegelicht wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval wanneer er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Of iemand inwonend is en behoort tot de leefeenheid, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Alle huisgenoten die 18 jaar of ouder zijn worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Huisgenoten vanaf 23 jaar worden verondersteld een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren en daarmee de taken van cliënt over te nemen. Gebruikelijke hulp door jonge huisgenoten Er wordt van zowel volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt: • Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden; • Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden; (zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien); • Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden.
(zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien en hun eigen kamer op orde houden. (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen) Maatwerk In de definitie van gebruikelijke hulp wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Ook redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot hulp uit hoofde van de Wmo 2015. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen, maar via instructies gestuurd. Toch heeft de gemeente de mogelijkheid om, ondanks de aanwezigheid van huisgenoten, een maatwerkvoorziening toe te kennen. Dit is het geval wanneer aanwezige huisgenoten om aanwijsbare redenen niet, of onvoldoende, gebruikelijke hulp kunnen leveren. Ook dreigende overbelasting van een mantelzorger kan een reden zijn om huishoudelijke hulp te verstrekken. Particuliere Hulp De aanwezigheid van particuliere hulp, zoals een hulp van Schoonthuis, kan worden gezien als een vorm van gebruikelijke hulp.
Wel moet worden meegewogen of de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak voldoende toereikend is, vanuit Wmo 2015 maatstaven gezien.
Hulp bij het huishouden vanuit de Wmo 2015 kan immers meer inhouden dan alleen schoonmaak en heeft ook een signalerende functie. Daarnaast kan het doel hiervan ook zijn het samen opwerken met de klant of het ondersteunen bij de organisatie van het huishouden. De gemeente zal daarom steeds moeten onderzoeken en een afweging moeten maken of particuliere schoonmaakhulp voldoende is of dat inzet van huishoudelijke hulp vanuit de Wmo 2015 (ter aanvulling) noodzakelijk is. Van de klant wordt verwacht dat deze inzage geeft in de werkzaamheden van de particuliere hulp. Indien een inwoner een beroep wil doen op de Wmo 2015 voor Huishoudelijke Hulp en nog geen gebruik maakt van een particuliere schoonmaakhulp, kan particuliere hulp niet gezien worden als gebruikelijke hulp. Wel kan de inwoner worden gewezen op de mogelijkheid van particuliere hulp, zoals Schoonthuis. Het staat de inwoner echter vrij om te kiezen voor ondersteuning vanuit de Wmo 2015.