20211124Rvs68 Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Ligweide BIJLAGE toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Ligweide vastgesteld
bestemmingsplan Toelichting
Ligweide vastgesteld
bestemmingsplan Ligweide
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 11
Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
13 13 16 19 20
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Archeologie 4.2 Cultuurhistorie 4.3 Bodem 4.4 Ecologie 4.5 Externe veiligheid 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Milieuzonering 4.9 Verkeer & Parkeren 4.10 Water 4.11 Milieueffectrapportage
23 23 23 24 24 25 26 27 28 31 31 35
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Algemeen 5.2 Opzet van de regels 5.3 Beschrijving van de regels 5.4 Verbeelding
39 39 39 39 40
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41 41 41
3
bestemmingsplan Ligweide
4
bestemmingsplan Ligweide
Toelichting
5
bestemmingsplan Ligweide
6
bestemmingsplan Ligweide
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De gemeente Laren is voornemens ter plaatse van de voormalige ligweide van het zwembad De Biezem in Laren 12 nieuwe woningen te realiseren. Deze locatie is in de Woningbouwnota ‘Laren, behoud door ontwikkeling’ opgenomen, waarbij is voorgesteld om een hofje met betaalbare woningen voor starters en/of senioren, en vrije kavels te ontwikkelen. Hiervoor is een stedenbouwkundig plan opgesteld, mede op basis van interactie met de omwonenden. Op 16 december 2020 heeft de gemeenteraad het stedenbouwkundig plan vastgesteld. Op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Laren Noord' is het niet mogelijk de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. Om deze reden is een bestemmingsplanwijziging ter plaatse noodzakelijk.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van de kern, aan de rand van het dorp Laren. Het plangebied ligt aan de Blaricummertollaan, direct naast de huidige lig-/speelweide van het zwembad 'De Biezem'. Laren ligt op enkele kilometers afstand van Huizen, Eemnes, Baarn, Hilversum en Bussum. De directere omgeving van het plangebied bestaat uit de wijk Laren-Noord. Op onderstaande afbeeldingen zijn de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Ligging plangebied Ligweide in Laren
7
bestemmingsplan Ligweide
Begrenzing plangebied Ligweide
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 10.800 m². Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door een bosje. Aan de oostzijde bevindt zich de Blaricummertollaan. Aan de zuidzijde bevinden zich een burgerwoning en de Eemnesserweg. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich het zwembad De Biezem. In het bestemmingsplan wordt tevens een deel van de nog in gebruik zijnde ligweide meegenomen, om ongewenste ontwikkelingen in de toekomst te voorkomen.
1.3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied gelden op het moment de volgende bestemmingsplannen: BP Laren Noord; 1e partiële herziening bestemmingsplan Laren-Noord; Correctieve herziening Laren. Ter plaatse van het initiatief geldt de bestemming 'Sport', en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Tevens geldt ter plaatse de functieaanduiding 'zwembad'. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.
8
bestemmingsplan Ligweide
Geldend bestemmingsplan 'Laren Noord'
1.4
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk wordt de huidige en toekomstige situatie van het plangebied omschreven. Vervolgens komt in Hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Noord-Holland en gemeente Laren aan de orde. De resultaten van diverse onderzoeken komen in Hoofdstuk 4 aan bod. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische vormgeving van het plan. Ten slotte gaat Hoofdstuk 6 kort in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
9
bestemmingsplan Ligweide
10
bestemmingsplan Ligweide
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Op het moment is het voorgenomen plangebied onbebouwd. Ter plaatse van het plangebied is op het moment wat laagopgaande begroeiing aanwezig en enkele bomen. Aan de noordzijde wordt het plangebied omsloten door een bosje, en aan de oostzijde door de Blaricummertollaan. De Blaricummertollaan is een met bomen beklede laan en heeft een groene uitstraling. Aan de zuidzijde van het plangebied is een burgerwoning aanwezig. Deze woning wordt van het plangebied afgeschermd door een rij bomen. Aan de westzijde van het plangebied zijn de sportcomplexen aanwezig. In de eerste plaats het zwembad De Biezem. Dit betreft een indoor zwembad. Wel zijn een paar faciliteiten buiten gelegen. Zo zijn er nog een speelweide met waterspuiten en een volleybalveld aan de buitenzijde van het zwembad gelegen. De speelweide is onderdeel van het voorgenomen plangebied, de overige faciliteiten liggen aan de westzijde naast het plangebied. Naast het zwembad is de overdekte tennishal Sprokkelenburg gelegen. Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele beelden van het plangebied weergegeven.
2.2
Toekomstige situatie
Het voornemen is om ter plaatse van de voorgenomen locatie een woningbouwlocatie te realiseren. Hiertoe is een variantenstudie gedaan waarbij twee varianten zijn uitgewerkt. De onderstaande variant is de definitieve variant welke op 16 december 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld.
11
bestemmingsplan Ligweide
Stedenbouwkundig plan Ligweide
Het ontwerp voor dit plan bestaat uit een tweetal villa’s en tien rijwoningen, via de bergingen geschakeld in een hofvorm. De ontsluiting en het parkeren vindt hier tussenin plaats, haaks op de Blaricummertollaan. Met name langs de randen van het plangebied zijn de waardevolle bomen en groenopstanden behouden. Daarnaast wordt een wandelpad vanaf het plangebied naar de Eemnesserweg aangelegd. De ligweide van het zwembad blijft in de bestaande vorm aanwezig. Door de komst van deze ontwikkeling is het niet wenselijk de inrichting van de ligweide te veranderen ten aanzien van de huidige situatie. Dit bestemmingsplan voorziet daarom tevens in een duidelijkere vastlegging van de huidige situatie. In het kader van dit initiatief is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 8. In het beeldkwaliteitsplan wordt het stedenbouwkundig plan beschreven in relatie tot de omgeving. Ook wordt hierin uitgewerkt welke elementen ter plaatse versterkt kunnen worden en welke elementen toegepast moeten worden om het plan goed te laten passen in de omgeving.
12
bestemmingsplan Ligweide
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Nationale belangen en vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn 21 nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk. Er zijn vier prioriteiten waar het Rijk op wil sturen en richting geven: Prioriteit 1: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Prioriteit 2: Duurzaam economisch groeipotentieel. Prioriteit 3: Sterke en gezonde steden en regio's. Prioriteit 4: Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen.
De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Conclusie Het initiatief is passend binnen de uitgangspunten van de NOVI. Het initiatief heeft geen effecten op specifieke gebieden in de NOVI. Voor het overige is de ontwikkeling niet strijdig met de NOVI.
13
bestemmingsplan Ligweide
3.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt: vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; verbeteren van de bereikbaarheid; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Met de hiervoor genoemde rijksdoelen zijn dertien nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.
Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Bro. Paragraaf '3.1.3' van deze toelichting gaat hier verder op in. De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van dit bestemmingsplan past in die lijn. Conclusie Het initiatief is passend binnen de uitgangspunten van de SVIR. Het initiatief heeft geen effecten op specifieke gebieden in de SVIR. Voor het overige is de ontwikkeling niet strijdig met de SVIR. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op ontwikkelingen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
14
bestemmingsplan Ligweide
Afweging 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. In dit geval betreft het de functie 'wonen'. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van acht woningen in Laren. Op basis van jurisprudentie is een ontwikkeling van dergelijke aard als een stedelijke ontwikkeling aan te merken wanneer er sprake is van de realisatie van 12 of meer woningen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 woningen. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de hand van de ladder is noodzakelijk. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? In de tweede plaats moet beoordeeld worden of de stedelijke ontwikkeling nieuw is. Of een ontwikkeling nieuw is wordt in het geval van woningen beoordeeld aan de hand van hoeveel woningen er gebouwd worden. Op basis van jurisprudentie is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er 12 of meer woningen gebouwd worden. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 woningen en is daarmee dus een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Een verdere toetsing aan de hand van de ladder is noodzakelijk. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van een woonhofje voor starters en/of senioren, en 2 vrijstaande woningen. Zoals ook de subparagrafen 3.4.2 (Woonvisie Laren 2017-2022) en 3.3.1 (Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 - 2030) bespreken, bestaat in de gemeente en in de regio een behoefte aan dergelijke woningen. Voorliggende ontwikkeling voorziet daarmee in een regionale behoefte. 4. Behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling Voorts moet de behoefte aan de ontwikkeling worden beschreven. Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg heeft en dat dit niet tot een onaanvaardbare situatie leidt uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Zoals ook de subparagrafen 3.4.2 (Woonvisie Laren 2017-2022) en 3.3.1 (Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 - 2030) bespreken, bestaat in de gemeente en in de regio een behoefte aan woningen en in het specifiek aan sociale huurwoningen. In totaal is in de regio een behoefte aan 9.250 woningen. Voor de kern Laren wordt een uitbreidingscapaciteit van 169 woningen voorzien. Dit planvoornemen voorziet in het realiseren van tien hofwoningen en twee vrijstaande woningen.
Het planvoornemen past in de gewenste behoefte die aanwezig is in de gemeente Laren zelf en van de behoefte van de gehele regio Gooi en Vechtstreek. Zeker nu inbreidingslocaties voor nieuwbouw in Laren schaars zijn en dit planvoornemen in een inbreidingslocatie voorziet. 5. Ligt de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied? Als laatste dient getoetst te worden of het plan binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Het initiatief is gelegen binnen de rode contouren van de kern Laren. Het initiatief ligt daarmee binnen bestaand stedelijk gebied. De laddertoets is hiermee tevens afgerond. Een verdere toetsing of motivering is niet noodzakelijk. Conclusie Zoals uit de bovenstaande bespreking volgt, is het onderhavige plan in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Uit de bovenstaande uiteenzetting is in voldoende mate de behoefte voor de locatie binnen bestaand stedelijk gebied gemotiveerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking levert dus geen belemmering op voor onderhavige ontwikkeling.
15
bestemmingsplan Ligweide
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050
De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving 1. 2. 3.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving 1.
2.
3. 4.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie 1.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst; Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging; Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem; Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal; Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie; Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector. Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek In de omgevingsvisie worden ambities gesteld voor het grondgebied van de gemeente en de regio Gooi en Vechtstreek. In deze streek komen de bewegingen Dynamisch schiereiland, Metropool in ontwikkeling,
16
bestemmingsplan Ligweide
Sterke kernen, sterkte regio's en Natuurlijk vitaal landelijke omgeving bij elkaar. De grote leefomgevingskwaliteit met diverse landschappen, recreatieve en toeristische mogelijkheden, topwoonmilieus in combinatie met mobiliteitsopgaven, economisch vitaal blijven en opgaven in het veenweidegebied, brengen een complex aan vraagstukken met zich mee. Onderstaand aspect uit de omgevingsvisie is van toepassing voor het plangebied. Leefomgevingskwaliteit De ambitie van de provincie Noord-Holland ten aanzien van de leefomgevingskwaliteit houdt onder andere in dat ontwikkelingen en beheer passend moeten zijn bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap. Noord-Holland beschikt immers over een unieke en rijke variatie aan (open) landschappen, ruimtelijke structuren, aardkundige en archeologische waarden, cultuurhistorie en gebouwd (wereld)erfgoed. De provincie onderscheidt zich door haar openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Deze karakteristieken reflecteren de rijke ontstaansgeschiedenis en maken het aantrekkelijk voor mensen om hier te wonen, voor bedrijven om zich hier te vestigen en voor recreanten en toeristen om hier te verblijven. Dit planvoornemen houdt rekening met deze ambitie. Het planvoornemen voorziet niet in een onnodig ruimtebeslag maar realiseert in een binnenstedelijk gebied de realisatie van twaalf woningen.
Het geheel is landschappelijk ingepast en houdt rekening met de aanwezige landschappelijke waarden. Metropool in ontwikkeling De provincie Noord-Holland geeft aan zoveel mogelijk te streven naar wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk te realiseren en te concentreren. De metropool ontwikkelt zich immers snel. De vraag naar woningen en ruimte voor bedrijven houdt aan, evenals de ruimtevraag voor recreatie en andere functies. Tegelijkertijd willen we de landschappen in de metropool sparen. De bebouwingsopgave moet dan ook zoveel mogelijk binnen de bestaande kernen plaatsvinden, met een voorkeur voor knooppunten van openbaar vervoer. Verdichting vraagt steeds meer inventiviteit en bestuurskracht. De bebouwde omgeving wordt steeds intensiever gebruikt, de plancapaciteit binnenstedelijk blijkt door een andere kijk op stad en stedelijkheid een stuk groter te zijn dan we lang hebben gedacht. En zowel bij bestaande bouw als nieuwbouw zet de provincie in op besparing van energie, een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting en bij nieuwbouw ook op circulair bouwen. Dit alles moet samengaan met de verdere verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij onderkent de provincie dat verdichting in de kernen leidt tot toenemende druk op het landschap. Wonen en werken worden binnenstedelijk geconcentreerd (transformeren, bundelen, verdichten).
Hierbij houdt de provincie oog voor behoud en versterking van de leefbaarheid in bestaande en nieuwe gebieden. Ook houden ze een vinger aan de pols wat betreft de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van de vraag. Zo zorgen ze ervoor dat regionale afspraken over stedelijke ontwikkelingen bij de vraag blijven aansluiten. Hierbij betrekken we de bestaande voorraad woningen. Dit planvoornemen komt overeen met de ambitie om zoveel mogelijk te streven naar concentratie van wonen en werken in binnenstedelijk gebied. Door de realisatie van twaalf woningen in een binnenstedelijke locatie, geeft het plan uitvoering aan de ambities van de provincie. Het plan bundelt zowel wonen als werken op de locatie. Tevens streeft de provincie Noord-Holland naar het versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem. Een uniek kenmerk van de metropool is de grote diversiteit aan landschappen met hoge ecologische, recreatieve en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is er een sterke verwevenheid tussen stad en landschap. Het groenblauwe gebied ligt tussen de kernen, die daarmee karakteristiek en onderscheidend blijven. Het biedt ook een plek voor relatieve rust ten opzichte van de stad. Tegelijk biedt het landschap nog veel ruimte voor landbouw en kleinschalige experimenten voor de productie van duurzame energie.
Het landschap is als drager van deze waarden cruciaal voor het vestigingsklimaat en het woon- en leefmilieu in de metropool. Dit planvoornemen is voorzien in de rand van Laren. Dit stedelijke dorp staat bekend om haar verwevenheid tussen het groene karakter en het wonen. Het planvoornemen laat het groene karakter zoveel mogelijk in stand en versterkt deze waar nodig.
17
bestemmingsplan Ligweide
Sterke kernen, sterke regio's Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen van woningbouw en voorzieningen streeft de provincie Noord-Holland naar concentratie in kernen, passend bij de rol van de kernen in het regionale netwerk. Uitgangspunt bij dit principe is dat ontwikkelingen zo veel mogelijk binnenstedelijk plaatsvinden. Dit geldt voor alle kernen. De omvang waarin dit gebeurt wordt ingegeven door de vraag die er op dat moment is (meest actuele bevolkingsprognoses). Deze wordt afgelezen aan de hand van demografische ontwikkelingen (afspraken over uitleglocaties worden aan de actuele prognoses aangepast), periodieke monitors over woonwensen en woonbehoefte-onderzoeken. Deze ontwikkelingen en daaruit voortvloeiende afspraken worden regionaal ingevuld met ruimte voor maatwerk en herijking. De omvang en verschijningsvorm is passend bij de kernen waarbij grofweg drie typen kernen vallen te onderscheiden. Ook hier kan in regionale afstemming meer onderscheid in worden gemaakt. Bij de dorpskernen, zoals Laren, lopen de functies en karakters van de vele kernen ver uiteen. Er worden in regionaal verband keuzes gemaakt over welke dorpskernen als voorzieningencentra (blijven) fungeren. Dit kan bijdragen aan het behoud van voorzieningen en de leefbaarheid in deze gebieden.
Er is daarnaast een zeer divers beeld van de sociale cohesie (denk hierbij aan bijvoorbeeld een bruisend verenigingsleven) en ontwikkelkracht per kern. Dit vraagt daarom ook om maatwerk, in samenspraak met de lokale bevolking en ondernemers. Toegepast betekent deze ambitie van de provincie Noord-Holland dat ook voor dit onderdeel er regionale afspraken zijn gemaakt over het toevoegen van woningen en voorzieningen. Subparagraaf 3.3.1 (Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 - 2030) besteedt hier aandacht aan. 3.2.2
Provinciale ruimtelijke verordening
De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. We zoeken naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Op donderdag 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De Omgevingsverordening NH2020 is gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving. Met deze omgevingsverordening loopt de provincie bewust vooruit op de Omgevingswet, omdat we door 21 verordeningen samen te voegen alvast werken in de geest van de Omgevingswet. Er is bewust niet gewacht op invoering van de Omgevingswet, omdat we op deze manier kunnen nagaan of de regels lokaal en regionaal maatwerk mogelijk maken en of er genoeg bestuurlijke afwegingsruimte is. In de omgevingsregeling staat uitgelegd welke overheid gaat over welke regels (welke partij welke bevoegdheid heeft).
Planspecifiek Ten aanzien van het planvoornemen geldt dat het voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Omgevingsverordening NH2020 geeft in artikel 6.3 aan dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. De mate waarin dit planvoornemen in overeenstemming is met die regionale afspraken met betrekking tot hoeveelheid en type woningen bespreekt subparagraaf 3.3.1 (Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 - 2030). Uit die subparagraaf volgt dat dit planvoornemen binnen de regionale afspraken past en dus daarmee ook voldoet aan de Omgevingsverordening NH2020. Om deze reden komt dit planvoornemen overeen met de Omgevingsverordening NH2020.
18
bestemmingsplan Ligweide
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 - 2030
De gemeente Laren behoort samen met de gemeenten Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Blaricum, Weesp en Wijdemeren tot de regio Gooi- en Vechtstreek. Samen hebben deze gemeenten de Woonvisie Regio Gooi en Vechtstreek 2016 - 2030 vastgesteld. De woonvisie geeft inzicht in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van wonen. Ook biedt de visie een kader voor lokaal woonbeleid en vormt het de basis voor afspraken met andere overheden. De regio Gooi en Vechtstreek wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine of grote huishoudens en goed of slecht ter been. De regio ontleent haar identiteit voor een groot deel aan de diversiteit aan landschappen en woonmilieus en is daardoor een aantrekkelijk vestigingsgebied voor al deze groepen. Het behouden en, waar mogelijk, versterken van deze diversiteit aan woonmilieus waarborgt de vitaliteit van de regio ook in de toekomst. Zeker tot 2040 wordt nog een groei van de bevolking voorzien. Het passend faciliteren van deze groei, in combinatie met het behoud van de natuur- en cultuurhistorische waarden, vormt de komende jaren één van de belangrijkste uitdagingen voor de regio. Nieuwbouw zal nodig blijven en voorziet niet alleen in een directe woningbehoefte, maar wordt ook ingezet als strategisch instrument om de doorstroming in wijken op gang te brengen.
De focus zal daarbij moeten liggen op binnenstedelijk bouwen en transformatie. Het behoud van de hoge ruimtelijke kwaliteit in de bebouwde omgeving is daarbij kader stellend. Laren is een groene, lommerrijke gemeente met natuurgebieden, landgoederen, exclusieve villawijken, een gezellige dorpskern en enkele publiekstrekkers zoals het museum Singer Laren. Het gemiddelde inkomen is hoog en er wonen relatief veel senioren onder andere in het Rosa Spier Huis. Laren is vooral een woongemeente, met voornamelijk lokale voorzieningen. De meeste inwoners werken buiten de gemeente. Laren kent een gespannen woningmarkt, hetgeen zich uit in hoge woningprijzen en wachtlijsten voor sociale huurwoningen. Met nieuwbouw kan maar beperkt tegemoet worden gekomen aan de woningbehoefte, Laren beschikt niet over grootschalige uitbreidingslocaties. In de dorpskern bevinden zich wel enkele kleinschalige locaties die voor herontwikkeling of verdichting in aanmerking komen. In totaal zijn in de regionale woonvisie 21 acties en/of afspraken geformuleerd, verdeeld over vijf inhoudelijke thema's. Deze acties vormen samen het actieprogramma 2016-2030 voor het regionale woonbeleid van Gooi en Vechtstreek. De specifieke acties ten aanzien van bouwen betreffen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
9.250 nieuwbouwwoningen tot 2030. Dit betekent vanaf 2020 een nieuwbouwproductie van 550 woningen per jaar; 1/3 van de woningtoevoegingen betaalbaar; Minimaal 20% woningtoevoegingen door transformaties; Strategisch inzetten nieuwbouw; 1.000 woningen in het middeldure huursegment; Onderzoek nieuwbouwambities lange termijn.
Afweging In de gehele regio is behoefte aan 9.250 extra woningen tot 2030. Hierbij is tevens een behoefte aan seniorenwoningen. Dit planvoornemen voorziet in de realisatie van tien hofwoningen (met als doelgroep onder andere senioren) en twee vrijstaande woningen op een locatie in Laren. Om die reden voorziet dit planvoornemen in een bestaande en actuele behoefte en past dit voornemen in de beleidsvisie van de gemeenten in het Gooi en Vechtstreek.
19
bestemmingsplan Ligweide
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Ruimtelijke structuurvisie 2008 - 2023
De Ruimtelijke Structuurvisie Gemeente Laren 2008-2023, vastgesteld door de gemeenteraad op 25 juni 2008, bevat de algemene gemeentelijke beleidsuitgangspunten op het gebied van de ruimtelijke ordening. Doel van de structuurvisie is om de ambities voor de toekomst van het dorp Laren vorm te kunnen geven aan de hand van een integraal afgewogen richtinggevend beleidskader. In hoofdlijnen ziet de gemeente als gewenste ontwikkeling voor het brinkdorp het behouden en versterken van de beeldkwaliteit van Laren, haar karakter en identiteit als fraai, groen en kleinschalig dorp. Maatregelen en ingrepen moeten deze kernwaarden behouden en versterken. Concreet houdt dat in, dat al het beleid gericht moet zijn op kwalitatieve verbetering van het dorp. De kernpunten van het beleid zijn onder meer: behoud identiteit van Laren als groen, fraai, authentiek en kleinschalig kwaliteit boven kwantiteit bij verbetering van het dorp integrale kwaliteitsborging bij nieuwe ontwikkelingen aandacht voor groene kwaliteit, landschap en cultuur aandacht voor ontgroening en vergrijzing. Met het voorliggende kleinschalige plan wordt aan deze kernpunten voldaan. 3.4.2
Woonvisie Laren 2017-2022
De belangrijkste doelstelling van het lokale woonbeleid, zoals het in deze woonvisie is verwoord, is om de woningvoorraad, nu en in de toekomst, zo goed mogelijk af te stemmen op de woonwensen van de inwoners van de gemeente Laren. Deze lokale woonagenda geeft op onderdelen concrete invulling aan de kaders uit de regionale woonvisie. Hierbij houdt de gemeente rekening met de bijzondere positie die Laren inneemt binnen de woningmarkt van de Gooi en Vechtstreek. Zo kent de woningvoorraad van de gemeente een relatief laag aandeel sociale huurwoningen, een gemiddeld dure woningvoorraad en beschikt Laren over weinig uitbreidingsmogelijkheden. Deze lokale woonvisie sluit aan op de geactualiseerde regionale woonvisie Gooi en Vechtstreek 2016-2030. Bij de totstandkoming van de regionale woonvisie zijn stakeholders uit de hele regio op verschillende momenten betrokken geweest. Naast de ambities uit de regionale woonvisie worden door de gemeente Laren een aantal specifieke speerpunten benoemd voor de komende jaren. Deze speerpunten zijn: 1. 2. 3. 4. 5.
Betaalbaarheid en doorstroming; Strategische inzet van nieuwbouw; Maatwerk bestaande woning voorraad; Duurzaamheid; Wonen met zorg.
In 2017 heeft de gemeenteraad de lokale Woonvisie Laren 2017-2022 vastgesteld. In deze Woonvisie wordt een aantal speerpunten voor het wonen benoemd. Voor zover in dit kader van belang gaat het om: Betaalbaarheid en doorstroming doorstroming kan zorgen voor het vrijkomen van geschikte woningen in de bestaande woningvoorraad; Strategische inzet van nieuwbouw een goede balans in het woningbouwprogramma van verschillende woning- en prijscategorieën focus op betaalbare nieuwbouw voor senioren en jongeren. Door de bouw van een hofje van 10 senioren woningen, waarbij ook ruimte kan zijn voor enkele starters, wordt aan bovengenoemde speerpunten tegemoet gekomen. Quickscan woningbehoefte Laren Door de gemeente onderzoek gedaan naar de woningmarkt in Laren. Daarin wordt geconcludeerd dat de woningmarkt in Laren niet als lokale markt kan worden aangemerkt. Er vinden relatief veel verhuizingen
20
bestemmingsplan Ligweide
plaats tussen de gemeente Laren en omliggende gemeenten. Er wordt in de regio een verdere toename van het aantal huishoudens verwacht. Er vindt enerzijds een logische ontwikkeling plaats van jongere en middelbare gezinnen met kinderen naar middelbare en oudere stellen zonder kinderen en naar oudere alleenstaanden. Anderzijds is er ook aanwas van jonge huishoudens (en gezinnen) waar te nemen. Ten aanzien van de gewenste uitbreiding van de woningvoorraad constateert de gemeente het volgende: Een grote vraag naar appartementen in Laren. Voor een groot deel in de duurdere categorie (doelgroep ouderen Laren); Tekorten in de sociale huur; Vraag naar grondgebonden woningen in alle prijsklassen. Planspecifiek Ten aanzien van de woonvisie geldt dat dit planvoornemen daarin past. De gemeente geeft aan dat in de gemeenten een behoefte bestaat aan gelijkvloerse woningen voor onder andere senioren. Dit planvoornemen maakt het planologisch mogelijk om tien van dergelijke woningen te bouwen. Om die reden voorziet dit planvoornemen in een bestaande en actuele behoefte en past dit voornemen in de beleidsvisie van de gemeente. 3.4.3
Woningbouwnota “Laren, behoud door ontwikkeling”
De Woningbouwnota is op 30 januari 2019 door de raad vastgesteld en gaat over alle toen bekende locaties waar woningen kunnen worden gebouwd, over het beoogde woningbouwprogramma alsmede over voorwaarden die de raad stelt over die locatieontwikkelingen. In de nota is ten aanzien van de voorliggende locatie Ligweide het volgende aangegeven: 'Voorgesteld wordt om deze locatie te benutten voor de realisatie van een hofje van ca. 15 betaalbare en levensloopbestendige koopwoningen en ca. 4 kavels voor vrijstaande woningen. Enerzijds wordt hiermee voldaan aan de behoefte van senioren huisvesting en anderzijds wordt, conform de bestuursopdracht, gebouwd voor het middensegment. Twee hofjes op deze locatie is mogelijk een te zware belasting van het gebied. De 4 kavels voor vrijstaande woningen passen goed in de omgeving en is de wens van omwonenden. Een en ander zal, nadat ook met de buurt is overlegd, worden uitgewerkt in een verkaveling die ter besluitvorming aan de raad wordt voorgelegd. Overwogen zal worden om een wandel- en fietsweg vanuit het hofje over het terrein van het zwembad richting Eemnesserweg te ontwikkelen om dit langzaam verkeer niet over de Blaricummertollaan te laten gaan.' Planspecifiek Na een uitgebreide participatieprocedure is de gemeente uitgekomen op een verkaveling waarbij 12 woningen gebouwd kunnen worden.
10 hiervan betreffen gelijkvloerse woningen onder andere bedoeld voor senioren. De verkaveling is daarmee grotendeels in lijn met de Woningbouwnota.
21
bestemmingsplan Ligweide
22
bestemmingsplan Ligweide
Hoofdstuk 4 4.1
Milieuaspecten
Archeologie
Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voorzover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Situatie plangebied en onderzoek Ter plaatse van het initiatief geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.
Op basis van deze dubbelbestemming is het noodzakelijk een archeologisch onderzoek uit te voeren wanneer een ontwikkeling groter is dan 200 m2 en dieper gaat dan 30 cm onder het maaiveld. Deze ontwikkeling overschrijdt deze vastgelegde grenzen. Om deze reden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het uitgevoerde onderzoek is te vinden in Bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden ter plaatse van het plangebied te verwachten zijn. Nader onderzoek naar aanwezige archeologische waarden kan achterwege blijven. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen verdere belemmering voor het bestemmingsplan.
4.2
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Zoals al aangegeven bundelt de Erfgoedwet een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voorzover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook aangegeven worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Situatie plangebied en conclusie Ter plaatse van het plangebied zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Bij de inrichting van het plan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de karakteristieken van het gebied en de aanwezige landschappelijke waarden. De ontwikkeling voorziet niet in de aantasting van landschappelijke waarden. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet verder in de weg.
23
bestemmingsplan Ligweide
4.3
Bodem
Wettelijk kader Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Men streeft naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie. Situatie plangebied en onderzoek Ter plaatse van het initiatief worden twaalf woningen gebouwd. Deze woningen betreffen gevoelige functies in het kader van bodembescherming. Om deze reden is het noodzakelijk een onderzoek uit te voeren naar de bodemkwaliteit ter plaatse. Het uitgevoerde onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse enkele lichte verontreinigingen aanwezig zijn in de bovengrond en in het grondwater. De lichte grondwaterverontreiniging was op voorhand te verwachten en heeft geen verdere noodzaak tot vervolgonderzoek. De vervuiling van de bovengrond is van dusdanig geringe mate dat vervolgonderzoek in dit kader ook niet noodzakelijk is. Conclusie De bodemvervuilingen ter plaatse zijn gering. Aanvullend onderzoek naar de vervuilingen kan achterwege blijven. Het aspect bodem vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.
4.4
Ecologie
Wettelijk kader Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Situatie plangebied en onderzoek Soortenbescherming Het voornemen is ter plaatse van het plangebied 10 hofwoningen en twee vrijstaande te bouwen. Gelet op de aard van deze ingreep is het noodzakelijk een quickscan naar de aanwezige natuurwaarden uit te voeren. De quickscan in dit kader is opgenomen in Bijlage 3. Uit de quickscan blijkt dat er binnen het perceel geen beschermde soorten worden verwacht. Wel wordt aangeraden om aanvullend onderzoek te doen naar vliergroutes van vleermuizen bij het plangebied. Dit aanvullende onderzoek is uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 4.
Uit de resultaten van het onderzoek naar vleermuizen blijkt dat er geen vleermuizen gebruik maken van de houtsingel als vliegroute. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is een stikstofberekening met het programma Aerius uitgevoerd. Met deze berekening wordt onderzocht of het initiatief van invloed is op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In dit geval betreft het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied het Naardermeer op ca. 7 km afstand. De berekening is opgenomen in Bijlage 5. Uit de berekening blijkt dat het
24
bestemmingsplan Ligweide
project geen negatieve invloed heeft op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Conclusie Het initiatief heeft geen negatieve invloed op beschermde soorten en op beschermde natuurgebieden. Het aspect ecologie vormt geen verdere belemmering voor dit initiatief.
4.5
Externe veiligheid
Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 /jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 /jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Afweging Uit de risicokaart (riscokaart.nl), waarvan hieronder een uitsnede is weergegeven, blijkt dat in de omgeving een risicobron aanwezig is. Het naastgelegen zwembad is als een inrichting gevaarlijke stoffen aangemerkt vanwege het gebruik van chloor. Het initiatief wordt binnen de aangemerkte terreingrenzen van het zwembad gerealiseerd. De risicocontouren van de chloorinstallatie liggen echter niet over het plangebied heen. Het initiatief wordt niet aan extreme risicofactoren blootgesteld als gevolg van de aanwezigheid van het zwembad, en ondervindt geen hinder van de aanwezigheid van het zwembad.
25
bestemmingsplan Ligweide
Uitsnede risicokaart met in het blauw kader het plangebied (bron: risicokaart.nl).
Conclusie Gezien de bovenstaande analyse wordt gesteld dat het milieuaspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit project.
4.6
Geluid
Wettelijk kader De eventuele verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Woningen betreffen op grond van de Wgh en het Activiteitenbesluit milieubeheer een geluidsgevoelig object. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een geluidsgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidszone. Situatie plangebied Wegverkeer De Blaricummertollaan is aangemerkt als een weg met een maximum snelheid van 30 kilometer per uur. Op basis van de Wet geluidhinder kan een akoestisch onderzoek naar deze weg achterwege blijven. De Eemnesserweg is een weg met een maximum snelheid van 50 kilometer per uur. De woningen zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van deze weg. In 2016 is reeds een onderzoek naar het wegverkeerslawaai ter plaatse uitgevoerd. In 2020 zijn er verkeerstellingen gedaan.
De wegverkeersgegevens zijn ten opzichte 2015 niet gewijzigd. Dit betekent dat er geen sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden. Uit dit onderzoek blijkt dat het voorgenomen initiatief zonder belemmering gerealiseerd kan worden. Het deel van dit onderzoek waarin wordt ingegaan op wegverkeerslawaai is opgenomen in Bijlage 6. De
26
bestemmingsplan Ligweide
voorkeursgrenswaarden in de Wet geluidhinder worden niet overschreden. Wel dienen de gevels van de woning, conform het bouwbesluit, een minimale geluiddemping van 26 dB te realiseren. Industrie/ omgevingslawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein. Dit aspect hoeft daarom niet nader te worden onderzocht. Wel valt het naastgelegen zwembad binnen de richtafstand van deze inrichting tot gevoelige objecten. Hier is nader onderzoek naar gedaan. Dit is uitgewerkt in paragraaf 4.8. Conclusie Het aspect geluid vormt geen verdere belemmering voor dit initiatief. Lawaai vanuit het zwembad wordt behandeld in paragraaf 4.8.
4.7
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (hierna: nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan drie procent) ten opzichte van de grenswaarde; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft de minister in samenwerking met InfoMil de nibm-tool maart 2019 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekenhulp is de toename van de stoffen NO2 en PM10 te bepalen. Besluit niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bepaalt in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2 µg/m3 ); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
27
bestemmingsplan Ligweide
Situatie plangebied Dit projectvoornemen voorziet in de realisatie van 10 hofwoningen en 2 vrijstaande woningen. Deze ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse als gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling is gebruikgemaakt cijfers van CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig Parkeren'. In deze gids worden verschillende functies onderscheiden en wordt per functie een onderscheid gemaakt tussen en de ligging van het project (centrum of juist buitengebied) en de mate van stedelijkheid. Uit subparagraaf 4.9.1 volgt dat het projectvoornemen leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van maximaal 95 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde weekdag.
Nibm-tool
Zoals uit de bovenstaande figuur blijkt, kan voor dit project met 95 voertuigbewegingen per dag in 2021 (verwachte jaar van projectrealisatie) gesteld worden dat de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit kleiner is dan 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) en dus niet in betekenende mate is. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen verdere belemmering voor dit initiatief.
4.8
Milieuzonering
Algemeen Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een aanvaardbaar woon- en leefmilieu mogelijk is. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies, zoals bedrijven en andere milieubelastende functies. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aangetast worden door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig. Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen
28
bestemmingsplan Ligweide
gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken. De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van dit project alsook in hoeverre het project al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving. Situatie plangebied en onderzoek In de nabijheid van het plangebied zijn enkele sportaccommodaties gelegen waaronder een zwembad, een tennishal en een hockeyvereniging.
Op basis van de VNG uitgave Bedrijven en Milieuzonering is een hockeyvereniging aangemerkt met een milieucategorie 3.1. Dit houdt in dat er ten minste 50 meter afstand gehouden dient te worden tussen de hockeyvelden en gevoelige functies zoals woningen, in dit geval op basis van het aspect geluid. Dit initiatief ligt op meer dan 50 meter afstand van de hockeyvereniging. Aanvullend onderzoek in het kader van Bedrijven en Milieuzonering is niet noodzakelijk. De naastgelegen tennishal valt ook onder milieucategorie 3.1, wat betekent dat een richtafstand van 50 meter geldt. Het betreft hier echter een binnenaccommodatie. Er zijn hier geen buitenbanen met verlichting aanwezig op korte afstand van het plangebied. Daarnaast vindt de ontsluiting van de inrichting niet plaats aan de zijde van de planlocatie, maar aan de westzijde ter plaatse van de parkeerplaats. Van geluiduitstraling vanwege de overdekte tennisbanen is geen sprake. Het geluid dat door bezoekers van de tennishal rond de entree en het parkeerterrein van het complex wordt veroorzaakt wordt afgeschermd door het gebouw en ligt bovendien op een grote afstand van circa 100 meter de dichtstbijzijnde geprojecteerde woningen. Het naastgelegen zwembad valt eveneens onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter.
Aan de buitenzijde van het zwembad is de ligweide met een spraypark en een paar speelvoorzieningen gelegen. Dit is een buitenspeelplaats voor bezoekende jeugd van het zwembad. De ligweide is op korte afstand van de geprojecteerde woningen gelegen. Om de effecten van de ligweide en het park in beeld te brengen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Hieronder worden de resultaten besproken. Toetsingskader Wet milieubeheer / Activiteitenbesluit Het zwembad valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Stemgeluid vanwege het buitenterrein van het zwembad blijft bij de toetsing aan het Activiteitenbesluit buiten beschouwing. Alleen de bijdrage van de installaties en de glijbaan zijn dan relevant. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de hoogst berekende langtijdgemiddelde geluidbelasting 41 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. De hoogst berekende waarde voor de maximale geluidniveaus bedraagt 52 dB(A) als gevolg van de glijbaan. Hiermee wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 65 dB(A) voor de avondperiode. Het zwembad voldoet ruimschoots aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Het zwembad wordt hiermee niet beperkt in zijn functioneren door woningbouw op de planlocatie. Toetsingskader ruimtelijke ordening