20210428Rvs17 Vaststelling bestemmingsplan Onderstation Crailo BIJLAGE toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren Gemeente Laren
NL.IMRO.0417.LRNOnderstationCra-on01 ONTWERP 27 november 2020
Contactpersoon S. Bos Juridisch adviseur T +31611491208 M E simone.bos@arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. Arnhem
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doelstelling
5
1.3
Functie van het bestemmingsplan
5
1.4
Leeswijzer
6
Hoofdstuk 2 Begrenzing plangebied en vigerende bestemmingsplannen
7
2.1
Begrenzing plangebied
7
2.2
Vigerende bestemmingsplannen
7
Hoofdstuk 3
Karakteristiek plangebied
9
3.1
Ruimtelijke structuur
9
3.2
Verkeer en parkeren
10
3.3
Groen, blauw en natuur
10
3.4
Duurzaamheid en leefbaarheid
11
3.5
Cultuurhistorische waarden
13
3.6
Bodem en watersysteem
15
3
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
3.7
Kabels en leidingen
17
3.8
Veiligheid
17
Hoofdstuk 4
Relevant beleidskader
19
4.1
Rijk
19
4.2
Provincie
20
4.3
Gemeenten
22
Hoofdstuk 5
Toekomstige situatie en omgevingsaspecten
27
5.1
Ruimtelijk concept
27
5.2
Verkeer en parkeren
29
5.3
Natuur
29
5.4
Duurzaamheid en leefbaarheid
32
5.5
Cultuurhistorische waarden
34
5.6
Bodem en watersysteem
36
5.7
Veiligheid
40
Hoofdstuk 6
Implementatie
43
6.1
Planmethodiek
43
6.2
Bestemmingsregeling
43
6.3
Handhaving
48
6.4
Economische uitvoerbaarheid
48
6.5
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49
4
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Toelichting Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Liander N.V. heeft tot doel om binnen de gemeente Laren en Hilversum een onderstation (max. 120 MVA) te ontwikkelen. Een onderstation is een groot elektriciteitsstation waar de hoge spanning (hoogspanning) naar een lagere (midden)spanning wordt omgezet en verdeeld (onder kabels) in de omgeving. Het nieuwe onderstation komt te liggen op voormalig defensieterrein Crailo. Het terrein strekt zich uit over twee gemeenten; de gemeente Hilversum en de gemeente Laren. Het huidige Crailo wordt getransformeerd. Doel van deze transformatie is om een integrale, duurzame en innovatieve gebiedsontwikkeling te realiseren, waarbij woningbouw, bedrijvigheid en natuurbeleving integraal samengaan. Om het onderstation planologisch mogelijk te maken, wordt dit bestemmingsplan opgesteld. Door de planning van het onderstation, kan het onderstation niet meegenomen worden in het bestemmingsplan voor de ontwikkeling buurtschap Crailo. Doordat het onderstation Crailo in twee gemeenten ligt wordt ook het bestemminsgsplan Onderstation Crailo Hilversum opgesteld ten behoeve van de planologische borging. Deze bestemmingsplannen hebben een vrijwel identieke onderbouwing en plantoelichting door de onderlinge samenhang. Deze bestemmingsplannen worden vooruitlopend op de ontwikkeling van buurtschap Crailo opgesteld.
1.2
Doelstelling
Het doel van het bestemmingsplan is het tot stand brengen van een planologische regeling die voorwaarden schept voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied. Het bestemmingsplan dient een toetsingskader op te leveren voor ontwikkelingen en tevens voor alle betrokkenen. Het bestemmingsplan heeft een ontwikkelingsgericht karakter, dat wil zeggen dat in het bestemmingsplan de planologische en juridische kaders worden vastgelegd waarbinnen nieuwe ontwikkelingen in het plangebied mogelijk zijn. Zo wordt in onderhavig bestemmingsplan het realiseren van een onderstation (max. 120 MVA) in de gemeenten Laren en Hilversum planologisch geborgd.
1.3
Functie van het bestemmingsplan
Het bestemmingsplan 'Onderstation Crailo' regelt de bestemmingen en het gebruik van de gronden in het plangebied. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (kaart), regels en een toelichting. De verbeelding en de daarop aangewezen bestemmingen en regels vormen tezamen het juridische plan. De plantoelichting heeft geen rechtskracht. De regels omvatten de omschrijvingen van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. In de toelichting worden de achtergronden en beweegredenen aangegeven die hebben geleid tot de bestemmingen. Een bestemmingsplan wordt met de daarbij behorende toelichting langs elektronische weg vastgelegd. Het bestemmingsplan wordt in die vorm vastgesteld. Een volledige papieren versie van het bestemmingsplan wordt gelijktijdig vastgesteld. Indien de inhoud van het langs elektronische weg vastgelegde bestemmingsplan na vaststelling en die van de papieren versie daarvan tot een
5
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
verschillende uitleg aanleiding geeft, is de eerstbedoelde inhoud beslissend.
1.4
Leeswijzer
De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. In het inleidende hoofdstuk is ingegaan op de aanleiding, doelstelling en functie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven waar het plangebied ligt en wat de plangrenzen zijn. In hoofdstuk 2 wordt ook aangegeven welke bestemmingsplannen voor het plangebied gelden tot het verkrijgen van rechtskracht van het voorliggende bestemmingsplan. De hoofdstukken 3 - 5 vormen de kern van de toelichting. In hoofdstuk 3 wordt kort op de karakteristiek van het plangebied ingegaan. Dit is een beschrijving van de bestaande situatie. Relevante beleidskaders van Rijk, provincie en gemeente staan centraal in hoofdstuk 4. De toekomstige situatie en de omgevingsaspecten worden behandeld in hoofdstuk 5. Per planaspect wordt hierbij gemotiveerd aangegeven wat de ontwikkeling inhoudt. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de bestemmingsregeling, de (economische) uitvoerbaarheid, het ambtelijk overleg, en op de externe communicatie. Er wordt aangegeven hoe de regels gelet op de toelichting gelezen moeten worden en hoe bij de formulering van de bestemming en de regels rekening wordt gehouden met de handhaafbaarheid daarvan. Deze paragraaf vormt de relatie tussen het juridische plan en de toelichting. De ten behoeve van het bestemmingsplan verrichte onderzoeken zijn als bijlagen opgenomen.
6
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Hoofdstuk 2 Begrenzing plangebied en vigerende bestemmingsplannen
2.1
Begrenzing plangebied
In de navolgende afbeelding is het plangebied weergegeven. Het plangebied bevindt zich op de voormalige legerbasis Crailo en strekt zich uit over twee gemeenten; de gemeente Hilversum en de gemeente Laren. Beide gemeenten zijn gelegen in de provincie Noord-Holland. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Hilversum, sectie C, nummer 7221 en gemeente Laren Noord-Holland, sectie A, nummer 5360. Opgemerkt wordt dat in de nabije toekomst sprake zal zijn van een kadastrale herschikking van de percelen. Er worden twee aparte bestemmingsplannen voor de verschillende gemeenten opgesteld, waarvan de regels en de plantoelichting vrijwel gelijkluidend zullen zijn.
Globale begrenzing plangebied (rode rechthoek)
2.2
Vigerende bestemmingsplannen
Vóór vaststeling van het voorliggende bestemmingsplan gelden ter plaatse van het plangebied de volgende bestemmingsplannen: 1. Gemeente Hilversum: a. Hilversum Buitengebied 2013, vastgesteld 26 juni 2013 b. Regeling meervoudige bewoning, vastgesteld 30 maart 2015 c. Veegbestemmingsplan 2016, vastgesteld 14 december 2016 2. Gemeente Laren:
7
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
a. Laren - West, vastgesteld 26 juni 2013 b. Correctieve herziening, Laren, vastgesteld 26 september 2018 Onderstaand is voor ieder plan kort aangegeven welke regelingen van toepassing zijn. Hilversum Buitengebied In dit plan is aan de gronden de enkelbestemming 'Maatschappelijk - Militair' toegekend. Tevens gelden voor de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - Archeologie Waarde 3 ' en de functieaanduiding 'militair oefenterrein'. Regeling meervoudige bewoning In dit plan hebben de gronden de gebiedsaanduiding 'overige zone - regeling meervoudige bewoning - 2' gekregen. Ingevolge de regeling is het het verboden gebouwen te gebruiken en/of te verbouwen voor meervoudige bewoning. Het verbod geldt niet voor gebouwen met de bestemming Wonen - 2. Omdat er geen woningen binnen het plangebied aanwezig zijn, is deze regeling voor onderhavige situatie niet relevant. Veegbestemmingsplan 2016 In dit plan is de parkeerregeling voor het bestemmingsplan Hilversum buitengebied aangepast. Tevens zijn enkele aanpassingen in de Regeling meervoudige bewoning doorgevoerd. Laren - West In dit plan is aan de gronden de enkelbestemming 'Maatschappelijk' toegekend. Tevens gelden voor de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' en de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en de functieaanduiding 'asielzoekerscentrum'.
Correctieve herziening, Laren In dit plan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' gewijzigd in 'Waarde Archeologie 3'.
8
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Hoofdstuk 3
Karakteristiek plangebied
3.1
Ruimtelijke structuur
3.1.1
Historie
Het plangebied is in het verleden onderdeel geweest van de voormalige militaire kazerne. De militaire kazerne is in 1939 in gebruik genomen, tot circa 2006. Tot voor enkele jaren heeft op deze locatie een militair gebouw gestaan. Momenteel ligt het plangebied helemaal braak. 3.1.2
Stedenbouwkundige structuur
In de huidige situatie bevindt zich ter plaatse geen bebouwing. Er zijn enkele bomen, ondergroei, gras en zandige bovenlaag aanwezig. Zie de luchtfoto hieronder.
Luchtfoto (©Google)
3.1.3
Waterstructuur
Het plangebied kent, door het ontbreken van enige waterlopen, geen waterstructuur. In deze toelichting worden wel de wateraspecten in het plangebied beschreven, bestaande uit grondwater, oppervlaktewater, vuilwater en hemelwater.
9
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
3.2
Verkeer en parkeren
Het plangebied wordt ontsloten via de Amersfoortsestraatweg. De Amersfoortsestraatweg is een smalle weg waar autoverkeer en fietsers nauwelijks van elkaar gescheiden worden. De Nieuwe Crailoseweg is een fietspad dat zorgt voor een fietsverbinding naar Hilversum. Er zijn momenteel geen parkeergelegenheden aanwezig in het gebied.
3.3
Groen, blauw en natuur
3.3.1
Groen
In het plangebied zijn enkele bomen aanwezig en ondergroei.
3.3.2
Blauw
Het hemelwaterwater wordt in het plangebied zoveel mogelijk lokaal in de bodem geïnfiltreerd. Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied.
3.3.3
Natuur
Het plangebied is gelegen aan de rand van het voormalige AZC, ten zuiden van de A1 tussen Bussum en Crailo. Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein, welke deels is vergraven. Het terrein is grotendeels begroeid met jonge opslag en enkele boomgroepjes. Het plangebied ligt in het verlengde van een parkeerplaats en parallel aan een langwerpige loods aan de zuidoostzijde. De noordwestzijde betreft een bosrand, bestaande uit een rij platanen. Door de bosstrook loopt de Nieuw Crailoseweg en betreft een fietspad richting de Bussumerheide en Hilversum. Het terrein is rondom voorzien van een hoog hekwerk en is toegankelijk via de parkeerplaats aan de noordzijde. Het plangebied is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied en niet aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied of een natuurverbinding. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreffen het Naardermeer en het Eemmeer & Gooimeer Zuidoever. De minimale afstand vanaf de projectlocatie tot aan de rand van deze Natura 2000 gebieden bedragen respectievelijk 4,2 en 3,7 kilometer. Het plangebied is gelegen langs de N527 tussen Bussum en Laren. Gezien de ligging, afstand en de huidige kenmerken van de projectlocatie, heeft deze geen functie voor in genoemde Natura 2000 gebieden aangewezen soorten en habitattypen.
10
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
3.4
Duurzaamheid en leefbaarheid
3.4.1
Duurzaamheid
Duurzaamheid is gericht op drie kwaliteitsaspecten: people, planet en profit/prosperity. De pijler 'people' richt zich op aspecten van sociale kwaliteit en proceskwaliteit: de leefbaarheid van de omgeving, sociale veiligheid en de betrokkenheid van bewoners, bedrijven en overheden (sociale duurzaamheid). De pijler 'planet' is direct gerelateerd aan de milieukwaliteit en thema's als energie, ecologie en water, maar ook aan gezondheid, verkeer en afval, en daarmee aan verschillende grote milieuproblemen zoals verlies aan biodiversiteit, klimaatverandering, bedreigingen van de gezondheid en aantasting van de leefomgeving (fysieke duurzaamheid). Uitgangspunten zijn een brongerichte benadering, het sluiten van kringlopen en behoud en versterking van de kwaliteit van de leefomgeving. De pijler 'profit/prosperity' richt zich op de aanwezigheid van voorzieningen, voldoende werkgelegenheid en inkomensdifferentiatie en dragen bij aan het functioneren van de leefomgeving (economische duurzaamheid). De essentie van deze zogenaamde Triple P-benadering is een evenwichtige integrale ontwikkeling van de kwaliteitsaspecten. De gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren hebben eind 2017 het voormalige kazerneterrein Crailo, waaronder de Kolonel Palmkazerne, gekocht van de Provincie Noord-Holland. Dit terrein ligt aan de Amersfoortsestraatweg ten zuiden van de snelweg A1, binnen de 3 gemeenten.
De gemeenten gaan dit voormalige defensieterrein ontwikkelen tot een nieuw woon- en werkgebied via een gezamenlijke organisatie: GEM Crailo B.V. De gezamenlijk vastgestelde ambities die de gemeenten bij de ontwikkeling nastreven zijn verwoord in het vastgestelde 'Ambitiedocument Buurtschap Crailo'. Doelstelling is om een integrale, duurzame en innovatieve gebiedsontwikkeling te realiseren, waarbij wonen, bedrijvigheid en natuurbeleving integraal samengaan. Onderhavig plangebied grenst aan de ontwikkeling Crailo dat gericht is op integrale duurzame en innovatieve gebiedsontwikkeling.
3.4.2
Leefbaarheid
3.4.2.1 Geluid Een (geluids)zone is een aandachtsgebied waarbinnen, indien er geluidsgevoelige bestemmingen zijn of kunnen worden gerealiseerd, moet worden getoetst aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder (Wgh). Geluidsgevoelige bestemmingen zijn onder andere woningen, scholen en gebouwen voor de gezondheidszorg. De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen ten gevolge van wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB. De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van spoorweglawaai bedraagt voor woningen 55 dB en voor andere geluidsgevoelige gebouwen 53 dB. In geval van industrielawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen 50 dB(A). Als er in de directe omgeving van het plangebied industrieterreinen, inrichtingen en/of (spoor)wegen aanwezig zijn met geluidszones die (deels) in het plangebied liggen, dienen ook deze gedefinieerd te worden. Ten aanzien van dit bestemmingsplan In het plangebied is geen industrieterrein gelegen. Hiervoor is dan ook geen onderzoek uitgevoerd. Het plangebied is daarnaast ook niet gelegen in een geluidszone van een industriegebied.
11
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
3.4.2.2 Lucht De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Ten aanzien van dit bestemmingsplan Op het aspect luchtkwaliteit wordt in paragraaf 5.4.2.4 nader ingegaan.
3.4.2.3 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
12
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Ten aanzien van dit bestemmingsplan Op het aspect bedrijven en milieuzonering wordt in paragraaf 5.4.2.1 nader ingegaan.
3.5
Cultuurhistorische waarden
3.5.1
Historisch-geografischewaarden
Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn aangewezen door het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het betreft objecten in gebieden die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, en in welke zich één of meerdere monumenten bevinden. Als een gebied is aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht, dan dient dit in het bestemmingsplan opgenomen te zijn. Informatie over beschermde stads- en dorpsgezichten is te verkrijgen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht en grenst daar ook niet aan. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
3.5.2
Archeologische waarden
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016, uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie, is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische niet worden aangetast. De gemeente is het bevoegd gezag, en verantwoordelijk voor het opstellen van een archeologische verwachtings- en beleidskaart. Op de verwachtingskaart staat aangegeven welke archeologische beschermde monumenten, bekende waarden, en welke archeologische verwachtingen aanwezig zijn. Voor het te voeren beleid ten aanzien van de archeologische waarden en verwachtingen in de gemeente, heeft de gemeente een beleidsnota en de daarbij behorende beleidskaart opgesteld. De beleidskaart, moet volgens de Wro in de regels bij het bestemmingsplan worden vertaald, zodat voor de aanvrager van een vergunning duidelijk is in welke gevallen een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.
Deze gevallen worden voornamelijk bepaald door een maximale verstoringsoppervlakte en -diepte. Het archeologische onderzoek is een getrapt proces. Elke stap in het proces wordt afgesloten met een besluit van het bevoegd gezag omtrent het archeologische erfgoed: of het plangebied wordt vrijgegeven, of een vervolgonderzoek wordt gevraagd, of een planaanpassing, of bescherming van het archeologisch erfgoed in situ. Eerst moet de aanvrager een inventariserend onderzoek overleggen. In dat inventariserend onderzoek wordt vastgesteld of er archeologisch erfgoed in de bodem aanwezig is en of er nader onderzoek nodig is. De volgende stap is het verrichten van een verkennend veldonderzoek (proefsleuven) om de aard, omvang en kwaliteit van het archeologisch erfgoed te onderzoeken. Het plangebied kan hierna op grond van een selectiebesluit worden vrijgegeven, beschermd, of, als bescherming niet mogelijk is, kan een opgraving worden gevraagd. Elke fase wordt uitgevoerd op grond van een programma van eisen. Behalve de eisen die aan het onderzoek worden gesteld in het kader van de Kwaliteitseisen Nederlandse Archeologie (KNA) kan de gemeente aanvullende eisen stellen. Gemeente Hilversum Binnen de gemeente Hilversum wordt gebruik gemaakt van de Structuurvisie Archeologie 'De ondergrondse stad'. In deze structuurvisie is al het mogelijk aanwezige archeologisch erfgoed beschreven.
Hiervan is een kaart gemaakt welke is gebruikt voor de bestemmingsregeling van de
13
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
archeologische dubbelbestemmingen (zie onderstaande figuur).
14
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp) Archeologische beleidskaart gemeente Hilversum
Gemeente Laren Binnen de gemeente Laren wordt gebruik gemaakt van de Nota Archeologiebeleid. In deze Nota is al het mogelijk aanwezige archeologisch erfgoed beschreven. Hiervan is een kaart gemaakt welke is gebruikt voor de bestemmingsregeling van de archeologische dubbelbestemmingen (zie onderstaande figuur).
Ten aanzien van dit bestemmingsplan Het plangebied is zowel binnen de gemeente Hilversum als de gemeente Laren gelegen in een gebied met een onbekende archeologische verwachting. Voor een nadere toetsing van het aspect archeologie wordt verwezen naar paragraaf 5.5.3.
3.6
Bodem en watersysteem
3.6.1
Bodem
De provincie Noord-Holland heeft een bodemtoets ontwikkeld voor de afweging van bodemaspecten in bestemmingsplannen. Het gaat om de aspecten bodemopbouw, bodemkwaliteit, milieubeschermingsgebieden en archeologie. Deze aspecten zijn, met uitzondering van archeologie, opgenomen in deze bodemparagraaf. Archeologie is toegelicht in de voorgaande paragraaf 3.5.2. In deze paragraaf wordt ook het grondwatersysteem en daarin eventueel voorkomende verontreinigingen meegenomen. Bodem De gemeenten Hilversum en Laren maken onderdeel uit van de geografische eenheid het Gooise stuwwallencomplex met onder andere fysisch geografische eenheden zoals stuwwallen. De bodem van
15
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
de gemeenten bestaat hoofdzakelijk uit matig fijne tot zeer grove zanden. De zanden maken deel uit van het watervoerende pakket, dat haar basis heeft op een diepte van N.A.P. -160 meter. Naast de genoemde zanddelen bevat de bodem grindbestanddelen. Tot een diepte van 50 meter onder het maaiveld is gestuwd materiaal aanwezig. Hierin kunnen plaatselijk fijnzandige, lemige en slib houdende lagen voorkomen. De stuwwal is een inzijgingsgebied. Dit plangebied bestaat geheel uit zandige ondergrond. Aangezien de onderzoekslocatie op de grens van de gemeente Hilversum en de gemeente Laren is gelegen, is de onderzoekslocatie opgesplitst in twee beheersgebieden. De westzijde van de onderzoekslocatie is gelegen binnen zone ‘Zand BG’ van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Hilversum. In deze bovengrond wordt een matig verhoogd gehalte zink, en licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood en PAK verwacht. In de ondergrond (zone ‘Zand OG’) worden licht verhoogde gehalten cadmium, kwik en PAK verwacht. Het oostelijke deel van de onderzoekslocatie is gelegen in een niet gezoneerd gebied van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Laren. Van deze zone zijn geen gegevens beschikbaar van de algemene bodemkwaliteit. Functies en bestemmingen moeten afgestemd worden op de bodemopbouw. De bodemopbouw binnen het plangebied stelt echter geen bijzondere eisen aan de functies en bestemmingen.
Aardkundige waarden De grote verscheidenheid en gaafheid van geografische verschijnselen maakt het stuwwallencomplex van het Gooi bijzonder. Eén van de speerpunten van het provinciale landschaps- en bodembeschermingsbeleid is het beschermen van onderdelen in het landschap, die iets vertellen over de geologische ontstaanswijze van een gebied. Hiervoor heeft de provincie Noord-Holland een lijst met 80 gebieden met aardkundige waarden (aardkundig waardevol gebied) vastgesteld en vervolgens hieruit 17 gebieden geselecteerd als aardkundig monument. De 80 aardkundige waardevolle gebieden zijn nu opgenomen in de provinciale structuurvisie en bijbehorende verordening en genieten als zodanig planologische bescherming. Een groot deel van het bijzondere stuwwallengebied is daarom door de provincie aangewezen als gebied met aardkundige waarden en de ongeroerde delen zijn zelfs aangewezen als aardkundig monument. Binnen het plangebied zijn evenwel geen aardkundige monumenten en aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
3.6.2
Watersysteem
Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Dit betekent dat binnen het gebied ten opzichte van de gebruikelijke zorgvuldigheid extra restricties gelden om de drinkwaterwinning te beschermen. Bodemopbouw en geohydrologische situatie De gemeenten Hilversum en Laren maken onderdeel uit van de geografische eenheid het Gooise stuwwallencomplex met onder andere fysisch geografische eenheden zoals stuwwallen. Het gebied wordt daarom gekenmerkt door grote en kleine verschillen in reliëf. De bodem van beide gemeenten bestaat hoofdzakelijk uit matig fijne tot zeer grove zanden. Op het hoge deel van de stuwwal zijn moderpodzolen ontstaan; dit zijn droge matige vruchtbare gronden met een diepe grondwaterstand. De hogere delen worden omringd door een schil van haarpodzolgronden. Deze droge arme gronden liggen op de lagere rand van de stuwwal en in de aangrenzende dekzandgebieden. Grondwater Het grondwatersysteem is in grote lijnen te zien als een wisselwerking tussen de hoger gelegen heuvelrug en de lager gelegen veenweidegebieden. De heuvelrug fungeert grotendeels als een infiltratiegebied. Regenwater zakt hier in de grond. Op de zandgronden zakt het water vaak snel en diep weg. In het lager gelegen westelijk deel treedt het grondwater in de veenweidegebieden als kwelstroom
16
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
weer uit. Op een deel in het westen na, is binnen beide gemeenten sprake van een natuurlijk fluctuerende grondwaterstand van de Utrechtse Heuvelrug. De grondwaterstromingsrichting is hoofdzakelijk noordwestelijk. Het geïnfiltreerde water gaat onderdeel uitmaken van de grondwatervoorraad. Ook de mens maakt gebruik van deze grondwatervoorraad. Op diverse plekken op de heuvelrug vindt waterwinning plaats. De stijghoogte van het grondwater in het eerste watervoerend pakket ligt in een vlak, aflopend van NAP +2,0 m in het oosten tot NAP -1,0 m in het westen. Door het maaiveldverloop rondom de heuvelrug zijn er echter grote verschillende ontwateringsdiepten (afstand tussen grondwater en maaiveld) binnen Hilversum. Op de heuvelrug ligt de grondwaterstand tot enkele meters beneden het maaiveld. Verder van de stad en de heuvelrug af ligt de grondwaterstand in zowel oostelijke als westelijke richting dichter onder het maaiveld. Oppervlaktewater In en nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Bestaand afwateringssysteem Het hemelwater zal binnen het plangebied worden geïnfiltreerd. Hiervoor is voldoende ruimte gereserveerd. Wel dient bij het egaliseren/afgraven van het terrein rekening te worden gehouden met het (mogelijk) afvoeren van extra hemelwater van de aangrenzende gronden.
Hemelwater kwaliteit Om bodem- en grondwaterverontreiniging bij de infiltratiepunten op het eigen terrein te voorkomen is het belangrijk om geen onbehandeld koper, zink, lood, teerhoudende dakbedekking (PAK) en andere uitlogende (bouw)materialen toe te passen op oppervlakken/straatmeubilair die in aanraking komen met het regenwater. Daarnaast dient er géén gebruik te worden gemaakt van (chemische) onkruidbestrijdingsmiddelen. De perceelseigenaar is verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit onder het perceel en dus voor de kwaliteit van het infiltrerende hemelwater.
3.7
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden gelegen. Het aspect kabels en leidingen vormt hierdoor geen belemmering voor de beoogde sloop en nieuwbouw. Ingeval van graafwerkzaamheden dient altijd een KLIC-melding te worden gedaan.
3.8
Veiligheid
3.8.1
Sociale veiligheid
Sociale veiligheid omvat de bescherming tegen elke vorm van criminaliteit en fysieke bedreiging/gevoelens van onveiligheid. Met voorliggend plan wordt een onderstation toegevoegd. Dit zal weinig of geen invloed hebben op het aspect sociale veiligheid. De sociale veiligheid zal er in ieder geval niet door worden verminderd.
3.8.2
Fysieke veiligheid
De fysieke veiligheid betreft de bescherming van mens, dier en milieu tegen daadwerkelijke ongelukken. In hoofdstuk 5 wordt het aspect 'externe veiligheid' nader beschreven. Bij de huidige inrichting van het plangebied is het gebied goed bereikbaar voor hulpdiensten, zijn er voldoende primaire en secundaire bluswatervoorzieningen en is het gebied voldoende verkeersveilig.
17
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
18
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Hoofdstuk 4
Relevant beleidskader
4.1
Rijk
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit en de Mobiliteitsaanpak. Het Rijk zet in de SVIR uiteen welke nationale belangen het heeft in het ruimtelijke en mobiliteitsdomein en welke instrumenten hiervoor worden ingezet. Met de SVIR wordt een andere koers ingezet in het nationale ruimtelijk beleid. Er is nu vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale benadering met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven en laat dan ook meer over aan provincies en gemeenten. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de SVIR uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Dit betekent dat het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen, waarvoor het verantwoordelijk is en resultaat wil boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. In de SVIR wordt ten aanzien van energieontwikkelingen en transitie aangegeven dat een toekomstbestendige energievoorziening van vitaal belang is voor de Nederlandse economie. Daarin speelt leveringszekerheid van energie (gas, elektriciteit) een cruciale rol. Deze is in Nederland van hoog niveau.
De komende decennia groeit de vraag naar elektriciteit en gas in Nederland nog gestaag (uitgaande van GE-scenario). Het opvangen van deze groei en het handhaven van het huidige hoge niveau van leveringszekerheid, vraagt om uitbreiding van het productievermogen en de energienetwerken. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028). Eén van deze hoofddoelen is het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Anderen zijn onder andere het efficiënt gebruik van de ondergrond en ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. Een belangrijk instrument is voorts de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen op basis van deze ladder te worden gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de SVIR door de leveringszekerheid van energie te ondersteunen. Op de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verder ingegaan in paragraaf 5.4.1.
4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit het SVIR. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans genaamd: Natuurwerk Nederland, ofwel NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het
19
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorliggend plan sluit aan op het beleid Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De belangen worden geborgd in onderhavig bestemmingsplan.
4.1.3
Kaderrichtlijn Water
Door de Europese Kaderrichtlijn Water heeft Nederland een resultaatverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde waterlichamen, zijn hiertoe bindende doelen opgesteld. De maatregelen om de doelen te bereiken worden uitgewerkt in de stroomgebiedprocessen. Voor de overige wateren geldt het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Toetsing In onderhavig bestemmingsplan zijn (water)paragrafen (3.6.2 en 5.6.2) opgenomen waarin is beschreven wat de gevolgen voor de waterhuishouding zijn en hoe water is vastgelegd in dit bestemmingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit de Kaderrichtlijn Water.
4.2
Provincie
4.2.1
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050
De omgevingsvisie is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Hierin staat de provinciale visie op de fysieke leefomgeving beschreven. Met de omgevingsvisie richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. De provincie gaat uit van het principe "lokaal wat kan, regionaal wat moet", gelet op de diversiteit aan regio's, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking.
Ambities van de provincie zijn: Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland; Het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; Vergroten biodiversiteit in Noord-Holland; Een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor; Een betere aansluiting op de vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief); Een effectieve, veilige en efficiente verplaatsing van inwoners en bedrijven in Noord-Holland; Het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie; Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal maken door ruimte te bieden aan de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Toetsing Het voorliggend plan sluit aan op het beleid uit de provinciale omgevingsvisie. De ambitie is om de
20
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
benodigde bebouwing circulair uit te voeren.
4.2.2
Provinciale Ruimtelijke Verordening
Op 7 juni 2019 is de laatste wijziging van de Provinciale Ruimtelijke Verordening in werking getreden (hierna: PRV). In deze PRV worden regels gegeven omtrent de inhoud van bestemmingsplannen over onderwerpen waar een provinciaal belang mee gemoeid is (in zowel het landelijke als het bestaande bebouwde gebied van Noord-Holland). Dit om de provinciale belangen zoals omschreven in de Structuurvisie Noord-Holland 2040 juridisch te kunnen borgen. Zo stelt artikel 5c van de PRV dat voor een kleinschalige ontwikkeling altijd ruimte is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling - het te realiseren onderstation - betreft een kleinschalige ontwikkeling en maakt deel uit van het toekomstige woon-/werkgebied Crailo. Daarmee wordt het onderstation binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd en is een nadere motivering voor de locatie niet noodzakelijk. Daarnaast betreft het de vervanging van een huidige voorziening. Toetsing De ontwikkeling van de het onderstation op deze locatie vormt vanuit de Provinciale Ruimtelijke Verordening geen belemmering.
4.2.3
Provinciale Milieu Verordening
De Provinciale Milieu Verordening (PMV) is op 12 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten en in werking getreden op 22 november 2018. De PMV is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming. De verordening is via een aantal 'tranches' (wijzigingen) verder aangevuld, gewijzigd en geactualiseerd. Beschermingsgebieden voor drinkwaterwinning worden door de provincie aangewezen in de Provinciale Milieuverordening (PMV). Dit is bepaald in art. 1.2 Wet milieubeheer. Onderhavig plangebied ligt in een Grondwaterbeschermingsgebied II. Artikel 5.3.3. van de PMV geeft de regels voor een niet omgevingsvergunningplichtige inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied (a), waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen (b), en waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist (c). Degene die een inrichting als hiervoor benoemd drijft, treft de bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Onderhavige ontwikkeling betreft een bodembedreigende activiteit doordat olie in de transformatoren aanwezig is.
Olie is echter uitgezonderd als verboden bodembedreigende stof mits conform lid 2 bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. De voorwaarden zijn uitgewerkt in artikel 5.3.3 lid 7. Kortgezegd behelzen de voorwaarden dat procesapparatuur met een geïntegreerde lekdetectie dient te worden toegepast, het proces en opslag vrij van grond boven een vloeistofdichte vloer of lekbak plaatsvindt, het bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch minstens eenmaal per 5 jaar. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.6.1 – Bodem en watersysteem van de bestemmingsplannen. Conform artikel 5.3.5 lid 2 is het verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien bij graafwerkzaamheden bij het verwijderen van grond het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste drie
21
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden (a) en voor het inbrengen van palen (b) uitsluitend gebruik gemaakt wordt van: 1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of 3. schroefpalen. Uit artikel 5.3.7 volgt dat het verboden is in een grondwaterbeschermingsgebied afstromend water op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem, zoals in het geval van onderhavige ontwikkeling. Melding Omgevingsdienst Op 29 januari 2020 hebben de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en de Omgevingsdienst Gooi en Vechtstreek bevestigd dat onderhavige ontwikkeling geen omgevingsvergunningplichtige inrichting conform artikel 5.3 van de Provinciale milieuverordening Noord-Holland (PMV) en de BOR bijlage 1 betreft. Hierdoor zijn de regels uit artikel 5.3.3 (regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting) en artikel 5.3.5 van de PMV voor de bouw van het station van toepassing. De enige bodembedreigende stof welke zich bevindt in het gebouw en de transformatoren is olie.
Liander voldoet aan alle richtlijnen om de kans dat olie in het milieu terechtkomt tot nihil teruggebracht wordt. Hiermee wordt voldaan aan de eisen artikel 5.3.3 lid 7. Bij de bouw wordt voldaan aan voornoemd artikel doordat schroefpalen of grondverdringende gladde palen worden toegepast. Daarbij wordt een ondergrondse ruimte aangelegd onder het gebouw. Deze werkzaamheden moeten worden gemeld bij de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (artikel 5.4.3 van de PMV). Toetsing Voor onderhavig plan dient een melding gedaan te worden bij het bevoegd gezag. Deze melding is reeds gedaan. Onderhavige inrichting betreft geen Omgevingsvergunningplichtige inrichting waardoor in de huidige versie van de PMV, artikel 5.3.3 van toepassing is. Bij de voorgenomen activiteit wordt uitsluitend gebruik gemaakt van olie, wat potentieel een bodembedreigende stof betreft. Olie is echter uitgezonderd als verboden bodembedreigende stof. Afstromend water wordt uitsluitend geïnfiltreerd via een doelmatig werkend zuiveringssysteem en tot slot worden de werkzaamheden conform artikel 5.3.5. uitgevoerd. De Omgevingsdienst heeft bevestigd dat voldaan wordt aan alle eisen van het PMV, waardoor er geen belemmering is voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.
4.3
Gemeenten
4.3.1
Gemeente Hilversum
4.3.1.1 Structuurvisie Hilversum 2030 De Structuurvisie is in mei 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Het is een integrale visie op hoofdlijnen voor het gehele grondgebied van de gemeente en heeft betrekking op alle aspecten van het gemeentelijk ruimtelijk beleid. De structuurvisie is het strategisch beleidsdocument over de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen in de gemeente op middellange termijn. In dit geval ligt de planhorizon omstreeks 2030. De structuurvisie bevat dus geen concreet uitgewerkte plannen of besluiten ten aanzien van de bestemming van afzonderlijke locaties. Het geeft aan welke richting de gemeente op wil, gezien door de bril van vandaag en de verwachtingen voor de toekomst. De structuurvisie is in principe leidend voor het vaststellen van dit bestemmingsplan, waarbij een vertaalslag is gemaakt van het algemene, ruimtelijk beleid uit de structuurvisie naar de locatiespecifieke en meer gedetailleerde uitwerking in dit bestemmingsplan. De vijf speerpunten of kernkwaliteiten die Hilversum de komende jaren wil behouden en versterken zijn:
22
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
1. 2. 3. 4. 5.
Goede woongemeente om te leven met voldoende werkgelegenheid en (basis)voorzieningen. Behoud omringende natuurgebieden. Mediastad en vestigingsplaats voor creatieve bedrijvigheid. Centrumgemeente met accent op Zorg. Hoge stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden met weinig ontwikkelingen en de dynamische gebieden. Behoud en ontwikkeling zijn met elkaar in balans. In de niet dynamische gebieden staat behoud van het huidige karakter voorop en wordt weinig ruimtelijke ontwikkeling voorzien. Dat geldt ook voor het buitengebied, inclusief het dynamische gebied Zonnestraal en omgeving, waar geen verdergaande verstedelijking zal plaatsvinden. Het centrum, een aantal bestaande werklocaties, de gebieden Monnikenberg, Anna's Hoeve en Larenseweg e.o. zijn de dynamische gebieden (binnen bestaand bebouwd gebied) waar sprake is van aanmerkelijke ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen. De structuurvisie biedt de ruimte voor, en geeft richting aan het realiseren van de ambities op het gebied van hoogwaardig wonen, natuur, media, zorg en architectuur. Vanuit de integrale benadering zijn dwarsverbanden in beeld gebracht, bijvoorbeeld vanuit de invalshoeken duurzaamheid, bereikbaarheid en regio. Ten aanzien van Crailo wordt in de Structuurvisie Hilversum 2030 aangegeven dat op de terreinen van de voormalige Palmkazerne, het (rampen-)oefenterrein en het asielzoekerscentrum in 2030 een hoogwaardig duurzaam woon-, werk- en natuurgebied zal zijn gerealiseerd van circa 40 hectare. Alle gebouwen zijn zorgvuldig ingepast in het groen en het landschap.
Een ecoduct over de A1 verbindt het gebied met de Blaricummerheide. Tussen het gebied Crailo en de Hilversumse heide is in 2030 een natuurbuffer gerealiseerd. Hierdoor is een geleidelijke overgang tussen natuur en bebouwing ontstaan. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in de elektriciteitsvoorziening van de regio, waaronder het in de toekomst te realiseren gemengde woongebied Crailo. Daarmee sluit het initiatief aan op de Structuurvisie Hilversum 2030. 4.3.1.2 Parkeernota Hilversum 2017 Deze beleidsregels hebben betrekking op het stellen van eisen tot het aanbrengen van parkeer-/stallingsruimte voor auto's op 'eigen terrein', alsmede de wijze van bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen betrekking hebbend op bouwen en/of gebruik. Ook wordt een eis gesteld aan de afmetingen van de parkeer-/stallingsruimte en wordt een verplichtinggeformuleerd inzake laad- of losruimte. Het doel van dit beleid is dat in parkeer-/stallingsruimte voor auto's, dan wel laad- of losruimte, op eigen terrein moet worden voorzien als daartoe behoefte ontstaat ten gevolge van bouwen, waarvoor een vergunning is vereist, en/of gebruik, waarvoor een ontheffing nodig is op grond van de Wro.
Op deze wijze wordt in het bijzonder de parkeerdruk in de openbare ruimte beperkt, en wordt de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen primair bij de 'veroorzaker' van de parkeervraag gelegd. De lijst parkeernormen differentieert globaal naar functies en stedelijkheidsgraad, waarvoor Hilversum is opgedeeld in drie gebieden: 'centrum', 'schil' en 'rest'. Toetsing In paragraaf 5.2 is het aspect parkeren nader uitgewerkt.
23
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
4.3.1.3 Structuurvisie Archeologie 'De ondergrondse stad' De gemeente Hilversum heeft het archeologisch erfgoed en mogelijke verstoringen daarvan in kaart gebracht. Op 11 mei 2011 heeft de gemeenteraad met de Structuurvisie Archeologie 'De ondergrondse stad' ingestemd. Een belangrijk uitgangspunt daarin is dat de verstoorder betaalt. 'De ondergrondse stad' is een logisch gevolg van internationale afspraken over behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed die al in 1992 in het Europese Verdrag van Malta werden gemaakt en in 2006 zijn verankerd in nationale wetgeving. Als gevolg van deze afspraken gaat de gemeente de kennis over de ontwikkeling van het landschap en de bewoningsgeschiedenis gebruiken om vindplaatsen van archeologisch erfgoed in kaart te brengen. Inmiddels is een archeologische beleidskaart ontwikkeld die het mogelijk maakt archeologisch onderzoek in te plannen. Wanneer sprake is van verstoring van de bodem (bijvoorbeeld bij bebouwing) dan stelt de archeologische beleidskaart (en bijbehorende regels) de initiatiefnemer in staat om te beoordelen waar onderzoek moet plaatsvinden. Allereerst wordt onderzocht of erfgoed aanwezig is, vervolgens om welk erfgoed uit welke periode het gaat.
Uiteindelijk wordt het erfgoed opgegraven, worden de sporen van bewoning en gebruik vastgelegd en dienen de voorwerpen als illustratiemateriaal voor de geschiedenis van Hilversum. Toetsing In paragraaf 5.5.3 van deze toelichting is opgenomen op welke wijze is omgegaan met archeologie in het plangebied. 4.3.1.4 Ambitiedocument Buurtschap Crailo De gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren hebben eind 2017 het voormalige kazerneterrein Crailo, waaronder de Kolonel Palmkazerne, gekocht van de Provincie Noord-Holland. Dit terrein ligt aan de Amersfoortsestraatweg ten zuiden van de snelweg A1, binnen de 3 gemeenten. De gemeenten gaan dit voormalige defensieterrein ontwikkelen tot een nieuw woon- en werkgebied via een gezamenlijke organisatie: GEM Crailo B.V. De gezamenlijk vastgestelde ambities die de gemeenten bij de ontwikkeling nastreven zijn verwoord in het vastgestelde 'Ambitiedocument Buurtschap Crailo'. Doelstelling is om een integrale, duurzame en innovatieve gebiedsontwikkeling te realiseren, waarbij wonen, bedrijvigheid en natuurbeleving integraal samengaan. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de regio, waaronder het toekomstig te realiseren gemengde woongebied Crailo. Daarmee sluit het initiatief aan op de Ruimtelijke structuurvisie 2008 - 2023 en het Ambitiedocument Buurtschap Crailo.
4.3.1.5 Gemeentelijk Rioleringsplan 2015 - 2020 In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2015 - 2020 is het van belang zijnde waterbeleid voor de gemeente opgenomen. De gemeente stelt als eis dat een maximale inspanning wordt gedaan om het hemelwater af te koppelen van het gemengde rioolstelsel. Waar infiltratie mogelijk is moet zoveel mogelijk water worden afgevoerd naar de bodem. Onderdeel van het proces van onderhavig bestemmingsplan is de watertoets. Hiervoor is een waterparagraaf opgesteld, zoals opgenomen in paragraaf 3.3.2 en 5.6.2.
4.3.1.6 Welstandsnota Hilversum 2014 De Welstandsnota is in 2014 door de raad vastgesteld met als doel vooraf helderheid te bieden over de
24
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
welstandcriteria die door de gemeente worden gehanteerd bij het beoordelen van bouwinitiatieven. Het behoudt van de bestaande kwaliteiten staat voorop. Het is belangrijk dat het bestemmingsplan en de welstandsnota goed op elkaar zijn aangesloten. Omdat in een bestemmingsplan de bestemming aan de grond wordt gegeven met de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden, behoren welstandscriteria niet via het bestemmingsplan, maar via de welstandsnota geregeld en eventueel gewijzigd te worden. Toetsing Voorliggend plan zal ter goedkeuring worden gelegd bij de welstandscommissie.
4.3.2
Gemeente Laren
4.3.2.1 Ruimtelijke structuurvisie Laren 2008 - 2023 De Ruimtelijke Structuurvisie Gemeente Laren 2008-2023 (vastgesteld door de gemeenteraad op 25 juni 2008) bevat de algemene gemeentelijke beleidsuitgangspunten op het gebied van de ruimtelijke ordening. Doel van de structuurvisie is om de geambieerde toekomst van het dorp Laren te kunnen vormgeven aan de hand van een integraal afgewogen richtinggevend beleidskader. De visie functioneert daarbij als beoogd instrument van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In hoofdlijnen ziet de gemeente als gewenste ontwikkeling voor het brinkdorp Laren het ‘behouden en versterken van de beeldkwaliteit van Laren, van haar karakter en identiteit als fraai, groen en kleinschalig dorp’. Maatregelen en ingrepen moeten deze kernwaarden behouden en versterken. Concreet houdt dat in, dat al het beleid gericht moet zijn op een kwalitatieve verbetering van het dorp en geen kwantitatieve. Voor het gebied Crailo wordt in de Ruimtelijke structuurvisie 2008 - 2023 aangegeven dat de gemeenten tezamen met Blaricum, Bussum, Hilversum, Rijkswaterstaat, de stichting Gooisch Natuurreservaat en de provincie Noord-Holland zich inzetten voor het thans gerealiseerde ecoduct bij de A1 / Naarderstraat, bij het (voormalig) asielzoekerscentrum Crailo.
Dit project maakt deel uit van een herinrichting van het Crailo gebied, waar naast natuur ook een regionaal bedrijventerrein gerealiseerd zal worden. Het plan past in het Streekplan Noord-Holland uit 2003 en is verder beschreven in het Uitvoeringsplan Noordelijke Heuvelrug. Het gehele terrein wordt heringericht met verschillende bestemmingen: Concentratie / transformatie van het (voormalig) militair complex de Palmkazerne op het grondgebied van de gemeente Bussum tot woongebied. Concentratie / transformatie voormalige legerplaats Crailo / voormalig AZC in de gemeenten Laren en Hilversum. Het grootste deel van dit gebied krijgt de bestemming natuurgebied, waar het ecoduct over de A1 / Naarderstraat onderdeel van uitmaakt. In dit natuurgebied wordt tevens ca. 1,5 ha. (netto) architectonisch hoogwaardig (aansluitend bij het omliggende landschap) bedrijventerrein aangelegd in de gemeente Laren. In het ‘middengebied’ in de gemeente Hilversum wordt 9 ha (netto) bedrijventerrein (waarvan 2 ha. brandweeroefenterrein) ontwikkeld. 4.3.2.2 Nota Archeologiebeleid Op 23 februari 2011 is de Nota archeologiebeleid vastgesteld door de raad van de gemeente Laren. De nota is opgesteld voor de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren (BEL combinatie) en bestaat uit een archeologische beleidskaart en een bijbehorend beleidsrapport.
Het beleidsrapport dient ter onderbouwing van de totstandkoming van archeologische beleidskaart. Doel van de beleidskaart en de daaraan gekoppelde voorschriften is om een transparant afwegingskader te bieden ten aanzien van de noodzaak tot archeologisch onderzoek binnen de drie gemeenten. In de beleidskaart wordt uitgegaan van een zevental beleidscategorieën. Wanneer sprake is van verstoring van de bodem (bijvoorbeeld bij bebouwing) dan stelt de archeologische beleidskaart (en bijbehorende regels) de initiatiefnemer in staat om te beoordelen waar onderzoek moet plaatsvinden. Allereerst wordt onderzocht of erfgoed aanwezig
25
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
is, vervolgens om welk erfgoed uit welke periode het gaat. Uiteindelijk wordt het erfgoed opgegraven, worden de sporen van bewoning en gebruik vastgelegd en dienen de voorwerpen als illustratiemateriaal voor de geschiedenis van Laren.
4.3.2.3 Ambitiedocument Buurtschap Crailo De gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren hebben eind 2017 het voormalige kazerneterrein Crailo, waaronder de Kolonel Palmkazerne, gekocht van de Provincie Noord-Holland. Dit terrein ligt aan de Amersfoortsestraatweg ten zuiden van de snelweg A1, binnen de 3 gemeenten. De gemeenten gaan dit voormalige defensieterrein ontwikkelen tot een nieuw woon- en werkgebied via een gezamenlijke organisatie: GEM Crailo B.V. De gezamenlijk vastgestelde ambities die de gemeenten bij de ontwikkeling nastreven zijn verwoord in het vastgestelde 'Ambitiedocument Buurtschap Crailo'. Doelstelling is om een integrale, duurzame en innovatieve gebiedsontwikkeling te realiseren, waarbij wonen, bedrijvigheid en natuurbeleving integraal samengaan. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de regio, waaronder het toekomstig te realiseren gemengde woongebied Crailo. Daarmee sluit het initiatief aan op de Ruimtelijke structuurvisie 2008 - 2023 en het Ambitiedocument Buurtschap Crailo.
26
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
Hoofdstuk 5
5.1
Toekomstige situatie en omgevingsaspecten
Ruimtelijk concept
In het gebied 'Crailo' heeft Liander N.V sinds 2000 een tijdelijk transformatorstation dat (grote delen van) Bussum, Blaricum, Laren en Hilversum van elektriciteit voorziet. Op dit station wordt hoogspanning (50.000 volt (50kV)) omgezet in middenspanning (10.000 volt (10kV)), waarna met kabels de elektriciteit verder wordt getransporteerd. Het station omvat momenteel één schakelinstallatie en één transformator. Vanwege de te lage capaciteit en het tijdelijk karakter van het station, is Liander op zoek naar een toekomstvaste oplossing in de vorm van een volwaardig transformatorstation. De bouw van een volwaardig transformatorstation is meer dan 10 jaar uitgesteld vanwege onzekerheid in de ontwikkeling van het gebied en in het bijzonder een geschikte locatie voor een definitief station. De afgelopen jaren is de belasting van het tijdelijke station gegroeid en deze groei zal de komende jaren, mede door de energietransitie, verder toenemen. Hierdoor is de netsituatie kritisch geworden. Het gebied dat volledig afhankelijk is van dit tijdelijke station is groot. Om een indruk te geven van het verzorgingsgebied van dit station is in de onderstaande afbeelding de netsituatie weergegeven.
Gevolgen kritische netsituatie Crailo Normaliter heeft Liander een reservetransformator op een transformatorstation. In geval van het uitvallen van een transformator kan, door over te schakelen op de reservetransformator, de
27
bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)
elektriciteitsvoorziening binnen enkele minuten worden hersteld. Dit wordt het N-1 principe genoemd. Op station Crailo is dit niet het geval. Dit heeft tot gevolg dat bij uitval van de transformator een deel van de aangesloten verbruikers op de schakelinstallatie langdurig zonder elektriciteit komt te zitten, omdat het bestaande elektriciteitsnet de uitval niet kan opvangen. Door toedoen van de hiervoor beschreven situatie kan Liander de transformator en de schakelinstallatie van station Crailo niet uit bedrijf nemen en onderhoud plegen. Tenslotte is het huidige station van Liander N.V. alleen bereikbaar via een terrein van derden. Het onderhavige bestemmingsplan heeft een ontwikkelingsgericht karakter. Met het plan wordt binnen het plangebied een onderstation mogelijk gemaakt. Het gebouw bestaat uit een aantal ruimten en heeft een bouwhoogte van maximaal 12 meter.
Het onderstation - globale lay-out
Op een onderstation, ook wel elektriciteitsstation, transformatorstation of verdeelstation, komt elektriciteit met een hogere spanning binnen en wordt omgezet in een lagere spanning. De elektriciteit met een lagere spanning wordt vervolgens getransporteerd naar de transformator-huisjes in de wijk of naar bedrijven. Een onderstation is een groot elektriciteitsstation waar de hoge spanning (hoogspanning) naar een lagere (midden)spanning wordt veranderd en verdeeld in de omgeving. Er gebeuren drie dingen: De hoge spanning komt met een aantal kabels binnen in de schakeltuin en wordt verdeeld over de transformatoren; De hoge spanning wordt door de transformatoren veranderd (getransformeerd) naar een lagere (midden)spanning; De lagere (midden)spanning wordt door de middenspanningsinstallatie verdeeld en met kabels verdeeld in de omgeving. De transformatoren en bedienings- en installatieruimten zullen in twee fasen worden geplaatst: