20210622Rvs28 Vaststelling bestemmingsplan met MER en beeldkwaliteitplan ‘Buurtschap Crailo’ BIJLAGE natuuronderzoeken deel 1
Tekst van het document
Concept
7/25
R001-1264822TVL-V01-agv
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (GIS-kaart)
Concept
Kenmerk
8/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Figuur 2.2, 2.3 en 2.4 geven een sfeerimpressie van het gebied. Het plangebied bestaat uit een mix van gebouwen, bosschages, grasland, schrale vegetatie en open zand. Door de omvang van en gevarieerde samenstelling van het plangebied is het onmogelijk één passende omschrijving te geven. Hieronder wordt het plangebied opgedeeld in de volgende terreindelen:
Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne ORT: Oefen Rampen Terrein, gelegen tussen Crailo-noord en Crailo-zuid
Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein
2.1.1
Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne
De gebouwen bevinden zich aan de zuidzijde van dit deelgebied. Beide gebouwen hebben een plat dak met dakleer. Gebouw 19 is momenteel bewoond. Gebouw 27 is niet bewoond. Dit gebouw is door lekkages in het dak erg vochtig van binnen. Tijdens het bezoek waren vrijwel alle houten onderdelen op de tweede en derde verdieping beschimmeld. Figuur 2.2 geeft een
Foto 1: Gebouw 27
Foto 2: Gebouw 27
Foto 3: Gebouw 27
Foto 4: Gebouw 27interieur
Figuur 2.2 Impressie van gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne
Concept
impressie van het plangebied.
9/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
2.1.2 Oefen Rampen Terrein (ORT) Hoewel het ORT terrein bestaat uit meerdere oefengebouwen die ontworpen zijn voor het trainen van rampen, branden en andere gevaarlijke situaties, heeft dit deel van het plangebied een natuurlijk karakter. De omgeving van de gebouwen is groen ingericht en wordt extensief gebruikt. Naast de oefengebouwen zijn er een loods met kantoorgebouw, twee stormbanen en twee schietbanen op het terrein aanwezig. Enkele gebouwen hebben een spouwmuur en/of een kelder. De kelders zijn niet afgesloten en gemakkelijk toegankelijk voor verschillende grondgebonden zoogdieren. Tussen de gebouwen zijn zandpaden en verharde wegen aangelegd. In de bermen van de wegen heeft zich een schrale vegetatie ontwikkeld met verschillende algemene soorten als klein tasjeskruid en schapengras. Verder bestaat de vegetatie op het terrein uit voedselrijkere graslanden met soorten als pinksterbloem en paardenbloem en bosschages met robinia, grove den, zomereik en berk als belangrijkste boomsoorten. Op verschillende plaatsen zijn sporen van dieren aangetroffen. In de stormbaan zijn verschillende nesten van kleine zangvogels aanwezig. Verder zijn er holen van vossen vastgesteld in de zijwand van de schietbaan. In dit deel van het plangebied zijn enkele droge greppels aanwezig. Open water ontbreekt.
Foto 5: ORT terrein
Foto 6: Steenstapel met schrale vegetatie op ORT
Foto 7: Gebouw bij stormbaan ORT terrein
Foto 8: Kelder onder gebouw op ORT terrein
Concept
terrein
10/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Foto 9: Schietbaan op ORT terrein
Foto 10: Schietbaan op ORT terrein
Foto 11: Hol van vos in zijwand van schietbaan op
Foto 12: Rechte wegen op het ORT terrein
ORT terrein Figuur 2.3 Impressie van het ORT terrein
2.1.3
Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein
Het voormalige AZC terrein bestaat net als het ORT terrein uit een verzameling van verschillende gebouwen. Dit deel van het plangebied heeft echter een veel minder natuurlijk karakter dan het
Tussen de gebouwen zijn bosschages met fijnspar, berk en beuk aanwezig. Op enkele plaatsen is een schrale vegetatie aanwezig minder algemene plantensoorten als kaal breukkruid. In dit deel van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig.
Concept
ORT terrein. Ook zijn, in tegenstelling tot het ORT terrein, de meeste gebouwen hier bewoond. Hierdoor is er veel menselijke activiteit in dit deel van het plangebied. De gebouwen die niet bewoond zijn, zijn toegankelijk voor grondgebonde zoogdieren, vleermuizen en broedvogels door kapotte ramen of loszittende deuren.
11/25
R001-1264822TVL-V01-agv
Foto 13: Gebouwen op AZC terrein
Foto 14: Gebouwen op AZC terrein
Foto 15: Gebouwen op AZC terrein
Foto 16: Vogelhuisje op AZC terrein
Foto 17: Bosschage op AZC terrein
Foto 18: Schrale vegetatie op AZC terrein
Figuur 2.4 Impressie van het AZC terrein
Concept
Kenmerk
12/25
Kenmerk
2.2
R001-1264822TVL-V01-agv
Beoogde ontwikkeling
Figuur 2.5 geeft een impressie van de beoogde ontwikkeling. De exacte invulling van het plan is nog niet duidelijk. Wel is bekend dat de bestaande bebouwing zal worden verwijderd en dat de groenstructuren binnen het plangebied zo goed mogelijk gehandhaafd worden. De verwachting is dat de bouw en sloopactiviteiten een doorlooptijd van meer dan een jaar hebben waardoor een deel van de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zal moeten vinden.
Figuur 2.5 De beoogde ontwikkeling
3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt het antwoord op de vraag of de beoogde activiteiten schade op beschermde flora en fauna tot gevolg (kunnen) hebben.
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
beschermd via de vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Concept
3.1
13/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 4.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
3.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Noord-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten “vrij te stellen” van de ontheffingsplicht (Provincie Noord-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. In provincie Noord-Brabant en NoordHolland zijn de volgende marterachtigen niet vrijgesteld: bunzing, hermelijn en wezel. Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming
Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels Vrl
Dieren
Planten
Dieren
Planten
Hrl/
Hrl/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern
Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
3.5.1
Storen / verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.2
3.10.1.a
3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Concept
14/25
Kenmerk
3.3
R001-1264822TVL-V01-agv
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken / ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
3.4
Literatuuronderzoek
Voorafgaand aan het veldbezoek is een literatuurstudie uitgevoerd. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de volgende soortgroepen mogelijk in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn (zie ook tabel 4.2): Amfibieën en reptielen, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en vaatplanten. Nier voor alle beschermde soorten uit de bovengenoemde soortgroepen vormt het plangebied een geschikt leefgebied. Zo ontbreken geschikte voortplantingswateren van heikikker, kamsalamander en poelkikker binnen het plangebied. De dichtstbijzijnde populaties bevinden zich op meer dan een kilometer van het plangebied en de soorten moeten door droog terrein of stedelijk gebied om het plangebied te bereiken. Dit maakt het voor heikikker, kamsalamander en poelkikker vrijwel onmogelijk het plangebied te bereiken. Het voorkomen van heikikker, kamsalamander en poelkikker binnen het plangebied wordt dan ook op voorhand uitgesloten. Dennenorchis is sterk gebonden aan naaldbossen. De plant wortelt in de zure strooisellaag onder zwarte den, fijnspar of Europese larix. Pas na 30 jaar is de strooisellaag dik genoeg voor de dennenorchis. Door de zeer lichte zaden kunnen de planten zich over grote afstanden verspreiden. Binnen het plangebied zijn enkele kleine bosjes met fijnspar aanwezig. De strooisellaag is hier echter ongeschikt door zijn geringe dikte.
Door de geringe omvang van de bosjes droogt de plant bovendien gemakkelijk uit. Binnen het plangebied zijn dus geen geschikte groeiplaatsen voor deze soort. Het voorkomen van dennenorchis binnen het plangebied wordt dan ook op voorhand uitgesloten.
Omdat het behoud van de bomen in het gebied als uitgangspunt genomen is, zijn negatieve effecten voor eekhoorn vooralsnog uitgesloten. Mocht kap van bomen in de toekomst alsnog onderdeel uit gaan maken van de werkzaamheden dan zal een nader soortgericht onderzoek moeten aantonen dat de kap geen invloed heeft op verblijfplaatsen van eekhoorns.
Concept
Door het ontbreken van water binnen het plangebied is ook waterspitsmuis op voorhand uitgesloten. Deze soort jaagt langs oevers en in het water. Dor de afwezigheid van water ontbreekt leefgebied van deze soort binnen het plangebied. Het voorkomen van waterspitsmuis binnen het plangebied wordt dan ook op voorhand uitgesloten.
15/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Door de geringe hoogte van de gebouwen in het plangebied is het uitgesloten dat slechtvalk in het projectgebied voorkomt. Ook bleek dat het plangebied ongeschikt voor de volgende soort(groep)en vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden. Beschermde soorten uit deze soort geroepen worden in het plangebied niet verwacht omdat het habitat in de omgeving en binnen het plangebied niet voldoet aan de eisen van deze soorten. Zo zijn beschermde vissoorten bijvoorbeeld uitgesloten door het ontbreken van open water en Deze soortgroepen worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 4.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Flora
Schubvaren, akkerdoornzaad, korensla, rozenkransje
Grondgebonden zoogdieren
Steenmarter, boommarter, bunzing, das, hermelijn en
Vleermuizen
Baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone
en stijve wolfsmelk wezel grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis, franjestaart en rosse vleermuis Vogels
Algemene broedvogels
Vogels jaarrond beschermd
Gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer, steenuil, havik en wespendief
Amfibieën en reptielen
Rugstreeppad, hazelworm, levendbarende hagedis, zandhagedis en ringslang
3.5
Effecten
3.5.1
Flora
Tijdens het veldbezoek heeft de ecoloog geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Wel is geschikt habitat voor schubvaren, akkerdoornzaad, korensla, rozenkransje en stijve wolfsmelk aangetroffen. De geschikte groeiplaatsen bestaan uit muren van gebouwen, schrale vegetaties en ruderale terreinen.
Bovendien wordt de plant door haar geringe omvang snel over het hoofd gezien. Het voorkomen van schubvaren binnen het plangebied is dan ook niet op voorhand uitgesloten. Akkerdoornzaad, stijve wolfsmelk en korensla zijn planten van pionierssituaties op zandige ondergrond. Dergelijke groeiplaatsen zijn binnen het plangebied in ruime mate aanwezig. In het verleden zijn de beide soorten in de omgeving van het plangebied aangetroffen. Het voorkomen van akkerdoornzaad, stijve wolfsmelk en korensla binnen het plangebied is dan ook niet op voorhand uitgesloten.
Concept
De schubvaren groeit op droge zonnige muren met kalkrijke mortel. In het dorp Bussum is de plant in 2013 één maal waargenomen. Uit de wijde omgeving zijn verder geen waarnemingen bekend, maar de plant kan zich door zijn sporen makkelijk over grote afstand verspreiden.
16/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Rozenkransje is in Nederland zeer sterk achteruit gegaan. de enige levensvatbare populaties bevinden zich in natuurterreinen bij Bergen en op Terschelling. De rest van de populatie bestaat uit of alleen mannelijke of alleen vrouwelijke planten. De plant was tot ongeveer 2011 aanwezig op de Tafelbergheide, maar is daar sindsdien niet meer waargenomen. Deze populatie bestond waarschijnlijk uit planten van slechts één geslacht waardoor voortplanting onmogelijk was. Uitzaaiing van de populatie op de Tafelbergheid naar het plangebied is dan ook uitgesloten. Door het ontbreken van een bronpopulatie in de omgeving is het voorkomen van rozenkransje binnen het plangebied uitgesloten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of direct nabij geschikte groeiplaatsen van schubvaren, akkerdoornzaad, korensla en stijve wolfsmelk. Het vernietigen van beschermde groeiplaatsen van planten is dan ook niet op voorhand uitgesloten. De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. 3.5.2 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn in de gebouwen 19 en 27 geen sporen aangetroffen van steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. Er zijn aan de buitenzijde geen openingen vastgesteld die een bruikbare toegang voor steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel tot het gebouw vormen. Binnen in gebouw 27 zijn geen uitwerpselen van de soorten aangetroffen.
De bewoonde delen van gebouw 19 volledig ongeschikt als verblijfplaats. De onbewoonde delen zijn ontoegankelijk door het ontbreken van geschikte openingen. Door de ongeschiktheid van de gebouwen en het ontbreken van sporen in de omgeving is het uitgesloten dat gebouw 19 en 27 in gebruik zijn als verblijfplaats voor steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. Bij het oriënterende veldbezoek aan het ORT terrein en het AZC terrein zijn geschikte
Verblijfplaatsen van das bevinden zich niet in gebouwen, maar in ondergrondse gangen. De steile wanden van de schietbaan bieden de das een geschikte locatie voor het graven van zijn gangen. Maar ook op andere plaatsen kunnen dassen een gangenstelsel aanleggen. Een nader soortgericht onderzoek moet aantonen of das in het plangebied voorkomt.
Concept
verblijfplaatsen aangetroffen voor steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. De verblijfplaatsen bestaan uit (verlate) gebouwen, boomholtes, steenstapels, takhopen en de kelders van oefen gebouwen. Door de medewerkers van veiligheidsregio Gooi en Vechtstreken zijn op het ORT terrein waarnemingen van bunzing gedaan. Welke gevolgen de ontwikkelingen hebben op de verblijfplaatsen van beschermde soorten is sterk afhankelijk van de inrichting. Omdat sloop van gehouwen in ieder geval onderdeel uit gaat maken van de werkzaamheden zijn negatieve gevolgen voor beschermde verblijfplaatsen van steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel niet op voorhand uitgesloten. Een nader soortgericht onderzoek moet aantonen verblijfplaatsen van steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel in het plangebied aanwezig zijn.
17/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Naast verblijfplaatsen bevat het terrein ook voldoende geschikt foerageergebied voor bovengenoemde soorten. Ook de invloed van de ontwikkelingen op het foerageergebied van beschermde soorten is sterk afhankelijk van de inrichting. Nader soortgericht onderzoek moet aantonen of het plangebied onderdeel uitmaakt van essentieel foerageergebied voor steenmarter, boommarter, bunzing, das, hermelijn en wezel. Omdat zeker is dat de soorten in de omgeving voorkomen en binnen het plangebied geschikt habitat voor de soorten aanwezig is zijn negatieve effecten op grondgebonden zoogdieren als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet op voorhand uit te sluiten. De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. Er dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar steenmarter, boommarter, bunzing, das, hermelijn en wezel. 3.5.3
Vleermuizen
Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Hoewel kap van bomen geen onderdeel uitmaakt van de werkzaamheden, kan het ontwikkelen van het terrein wel degelijk invloed hebben op verblijfplaatsen in bomen. Door verandering van de belichting van het terrein kan een holte in een boom ongeschikt worden voor vleermuizen. Bij het oriënterende veldbezoek zijn dikke bomen (beuken en zomereiken) met dode taken of losse schors aangetroffen. Hierin zijn spleetvormige ruimtes aanwezig die potentieel geschikt zijn als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het gaat hier om boombewonende soorten als baardvleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestraat en ruige dwergvleermuis. Door de medewerkers van de veiligheidsregio Gooi en Vechtstreken is in het verleden een gewone grootoorvleermuis in een van de oefen gebouwen van het ORT waargenomen.
Ook de gebouwen op het AZC terrein zijn door hun bouwwijze geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gebouwbewonende soorten meervleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis kan daarom niet worden uitgesloten.
worden uitgesloten. Het gebied kent veel lijnvormige elementen als lanen, bomenrijen en langwerpige bebouwing die mogelijk een geleidende functie voor vleermuizen kunnen vervullen. Het foerageergebied bestaat uit bosschages, open ruimtes tussen de gebouwen en grote open ruimtes als parkeerplaatsen. Verandering in de belichting of de sloop of nieuwbouw van gebouwen kunnen invloed hebben op deze essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen.
Concept
Ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen kunnen niet op voorhand
18/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Alleen voor meervleermuis en watervleermuis ontbreekt geschikt foerageergebied binnen het plangebied. Verblijfplaatsen van deze soorten worden echter niet uitgesloten omdat op het terrein verschillende ondergrondse ruimtes aanwezig zijn die mogelijk geschikt zijn als winterverblijfplaats. Het aantasten van vaste rust en verblijfplaatsen en daaraan gekoppelde foerageergebieden en vliegroutes (artikel 3.5 lid 4) van vleermuizen is niet op voorhand uitgesloten. Het is ook niet mogelijk om de werkzaamheden op een andere manier uit te voeren, om negatieve effecten te voorkomen. De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. Nader soortgericht onderzoek naar vleermuizen moet aantonen of zich binnen het plangebied verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes of foerageergebieden bevinden. 3.5.4
Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van jaarrond beschermde broedvogels vastgesteld. Wel zijn waarnemingen van buizerd boven het projectgebied gedaan. Van de medewerkers van veiligheidsregio Gooi en Vechtstreken dat zich een mogelijke nestlocatie van buizerd in het oosten van het ORT terrein bevindt. Ook zijn door een van de medewerkers waarnemingen gedaan ransuil in een van de oefen huisjes. Door de aanwezigheid van mensen binnen het terrein is er onvoldoende rust voor wespendief om tot broeden te komen. De dieren zijn zeer schuw en broeden doorgaans alleen in afgelegen bosschages. De aanwezigheid van nesten binnen het plangebied is dan ook op voorhand uitgesloten. Ook het voorkomen van roek binnen het terrein is uitgesloten. De soort broed in kolonies van meerdere nesten bij elkaar. Dergelijke nestbomen zijn van afstand goed te herkennen. Tijdens het veldwerk zijn geen nestbomen van roek vastgesteld. Ook zijn geen individuen van deze soort binnen het plangebied vastgesteld. Omdat beschermde verblijfplaatsen van roek en wespendief niet in het plangebied voorkomen kunnen negatieve effecten voor deze soorten op voorhand worden uitgesloten.
Bij het oriënterende veldbezoek zijn potentieel geschikte nestlocaties van gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer, steenuil en havik aangetroffen. De potentieel
Concept
geschikte nestlocaties voor gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil bevinden zich in de gebouwen en oefen huisjes op het ORT terrein en AZC terrein. Bij sloop of renovatie van de bestaande gebouwen worden deze verblijfplaatsen mogelijk vernietigd.
19/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Geschikte verblijfplaatsen voor Boomvalk, Buizerd, Ransuil, Sperwer en Havik bevinden zich in de bosschages en solitaire bomen binnen het plangebied. Hoewel kap van bomen is uitgesloten, vinden de beoogde ontwikkeling altijd plaats in de directe nabijheid van potentiële nestlocaties van boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en havik. De verwachting is dat de ontwikkelingen een langere doorlooptijd hebben waardoor een deel van de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zal moeten vinden. Hierdoor is verstoring van nestplaatsen van boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en havik niet op voorhand uitgesloten. Tijdens de beoogde ontwikkeling is het verstoren van broedende vogels en het vernietigen van vaste nestlocaties niet op voorhand uitgesloten. Het is niet mogelijk om de werkzaamheden op een andere manier uit te voeren. Nader soortgericht onderzoek naar gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer, steenuil en havik moet aantonen of er verblijfplaatsen van deze soorten in het plangebied aanwezig zijn. De beoogde ontwikkeling is mogelijk ontheffingsplichtig. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels. De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het oriënterende veldbezoek zijn (oude) nesten van algemene broedvogels als merel, koolmees, houtduif en grote bonte specht aangetroffen.
De nesten bevonden zich in bomen en (verlaten) gebouwen in het plangebied. Bij sloop en nieuwbouwwerkzaamheden in het broedseizoen kunnen broedende vogels verstoord worden. Omdat de werkzaamheden naar verwachting een doorlooptijd van meer dan een jaar hebben, zal een deel van de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden. Het broedseizoen beslaat grofweg de periode maart t/m juli, maar ook buiten deze periode kunnen vogels tot broeden komen. Broedende vogels zijn altijd beschermd. Door voor werkzaamheden aan gebrouwen een (periodieke) controle op nesten van broedvogels uit te voeren, kan overtreding van de wet voorkomen worden. Tijdens de controle dient ook de omgeving van het gebouw geïnspecteerd te worden. Werkzaamheden in of om het gebouw kunnen immers een uitstralende werking naar de omgeving hebben. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige ecoloog te worden bepaald.
van deze groepen. Op het ORT terrein zijn verschillende droogstaande geulen aanwezig. Ook kunnen bij de werkzaamheden op het AZC terrein en ORT terrein sporen ontstaan die vollopen met regenwater. Dergelijk ondiepe wateren zijn geschikt als voortplantingswater voor rugstreeppad. Hoewel binnen het projectgebied geen waarnemingen van rugstreeppad bekend zijn, is bekend dat de dieren nieuw leefgebied snel kunnen koloniseren. De soort is echter niet in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. De dichtstbijzijnde populatie bevindt zich op twee kilometer ten westen van het plangebied. Van rugstreeppad is bekend dat een dergelijke afstand tussen winterverblijf en paargebied door zowel juveniele als
Concept
3.5.5 Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek heeft de ecoloog geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten
20/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
adulte overbrugd kan worden. Om bij het plangebied te komen moet echter wel een droog heideveld overgestoken worden dat weinig dekking biedt en ongeschikt is als verblijfplaats. In de directe omgeving van de bronpopulatie zijn geschikte overwinteringsgebieden aanwezig. De kans dat de dieren het plangebied koloniseren is dan ook zeer klein. Omdat de dichtstbijzijnde populatie van rugstreeppad zich dus op aanzienlijke afstand van het plangebied bevindt en er een barrière aanwezig is tussen de bronpopulatie en het plangebied, is het voorkomen van de soort binnen het plangebied op voorhand uitgesloten. De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke gebieden. De soort jaagt langs sloten en waterkanten in (ontgonnen) laagveengebieden. Door het ontbreken van water in het plangebied is foerageergebied van ringslang uitgesloten. In de winterrustperiode (half oktober tot en met half maart) zijn ringslangen sterk gebonden aan broeihopen, bladhopen, takhopen en strooiselpakketten. Dergelijke verblijfplaatsen zijn in het gebied in ruime mate aanwezig. De omgeving van het plangebied biedt echter soortgelijk mogelijkheden. Ringslangen zijn zeer mobiel, waardoor ze het plangebied gemakkelijk zouden kunnen bereiken. Maar door de beschikbaarder van geschikte overwinteringsplaatsen dichter bij de jachtgebieden, is het niet waarschijnlijk dat de dieren binnen het plangebied overwinteren.
Het voorkomen van ringslang binnen het plangebied wordt dan ook op voorhand uitgesloten. Zandhagedis is alleen ten noordoosten van het plangebied waargenomen. De dichtstbijzijnde bronpopulatie bevindt zich op drie kilometer afstand. Tussen de bronpopulatie en het projectgebied liggen enkele bossen en wegen die een barrière vormen voor de kolonisatie. Door deze ruime afstand en de aanwezigheid van verschillende barrières is kolonisatie van het plangebied uitgesloten. Omdat zandhagedis niet in de omgeving van het plangebied voorkomt, zijn negatieve effecten voor de soort als gevolg van de beoogde ontwikkelingen op voorhand uitgesloten. Hazelworm en levendbarende hagedis zijn in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het plangebied vormt een geschikt leefgebied voor beide soorten. Ook is het projectgebied geschikt als overwinteringsgebied voor hazelworm en levendbarende hagedis. Omdat de soorten mogelijk in het plangebied voorkomen zijn negatieve effecten voor hazelworm en levendbarende hagedis niet op voorhand uitgesloten. Nader soortgericht onderzoek moet de aanwezigheid van
Door het ontbreken van waarnemingen in de omgeving en de aanwezigheid van barrières is het voorkomen van rugstreeppad, ringslang en zandhagedis op voorhand uitgesloten. Hazelworm en levendbarende hagedis komen mogelijk wel in het plangebied voor. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. Nader soortgericht onderzoek moet de aanwezigheid van hazelworm en levendbarende hagedis uitsluiten. De beoogde ontwikkeling is mogelijk ontheffingsplichtig. 3.5.6 Zorgplicht Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing. Een controle op dieren voor de start van het bouwrijp maken van een terrein
Concept
beide soorten uitsluiten.
21/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
4 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Gemeente Gooise Meren heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de ontwikkeling op het ORT en Crailo-zuid (AZC-terrein) en de sloop van gebouw 19 en 27. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? Gebiedsbescherming is niet aan de orde omdat het plangebied op zich op aanzienlijke afstand van de beschermde gebieden bevindt. Vooralsnog is niet bekend welke bestemming het ORTterrein en Crailo-zuid krijgen. Zodoende kan geen inschatting worden gemaakt of rekening gehouden moet worden met de effecten van stikstof op beschermde natuurgebieden. Een dergelijke stikstofberekening is in het verleden voor Crailo-noord nodig gebleken en uitgevoerd. Zodoende dient rekening gehouden worden met het uitvoeren van stikstofberekeningen voor het ORT-terrein en AZC terrein zodra de plannen voor de nieuwe bestemmingen vorm krijgen. Bescherming van houtopstanden is niet aan de orde omdat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de groenstructuren gehandhaafd blijven. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat kap van bomen geen onderdeel uitmaakt van de werkzaamheden (zie 1.6).
Mocht dit in de toekomst wel onderdeel van de werkzaamheden uit gaan maken dan moet rekening gehouden worden met de APV van de gemeentes Laren en Hilversum en het velbeleid van de gemeente Hilversum. Soortbescherming is wel aan de orde omdat het plangebied mogelijk verblijfplaatsen, groeiplaatsen en essentieel leefgebied van beschermde soorten bevat. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Het plangebied bevat mogelijk beschermde verblijfplaatsen, groeiplaatsen of essentieel leefgebied van schubvaren, akkerdoornzaad, korensla, stijve wolfsmelk, steenmarter, boommarter, bunzing, das, hermelijn en wezel, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis, franjestaart en rosse vleermuis, gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer, steenuil, havik hazelworm en levendbarende hagedis. Aantasting van deze beschermde groeiplaatsen, verblijfplaatsen leefgebieden als gevolg van de beoogde ontwikkelingen is niet op voorhand uitgesloten.
Nader soortgericht onderzoek naar bovengenoemde soorten moet vaststellen of de soorten in het plangebied voorkomen. Als de soorten in het plangebied aanwezig zijn moet een ecologisch werkprotocol opgesteld worden om verstoring van beschermde verblijfplaatsen of vernietiging van groeiplaatsen en verblijfplaatsen uit te sluiten.
Concept
Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig?
22/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Mogelijk kan door een ecologische inpassing van de nieuwe ontwikkeling, of een aanpassing van de periodisering een negatief effect voor een soortgroep voorkomen worden. Hiervoor moeten de plannen voor de nieuwe bestemmingen getoetst worden als deze meer vorm hebben gekregen. Als het niet mogelijk is verstoring van beschermde verblijfplaatsen of vernietiging van groeiplaatsen en verblijfplaatsen uit te sluiten moet een ontheffing aangevraagd worden. Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Het nader soortgericht onderzoek moet worden uitgevoerd in de periode mei 2018 tot april 2019. Tabel 5.2 geeft een overzicht van de periodisering van de onderzoeken. Afhankelijk van de uitkomst van de onderzoeken zal een ecologische werkprotocol moeten worden opgesteld en/of een ontheffing moeten worden aangevraagd. In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming.
Aanwezige soort(groep)en
Effect
Vervolgstappen
Flora
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek, nadere effectenanalyse,
3.5 of 3.10
ecologisch werkprotocol, ontheffing
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek, nadere effectenanalyse,
3.5 of 3.10
ecologisch werkprotocol, ontheffing
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek, nadere effectenanalyse,
3.5
ecologisch werkprotocol, ontheffing
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek, nadere effectenanalyse,
3.1
ecologisch werkprotocol, ontheffing
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek, nadere effectenanalyse,
3.1 of 3.5
ecologisch werkprotocol, ontheffing
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek, nadere effectenanalyse,
3.5 of 3.10
ecologisch werkprotocol, ontheffing
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Vogels
Vogels jaarrond beschermd
Amfibieën en reptielen
Concept
Tabel 5.1 Conclusies toetsing soortenbescherming
23/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Tabel 5.2 Periodisering soortgericht nader onderzoek per soort 2018
2019
Soorten
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
jan
feb
mar
apr
Schubvaren
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Akkerdoornzaad Korensla Stijve wolfsmelk
x
x
x
Boommarter / Steenmarter
x
x
x
x
x
x
Wezel / Hermelijn / Bunzing
x
Das
x
x
x
x
x
Vleermuizen
x
x
x
x
x
Gierzwaluw
x
x
x
Huismus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Steenuil Kerkuil, Ransuil, Boomvalk, Buizerd, Sperwer en Havik Hazelworm Levendbarende hagedis
x
x
x
5 Literatuur Provincie Noord-Holland, 2016. Verordening Wet natuurbescherming. PRB, publicatienr. 6151. Tauw, 2016 a. Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te Crailo Rapportage met kenmerk: N001-1231944XDD-kmi-V01-NL Opgeleverd op: 28 januari 2016 Tauw, 2016 b. Soortgericht onderzoek flora en fauna voor Kolonel Palmkazerne te Crailo Rapportage met kenmerk: R001-1231944OUM-agv-V01-NL Opgeleverd op: 29 januari 2016
Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Concept
Tauw, 2016 c. Projectplan ontheffingsaanvraag Crailo-Noord. Rapportage met kenmerk: R0011239931XDD-ibs-V02-NL Opgeleverd op: 21 december 2016
24/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2017. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl
Concept
www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl
25/25
Inventarisatie kleine marters en Huismus op de voormalige Kolonel Palmkazerne Opdrachtgever: GEM Crailo
Groot Eco Advies 2019-066
Concept
11-07-2019
Definitief
16-07-2019
2
Inhoudsopgave 1 2 2.1 2.2 3 3.1 3.2 4 5
Inleiding Methode en veldbezoeken kleine marters Huismus Resultaten kleine marters Huismus Conclusies Literatuur
4 5 5 6 7 7 16 17 18
3
1 Inleiding GEM Crailo ontwikkelt de voormalige Kolonel Palmkazerne in de gemeente Gooise Meren. Een aantal gebouwen op het terrein worden gesloopt. In de periode 20162018 heeft Tauw B.V.een respectievelijk een quickscan, soortgericht onderzoek naar vleermuizen en Steenmarter en een natuurtoets uitgevoerd voor de voormalige Kolonel Palmkazerne uitgevoerd, waarin de potenties voor beschermde soorten zijn weergegeven. In verband met de mogelijke aanwezigheid van de in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde kleine marters is door GEM Crailo in 2019 aan Groot Eco Advies opdracht verleend tot inventarisatie van kleine marters en Huismus.
Luchtfoto met daarop de ligging van de gebouwen in het plangebied
4
2 Methode en veldbezoeken 2.1 Kleine marters Met behulp van de mostela fotovallen, struikrovers en cameravallen is onderzoek gedaan naar marterachtigen. De mostela is een kist met daarin de mogelijkheid om een cameraval te bevestigen. De natuurlijke interesse van muizen en kleine marterachtigen voor tunnelvormige ruimtes lokt deze dieren de kist in. Om het effect te versterken is in de mostela een geopend blikje sardientjes in olie aangebracht als lokstof. Maar ook de geur van muizen die inlopen trekt de marterachtigen aan. De marterachtige kruipt door een opengewerkte buis door de kist heen. Wanneer de Wezel of Hermelijn de cameraval passeert wordt er een foto van het dier gemaakt. De struikrover werkt op soortgelijke wijze. De cameraval wordt op een strategisch plek opgehangen waar mogelijk kleine marters passeren. Er zijn op 2 mei 2019 op twee mostela’s en twee struikrovers geplaatst. Deze zijn geplaatst rond de gebouwen die worden gesloopt. Daarnaast zijn 4 cameravallen rond de gebouwen opgehangen. Op 31 mei 2019 zijn de mostela’s, struikrovers en cameravallen weer uit het veld gehaald. Dit is conform de handreiking Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland uit 2017.
Locaties van de mostela’s, struikrovers en cameravallen
5
De vallen zijn tijdens het onderzoek wekelijks gecontroleerd, uitgelezen en van nieuwe batterijen voorzien. Dit heeft plaatsgevonden op 9 mei, 15 mei en 23 mei 2019. Foto’s zijn daarna bekeken op de aanwezigheid van soorten. Waar mogelijk zijn deze op soortniveau gedetermineerd.
2.2 Huismus Voor de inventarisatie is gewerkt volgens de soortinventarisatie-protocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Het doel van het onderzoek was het inzicht verkrijgen in de aan- of afwezigheid van de Huismus, eventuele aantallen en verspreiding. Het is uitgevoerd volgens de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Veldbezoeken In totaal worden in de periode 2 mei- 31 mei vijf ochtendbezoeken uitgevoerd, in combinatie met het veldwerk voor kleine marters. De weersomstandigheden waren tijdens de bezoeken goed tot uitstekend. Tijdens het onderzoek is gelet op zingende vogels en activiteit in aangrenzend groen.
6
3 Kleine marters Gebouw 7
Op deze locatie werd een cameraval aan een boom bevestigd. Ter plaatse is aangrenzend groen aanwezig. Er werd geen beschermde fauna aangetroffen. Wel waren vier huiskatten veelvuldig aanwezig. Geen kleine marters. 7
Gebouw 10/11
8
Op deze locatie werd een cameraval aan een regenpijp bevestigd. Ook hier is aangrenzend groen aanwezig. Aangetroffen werden muizen (niet determineerbaar), Egel en Ree (alleen contour net zichtbaar). Geen kleine marters.
9
Gebouw 22
Op deze locatie werd een cameraval aan een regenpijp bevestigd. Op deze locatie is geen dekking in de vorm van beplanting aanwezig. Er werd geen beschermde fauna aangetroffen. Wel was een huiskat eenmaal aanwezig. Geen kleine marters.
10
Gebouw 29
Bij dit gebouw is een mostela geplaatst. De mostela werd afgedekt met bladeren. Dekking was tegen het gebouw niet aanwezig. Wel was in de directe omgeving bos aanwezig. De mostela werd niet bezocht. Geen kleine marters. Gebouw 28 Rond dit grote gebouw waren de meeste potenties aanwezig in de vorm van opgaand groen en takkenhopen. Hier zijn een mostela, twee struikrovers en een cameraval geplaatst.
11
12
De twee struikrovers werden in twee takkenhopen geplaatst en met takken afgedekt. De mostela werd aan de voorzijde van het gebouw geplaatst in de omgeving van aangeplante struiken en afgedekt met takken. Aan de achterzijde van het gebouw werd in het aangrenzende bos een cameraval opgehangen met zicht op het gebouw. De twee struikrovers leverde veel beelden op van Bosmuis (duizenden) en Rosse woelmuis (ongeveer 100). De mostela werd niet bezocht. Voor de cameraval passeerde een Huiskat, vogels en een Ree. Geen kleine marters.
13
14
15
3.1 Huismus In combinatie met de plaatsen en controleren van de cameravallen zijn de gebouwen op 2, 9, 15, 23 en 31 mei 2019 onderzocht op de aanwezigheid van Huismussen. Bij geen van de gebouwen werd de Huismus vastgesteld. De weersomstandigheden waren steeds goed. De gebouwen zijn veelal ook ongeschikt voor Huismussen.
16
4 Conclusies • • •
Er zijn geen kleine marters en Huismussen aangetroffen Wel aangetroffen zijn huiskatten, Egel, Ree, Bosmuis, Rosse woelmuis en vogels. De te slopen gebouwen zijn niet in gebruik door Huismus en kleine marters.
17
Literatuur NETWERK GROENE BUREAUS, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). www.netwerkgroenebureaus.nl PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2017. Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord0Holland, 2017. Haarlem. TAUW B.V. Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te Crailo, 2016. Utrecht. TAUW B.V. Natuutoets ontwikkeling Kolonel Palmkazerne, ORT en Crailo-zuid, 2018 Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl
18
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Crailo-Noord 15 april 2019
Kenmerk
R001-1267071MFO-V02-nda-NL
Verantwoording Titel
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Crailo-Noord
Opdrachtgever
GEM Crailo
Projectleider
Maurice Tijm MSc.
Auteur(s)
Martin van Oosterhout
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Projectnummer
1267071
Aantal pagina’s
29 (exclusief bijlagen)
Datum
15 april 2019
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 824 E info.utrecht@tauw.com
2/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
2
3
Aanleiding .......................................................................................................................... 5
Beschrijving initiatief .................................................................................................................. 7 2.1
Locatie................................................................................................................................ 7
2.2
Werkzaamheden en werkwijze .......................................................................................... 8
2.3
Planning ........................................................................................................................... 10
Aanwezigheid beschermde soorten en onderzoek.................................................................. 11 3.1
Natuurtoets ....................................................................................................................... 11
3.1.1
4
5
Kleine marterachtigen ............................................................................................... 11
3.2
Soortgericht onderzoek .................................................................................................... 11
3.3
Ecologische functies plangebied ...................................................................................... 13
3.4
Omvang populatie ............................................................................................................ 14
3.5
Netwerk van verblijfplaatsen ............................................................................................ 15
3.6
Foerageergebieden, migratie- en vliegroutes .................................................................. 15
3.7
Alternatieven in de omgeving ........................................................................................... 15
Verbodsbepalingen.................................................................................................................. 17 4.1
Soorten en verbodsartikelen waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd ....................... 17
4.2
Periode waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd ....................................................... 17
Maatregelen............................................................................................................................. 18 5.1
Alternatieve kraamverblijven ............................................................................................ 18
5.1.1
Aantallen en typen tijdelijke verblijfplaatsen ............................................................. 18
5.1.2
Locaties tijdelijke verblijfplaatsen .............................................................................. 19
5.1.3
Permanente verblijfplaatsen...................................................................................... 19
5.1.4
Periodisering van de werkzaamheden ...................................................................... 20
5.2
Tijdelijke alternatieve zomer- en paarverblijven ............................................................... 21
5.2.1
Aantallen en typen tijdelijke verblijfplaatsen ............................................................. 21
5.2.2
Locatie tijdelijke verblijfplaatsen ................................................................................ 21
5.2.3
Permanente verblijfplaatsen...................................................................................... 22
5.2.4
Periodisering van de werkzaamheden ...................................................................... 22
5.3
Afhankelijkheid van derden .............................................................................................. 22
3/29
Kenmerk
5.4 6
Monitoring ........................................................................................................................ 23
Staat van instandhouding ........................................................................................................ 24 6.1
7
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
Staat van instandhouding................................................................................................. 24
Effectenanalyse ....................................................................................................................... 25 7.1
Kwaliteit en kwantiteit ....................................................................................................... 25
Begeleiding ................................................................................................................................. 25 8
Wettelijk belang ....................................................................................................................... 26
9
Alternatievenafweging ............................................................................................................. 28 9.1.1
Locatie....................................................................................................................... 28
9.1.2
Inrichting.................................................................................................................... 28
9.1.3
Werkwijze .................................................................................................................. 28
9.1.4
Planning .................................................................................................................... 28
10 Literatuur ................................................................................................................................. 29
Bijlage 1
Quickscan Crailo Noord
Bijlage 2
Soortgericht nader onderzoek Crailo Noord
Bijlage 3
Ambitiedocument buurtschap Crailo
4/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
De provincie Noord-Holland is als eigenaar van het voormalige defensieterrein Crailo voornemens het terrein te ontwikkelen naar wonen, werken en natuur. Als basis hiervoor hebben de provincie Noord-Holland, de gemeente Bussum, Hilversum en Laren en het Goois Natuurreservaat (GNR) in 2013 het ‘Ambitiedocument Crailo’ vastgesteld (bijlage 3). Dit ambitiedocument geeft op hoofdlijnen de eisen en wensen van deze partijen weer. Vervolgens is een Ruimtelijk Kader vastgesteld waarin de ruimtelijke en functionele randvoorwaarden zijn verwoord. Het Ruimtelijk Kader vormt de basis voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan. De ontwikkelzone Crailo is opgesplitst in drie delen (figuur 1.1): Noord (Kolonel Palmkazerne), Midden (oefenrampenterrein) en Zuid (asielzoekerscentrum-terrein). Dit activiteitenplan en de aangevraagde ontheffing slaan alleen op het terrein Crailo Noord. Om de nieuwe functie van het terrein te verwezenlijken, worden enkele gebouwen gesloopt en zullen andere (volledig) gerenoveerd worden. Op basis van het soortgericht onderzoek is vastgesteld dat de panden in het plangebied verschillende verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis bevatten. Dit activiteitenplan bevat de mitigerende maatregelen waardoor effecten op vleermuizen als gevolg van de ontwikkeling minimaal zijn.
5/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
Figuur 1.1. Overzicht van ontwikkelzone Crailo. Het onderliggend activiteitenplan slaat alleen op Crailo Noord
6/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
2 Beschrijving initiatief 2.1
Locatie
Het plangebied bevindt zich in de gemeente Bussum in de Provincie Noord-Holland. Crailo Noord is circa tien hectare groot en ligt ten zuidoosten van Bussum. Aan de zuidwestzijde wordt het plangebied begrensd door de Bussumer- en Westerheide. In figuur 2.2 en figuur 2.3 wordt een overzicht gegeven van de gebouwen binnen het plangebied. De meeste gebouwen grenzen aan meerdere zijden aan loof- of naaldhoutbos. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn nog enkele stukken heide terug te vinden. Rondom de voormalige sportvelden zijn ook restanten van heide te vinden en delen met schraalgrasland in ontwikkeling.
Figuur 2.1. Ligging van ontwikkelgebied Crailo in de omgeving. Links: Crailo ten opzichte van Natura 2000gebieden. Rechts: Crailo ten opzichte van NNN-gebieden
Bij de hoofdingang van Crailo Noord staat een klein gebouw (gebouwnummer 17). Deze is oorspronkelijk gerealiseerd voor de bewaking. Een zestal gebouwen (legeringsgebouwen, nummers 1-6) van gelijke grootte staan geclusterd in het noordelijke deel van het terrein. Ten westen daarvan staat de voormalige keuken en het kantine gebouw (gebouwnummer 13). Rondom deze groep gebouwen zijn enkele kleinere gebouwen aanwezig. Dit betreffen vooral woningen en enkele gebouwen voor technische doeleinden zoals een hoogspanningsgebouw (gebouwnummers 7, 10, 11, 12, 14, 15 en 16).
7/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
Alle gebouwen bestaan uit gemetselde stenen en hebben dakpannen als dakafwerking. Enkel de technische gebouwen en het bewakingsgebouw hebben een plat dak. In het zuiden van het plangebied staan een sporthal van de brandweer (gebouwnummer 29). Dit gebouw heefteen plat dak. Halverwege het terrein staat een groot gebouw met plat dak dat vroeger in gebruik was als manschappenverblijf (gebouwnummers 28). Beide gebouwen bevatten minimaal vier etages en een kelder en zijn door boomgroepen omsloten. Tussen het noordelijke en zuidelijke deel van het plangebied ligt een groot parkeerterrein waar twee lange opslagloodsen (gebouwnummers 23 en 24) en haaks daarop aan de westkant een langwerpige woning (gebouwnummer 22) liggen. Dit betreffen gemetselde gebouwen met een dakpannen dak. De meeste gebouwen zijn op het moment als anti-kraak bewoond. Gebouw 26 is door de provincie Noord-Holland gesloopt in 2018. Onder het beheer van GEM Crailo zijn de gebouwen 19 en 27 gesloopt.
Figuur 2.2 Het plangebied Crailo Noord met de te slopen of te renoveren panden
2.2
Werkzaamheden en werkwijze
GEM Crailo is voornemens het terrein te ontwikkelen voor wonen, werken en natuur. Als basis hiervoor geld het Ruimtelijk kader Crailo. Op het moment van schrijven is een specifiekere beoogde ontwikkeling dan het ruimtelijk kader nog niet aanwezig. De gebouwen op het terrein van de Palmkazerne hebben geen monumentale status, maar worden wel gezien als cultuurhistorisch en architectonisch van waarde.
8/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
De exacte uitwerking van de nieuwe inrichting is ten tijde van het schrijven van dit plan nog niet helemaal uitgewerkt. Pand 26, 27 en 19 zijn al gesloopt. De gebouwen 29 en 28 worden staan op de planning om spoedig gesloopt te worden. De panden 1 tot en met 6 worden behouden, maar wel volledig gerenoveerd. Van gebouwen 12 en 13 is nog niet duidelijk of deze behouden of gesloopt worden. Wanneer de gebouwen behouden blijven, worden deze wel volledig gerenoveerd. Na de sloop en renovatie van de gebouwen op het terrein wordt er een nieuwe wijk gerealiseerd. Deze wijk wordt getypeerd door duurzame woningen en ‘wonen in het groen’. In totaal is 50 % van het gehele oppervlak van het ontwikkelgebied Crailo gereserveerd voor natuur. In het gebied is 13 hectare beschikbaar voor 500 woningen en 5 hectare voor bedrijven.
Figuur 2.3 Impressie van de gebouwen van Crailo Noord
9/29
Kenmerk
2.3
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
Planning
Een gedetailleerde uitwerking van de planning is nog niet opgesteld. Wel staat vast dat de werkzaamheden in de gebouwen met verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis pas beginnen nadat een ontheffing voor de Wet natuurbescherming is ontvangen naar aanleiding van deze aanvraag. Ook wordt met de sloop rekening gehouden met de aanwezigheid van vleermuizen in de panden en wordt er pas gesloopt nadat voldoende gewenning heeft kunnen plaats vinden aan alternatieve verblijfplaatsen. Er loopt nog een onderzoek naar kleine marterachtigen (zie paragraaf 3.1.1). De werkzaamheden beginnen pas nadat vastgesteld is dat negatieve effecten op wezel, bunzing en hermelijn zijn uitgesloten, of een ontheffing voor deze soorten ontvangen is. De panden 19, 26 en 27 zijn reeds al gesloopt. De panden 28 en 29 worden zo spoedig mogelijk gesloopt (figuur 2.4). Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden wordt inpandig het aanwezige asbest gesaneerd. Voor een nadere uitwerking van de planning van de werkzaamheden wordt verwezen naar hoofdstuk 5.
Figuur 2.4. Planning van de sloop- en renovatiewerkzaamheden van de gebouwen in Crailo Noord
10/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
3 Aanwezigheid beschermde soorten en onderzoek 3.1
Natuurtoets
Voor het voornemen is in 2016 de ‘Quickscan Flora- en faunawet herontwikkeling Kolonel Palmkazerne te Crailo’ opgesteld (Tauw, 2016a, bijlage 1). Deze toetsing evalueert de effecten van de sloop van de gebouwen aan de toen van kracht zijnde Flora- en faunawet. Geconcludeerd is dat negatieve effecten op steenmarter, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis en franjestaart niet uitgesloten kunnen worden. Sinds de quickscan in 2016 hebben er geen wezenlijke veranderingen plaats gevonden in het plangebied. De conclusies van de toenmalige quickscan zijn daarom nog steeds ecologisch houdbaar. 3.1.1
Kleine marterachtigen
Wezel, hermelijn en bunzing werden onder de Flora- en faunawet niet beschermd. Onder de huidige Wet natuurbescherming zijn deze soorten wel beschermd. De aanwezigheid van deze soorten is op basis van een nieuwe quickscan (Tauw, 2018) uitgesloten in de gebouwen 19 en 27. Hierna zijn deze panden gesloopt. Voor andere gebouwen van de Kolonel Palmkazerne wordt in 2019 een nader onderzoek verricht naar de aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing. Mocht uit het nader onderzoek blijken dat negatieve effecten op (één van) deze soorten als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet uitgesloten zijn, zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de betreffende soorten aangevraagd.
3.2
Soortgericht onderzoek
In 2015 is soortgericht onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen en steenmarter (Tauw, 2016b, bijlage 2). Steenmarter Voor het soortgericht onderzoek naar steenmarter zijn alle zolders en andere geschikte ruimtes geïnspecteerd op sporen of eventuele aanwezigheid van dieren. Tevens zijn interviews afgenomen met de bewoners van de gebouwen. Tijdens het nader onderzoek is alleen maar één oude, verlaten verblijfplaats aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen van recentelijk gebruik van de woningen door steenmarter aangetroffen. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat de gebouwen in plangebied geen functie hebben voor steenmarter. Vleermuizen Voor het soortgericht onderzoek naar vleermuizen zijn in 2015 vier onderzoeken uitgevoerd volgens het toenmalige vigerend vleermuisprotocol 2013 (NGB, 2013). De bezoekdata zijn weergegevens in tabel 3.1. Voor een onderbouwing van de onderzoeksmethode en de resultaten wordt verwezen naar het rapport in bijlage 2. Met het volgen van het vleermuisprotocol 2013 is geen extra veldbezoek verricht voor laatvlieger zoals het nieuwe vleermuisprotocol 2017 voorschrijft. Tijdens de vier veldbezoeken het onderzoek naar vleermuizen zijn slechts enkele overvliegende laatvliegers in het plangebied waargenomen.
11/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
Er waren geen aanwijzingen dat deze laatvliegers enige binding hadden met het plangebied. Het wordt daarom uitgesloten dat er verblijfplaatsen van laatvlieger gemist zijn door het vleermuisprotocol uit 2013 te volgen. Een ander verschil tussen de protocollen van 2013 en 2017 is het ontbreken van bezoeken gericht op middennachtzwermen. Volgens het vleermuisprotocol 2013 dient onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen uitgevoerd te worden door bestudering van zwermende vleermuizen bij twee nachtelijke bezoeken tussen (evt. 15 juli) 15 augustus – 1 oktober (evt. 1 nov.). In deze periode is er onderzoek uitgevoerd (tabel 3.1). Hierbij zijn geen grote getallen zwermende vleermuizen aangetroffen. De aanwezigheid van massawinterverblijven kan daarmee voldoende uitgesloten worden. Het kan wel aangenomen worden dat de aangetoonde paarverblijfplaatsen gebruikt worden als winterverblijfplaats voor enkele exemplaren. De massawinterverblijfplaats(en) van de kraamkolonies kunnen op enkele kilometers van het plangebied liggen. De juridische houdbaarheid van vleermuisonderzoek wordt doorgaans gesteld op 3 jaar. Op basis van overleg met het vakberaad vleermuizen van het NGB, volgt dat deze juridische grens ruimer geïnterpreteerd dient te worden. Hieruit is gebleken dat de onderzoeksgegevens drie volledige jaren bruikbaar zijn tot de start van het onderzoekseizoen na de drie jaar.
In dit geval zijn de onderzoeken uitgevoerd in 2015. De data zijn dus relevant voor het aanvragen van een ontheffing tot en met april 2019. Tijdens het soortgericht onderzoek is aangetoond dat de gebouwen binnen het plangebied over meerdere functies beschikken voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Tussen de meeste gebouwen en het groen zijn vliegroutes aanwezig. De beoogde sloop en renovatie van de panden zorgt niet voor negatieve effecten op deze vliegroutes. Wel zijn de individuen op deze vliegroutes voor een groot deel afkomstig van de verblijfplaatsen in de bebouwing.
12/29
Kenmerk
R001-1267071MFO-V01-nda-NL
Tabel 3.1 Overzicht van onderzoeksmethodiek vleermuizen (Tauw, 2016b) Datum veldbezoek
Tijdstip
Focus
Weersomstandigheden
11 juni 2015
21:45 – 24:00
Kraamkolonies, zomerverblijfplaatsen,
Weinig wind, geen
vliegroutes en foerageergebieden
neerslag, ±17°C
Kraamkolonies, zomerverblijfplaatsen,
Weinig wind, geen
vliegroutes en foerageergebieden
neerslag, ±14°C