CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20220126RVSb21 02084 Financiële beleidsdocumenten BIJLAGE treasurystatuut

Commissie Maatschappij en Financiën 20 januari 2022, gemeente larenBij agendapunt: Financiële beleidsdocumenten3.887 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Treasurystatuut Laren 2014 Gemeente Laren

Laren september 2014

1

Blz. Inhoudsopgave

2

Inleiding

3

Wettelijk kader

4

Treasurystatuut

5

1. Begrippenkader 2. Algemene doelstellingen Risicobeheer 3. Algemeen 4. Renterisico 5. Kredietrisico 6. Liquiditeitsrisico

5

Financiering 7. Langlopende leningen

6

Kasbeheer 8. Geldstromenbeheer 9. Saldobeheer 10. Liquiditeitenbeheer

6

11. Uitvoering 12. Citeertitel Bijlage 1 Wet Fido Bijlage 2 Regeling Uitzettingen en derivaten decentrale overheden

2

Inleiding

In het treasurystatuut wordt het beleid voor de treasury vastgelegd. Het beleid vaststellen is een taak van de Raad. Over de uitvoering beslist het college in het ‘Uitvoeringsbesluit treasury’. De drie gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren kennen allemaal een treasurystatuut. Om de efficiency te bevorderen, zijn de treasurystatuten in 2009 geharmoniseerd. Onder treasury verstaan we het beheersen van de geldstromen binnen de organisatie. Dan gaat het onder andere om het aantrekken van leningen, verstrekken van leningen, beleggen van gelden, gebruik van rekeningen. Het belangrijkste daarbij is het aantrekken van leningen en dat doen tegen zo laag mogelijke kosten en met zo min mogelijk risico. De beleidsruimte van de Raad voor een eigen treasurybeleid is zeer beperkt en de laatste jaren alleen maar afgenomen. In het vorige treasurystatuut werden wettelijke en eigen artikelen met elkaar verweven om er één beleidsstuk van te maken waarin alle regels staan. Omdat het praktischer is om de wetgeving op zich te laten staan en alleen de eigen beleidsregels op te nemen, is daar bij deze versie voor gekozen. Om wel een schets te geven van wat er bij de wet wordt geregeld, staat dat hieronder apart vermeld. Daarna zal worden aangegeven wat er in het eigen treasurystatuut wordt geregeld. De wettelijke regels zijn als bijlagen toegevoegd.

3

Wettelijk kader Gemeentewet  

Artikel 160, lid e, geeft het college de bevoegdheid tot het besluiten tot privaat rechtshandelingen. Daar vallen ook het aangaan en verstrekken van geldleningen onder. Artikel 169, lid 4, geeft aan dat het college hierover inlichtingen geeft aan de raad indien de raad daarom verzoekt of wanneer de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben. In dat laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad inde gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Artikel 212, geeft aan dat de raad een verordening (zie hieronder) opstelt waarin regels staan over doelstellingen en richtlijnen voor de financieringsfunctie. Kader verordening artikel 212 Gemeentewet De verordening 212 is de verordening waarmee de raad aan het college kaders meegeeft voor het financiële beleid, het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie. Voor de financieringsfunctie staat hier dat het college zal handelen volgens het treasurystatuut. De Wet fido (financiering decentrale overheden) In deze wet staat dat de financiering alleen voor de publieke taak mag plaatsvinden. Dit betekent vooral dat je leningen alleen mag aantrekken om er wegen mee aan te leggen en eventueel om een lening te verstrekken aan een vereniging als dat onder de publieke taak valt.

Je mag geen leningen aantrekken alleen om ze weg te zetten tegen een hoger rendement elders (‘bankje spelen’). In de wet is ook de uitzondering op het schatkistbankieren opgenomen, namelijk dat decentrale overheden onderling hun overtollige liquiditeiten mogen uitlenen. Deze wet gaat verder vooral over risicomijding. Derivaten moeten een prudent karakter hebben en voor het renterisico zijn er twee instrumenten en richtlijnen opgesteld waaraan de gemeente zich moet houden, de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. De eerste bepaalt dat je slechts voor een beperkte tijd kort geld mag lenen en de tweede geeft aan dat je bij het aantrekken van een lening rekening moet houden met de omvang van de herfinanciering in de toekomst. Die herfinanciering mag slechts een beperkte omvang hebben. Toevoeging schatkistbankieren (artikel 2): Met deze toevoeging is het niet meer toegestaan om als gemeente geld te beleggen in obligaties. Alle overtollige liquiditeiten gaan naar de schatkist van het Rijk. Dit is een bankrekening bij het Rijk waarop de gemeente dagelijks haar overtollige liquiditeiten moet storten. Over dit geld wordt, afhankelijk van de looptijd, een rentevergoeding verkregen die gelijk is aan de rente die de Nederlandse Staat betaald.

De regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (ruddo). Deze regeling is voornamelijk in het leven geroepen om randvoorwaarden te stellen voor beleggingen. Met ingang van de Wet Schatkistbankieren is deze regeling voor gemeenten nauwelijks meer van toepassing. In deze regeling staat nog wel specifiek dat derivaten alleen mogen worden gebruikt om financiële risico’s tegen te gaan.

4

TREASURYSTATUUT VAN DE GEMEENTE LAREN 2014

Artikel 1 Begrippenkader In dit statuut wordt verstaan onder: financiering

het aantrekken van vreemd vermogen voor een periode van minimaal één jaar. Financieringsplanning planning over minimaal vier jaar waaruit duidelijk wordt wat de financieringsbehoefte over deze periode is. geldstromenbeheer omvat al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren, zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer). intern liquiditeitshet beheersen van risico’s als gevolg van mogelijke risicobeheer wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjareninvesteringsplanning. kasbeheer het beheren van geldstromen en daaruit voortvloeiende saldi en liquiditeitsposities tot een periode van één jaar. kredietrisicobeheer het beheersen van de risico’s die voortvloeien uit de mogelijkheid op een waardedaling ten gevolge van het niet na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit. Liquiditeitenplanning planning over een jaar waarin de uitgaven en inkomsten van dat jaar per maand worden weergegeven. saldobeheer omvat het beheren van de dagelijkse banksaldi. treasuryfunctie de uitvoering van alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen en bewaken van financiële posities, financiële stromen en de hieraan verbonden risico’s. treasuryfunctionaris de treasurer of de plaatsvervangend treasurer.

uitzettingen het beleggen van middelen, anders dan het aanhouden van saldi in rekening-courant, voor een periode van korter dan één jaar.

Algemene doelstellingen Artikel 2 algemene doelstellingen a. de treasuryfunctie streeft naar beheersing van renterisico’s, kredietrisico’s, koersrisico’s en interne liquiditeitsrisico’s; b. binnen de kaders van de wetten, aanvullende regelgeving en de voorschriften die in dit statuut zijn opgenomen wordt gestreefd naar een optimaal renteresultaat; c. interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheer van geldstromen en financiële posities worden geminimaliseerd.

Risicobeheer Artikel 3 renterisico a. Het aantrekken van leningen en uitzettingen wordt onderbouwd met een financieringsplanning. Artikel 4 kredietrisico a. Bij het verstrekken van leningen en garanties uit hoofde van de publieke taak worden zoveel mogelijk zekerheden geëist. Artikel 5 liquiditeitsrisico a. Het liquiditeitsrisico wordt beperkt door gebruik van een liquiditeitenplanning waardoor geanticipeerd kan worden op eventuele tekorten.

5

Financiering Artikel 6 langlopende Leningen a. Bij het aantrekken van gelden voor een periode vanaf één jaar worden minimaal twee partijen benaderd voor een offerte.

Kasbeheer Artikel 7 geldstromenbeheer a. Voor het betalingsverkeer wordt gestreefd naar zo min mogelijke bankrekeningen. b. Het betalingsverkeer wordt zoveel mogelijk ondergebracht bij één bankier. c. Het betalingsverkeer wordt zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd. Artikel 8 saldobeheer a. Bankrekeningen worden op een dusdanige manier gesaldeerd dat de rentekosten zo laag mogelijk blijven. Artikel 9 liquiditeitenbeheer a. Er wordt te allen tijde voor gezorgd dat er voldoende liquiditeit aanwezig is om aan de verplichtingen op korte termijn te voldoen. Artikel 10 Uitvoering a. Het college regelt de organisatie van de treasuryfunctie in een afzonderlijk uitvoeringsbesluit. Artikel 11 citeertitel Dit statuut kan worden aangehaald als ‘Treasurystatuut Laren 2014’. Artikel 12 intrekking Bij de inwerkingtreding van het ‘Treasurystatuut Laren 2014’ wordt het ‘Treasurystatuut Laren 2011’ ingetrokken. Artikel 13 inwerkingtreding Dit treedt in werking op 14 november 2014.

6

Bijlage 1 Wet fido

Wet van 14 december 2000, houdende nieuwe bepalingen inzake het financieringsbeleid van openbare lichamen (Wet financiering decentrale overheden) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op grond van veranderde omstandigheden en nieuwe inzichten ten aanzien van het financieringsbeleid van openbare lichamen wenselijk is nieuwe regels vast te stellen ter herziening van de Wet financiering lagere overheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. openbare lichamen: 1°. provincies; 2°. gemeenten; 3°. waterschappen; 4°. lichamen met rechtspersoonlijkheid, ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen; 5°. door Onze Ministers aan te wijzen andere bij wet ingestelde lichamen en organen; b. rentetypische looptijd: het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare constante rentevergoeding; c.

financiële derivaten: financiële instrumenten belichaamd in contracten waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waartegen een transactie op een bepaald moment zal of kan plaatsvinden en waarvan de waarde afhankelijk is van één of meer onderliggende activa, referentieprijzen of indices; d. netto-vlottende schuld: het gezamenlijk bedrag van: 1°. de opgenomen gelden met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van korter dan één jaar; 2°. de schuld in rekening-courant; 3°. de voor een termijn van korter dan één jaar ter bewaring in de kas gestorte gelden van derden, en 4°. overige geldleningen die geen onderdeel uitmaken van de vaste schuld; verminderd met het gezamenlijk bedrag van: 5°. de contante gelden in kas; 6°. de tegoeden in rekening-courant, en 7°. de overige uitstaande gelden met een rentetypische looptijd van korter dan één jaar; e. gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal: het gemiddelde van de nettovlottende schuld op de eerste dag van iedere maand in het desbetreffende kwartaal; f. kasgeldlimiet: een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar; g.

renterisico op de vaste schuld: mate waarin het saldo van rentelasten en rentebaten van een openbaar lichaam verandert door wijzigingen in het rentepercentage op leningen en uitzettingen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer; h. de renterisiconorm: een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van het begrotingstotaal van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar; i. toezichthouder: het bestuursorgaan dat op grond van enige wettelijke bepaling is

7

belast met het toezicht op de begroting van een openbaar lichaam; Onze Ministers: 1°. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indien het de in onderdeel a, onder 1°, 2° en 5° bedoelde lichamen en organen betreft; 2°. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu indien het de in onderdeel a, onder 3°, bedoelde lichamen betreft; 3°. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indien het de in onderdeel a, onder 4°, bedoelde lichamen en organen betreft alsmede Onze Minister van Infrastructuur en Milieu voor zover aan de in onderdeel a, onder 4°, bedoelde lichamen en organen waterschappen deelnemen; k. begrotingstotaal: de totale lasten op de begroting. j.

Artikel 2 1. Openbare lichamen kunnen uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak leningen aangaan, middelen uitzetten of garanties verlenen. Voor het overige houden zij hun liquide middelen in ’s Rijks schatkist aan. 2. De middelen die een openbaar lichaam in ’s Rijks schatkist aanhoudt, blijven beschikbaar voor de uitoefening van zijn publieke taak. 3. In afwijking van het eerste lid kunnen openbare lichamen hun liquide middelen in de vorm van leningen uitzetten bij andere openbare lichamen, met dien verstande dat openbare lichamen geen leningen kunnen verstrekken aan openbare lichamen ten aanzien waarvan zij met het financiële toezicht zijn belast. Bij regeling van Onze Ministers worden met betrekking tot deze leningen nadere regels gesteld. 4. Bij regeling van Onze Ministers kunnen bepaalde middelen uitgezonderd worden van de verplichting deze aan te houden in ’s Rijks schatkist. Artikel 2a 1. Openbare lichamen kunnen geldleningen slechts aangaan en verstrekken, dan wel de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing slechts garanderen, indien de geldleningen voldoen aan de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. 2.

Openbare lichamen kunnen derivaten hanteren of de ingevolge artikel 2, vierde lid, uitgezonderde middelen uitzetten indien deze derivaten of uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Bij regeling van Onze Ministers worden ter zake van de uitvoering van dit lid nadere regels gesteld. 3. Openbare lichamen sluiten ten gunste van personeel of politieke ambtsdragers geen contracten met betrekking tot hypothecaire leningen of garanties op de verstrekking van hypothecaire leningen door financiële instellingen. Artikel 2b 1. Openbare lichamen ontvangen rente over de liquide middelen die zij in ’s Rijks schatkist aanhouden. De rente kan niet negatief zijn. 2. Openbare lichamen hebben een rekening-courantovereenkomst met de Staat der Nederlanden, welke van rechtswege tot stand komt op de dag dat deze overeenkomst is ontvangen door het desbetreffende openbaar lichaam. De overeenkomst luidt overeenkomstig de modelovereenkomst die na overleg met Onze Ministers door Onze Minister van Financiën wordt vastgesteld.

8

3. Onze Minister van Financiën kan na overleg met Onze Ministers regels stellen ten aanzien van de uitvoering van dit artikel. Artikel 3 1. Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling een percentage voor de berekening van de kasgeldlimiet vast. Onze Ministers zenden eens per drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag houdende overwegingen met betrekking tot de hoogte van het percentage, bedoeld in de eerste volzin. 2. Voor de kasgeldlimiet geldt een minimumbedrag van € 300 000. 3. Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling een hoger minimumbedrag vaststellen dan het in het tweede lid genoemde bedrag. 4. Het op basis van het eerste lid vast te stellen percentage voor de kasgeldlimiet en het op basis van het derde lid vast te stellen minimumbedrag kunnen verschillend zijn voor de verschillende categorieën openbare lichamen. 5. De toezichthouder van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 5°, kan na overleg met het bestuur van de gemeenschappelijke regeling een afwijkend percentage voor de kasgeldlimiet voor een gemeenschappelijke regeling vaststellen. Artikel 4 1. De gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal van een openbaar lichaam overschrijdt de kasgeldlimiet niet. 2.

Indien een openbaar lichaam voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt, stelt het daarvan de toezichthouder op de hoogte, en legt het de kwartaalrapportage en een plan om binnen de kasgeldlimiet te blijven ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. 3. Zolang het plan, bedoeld in het tweede lid, niet is goedgekeurd dan wel indien blijkt dat het plan niet ten uitvoer wordt gelegd kan de toezichthouder een aanwijzing geven om alsnog een aangepast plan in te zenden en om maatregelen te treffen om te voldoen aan de kasgeldlimiet. De toezichthouder kan voorts bepalen dat voor het aangaan van nieuwe geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van minder dan één jaar voorafgaande toestemming van de toezichthouder is vereist. De toezichthouder kan daarbij een maximum vaststellen voor de schuld in rekening-courant van het openbare lichaam met inachtneming van de op dat moment bestaande betalingsverplichtingen van het openbare lichaam. 4. Het toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder voldoende ten uitvoer wordt gelegd. 5. De toezichthouder kan bij incidentele wijzigingen in het inkomsten- en uitgavenpatroon ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichting voor een periode van maximaal twee kwartalen.

Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen gesteld. Artikel 5 1. Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling een percentage voor de berekening van de renterisiconorm en een minimumbedrag voor de renterisiconorm vast, alsmede regels ten aanzien van de bepaling van het renterisico op het begrotingstotaal. 2. Het op basis van het eerste lid vast te stellen percentage voor de renterisiconorm en minimumbedrag kunnen verschillend zijn voor de verschillende categorieën openbare lichamen.

9

Artikel 6 1. Het renterisico op het begrotingstotaal van een openbaar lichaam overschrijdt de renterisiconorm niet. 2. De toezichthouder geeft, indien door een openbaar lichaam niet wordt voldaan aan het eerste lid, het openbare lichaam een aanwijzing om maatregelen te nemen ten einde het renterisico op het begrotingstotaal te verminderen. 3. Indien het openbare lichaam geen gehoor geeft aan de aanwijzing van de toezichthouder, bedoeld in het tweede lid, legt het openbare lichaam een plan om aan het eerste lid te voldoen ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. Zolang dit plan niet is goedgekeurd dan wel indien blijkt dat het plan niet ten uitvoer wordt gelegd, kan de toezichthouder bepalen dat voor het aangaan van het begrotingstotaal voorafgaande toestemming van de toezichthouder is vereist. 4. Het voorafgaand toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder voldoende ten uitvoer wordt gelegd. 5. De toezichthouder kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichting. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen gesteld.7 [Vervallen per 14-12-2013] Artikel 8 1.

Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling regels ten aanzien van de berekening en de verstrekking door de openbare lichamen van gegevens, welke nodig zijn voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2. De gegevens hebben slechts betrekking op: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

liquiditeits- en schuldpositie; ontvangen waarborgsommen; de kasgeldlimiet; het renterisico op het begrotingstotaal; de renterisiconorm; aangegane geldleningen; uitzettingen; verleende garanties met betrekking tot de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen; of het EMU-saldo van de openbare lichamen.

Artikel 9 Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de StatenGeneraal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel 10 [Wijzigt de Provinciewet.] Artikel 11 [Wijzigt de Gemeentewet.] Artikel 12 [Wijzigt de Waterschapswet.]

10

Artikel 13 De Wet financiering lagere overheid wordt ingetrokken.14 [Vervallen per 15-12-2013] Artikel 15 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 16 Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiering decentrale overheden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven te 's-Gravenhage, 14 december 2000 Beatrix De Minister van Financiën, G. Zalm De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K. G. de Vries De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, J. M. de Vries Uitgegeven de eenentwintigste december 2000 De Minister van Justitie, A. H. Korthals

11

Bijlage 2 Ruddo

Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden De Minister van Financiën; Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet financiering decentrale overheden, Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. b. c.

d.

e. f. g. h.

i.

de wet: de Wet financiering decentrale overheden; lidstaat: staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; financiële onderneming: een onderneming die in een lidstaat het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen. solvabiliteitsratio: het in een lidstaat voor een financiële onderneming voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen tegenover aangehouden naar risicograad gewogen activum; vastrentende waarden: openbare en onderhandse leningen; nazorgfondsen: fondsen als bedoeld in artikel 15.47 van de Wet Milieubeheer. rating: taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land, bepaald door een ratingbureau; nettingovereenkomst: een overeenkomst op grond waarvan de wederzijdse verplichtingen tussen partijen verrekend worden waardoor wordt bepaald wat de ene partij per saldo aan de andere partij verschuldigd is; waardepapieren: documenten met een geldswaarde, zoals een bewijs van een aandeel of obligatie.

Artikel 2 1. Openbare lichamen zetten, al dan niet tegen waardepapieren, slechts gelden uit bij en gaan slechts verbintenissen met betrekking tot financiële derivaten aan met financiële ondernemingen die: a. gevestigd zijn in een lidstaat die ten minste beschikt over een AA-rating afgegeven door ten minste twee ratingbureaus; en b. voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren kunnen aantonen dat ze ten minste over een AA-minusrating beschikken, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus. 2. Indien de gelden worden uitgezet of de verbintenissen met betrekking tot financiële derivaten worden aangegaan voor een periode van minder dan drie maanden, tonen deze financiële ondernemingen aan dat ze, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren ten minste over een A-rating, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus beschikken. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op uitzettingen tegen waardepapieren waarvoor een solvabiliteitsratio van 0 procent geldt. Artikel 2a 1. Openbare lichamen gaan geen leningen aan met het enkele doel de aangetrokken gelden

12

tegen een hoger rendement uit te zetten. 2. Openbare lichamen zetten tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen voor projectfinanciering uitsluitend uit bij de financiële onderneming waar deze leningen zijn aangegaan, onverminderd artikel 2, eerste en tweede lid. 3. Indien een openbaar lichaam een nettingovereenkomst heeft afgesloten met een financiële onderneming met betrekking tot het uitzetten van tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen voor projectfinanciering als bedoeld in het tweede lid, is artikel 2, eerste en tweede lid, niet van toepassing. Artikel 3 Openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet, zetten uitsluitend gelden uit in de vorm van: a.

producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het einde van de looptijd intact is, uitgezet bij een instelling die voldoet aan artikel 2; b. vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die voldoet aan artikel 2. Artikel 3a 1.

Nazorgfondsen mogen, in afwijking van artikel 3, gelden uitzetten in de vorm van beleggingen in aandelen die genoteerd zijn aan een van overheidswege toegelaten effectenbeurs en in onroerend goedfondsen die genoteerd zijn aan een van overheidswege toegelaten effectenbeurs, mits zeker wordt gesteld dat de hoofdsom, gecorrigeerd voor inflatie, ten minste aan het einde van dertig jaar intact is door middel van: a. b.

2.

vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die voldoet aan artikel 2, of overige uitzettingen tegen rente bij een instelling die voldoet aan artikel 2.

Voor de bepaling van het gedeelte van de portefeuille dat aangehouden moet worden in de vorm van uitzettingen als bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt een nominale rekenrente van 5% en een inflatiecorrectie van 2%.

Artikel 4 1. Derivaten worden uitsluitend gebruikt ter beperking van financiële risico's. Dit houdt in dat geen open posities worden ingenomen. Derivaten worden afgesloten met een instelling die voldoet aan artikel 2; 2. In afwijking van het eerste lid, laatste volzin, kunnen derivaten ook worden afgesloten op een gereglementeerde markt in de Europese Economische Ruimte, zoals bedoeld in de Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte onder toezicht staande effecteninstelling. Een wijziging van deze Richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet financiering decentrale overheden in werking treedt. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitzettingen en derivaten decentrale

13

overheden.

De Minister van Financiën, G. Zalm

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11053835/1