20210526Rvs28 Vaststelling bestemmingsplan met MER en beeldkwaliteitplan ‘Buurtschap Crailo’ BIJLAGE natuuronderzoeken deel 2
Tekst van het document
6.1.2 Landelijke staat van instandhouding gewone dwergvleermuis De Nederlandse populatie gewone dwergvleermuizen wordt geschat op 300.000 tot 600.000 exemplaren (Dietz & Kiefer, 2017; Broekhuizen, 2016). De soort is de meest voorkomende vleermuissoorten in Nederland. De gewone dwergvleermuis is in Nederland thans niet bedreigd (Broekhuizen, 2016). Ook op Europees niveau is de soort momenteel niet bedreigd (Dietz et al., 2011). De landelijke staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis kan als gunstig worden beoordeeld. 6.1.3
Netwerk en lokale staat van instandhouding gewone dwergvleermuis
In 2013 is in opdracht van de gemeente Bussum een natuurwaardekaart gemaakt op basis van omgevingsfactoren en waarnemingen via waarnemingen.nl (BTL Advies, 2013). Op de kaart is geen onderscheid gemaakt tussen vleermuizen op soortniveau. Wel kunnen resultaten onttrokken worden over de verspreiding van vleermuizen(verblijven) binnen de gemeente. Er zijn verspreid over Bussum meerdere verblijven van gewone dwergvleermuis bekend (BTL Advies, 2013; NDFF, 2020). Er is minstens één bekende kraamkolonie in een woning ten noorden van de Ceintuurbaan. In de gemeente Bussum zijn (veelal oude) huizen met dakpannen en spouwmuren volop aanwezig binnen de bebouwing van de gemeente Bussum (figuur 5.1). Vooral gebouwen in de groene villawijken en het oude centrum zijn ideaal voor gebouwbewonende vleermuizen.
34/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
In combinatie met de groene omgeving zijn de meeste gebouwen in de gemeente geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Alternatieve verblijven voor gewone dwergvleermuis zijn daardoor in de regio rond het plangebied in grote getallen aanwezig. Volgens de natuurwaardenkaart Bussum is de regionale staat van instandhouding voor zowel de verspreiding en leefgebied van gewone dwergvleermuis gunstig (BTL Advies, 2013).
6.2
Staat van instandhouding ruige dwergvleermuis
6.2.1
Ecologie van ruige dwergvleermuis
Ruige dwergvleermuizen hebben, anders dan de gewone dwergvleermuis, geen complete netwerken van verblijfplaatsen in Nederland. De soort is een uitgesproken trekker (BIJ12, 2017c). In de zomer komen in Nederland vrijwel uitsluitend solitaire verblijfplaatsen van mannetjes voor. De kraamverblijfplaatsen van de vrouwtjes liggen met name in Duitsland. Vanaf augustus vertrekken de vrouwtjes en jongen zuidwestwaarts richting Nederland (Dietz et al., 2011). Hierom worden in Nederland met name paarverblijfplaatsen en kleine winterverblijfplaatsen aangetroffen. De paarterritoria liggen meestal geclusterd en op de trekroutes van de vrouwtjes (BIJ12, 2017c). De mannetjes zijn zeer plaats getrouw aan de paargebieden en gebruiken ieder jaar in hetzelfde gebied één of meerdere paarverblijfplaatsen. 6.2.2 Landelijke staat van instandhouding ruige dwergvleermuis De Nederlandse populatie van de ruige dwergvleermuis wordt geschat op 50.000 tot 100.000 exemplaren (Dietz & Kiefer, 2017). De soort wordt voornamelijk in het najaar gesignaleerd. In Nederland worden vrijwel geen kraamverblijfplaatsen van de soort aangetroffen. Wel wordt in Nederland door de soort veel gepaard langs trekroutes en dit is dan ook een belangrijke functie voor de soort. De ruige dwergvleermuis is in Nederland thans niet bedreigd (Dietz & Kiefer, 2017). Voor de soort zijn geen duidelijke populatieontwikkelingen bekend.
Ook op Europees niveau is de soort thans niet bedreig (Least Concern) (Dietz & Kiefer, 2017). De landelijke staat van instandhouding van de soort kan als gunstig beschouwd worden. 6.2.3
Netwerk en lokale staat van instandhouding ruige dwergvleermuis
In 2013 is in opdracht van de gemeente Bussum een natuurwaardekaart gemaakt op basis van omgevingsfactoren en waarnemingen via waarnemingen.nl (BTL Advies, 2013). Op de kaart is geen onderscheid gemaakt tussen vleermuizen op soortniveau. Wel kunnen resultaten onttrokken worden over de verspreiding van vleermuizen(verblijven) binnen de gemeente. Er zijn verspreid over Bussum meerdere verblijven van ruige dwergvleermuis bekend (BTL Advies, 2013; NDFF, 2020). In de gemeente Bussum zijn (veelal oude) huizen met dakpannen en spouwmuren zijn volop aanwezig binnen de bebouwing van de gemeente Bussum (figuur 6.1). Vooral gebouwen in de groene villawijken en het oude centrum zijn ideaal voor gebouwbewonende vleermuizen. In combinatie met de groene omgeving zijn de meeste gebouwen in de gemeente geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
35/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
Alternatieve verblijven voor ruige dwergvleermuis zijn daardoor in de regio rond het plangebied in grote getallen in gebouwen aanwezig. Doordat de regio van het plangebied veel bossen kent en groene wijken met oude beplantingen en bomen, zijn er ook ruim voldoende plekken aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Volgens de natuurwaardenkaart Bussum is de regionale staat van instandhouding voor zowel de verspreiding en leefgebied van ruige dwergvleermuis gunstig (BTL Advies, 2013).
6.3
Effecten op verblijfplaatsen
De vleermuizen waarvan verblijven zijn aangetroffen in de terreindelen Crailo Midden en Zuid, maken onderdeel uit van dezelfde populatie met verblijven in Crailo Noord. Voor het aantasten van de verblijven in terreindeel Noord is reeds een ontheffing verkregen (OD NHN, 2019). In hoofdstuk 5 is beschreven welke maatregelen genomen worden om de aan te tasten vleermuisverblijven in de terreindelen Midden en Zuid te compenseren. Naast de beschreven maatregelen zijn als compensatie voor de verloren verblijven in terreindeel Noord in de omgeving van het plangebied 44 vleermuiskasten en 8 kraamkasten op palen geplaatst. Deze kasten zijn in 2020 gemonitord (zie bijlage 3). Verder zijn er bij enthousiaste omwonenden, onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog, nog eens 27 vleermuiskasten opgehangen bij omwonenden. Door deze set aan maatregelen wordt gegarandeerd dat er te allen tijde voldoende verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis aanwezig zijn voor de populatie vleermuizen die gebruik maakt van de gebouwen in Crailo. Door met de planning van de werkzaamheden altijd rekening te houden met de juiste gewenningsperioden en kwetsbare perioden., wordt gegarandeerd dat de vleermuizen weten welke verblijfplaatsen waar tot hun beschikking zijn.
Ook in de eindsituatie zullen door de natuurinclusieve en duurzame bouw in het projectgebied ruim voldoende verblijfplaatsen aanwezig blijven. Zo wordt vastgesteld dat de populatie vleermuizen ook in de toekomst nog gebruik kan blijven maken van het projectgebied, zelfs nadat daar nieuwe bebouwing is gerealiseerd.
6.4
Effecten op leefgebied populatie
Het projectgebied bevat geen essentieel foerageergebied, migratie- en/of vliegroutes van vleermuizen. Met de sloop van de gebouwen wordt geen leefgebied van vleermuizen aangetast. Bij de realisatie van nieuwbouw worden wel gebouwen geplaatst op nog onverharde gronden. Effecten op essentiële functies zijn echter uitgesloten. De ontwikkeling van de nieuwe wijk in Crailo wordt gekenmerkt door hoge ambities met betrekking tot duurzaamheid en biodiversiteit (bijlage 4). Zo wordt er op grote schaal natuurvriendelijk gebouwd en wordt met de terreininrichting rekening gehouden met bestaande natuurwaarden en worden nieuwe natuurwaarden gerealiseerd.
36/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
In de ambitiedocumenten van de projectontwikkeling wordt in de zuidoosthoek van het gebied een nieuwe poel gerealiseerd waardoor extra foerageergebied voor vleermuizen ontstaat. Hetzelfde geldt voor het beoogde heischraal grasland dat door het gebied moet komen te lopen.
6.5
Zorgvuldig handelen
In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke maatregelen genomen worden om aan de zorgplicht te voldoen. Zo worden de werkzaamheden onder begeleiding van een ter zake kundig ecoloog uitgevoerd, wordt rekening gehouden met kwetsbare periodes en gewenningsperiodes en worden verblijfplaatsen ongeschikt gemaakt voor aanvang van sloop/renovatiewerkzaamheden. Hiermee is het doden van vleermuizen uitgesloten.
6.6
Afbreuk gunstige staat van instandhouding
Door het treffen van maatregelen wordt afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis voorkomen. De maatregelen bestaan uit het werken buiten kwetsbare periodes, het ongeschikt maken van verblijfplaatsen voor aanvang van de werkzaamheden en het aanbieden van tijdelijke en permanente alternatieve verblijfplaatsen voor de soorten, rekening houdend met gewenningsperiodes.
37/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
Figuur 6.1 Gebouwen in de omgeving van het plangebied die mogelijk geschikt zijn om vleermuisverblijven te herbergen. Boven en onder: Anne Franklaan, midden: Roodborstlaan (Bussum)
38/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
7 Wettelijk belang De ontheffing wordt aangevraagd op basis van het volgende belang: • Het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (Wnb art. 3.8, lid 5.b.3.) Hieronder wordt het belang onderbouwd.
7.1
Woningbehoefte (openbaar belang van sociale aard)
Ten behoeve van het voornemen is onderzoek uitgevoerd naar de woningbehoefte in de regio Gooi en Vechtstreek. Met betrekking tot de kwantitatieve woningbehoefte wordt geconcludeerd dat er op basis van actuele ramingen een omvangrijke regionale woningbehoefte in de periode 2015-2025 aanwezig is. In het onderzoek van RIGO is de kwantitatieve woningbehoefte vergeleken met de aanwezige plancapaciteit binnen de regio. Hieruit komt naar voren dat binnen de bandbreedte van de woningbehoefteramingen voor de regio Gooi en Vechtstreek er tot 2025 nog extra plannen nodig zijn. Er wordt uitgegaan van circa 3.900 woningen extra (exclusief inhaalvraag van de afgelopen jaren opgelopen achterstand). In de ‘Structuurvisie 2040’ van de provincie Noord-Holland is het plangebied aangewezen als transformatiegebied. Dat transformatiegebieden in het provinciaal beleid naast het Bestaand Bebouwd Gebied in eerste aanleg geschikt worden bevonden voor het faciliteren van de verstedelijkingsopgave volgt onder andere uit het feit het volgende citaat uit de structuurvisie “voor de toekomstige vraag naar ruimte, woningen en woonmilieus de Provincie Noord-Holland verwacht dat binnen Bestaand Bebouwd Gebied en de transformatiegebieden voldoende capaciteit beschikbaar is” en dat “Naast de algemene regels voor bouwen buiten Bestaand Bebouwd Gebied wijst de Provincie een aantal transformatiegebieden aan.
Nut en noodzaak is voor de provincie Noord-Holland reeds onderbouwd (bijvoorbeeld in bestuurlijke samenwerking Metropoolregio Amsterdam), maar ruimtelijke plannen voor deze gebieden moeten evenzeer voldoen aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Het betreft de volgende locaties: Crailo, …” (zie paragraaf 6.4.2 van de structuurvisie). De provincie geeft daarbij aan dat bij transformatiegebieden wordt gezocht naar nieuwe en aansprekende combinaties van wonen en werken. In de provinciale woningbehoefteprognose 2015-2040 is aangegeven dat de regio de laatste jaren een positief migratiesaldo heeft door toegenomen vestiging. In de prognose gaat dit door. Door de aantrekkelijke groene woonomgeving is de vraag naar woningen van binnen en buiten de regio groot. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het aantal inwoners toe met 13.900 en stijgt het aantal huishoudens met 13.800 in deze regio. De vergrijzing in de regio zit rond het NoordHollandse gemiddelde.
39/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
In het provinciale onderzoek ‘Vraaggestuurd bouwen’ naar de verwachte behoefte aan woning en woonmilieu en het verwachte planaanbod naar woningmilieu komt naar voren dat in de Gooi en Vechtstreek op kortere termijn (tot 2020) en langere termijn (2040) vooral behoefte is aan extra locaties met groen (klein)stedelijke woonmilieus, dat wil zeggen nieuwe uitleggebieden met overwegend eengezinswoningen in een groene omgeving. Tevens is er extra behoefte aan locaties met landelijk bereikbare woonmilieus. De voorgenomen ontwikkeling Crailo-Noord geeft hier invulling aan. Voor Crailo Midden en Zuid is met een plancapaciteit van 380 woningen tot 2025 ruim voldoende behoefte te verwachten (590 woningen inclusief Crailo Noord). Daarbij moet ook worden vermeld dat het plangebied geen uitleglocatie betreft maar een herontwikkeling van een voormalig defensieterrein. Geconcludeerd wordt dat het plan zowel invulling geeft aan de kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte in de regio. Daarmee wordt een groot openbaar belang van sociale aard vervuld.
7.2
Behoefte aan bedrijvigheid (openbaar belang van economische aard)
In een deel van het projectgebied (circa 30.000m² BVO) worden voorzieningen gerealiseerd voor bedrijven om zich te vestigen in Crailo. Dit bedrijventerrein creëert werkgelegenheid voor de bewoners van de wijk en de regio. Hiermee beoogt het GEM de bevolking van omringende dorpen perspectief te geven op een baan. Tevens dient het bedrijventerrein voor het behoud en versterken van een goede concurrentiepositie als vestigingsplaats voor bedrijven en daarmee versterking van de economische structuur van de regio. Het bedrijventerrein beoogt met de ligging langs de A1 tussen zowel Amsterdam, Amersfoort en Utrecht, kleine en middelgrote bedrijven aan te trekken. Er wordt voornamelijk gericht op de vestiging van innovatief ondernemerschap. Ondernemers in creatieve zakelijke dienstverlening, media, kunst en cultuur hebben behoefte aan een inspirerende werkomgeving. Ook andere, Gooise bedrijven die graag in de regio willen blijven zijn welkom, net als bedrijven die aangetrokken worden door het duurzame en natuurlijke karakter van het bedrijventerrein op Crailo. Met de invulling van het plan wordt daarom een groot openbaar belang van economische aard bediend.
7.3
Sanering van asbest (volksgezondheid)
Alle panden op het terrein bevatten in meer of mindere mate asbest. Door het bewonen van de panden door anti-kraak en het betreden van leegstaande panden door onder anderen koperdieven, is het vrijkomen van asbest binnen de gebouwen een reëel risico. Dit kan leiden tot secundaire emissies van asbest zowel binnen, als buiten de gebouwen. De gebouwen dienen gesaneerd te worden om verspreiding van asbest te voorkomen. De sloop en renovatie van de gebouwen draagt om die reden een groot maatschappelijk belang van de volksgezond.
40/43
Kenmerk
7.4
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
Tegengaan verspilling van energie (voor het milieu gunstige effecten)
De gebouwen op het terrein zijn momenteel antikraak ingevuld. Oppassers bewonen nagenoeg alle gebouwen. Gezien het volume van de gebouwen en het beperkt aantal bewoners is het energieverbruik zeer hoog gebleken. Hierop zijn diverse maatregelen getroffen om dat verbruik tot een minimum te beperken. Dit heeft echter niet kunnen voorkomen dat de energierekening extreem hoog is. Het extreem hoge energiegebruik komt niet overeen met de duurzame ambitie die de projectontwikkeling heeft. De negatieve effecten van een hoog energiegebruik voor milieu en natuur zijn algemeen bekend. Door de gebouwen te slopen en/of te renoveren voor het milieu wezenlijk gunstige effecten tot gevolg.
8 Alternatievenafweging 8.1
Locatie
Het voornemen is locatie-gebonden, aangezien het de sloop van bestaande gebouwen betreft en herontwikkeling van het terrein.
8.2
Inrichting
Er zijn geen alternatieve inrichtingsplannen of werkzaamheden mogelijk waarbij geen of minder effecten op vleermuizen kunnen optreden. De panden kunnen niet gerenoveerd worden, omdat de panden niet geschikt zijn om op deze wijze te laten voldoen aan de woon- en veiligheidseisen van deze tijd. Dit is onder andere het geval omdat veel van de panden asbest bevatten. Complete renovatie van de gebouwen zou bovendien dermate intensief aangepakt moeten worden, dat de effecten ervan op vleermuizen overeenkomen met de huidige voorgenomen sloop. Daarbij zouden de vleermuizen in de spouwmuren alsnog aangetast worden bij bijvoorbeeld na-isolatie van de muren of door andere werkzaamheden aan de spouwmuren. Er wordt zoveel mogelijk groen gespaard. Het groene raamwerk van het terrein blijft behouden. De nieuwe bebouwing komt op plekken waar al verhard is of al bebouwing staat.
8.3
Werkwijze
Gezien de slechte staat van de panden is herontwikkeling noodzakelijk. Door de aangepaste werkwijze, waarbij alleen gewerkt wordt buiten de periodes dat vleermuizen aanwezig zijn, worden vleermuizen zo veel mogelijk ontzien bij het voornemen.
8.4
Planning
Zoals hierboven beschreven worden de werkzaamheden gestart op het moment dat geen vleermuizen in het pand aanwezig zijn (zie paragraaf 5.5). Op deze manier wordt gewaarborgd dat bij de start van de werkzaamheden geen vleermuizen verstoord worden. Het is niet mogelijk om over het gehele terrein alle permanente voorzieningen voor vleermuizen in nieuwe bebouwing te realiseren voordat de gebouwen oorspronkelijke verblijven worden gesloopt.
41/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
De sloop vanuit het beheeroogpunt vindt zijn grondslag in borgen veiligheid, voorkomen vandalisme en het beperken van extreme (energie)-kosten. Veelal betreft het een combinatie van voornoemde aspecten. Voor het gebouw A is met het gebruik van het gebouw als sociale werkplaats een invulling gevonden die het mogelijk maakt het gebouw langer te laten staan. Hiermee is tevens een voor vleermuizen gunstigere fasering in de werkzaamheden ingepland. Het leeg laten staan van gebouwen blijkt, ondanks getroffen maatregelen zoals dichtzetten gebouwen, geen optie. Binnen het projectgebied hebben diverse leegstaande gebouwen te lijden gehad van vandalisme en het bezoek van koperdieven. Naast de vernielingen die zijn aangericht hebben deze ook gezorgd voor de verspreiding van asbest op de grond rondom de gebouwen met alle gezondheidsrisico’s en saneringskosten van dien. Dit houdt in dat deze vanuit veiligheid/vandalisme en energiebesparing versneld gesloopt dienen te worden. Verder zijn er gebouwen die weliswaar antikraak worden bewoond maar die toch versneld dienen te worden gesloopt. De grondslag is gelegen in de staat van het gebouw (aanwezigheid asbest, legionellagevaar, achterstallig onderhoud). De op het terrein gelegen gebouwen bevatten allen in meer of mindere mate asbest.
42/43
Kenmerk
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
9 Literatuur BIJ12, 2017a. Kennisdocument Buizerd, Buteo. Versie 1.0, juni 2017 BIJ12, 2017b. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus. Versie 1.0, juni 2017 BIJ12, 2017c. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, Pipistrellus nathusii. Versie 1.0, juni 2017 Broekhuizen, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum insecten en andere ongewervelden. Leiden. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. BTL Advies, 2013. Toelichting Natuurwaardekaart Bussum. Project 222217. D.d. 4 maart 2013. Buurtschap Crailo, 2019. Stedenbouwkundig- en landschapsplan. December 2019. https://crailo.nl/ondernemen/1565756.aspx?t=Boekje-stedenbouwkundig--en-landschapsplanCrailo Dietz, C., Von Helversen, O., Nill, D., 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur, 1e druk, april 2011. Dietz, C. & Kiefer, A., 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Utrecht 2017. OD NHN, 2019. Wnb aanvraag ontheffing ruimtelijke ingrepen Kolonel Palmkazerne, Gooise Meren. Zaaknummer OD.279818. D.d. 2 september 2019. Tauw, 2020. Crailo Noord natuurtoets terrein. Tauw-rapportage met kenmerk R001-1272418MFOV01-sal-NL, d.d. 28 februari 2020. NDFF, 2020. Nationale Databank Flora en Fauna. ndff-ecogrid.nl/uitvoerdersportaal, geraadpleegd op 5 juni 2020.
Sachteleben, 2006. Songflight behaviour and mating system of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus) in an urban habitat. Acta Chiropterologica, 8(2): 391–401, Museum and Institute of Zoology. Sachteleben, J., O. von Helversen 2006.
43/43
Kenmerk
Bijlage 1
R001-1272659MFO-V02-mwl-NL
Rapportage quickscan Crailo Midden en Zuid
Natuurtoets ontwikkeling Kolonel Palmkazerne, ORT en Crailo-zuid
Concept
16 mei 2018
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Verantwoording Titel
Natuurtoets ontwikkeling Kolonel Palmkazerne, ORT en Crailo-zuid
Opdrachtgever
Gemeente Gooise Meren
Projectleider
Vincent Wisgerhof
Auteur(s)
Tim van Leeuwen
Tweede lezer
Michiel Wilhelm
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Tim van Leeuwen
Projectnummer
1264822
Aantal pagina’s
25
Datum
16 mei 2018
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 824 E info.utrecht@tauw.com
Concept
Tauw bv
2/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Inhoud
2
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Doel .................................................................................................................................... 4
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 4
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 5
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 7
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 7
1.6
Uitgangspunten .................................................................................................................. 7
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 7 2.1
2.1.1
Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne ................. 9
2.1.2
Oefen Rampen Terrein (ORT) .................................................................................. 10
2.1.3
Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein ............................................................................ 11
2.2 3
Huidige situatie................................................................................................................... 7
Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 13
Soortenbescherming ............................................................................................................... 13 3.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 13
3.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 14
3.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 15
3.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 15
3.5
Effecten ............................................................................................................................ 16
3.5.1
Flora .......................................................................................................................... 16
3.5.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 17
3.5.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 18
3.5.4
Broedvogels .............................................................................................................. 19
3.5.5
Amfibieën en reptielen .............................................................................................. 20
3.5.6
Zorgplicht .................................................................................................................. 21
4
Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................. 22
5
Literatuur ................................................................................................................................. 24
Concept
1
3/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Gemeente Gooise Meren heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor ontwikkeling op het ORT en Crailo-zuid (AZC-terrein). Voor het noordelijk deel van het gebied (voormalige Kolonel Palmkazerne) is eerder een nader onderzoek en een QuickScan uitgevoerd (Tauw, 2016 a & Tauw, 2016 b). Een update van deze onderzoeken is nodig omdat in de tussentijd ook kleine marterachtigen beschermd zijn geworden in de provincie Noord-Holland. De sloop van de gebouwen 19 en 27 staat gepland voor 11 juni 2018. Met een controle op aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing voor de gebouwen 19 en 27 worden negatieve effecten voor deze soorten tijdens de sloop uitgesloten. De resultaten van deze controle zijn opgenomen in het hoofdstuk soortbescherming. De ontwikkeling op het ORT en Crailo-zuid (AZC-terrein) kan alleen doorgaan als deze niet in strijd zijn met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing / vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
1.2
Wetgeving
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen: “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande
Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
Concept
wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.
4/25
Kenmerk
1.3
R001-1264822TVL-V01-agv
Te beschouwen onderdelen Wnb
Vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna is het noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming. Een toetsing aan beschermde gebieden is niet nodig. De twee dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden (Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en Naardermeer) bevinden zich op drie kilometer afstand van het projectgebied (zie figuur 1.1).
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden, welke groen zijn gearceerd
Concept
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) loopt langs de westgrens van het gebied (zie figuur 1.2). Omdat de gronden binnen het projectgebied geen onderdeel uitmaken van het NNN, is negatieve invloed op de natuurwaarden binnen het natuurnetwerk uitgesloten.
5/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Figuur 1.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van NNN gebieden
Bescherming van houtopstanden is niet aan de orde omdat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de groenstructuren gehandhaafd blijven. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat
Vooralsnog is niet bekend welke bestemming het ORT-terrein en Crailo-zuid krijgt. Zodoende kan geen inschatting worden gemaakt of rekening gehouden moet worden met de effecten van stikstof op beschermde natuurgebieden. Een dergelijke stikstofberekening is in het verleden voor Crailonoord nodig gebleken en uitgevoerd. Er moet dus rekening gehouden worden met het uitvoeren van stikstofberekeningen voor het ORT-terrein en Crailo-zuid als de plannen voor de nieuwe bestemmingen vorm krijgen.
Concept
kap van bomen geen onderdeel uitmaakt van de werkzaamheden (zie 1.6). Mocht dit in de toekomst wel onderdeel van de werkzaamheden uit gaan maken dan moet rekening gehouden worden met de APV van de gemeentes Laren en Hilversum en het velbeleid van de gemeente Hilversum.
6/25
Kenmerk
1.4
R001-1264822TVL-V01-agv
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook hoofdstuk 5) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van Tauw (https://www.tauw.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Een oriënterend veldbezoek op 20 april 2018 Het doel van de literatuurstudie was om na te gaan welke beschermde soorten en gebieden in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleerde tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook keek de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.5
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de afwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.6
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: Kap van bomen maakt geen onderdeel uit van de werkzaamheden
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om het Crailo-terrein op de grenzen van de gemeentes Laren, Hilversum en Gooise Meren in de provincie Noord-Holland. Dit terrein bestaat uit de volgende delen: Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne ORT: Oefen Rampen Terrein, gelegen tussen Crailo-noord en Crailo-zuid Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein
De gebouwen 19 en 27 in Crailo-noord wilt u zo snel mogelijk slopen. De sloop van Crailo-zuid staat over twee jaar gepland. Het ORT komt volgend jaar beschikbaar. Ook hier moet de sloop zo spoedig mogelijk starten.
Concept
7/25
R001-1264822TVL-V01-agv
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (GIS-kaart)
Concept
Kenmerk
8/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Figuur 2.2, 2.3 en 2.4 geven een sfeerimpressie van het gebied. Het plangebied bestaat uit een mix van gebouwen, bosschages, grasland, schrale vegetatie en open zand. Door de omvang van en gevarieerde samenstelling van het plangebied is het onmogelijk één passende omschrijving te geven. Hieronder wordt het plangebied opgedeeld in de volgende terreindelen:
Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne ORT: Oefen Rampen Terrein, gelegen tussen Crailo-noord en Crailo-zuid
Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein
2.1.1
Crailo-noord: gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne
De gebouwen bevinden zich aan de zuidzijde van dit deelgebied. Beide gebouwen hebben een plat dak met dakleer. Gebouw 19 is momenteel bewoond. Gebouw 27 is niet bewoond. Dit gebouw is door lekkages in het dak erg vochtig van binnen. Tijdens het bezoek waren vrijwel alle houten onderdelen op de tweede en derde verdieping beschimmeld. Figuur 2.2 geeft een
Foto 1: Gebouw 27
Foto 2: Gebouw 27
Foto 3: Gebouw 27
Foto 4: Gebouw 27interieur
Figuur 2.2 Impressie van gebouw 19 en 27 van de voormalige Kolonel Palmkazerne
Concept
impressie van het plangebied.
9/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
2.1.2 Oefen Rampen Terrein (ORT) Hoewel het ORT terrein bestaat uit meerdere oefengebouwen die ontworpen zijn voor het trainen van rampen, branden en andere gevaarlijke situaties, heeft dit deel van het plangebied een natuurlijk karakter. De omgeving van de gebouwen is groen ingericht en wordt extensief gebruikt. Naast de oefengebouwen zijn er een loods met kantoorgebouw, twee stormbanen en twee schietbanen op het terrein aanwezig. Enkele gebouwen hebben een spouwmuur en/of een kelder. De kelders zijn niet afgesloten en gemakkelijk toegankelijk voor verschillende grondgebonden zoogdieren. Tussen de gebouwen zijn zandpaden en verharde wegen aangelegd. In de bermen van de wegen heeft zich een schrale vegetatie ontwikkeld met verschillende algemene soorten als klein tasjeskruid en schapengras. Verder bestaat de vegetatie op het terrein uit voedselrijkere graslanden met soorten als pinksterbloem en paardenbloem en bosschages met robinia, grove den, zomereik en berk als belangrijkste boomsoorten. Op verschillende plaatsen zijn sporen van dieren aangetroffen. In de stormbaan zijn verschillende nesten van kleine zangvogels aanwezig. Verder zijn er holen van vossen vastgesteld in de zijwand van de schietbaan. In dit deel van het plangebied zijn enkele droge greppels aanwezig. Open water ontbreekt.
Foto 5: ORT terrein
Foto 6: Steenstapel met schrale vegetatie op ORT
Foto 7: Gebouw bij stormbaan ORT terrein
Foto 8: Kelder onder gebouw op ORT terrein
Concept
terrein
10/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Foto 9: Schietbaan op ORT terrein
Foto 10: Schietbaan op ORT terrein
Foto 11: Hol van vos in zijwand van schietbaan op
Foto 12: Rechte wegen op het ORT terrein
ORT terrein Figuur 2.3 Impressie van het ORT terrein
2.1.3
Crailo-zuid: AZC- en Talpa-terrein
Het voormalige AZC terrein bestaat net als het ORT terrein uit een verzameling van verschillende gebouwen. Dit deel van het plangebied heeft echter een veel minder natuurlijk karakter dan het
Tussen de gebouwen zijn bosschages met fijnspar, berk en beuk aanwezig. Op enkele plaatsen is een schrale vegetatie aanwezig minder algemene plantensoorten als kaal breukkruid. In dit deel van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig.
Concept
ORT terrein. Ook zijn, in tegenstelling tot het ORT terrein, de meeste gebouwen hier bewoond. Hierdoor is er veel menselijke activiteit in dit deel van het plangebied. De gebouwen die niet bewoond zijn, zijn toegankelijk voor grondgebonde zoogdieren, vleermuizen en broedvogels door kapotte ramen of loszittende deuren.
11/25
R001-1264822TVL-V01-agv
Foto 13: Gebouwen op AZC terrein
Foto 14: Gebouwen op AZC terrein
Foto 15: Gebouwen op AZC terrein
Foto 16: Vogelhuisje op AZC terrein
Foto 17: Bosschage op AZC terrein
Foto 18: Schrale vegetatie op AZC terrein
Figuur 2.4 Impressie van het AZC terrein
Concept
Kenmerk
12/25
Kenmerk
2.2
R001-1264822TVL-V01-agv
Beoogde ontwikkeling
Figuur 2.5 geeft een impressie van de beoogde ontwikkeling. De exacte invulling van het plan is nog niet duidelijk. Wel is bekend dat de bestaande bebouwing zal worden verwijderd en dat de groenstructuren binnen het plangebied zo goed mogelijk gehandhaafd worden. De verwachting is dat de bouw en sloopactiviteiten een doorlooptijd van meer dan een jaar hebben waardoor een deel van de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zal moeten vinden.
Figuur 2.5 De beoogde ontwikkeling
3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt het antwoord op de vraag of de beoogde activiteiten schade op beschermde flora en fauna tot gevolg (kunnen) hebben.
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn
beschermd via de vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Concept
3.1
13/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 4.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Noord-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
3.2
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Noord-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten “vrij te stellen” van de ontheffingsplicht (Provincie Noord-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. In provincie Noord-Brabant en NoordHolland zijn de volgende marterachtigen niet vrijgesteld: bunzing, hermelijn en wezel. Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming
Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet
Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels Vrl
Dieren
Planten
Dieren
Planten
Hrl/
Hrl/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern
Dieren of planten: Doden of vangen
3.1.1
3.5.1
Storen / verstoren
3.1.4 (tenzij
3.5.2
3.10.1.a
3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Concept
14/25
Kenmerk
3.3
R001-1264822TVL-V01-agv
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken / ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
3.4
Literatuuronderzoek
Voorafgaand aan het veldbezoek is een literatuurstudie uitgevoerd. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de volgende soortgroepen mogelijk in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn (zie ook tabel 4.2): Amfibieën en reptielen, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en vaatplanten. Nier voor alle beschermde soorten uit de bovengenoemde soortgroepen vormt het plangebied een geschikt leefgebied. Zo ontbreken geschikte voortplantingswateren van heikikker, kamsalamander en poelkikker binnen het plangebied. De dichtstbijzijnde populaties bevinden zich op meer dan een kilometer van het plangebied en de soorten moeten door droog terrein of stedelijk gebied om het plangebied te bereiken. Dit maakt het voor heikikker, kamsalamander en poelkikker vrijwel onmogelijk het plangebied te bereiken. Het voorkomen van heikikker, kamsalamander en poelkikker binnen het plangebied wordt dan ook op voorhand uitgesloten. Dennenorchis is sterk gebonden aan naaldbossen. De plant wortelt in de zure strooisellaag onder zwarte den, fijnspar of Europese larix. Pas na 30 jaar is de strooisellaag dik genoeg voor de dennenorchis. Door de zeer lichte zaden kunnen de planten zich over grote afstanden verspreiden. Binnen het plangebied zijn enkele kleine bosjes met fijnspar aanwezig. De strooisellaag is hier echter ongeschikt door zijn geringe dikte.
Door de geringe omvang van de bosjes droogt de plant bovendien gemakkelijk uit. Binnen het plangebied zijn dus geen geschikte groeiplaatsen voor deze soort. Het voorkomen van dennenorchis binnen het plangebied wordt dan ook op voorhand uitgesloten.
Omdat het behoud van de bomen in het gebied als uitgangspunt genomen is, zijn negatieve effecten voor eekhoorn vooralsnog uitgesloten. Mocht kap van bomen in de toekomst alsnog onderdeel uit gaan maken van de werkzaamheden dan zal een nader soortgericht onderzoek moeten aantonen dat de kap geen invloed heeft op verblijfplaatsen van eekhoorns.
Concept
Door het ontbreken van water binnen het plangebied is ook waterspitsmuis op voorhand uitgesloten. Deze soort jaagt langs oevers en in het water. Dor de afwezigheid van water ontbreekt leefgebied van deze soort binnen het plangebied. Het voorkomen van waterspitsmuis binnen het plangebied wordt dan ook op voorhand uitgesloten.
15/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Door de geringe hoogte van de gebouwen in het plangebied is het uitgesloten dat slechtvalk in het projectgebied voorkomt. Ook bleek dat het plangebied ongeschikt voor de volgende soort(groep)en vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden. Beschermde soorten uit deze soort geroepen worden in het plangebied niet verwacht omdat het habitat in de omgeving en binnen het plangebied niet voldoet aan de eisen van deze soorten. Zo zijn beschermde vissoorten bijvoorbeeld uitgesloten door het ontbreken van open water en Deze soortgroepen worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 4.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Flora
Schubvaren, akkerdoornzaad, korensla, rozenkransje
Grondgebonden zoogdieren
Steenmarter, boommarter, bunzing, das, hermelijn en
Vleermuizen
Baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone
en stijve wolfsmelk wezel grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis, franjestaart en rosse vleermuis Vogels
Algemene broedvogels
Vogels jaarrond beschermd
Gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer, steenuil, havik en wespendief
Amfibieën en reptielen
Rugstreeppad, hazelworm, levendbarende hagedis, zandhagedis en ringslang
3.5
Effecten
3.5.1
Flora
Tijdens het veldbezoek heeft de ecoloog geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Wel is geschikt habitat voor schubvaren, akkerdoornzaad, korensla, rozenkransje en stijve wolfsmelk aangetroffen. De geschikte groeiplaatsen bestaan uit muren van gebouwen, schrale vegetaties en ruderale terreinen.
Bovendien wordt de plant door haar geringe omvang snel over het hoofd gezien. Het voorkomen van schubvaren binnen het plangebied is dan ook niet op voorhand uitgesloten. Akkerdoornzaad, stijve wolfsmelk en korensla zijn planten van pionierssituaties op zandige ondergrond. Dergelijke groeiplaatsen zijn binnen het plangebied in ruime mate aanwezig. In het verleden zijn de beide soorten in de omgeving van het plangebied aangetroffen. Het voorkomen van akkerdoornzaad, stijve wolfsmelk en korensla binnen het plangebied is dan ook niet op voorhand uitgesloten.
Concept
De schubvaren groeit op droge zonnige muren met kalkrijke mortel. In het dorp Bussum is de plant in 2013 één maal waargenomen. Uit de wijde omgeving zijn verder geen waarnemingen bekend, maar de plant kan zich door zijn sporen makkelijk over grote afstand verspreiden.
16/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Rozenkransje is in Nederland zeer sterk achteruit gegaan. de enige levensvatbare populaties bevinden zich in natuurterreinen bij Bergen en op Terschelling. De rest van de populatie bestaat uit of alleen mannelijke of alleen vrouwelijke planten. De plant was tot ongeveer 2011 aanwezig op de Tafelbergheide, maar is daar sindsdien niet meer waargenomen. Deze populatie bestond waarschijnlijk uit planten van slechts één geslacht waardoor voortplanting onmogelijk was. Uitzaaiing van de populatie op de Tafelbergheid naar het plangebied is dan ook uitgesloten. Door het ontbreken van een bronpopulatie in de omgeving is het voorkomen van rozenkransje binnen het plangebied uitgesloten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of direct nabij geschikte groeiplaatsen van schubvaren, akkerdoornzaad, korensla en stijve wolfsmelk. Het vernietigen van beschermde groeiplaatsen van planten is dan ook niet op voorhand uitgesloten. De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. 3.5.2 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn in de gebouwen 19 en 27 geen sporen aangetroffen van steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. Er zijn aan de buitenzijde geen openingen vastgesteld die een bruikbare toegang voor steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel tot het gebouw vormen. Binnen in gebouw 27 zijn geen uitwerpselen van de soorten aangetroffen.
De bewoonde delen van gebouw 19 volledig ongeschikt als verblijfplaats. De onbewoonde delen zijn ontoegankelijk door het ontbreken van geschikte openingen. Door de ongeschiktheid van de gebouwen en het ontbreken van sporen in de omgeving is het uitgesloten dat gebouw 19 en 27 in gebruik zijn als verblijfplaats voor steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. Bij het oriënterende veldbezoek aan het ORT terrein en het AZC terrein zijn geschikte
Verblijfplaatsen van das bevinden zich niet in gebouwen, maar in ondergrondse gangen. De steile wanden van de schietbaan bieden de das een geschikte locatie voor het graven van zijn gangen. Maar ook op andere plaatsen kunnen dassen een gangenstelsel aanleggen. Een nader soortgericht onderzoek moet aantonen of das in het plangebied voorkomt.
Concept
verblijfplaatsen aangetroffen voor steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. De verblijfplaatsen bestaan uit (verlate) gebouwen, boomholtes, steenstapels, takhopen en de kelders van oefen gebouwen. Door de medewerkers van veiligheidsregio Gooi en Vechtstreken zijn op het ORT terrein waarnemingen van bunzing gedaan. Welke gevolgen de ontwikkelingen hebben op de verblijfplaatsen van beschermde soorten is sterk afhankelijk van de inrichting. Omdat sloop van gehouwen in ieder geval onderdeel uit gaat maken van de werkzaamheden zijn negatieve gevolgen voor beschermde verblijfplaatsen van steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel niet op voorhand uitgesloten. Een nader soortgericht onderzoek moet aantonen verblijfplaatsen van steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel in het plangebied aanwezig zijn.
17/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Naast verblijfplaatsen bevat het terrein ook voldoende geschikt foerageergebied voor bovengenoemde soorten. Ook de invloed van de ontwikkelingen op het foerageergebied van beschermde soorten is sterk afhankelijk van de inrichting. Nader soortgericht onderzoek moet aantonen of het plangebied onderdeel uitmaakt van essentieel foerageergebied voor steenmarter, boommarter, bunzing, das, hermelijn en wezel. Omdat zeker is dat de soorten in de omgeving voorkomen en binnen het plangebied geschikt habitat voor de soorten aanwezig is zijn negatieve effecten op grondgebonden zoogdieren als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet op voorhand uit te sluiten. De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. Er dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar steenmarter, boommarter, bunzing, das, hermelijn en wezel. 3.5.3
Vleermuizen
Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Hoewel kap van bomen geen onderdeel uitmaakt van de werkzaamheden, kan het ontwikkelen van het terrein wel degelijk invloed hebben op verblijfplaatsen in bomen. Door verandering van de belichting van het terrein kan een holte in een boom ongeschikt worden voor vleermuizen. Bij het oriënterende veldbezoek zijn dikke bomen (beuken en zomereiken) met dode taken of losse schors aangetroffen. Hierin zijn spleetvormige ruimtes aanwezig die potentieel geschikt zijn als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het gaat hier om boombewonende soorten als baardvleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestraat en ruige dwergvleermuis. Door de medewerkers van de veiligheidsregio Gooi en Vechtstreken is in het verleden een gewone grootoorvleermuis in een van de oefen gebouwen van het ORT waargenomen.
Ook de gebouwen op het AZC terrein zijn door hun bouwwijze geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gebouwbewonende soorten meervleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis kan daarom niet worden uitgesloten.
worden uitgesloten. Het gebied kent veel lijnvormige elementen als lanen, bomenrijen en langwerpige bebouwing die mogelijk een geleidende functie voor vleermuizen kunnen vervullen. Het foerageergebied bestaat uit bosschages, open ruimtes tussen de gebouwen en grote open ruimtes als parkeerplaatsen. Verandering in de belichting of de sloop of nieuwbouw van gebouwen kunnen invloed hebben op deze essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen.
Concept
Ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen kunnen niet op voorhand
18/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Alleen voor meervleermuis en watervleermuis ontbreekt geschikt foerageergebied binnen het plangebied. Verblijfplaatsen van deze soorten worden echter niet uitgesloten omdat op het terrein verschillende ondergrondse ruimtes aanwezig zijn die mogelijk geschikt zijn als winterverblijfplaats. Het aantasten van vaste rust en verblijfplaatsen en daaraan gekoppelde foerageergebieden en vliegroutes (artikel 3.5 lid 4) van vleermuizen is niet op voorhand uitgesloten. Het is ook niet mogelijk om de werkzaamheden op een andere manier uit te voeren, om negatieve effecten te voorkomen. De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. Nader soortgericht onderzoek naar vleermuizen moet aantonen of zich binnen het plangebied verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes of foerageergebieden bevinden. 3.5.4
Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van jaarrond beschermde broedvogels vastgesteld. Wel zijn waarnemingen van buizerd boven het projectgebied gedaan. Van de medewerkers van veiligheidsregio Gooi en Vechtstreken dat zich een mogelijke nestlocatie van buizerd in het oosten van het ORT terrein bevindt. Ook zijn door een van de medewerkers waarnemingen gedaan ransuil in een van de oefen huisjes. Door de aanwezigheid van mensen binnen het terrein is er onvoldoende rust voor wespendief om tot broeden te komen. De dieren zijn zeer schuw en broeden doorgaans alleen in afgelegen bosschages. De aanwezigheid van nesten binnen het plangebied is dan ook op voorhand uitgesloten. Ook het voorkomen van roek binnen het terrein is uitgesloten. De soort broed in kolonies van meerdere nesten bij elkaar. Dergelijke nestbomen zijn van afstand goed te herkennen. Tijdens het veldwerk zijn geen nestbomen van roek vastgesteld. Ook zijn geen individuen van deze soort binnen het plangebied vastgesteld. Omdat beschermde verblijfplaatsen van roek en wespendief niet in het plangebied voorkomen kunnen negatieve effecten voor deze soorten op voorhand worden uitgesloten.
Bij het oriënterende veldbezoek zijn potentieel geschikte nestlocaties van gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer, steenuil en havik aangetroffen. De potentieel
Concept
geschikte nestlocaties voor gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil bevinden zich in de gebouwen en oefen huisjes op het ORT terrein en AZC terrein. Bij sloop of renovatie van de bestaande gebouwen worden deze verblijfplaatsen mogelijk vernietigd.
19/25
Kenmerk
R001-1264822TVL-V01-agv
Geschikte verblijfplaatsen voor Boomvalk, Buizerd, Ransuil, Sperwer en Havik bevinden zich in de bosschages en solitaire bomen binnen het plangebied. Hoewel kap van bomen is uitgesloten, vinden de beoogde ontwikkeling altijd plaats in de directe nabijheid van potentiële nestlocaties van boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en havik. De verwachting is dat de ontwikkelingen een langere doorlooptijd hebben waardoor een deel van de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zal moeten vinden. Hierdoor is verstoring van nestplaatsen van boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en havik niet op voorhand uitgesloten. Tijdens de beoogde ontwikkeling is het verstoren van broedende vogels en het vernietigen van vaste nestlocaties niet op voorhand uitgesloten. Het is niet mogelijk om de werkzaamheden op een andere manier uit te voeren. Nader soortgericht onderzoek naar gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer, steenuil en havik moet aantonen of er verblijfplaatsen van deze soorten in het plangebied aanwezig zijn. De beoogde ontwikkeling is mogelijk ontheffingsplichtig. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels. De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het oriënterende veldbezoek zijn (oude) nesten van algemene broedvogels als merel, koolmees, houtduif en grote bonte specht aangetroffen.
De nesten bevonden zich in bomen en (verlaten) gebouwen in het plangebied. Bij sloop en nieuwbouwwerkzaamheden in het broedseizoen kunnen broedende vogels verstoord worden. Omdat de werkzaamheden naar verwachting een doorlooptijd van meer dan een jaar hebben, zal een deel van de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden. Het broedseizoen beslaat grofweg de periode maart t/m juli, maar ook buiten deze periode kunnen vogels tot broeden komen. Broedende vogels zijn altijd beschermd. Door voor werkzaamheden aan gebrouwen een (periodieke) controle op nesten van broedvogels uit te voeren, kan overtreding van de wet voorkomen worden. Tijdens de controle dient ook de omgeving van het gebouw geïnspecteerd te worden. Werkzaamheden in of om het gebouw kunnen immers een uitstralende werking naar de omgeving hebben. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige ecoloog te worden bepaald.
van deze groepen. Op het ORT terrein zijn verschillende droogstaande geulen aanwezig. Ook kunnen bij de werkzaamheden op het AZC terrein en ORT terrein sporen ontstaan die vollopen met regenwater. Dergelijk ondiepe wateren zijn geschikt als voortplantingswater voor rugstreeppad. Hoewel binnen het projectgebied geen waarnemingen van rugstreeppad bekend zijn, is bekend dat de dieren nieuw leefgebied snel kunnen koloniseren. De soort is echter niet in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. De dichtstbijzijnde populatie bevindt zich op twee kilometer ten westen van het plangebied. Van rugstreeppad is bekend dat een dergelijke afstand tussen winterverblijf en paargebied door zowel juveniele als
Concept
3.5.5 Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek heeft de ecoloog geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten
20/25