CConstaterende datlaren
Koppel je AI →
Document · PDF

20210428Rvs17 Vaststelling bestemmingsplan Onderstation Crailo BIJLAGE bijlagen

Gemeenteraad 28 april 2021, gemeente larenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Onderstation Crailo19.263 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Beoordeling van stikstofdepositie Om te beoordelen of het planvoornemen effecten heeft op de stikstofdepositie, en daarmee op Natura 2000 gebieden, is het toekomstige gebruik beoordeelt in deze notitie en middels het rekeninstrument Aerius doorberekend. Dit programma berekent hoeveel ruimte er is voor nieuwe (economische) ontwikkelingen, in dit geval de nieuwbouw van een transformatorstation langs de A1 te Crailo. Het transformatorstation heeft zelf geen uitstoot tot gevolg, aangezien het een onbemand station betreft en geen vaste werkplekken of anderzijds cv-gestookte ruimtes bevatten. Voor onderhoud en controle zullen er enige verkeersbewegingen per jaar extra plaatsvinden. Echter zal met name de tijdelijke stikstofuitstoot door de beoogde bouwwerkzaamheden en de hiermee gepaard gaande verkeersbewegingen tot een negatief effect kunnen leiden en wordt hieronder verder uitgewerkt. Voor de bouw is gerekend met zwaar transport van vijf vrachtwagenritten per dag gedurende 4 weken en vier lichte verkeersbewegingen gedurende 40 weken ten behoeve van personeel en (onder)aannemers.

11

Bureau Aandacht Natuur

Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden worden verschillende zware machines ingezet. Hierbij is uitgegaan van volgende materieel en de bijbehorende werkduur: - Hydraulische kraan (75-130 kW) 6 werkweken - Midi kraan (56-75 kW) 2 werkweek - Betonpomp t.b.v. fundering en betonvloer (130-560 kW) 4 werkdagen - Heimachine (130-560 kW) 1 werkweek - telekraan (130-560 kW) 2 werkweken - Hoogwerker (56 -75 kW) 1 werkweek Veranderingen in stikstofbalans Binnen dit planvoornemen zijn de bouwwerkzaamheden van het plan aan te merken als tijdelijke stikstofbronnen voor de omgeving en de omliggende Natura 2000-gebieden. Om te bepalen wat de gevolgen zijn voor de stikstofdepositie van dit plan is onderstaand per onderdeel, de beoogde situatie geïnventariseerd en vergeleken met de oude situatie. Tijdelijk (minder dan een 1 jaar) is er sprake van bouwverkeer van en naar de projectlocatie en betreft vrachtverkeer en licht bouwverkeer (werknemers/aannemers). De uitstoot van extra stikstof door de tijdelijke verkeersaantrekkende werking en het energieverbruik van de machines benodigd voor de vernieuwbouw zijn de belangrijkste bronnen van stikstofemissie. Gerekend is met de inzet voor werkzaamheden per jaar, aangezien Aerius geen tijdelijke activiteit kent van één jaar of minder. Aerius berekent hierbij dan ook voor een te lange periode, aangezien de werkzaamheden tijdelijk van aard zijn.

In de onderstaande tabel, is de totale emissie per onderdeel binnen het planvoornemen op de betreffende planlocatie opgenomen.

Conclusie en advies Stikstofdepositie Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen is een stikstofdepositieanalyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de stikstofemissie op de projectlocatie door het planvoornemen toeneemt met 41,17 kg per jaar. Middels het programma Aerius is de nieuwe situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat de nabij gelegen Natura 2000 gebieden het Naardermeer en het Eemmeer & Gooimeer Zuidoever geen overschrijding verkrijgen door (extra) stikstofdepositie. Aan de hand hiervan zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger van de 0,00 mol/ha/j, zie figuur 5 en bijlage 2. De stikstoftoename na realisatie van het onderstation heeft betrekking op beheer en onderhoud van het station en zal een stuk lager zijn dan de reeds uitgevoerde berekening, waarmee de jaarlijks uitstoot kleiner is dan berekend en eveneens geen negatief effect heeft op Natura 2000 gebieden. Een aparte stikstofberekening ten aanzien van het gebruik van het onderstation is dan ook niet noodzakelijk. Andere externe effecten ten opzichte van de omliggende Natura 2000 gebieden zijn gezien

12

Bureau Aandacht Natuur

de geruime afstand van enkele kilometers en het tussenliggende stedelijke gebied niet aan de orde. Van externe (significant) negatieve effecten op nabij gelegen Natura 2000 gebieden door toedoen van de voorgenomen bouw van het transformatorstation is geen sprake. Een vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename of andere externe effecten op Natura 2000 gebieden is dan ook niet noodzakelijk.

Figuur 5. Print-screan van Aeius.nl met de doorgerekende gegevens

Tevens vinden de beoogde plannen niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een ecologische verbindingszone (evz) of weidevogelleefgebied. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. 4.2 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is het echter mogelijk dat de zwaar beschermde plantensoorten glad biggenkruid, korensla en stijve wolfsmelk voorkomen binnen de projectlocatie. Gezien de ruderale terreinomstandigheden is het dan ook noodzakelijk om nader onderzoek te verrichten naar het voorkomen van genoemde plantensoorten. Dit houdt in dat tijdens de bloeiperiode van genoemde plantensoorten een inventarisatie moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van 13

Bureau Aandacht Natuur

exemplaren van genoemde soorten. Aan de hand van het nader onderzoek zal moeten blijken of en voor welke soorten een ontheffing moet worden aangevraagd en of er eventueel aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. In het kader van de planuitwerking zijn er altijd maatregelen voorhanden om de functionaliteit van het plangebied voor eventueel aanwezige beschermde planten te waarborgen en zal de haalbaarheid van het plan niet in de weg staan. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk.

Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op de projectlocatie zelf. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag ten aanzien van jaarrond beschermde vogelsoorten is dan ook niet aan de orde. Tevens wordt niet verwacht dat met de voorgenomen bebouwing van de projectlocatie de landelijke staat van instandhouding ten aanzien van in het gebied aanwezige vogelsoorten in het geding is. Nader onderzoek of de aanvraag tot ontheffing voor (één van) deze soorten is dan ook niet aan de orde. Zoogdieren Naast een aantal zwaar beschermde soorten komen voornamelijk algemeen voorkomende beschermde soorten voor binnen de projectlocatie. Voor deze algemene soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en/of bestendig beheer, maar dient ten alle tijde de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming in acht te worden genomen. Andere, zwaar beschermde (grondgebonden) soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, maar voor kunnen komen op de projectlocatie zijn vleermuizen, das, eekhoorn, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. Van genoemde grondgebonden zoogdieren zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een verblijfplaats binnen de projectlocatie.

Ook met betrekking tot vleermuizen zijn geen boomholten geschikt als vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, aangetroffen. Gezien de ligging langs de A1 wordt tevens niet verwacht dat de projectlocatie van essentieel belang is voor genoemde zoogdieren. Genoemde soorten hebben veelal een groot territorium en aanwezige landschappelijke structuren zoals de bosrand langs de projectlocatie lopen ten einde bij de A1. Hierdoor wordt niet verwacht dat vliegroutes voor vleermuizen aanwezig zijn en dat grondgebonden zoogdieren mogelijk incidenteel de projectlocatie aandoen, maar gezien de menselijke activiteiten en de aanwezigheid van de A1 geen vaste rust- en verblijfplaats hebben op of nabij de projectlocatie. Een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming i.v.m. het voorkomen van zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten en/of vleermuizen is dan ook niet aan de orde. 2

In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.

14

Bureau Aandacht Natuur

Amfibieën en reptielen Met betrekking tot amfibieën zijn enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoeld in Wet Natuurbescherming. Gezien de voorgenomen werkzaamheden wordt echter niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën. Gezien de aanwezige terreinomstandigheden en het ontbreken van oppervlaktewater wordt niet verwacht dat de zwaar beschermde soorten kamsalamander of rugstreeppad voorkomen op of in de omgeving van de projectlocatie. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de zwaar beschermde reptielen zandhagedis, levendbarende hagedis en hazelworm kunnen voorkomen op of rond de projectlocatie. Van de eveneens zwaar beschermde ringslang wordt, gezien het ontbreken van geschikt habitat, niet verwacht dat deze voorkomt op de projectlocatie. Aangezien op het terrein open zandige terreintypen voorkomen in combinatie met struweel, is het mogelijk dat soorten als zandhagedis, hazelworm of levendbarende hagedis voorkomen op de projectlocatie. Voor de verdere ontwikkeling van het terrein is het dan ook noodzakelijk om vervolgonderzoek te doen naar het voorkomen van genoemde soorten.

Dit houdt in dat in het voorjaar (april t/m juni) een onderzoek moet worden verricht door middel van de zogeheten “plaatjesmethode”. Aan de hand van het nader onderzoek zal moeten blijken of en voor welke soorten een ontheffing moet worden aangevraagd en of er eventueel aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. In het kader van de planuitwerking zijn er altijd maatregelen voorhanden om de functionaliteit van het plangebied voor eventueel aanwezige beschermde reptielen te waarborgen en zal de haalbaarheid van het plan niet in de weg staan. Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 4.3 Houtopstanden De (mogelijk) te kappen delen zijn kleiner dan 10 are, waarmee er binnen de Wet Natuurbescherming geen aanvullende verplichtingen zijn ten aanzien van beschermde houtopstanden.

Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde. Uiteraard blijft wel de boomverordening van de gemeente Hilversum van kracht. Hiervoor geldt dat bomen met een stamdiameter, gemeten op 1.30 meter (DBH), groter dan 30 cm een kapvergunning moet worden aangevraagd. In figuur 6 zijn de standplaatsen van de aanwezige bomen op het terrein weergegeven. De nummering verwijst naar de tabel bij het figuur, waarin de doorsnede en soort per boom is weergegeven. Aan de hand van de boomverordening van de gemeente Hilversum dient, ten behoeve van de voorgenomen plannen, voor enkele bomen op het terrein een kapvergunning te worden aangevraagd.

15

Bureau Aandacht Natuur

Figuur 6. Standplaatsen, soort en omtrek per boom op en rond de projectlocatie

Figuur 7. Kwetsbare boomzone en de minimale graafafstand (rechts) ten opzichte van de stamvoet

16

Bureau Aandacht Natuur

Met uitzondering van enkele te kappen bomen binnen de contouren van het projectplan, worden bij voorkeur geen andere bomen verwijderd. Bij werkzaamheden langs bomen en bomenrijen dienen voorzorgmaatregelen genomen te worden om schade aan betreffende bomen te voorkomen. Ten aanzien van de werkzaamheden word een kwetsbare boomzone aangehouden, zie figuur 7. Hierbij zijn de volgende maatregelen geboden:  Geen materiaal/materieel opslaan onder de boomkroon van bomen.  Geen grond ophogen onder de boomkroon van bomen.  Tenminste de minimale graafafstand zoals aangegeven in figuur 7 aanhouden. Indien wordt gehandeld conform bovenstaande maatregelen wordt schade aan bomen tot een minimum beperkt en is een nadere boomanalyse niet noodzakelijk.

17

Bureau Aandacht Natuur

Literatuurlijst •

• • • • •

•

•

• • • • • • • • • • •

Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Bijlsma R.G., 1993, Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels, Schuyt & Co Uitgevers, en Importeurs BV, Haarlem Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De

Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/

18

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 1. Wet Natuurbescherming

Bureau Aandacht Natuur

Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.

34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.

Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •

Natura 2000-beheerplannen

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. •

Cumulatieve effecten

Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •

Beschermd Natuurmonument

Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.

Bureau Aandacht Natuur

Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.

Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd:  80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen  alle van nature in Nederland in het wild levende vogels  alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren  alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3)  bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •

Beschermingsregime Vogels

Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen  Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben  Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1

1

Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Bureau Aandacht Natuur

Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn:  in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;  ter bescherming van flora of fauna;  voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt,  om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten

Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.  Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;  ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;  in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Bureau Aandacht Natuur

 

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Beschermingsregime “andere” beschermde soorten

Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven;  in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;  ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;  ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;  ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied,  in het algemeen belang van de betreffende soort. •

Mitigatie en compensatie

Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn:  het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode  het gebruik maken van andere werkapparatuur  of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd

Bureau Aandacht Natuur

Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •

Vrijstelling

Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.

Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.

Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.

3

De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.

Bureau Aandacht Natuur

Ontheffing, vrijstelling en/of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen. Voor handelingen of activiteiten is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig indien:  Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen;  Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffingsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning (zoals activiteiten uit de Waterwet, mijnbouwwet etc.) geldt dat een aparte ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd moet worden (naast een mogelijke watervergunning, ontgrondingsvergunning etc.). Als sprake is van een handeling met gevolgen voor beschermde soorten of gebieden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, is het tevens mogelijk dat de initiatiefnemer eerst apart een ontheffing en/of vergunning onder de Wet Natuurbescherming aanvraagt en daarna de omgevingsvergunning.

De gemeente is het bevoegd gezag voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie (of in bijzondere gevallen door het Rijk) aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Indien (vooraf) een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd wordt / moet worden, is de desbetreffende provincie het bevoegd gezag. De provincie zal vervolgens de aangeleverde gegevens toetsen en bepalen of een vergunning, ontheffing dan wel vrijstelling kan worden afgegeven en onder welke voorwaarden.

Een ontheffing (of een vrijstelling) wordt uitsluitend verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden:  Geen andere bevredigende oplossing voor handen is;  Sprake is van een in de wet genoemd belang (zie soortbescherming);  Geen sprake is van verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal de provincie een toetsing van de belangen en de alternatieven uitvoeren en een ecologische toetsing doen. De termijn voor het behandelen van een aanvraag bedraagt 13 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met 7 weken. Indien door een handeling of activiteit verbodsbepalingen overtreden worden, moet door de initiatiefnemer worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing(en) is, waardoor de verbodsbepalingen niet overtreden zullen worden. Bij andere oplossingen kan gedacht worden aan alternatieve locaties, een ander ontwerp of inrichting van het plan, of een andere uitvoering van de handelingen. Bij de beoordeling of afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding mogen mitigerende en compenserende maatregelen betrokken worden. Uiteindelijk mag het verlenen van de ontheffing geen negatief effect hebben op het voorkomen van de soort. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime.

Wettelijk verschilt het toetsingscriterium voor vogels van dat voor overige Europees en nationaal beschermde soorten. Europese jurisprudentie maakt echter duidelijk dat bij afwijkingen onder de Vogelrichtlijn ook gekeken moet worden naar de staat van instandhouding van de populatie vogels.

Bureau Aandacht Natuur

De staat van instandhouding van lokale populaties is meestal niet bekend. De status van de lokale populatie kan afwijken van de landelijke staat van instandhouding of landelijke trend. Hoe minder gunstig de trend en/of staat van instandhouding, des te strenger moet de beoordeling zijn of er toestemming voor de ontheffing kan worden verleend. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve effecten, dus ook met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van de soort.

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 2. Aerius-berekening

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl. S5oNHczja4WT (25 november 2019) pagina 1/6

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Qirion BV

Amersfoortsestraatweg, 1251AV Laren

Omschrijving

AERIUS kenmerk

nieuw tranformatorstation Crailo S5oNHczja4WT

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

25 november 2019, 16:50

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

41,17 kg/j

NH3

-

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

de realisatie van een nieuw transformatorstation

Situatie 1

S5oNHczja4WT (25 november 2019) pagina 2/6

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Resultaten

Bron Sector

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

Bron 1 Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

-

< 1 kg/j

Bron 2 Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

-

40,98 kg/j

S5oNHczja4WT (25 november 2019) pagina 3/6

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

Resultaten

NOx

Voertuig

Omschrijving

STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q

transport materiaal en materieel

vervoer STAGE IV, 75 – 130 kW, bouwjaar personeel/aannemers 2014/01, Cat. R

Situatie 1

Bron 1 142396, 475414 < 1 kg/j

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

60

NOx

< 1 kg/j

100

NOx

< 1 kg/j

Brandstof verbruik (l/j)

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

S5oNHczja4WT (25 november 2019) pagina 4/6

Resultaten

Naam Locatie (X,Y) NOx

Voertuig

Omschrijving

Hydraulische kraan STAGE III B, 75 – 130 kW, bouwjaar 2012/01, Cat. M

Resultaten

Bron 2 142407, 475317 40,98 kg/j

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

2.700

NOx

29,35 kg/j

Brandstof verbruik (l/j)

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

STAGE III B, 56 – 75 kW, bouwjaar 2012/01, Cat. N

midikraan

400

NOx

4,91 kg/j

STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q

heimachine

750

NOx

< 1 kg/j

STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q

betonpomp

360

NOx

< 1 kg/j

STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q

telekraan

1.400

NOx

1,69 kg/j

STAGE III B, 56 – 75 kW, bouwjaar 2012/01, Cat. N

hoogwerker

300

NOx

3,68 kg/j

Situatie 1

S5oNHczja4WT (25 november 2019) pagina 5/6

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS

versie 2019_20191018_c53b8fdaa8

Database

versie b429880a81

Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/uitleg

Resultaten

Situatie 1

S5oNHczja4WT (25 november 2019) pagina 6/6

bestemmingsplan Onderstation Crailo Laren (ontwerp)

Bijlage 3 Archeologisch onderzoek

91

Kolonel Palmkazerne, Crailo rapport 3621

Kolonel Palmkazerne, Crailo (gemeenten Bussum, Hilversum en Laren) Een aanvullend Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

R.R. Datema R.M. van der Zee

2

Colofon ADC Rapport 3621 Kolonel Palmkazerne, Crailo (gemeenten Bussum, Hilversum en Laren) Een Aanvullend Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek Auteurs: R.R. Datema en R.M. van der Zee In opdracht van: Provincie Noord-Holland © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 20 november 2014 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: definitief Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Autorisatie: E. Jacobs

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033-299 81 81 Fax 033-299 81 80 Email info@archeologie.nl

3

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Aanvullend bureauonderzoek 2.1 Doelstelling en vraagstelling 2.2 Methodiek 2.3 Resultaten 2.4 Conclusie aanvullend bureauonderzoek 3 Vooronderzoek 3.1 Bureauonderzoek 3.2 Programma van Eisen 2008 3.3 Uitgangspunten veldonderzoek 2014 4 Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 4.1 Inleiding 4.2 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 4.3 Conclusie verkennend booronderzoek 5 Aanbeveling Literatuur Geraadpleegd kaartmateriaal Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen en tabellen Verklarende woordenlijst Bijlage 1 Boorgegevens

5 7 9 9 10 10 11 12 12 12 14 15 15 16 18 19 20 20 20 20 21 35

4

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode

Afkorting

Tijd in jaren

Nieuwe tijd

NT

1500 - heden

Middeleeuwen:

XME

450 – 1500 na Chr.

Late Middeleeuwen

LME

Vroege Middeleeuwen

VME

Romeinse tijd:

ROM

1050 - 1500 na Chr. 450 - 1050 na Chr. 12 voor Chr. – 450 na Chr.

Laat-Romeinse tijd

ROML

270 - 450 na Chr.

Midden-Romeinse tijd

ROMM

70 - 270 na Chr.

Vroeg-Romeinse tijd

ROMV

12 voor Chr. - 70 na Chr.

IJzertijd:

IJZ

Late IJzertijd

IJZL

250 - 12 voor Chr.

Midden-IJzertijd

IJZM

500 - 250 voor Chr.

Vroege IJzertijd

IJZV

Bronstijd:

BRONS

Late Bronstijd

BRONSL

800 – 12 voor Chr.

800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr.

Midden-Bronstijd

BRONSM

1800 - 1100 voor Chr.

Vroege Bronstijd

BRONSV

2000 - 1800 voor Chr.

Neolithicum (Jonge Steentijd):

NEO

Laat-Neolithicum

NEOL

5300 – 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr.

Midden-Neolithicum

NEOM

4200 - 2850 voor Chr.

Vroeg-Neolithicum

NEOV

Mesolithicum (Midden-Steentijd):

MESO

5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr.

Laat-Mesolithicum

MESOL

6450 - 4900 voor Chr.

Midden-Mesolithicum

MESOM

7100 - 6450 voor Chr.

Vroeg-Mesolithicum

MESOV

8800 - 7100 voor Chr.

Paleolithicum (Oude Steentijd):

PALEO

Laat-Paleolithicum

PALEOL

35.000 - 8800 voor Chr.

Midden-Paleolithicum

PALEOM

300.000 – 35.000 voor Chr.

Vroeg-Paleolithicum

PALEOV

tot 300.000 voor Chr.

Bron: Archeologisch Basis Register 1992

tot 8800 voor Chr.

5

Samenvatting In verband met de opdracht van de Provincie Noord-Holland aan ADC ArcheoProjecten voor het uitvoeren van een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek voor het plangebied Kolonel Palmkazerne te Crailo (gemeente Bussum, Hilversum en Laren) is aanvullend bureauonderzoek gedaan naar de ligging van een vermoede schans. De schans zou deel uitmaken van een reeks van zeven aardwerken ten zuiden en oosten van de vesting van Naarden, die als onderdeel van de Hollandse Waterlinie in de periode 1914-1918 zouden zijn aangelegd. Tussen de schansen lag een droge gracht met een infanterie-borstwering. Tachtig meter erachter waren verbandplaatsen, telefoonposten, schuilplaatsen en dergelijke in een loopgravenstelsel. Vandaag de dag is nog slechts één van deze schansen in het landschap zichtbaar, namelijk de schans op de Bussumerheide, iets ten westen van het hier besproken plangebied. Tussen deze schans en het plangebied is verder in het zogenoemde Hobbeltjesbos nog een klein deel van de borstwering en gracht bewaard gebleven. Luchtfoto’s uit 1925 laten evenwel zien dat ook binnen het terrein van de voormalige Kolonel Palmkazerne oorspronkelijk een schans aanwezig was. Vergelijking van de luchtfoto en historische kaarten plaatst deze aan de westzijde van het plangebied (afb. 7).

Opvallend is dat de schansen niet staan afgebeeld op de Bonnekaart van 1932, ondanks dat deze verder een zeer gedetailleerd beeld geven van de inrichting van het gebied. Aansluitend op het bureauonderzoek is in mei en juni 2014 binnen het plangebied een Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestond uit een verkennend booronderzoek, met in totaal 90 boringen, op veertien hiertoe geselecteerde terreindelen. Het gaat daarbij om zones waar ontwikkelingen zijn voorzien, echter buiten de huidige bouwvlakken. Aangenomen wordt dat ter plaatse van de huidige bebouwing de bodem dusdanig vergraven is dat hier geen archeologische resten meer zijn te verwachten. Dit is ingegeven door de veronderstelde ligging van archeologische resten direct onder het maaiveld. Uit het booronderzoek komt naar voren dat de ondergrond van het plangebied wordt gevormd door gestuwde pleistocene formaties, bestaande uit grindhoudend, matig tot uiterst grof zand. Verder blijkt dat de natuurlijke bodem uit podzolgronden bestaat. Deze waarnemingen zijn in overeenstemming met de in het vooronderzoek uitgesproken verwachting. De podzolgronden in het plangebied worden gekenmerkt door een A-(E-)Bh/Bs-BC-C-profiel. In de terreindelen waar sprake is van een (restant van een) podzolprofiel is het potentieel archeologisch niveau nog behouden.

Dit betreft met name de beboste delen in de randzones van het plangebied, in het bijzonder de noordoostrand, alsook verspreid langs de Nieuwe Crailoseweg en op het AZCterrein. Hier dient rekening te worden gehouden dat eventuele archeologische vondsten nog in onverstoorde ligging zijn en dat eventuele grondsporen nog bewaard zijn gebleven. Gezien het wijdverbreid voorkomen van podzolprofielen wordt aangenomen dat de A-(A/C)-Cbodemprofielen het resultaat zijn van grondverzet ten behoeve van de inrichting van het plangebied als militair oefen- en kazerneterrein. Bij dit grondverzet is de oorspronkelijk aanwezige podzolgrond vergraven of volledig ‘onthoofd’. Op grond van de dikte van E-, Bh/Bs- en BC-horizont in de intacte profielen bekent dit dat tenminste 40 cm van de top van de gestuwde afzettingen is verdwenen. Het potentieel archeologisch niveau is in deze terreindelen niet meer aanwezig. Alleen de onderkant van dieper ingegraven grondsporen zou nog aanwezig kunnen zijn. In veel gevallen zal gezien de dikte van de verstoorde lagen het grondverzet echter dusdanig intensief zijn geweest, dat het archeologisch bodemarchief volledig is vernietigd.

Op basis van de ondiepe ligging van het potentieel archeologisch niveau mag tevens worden aangenomen dat ter plaatse van de bebouwde delen als gevolg van het bouwrijp maken van de grond en de aanleg van de funderingen het potentieel archeologisch niveau niet meer aanwezig is. ADC ArcheoProjecten adviseert om de zones waar tijdens het verkennend booronderzoek in aangrenzende boringen een grotendeels intact podzolbodemprofiel is vastgesteld nader te onderzoeken (afb. 12). Gezien de aanwezigheid van boomwortels, een soms sterk verdichte, zeer

6

droge en grindige bodem en de plaatselijk relatief diepe ligging van het potentieel archeologisch niveau wordt de uitvoering van een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek (fase 2 conform (concept)PvE 2008 en uitgangspunten 2014) niet als een werkbare optie beschouwd. Het boren met een Edelman met een diameter van 15 cm zal hier fysiek niet mogelijk zijn. Bovendien blijft ook bij een karterend booronderzoek de kans bestaan dat vindplaatsen die gekenmerkt worden door een zeer lage vondstdichtheid en/of omvang gemist zullen worden. Om bovengenoemde redenen wordt daarom de uitvoering van een Inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P) aanbevolen. Hiermee kan de gaafheid, omvang, datering en conservering van eventuele vindplaatsen onderzocht worden. Aanbevolen wordt verder om ook de exacte locatie van de uit 1914-1918 daterende schans middels een proefsleuvenonderzoek te bepalen. Dit in tegenstelling tot de in het (concept)PvE genoemde methode om deze middels grondboringen te lokaliseren. De reden hiervoor is dat de schans zelf inmiddels bovengronds geheel is opgeruimd. Hooguit zullen alleen nog dieper ingegraven elementen ervan, zoals de gracht/greppel rondom de schans in de ondergrond aanwezig zijn.

Voor het middels grondboringen opsporen van een dergelijk relatief smal lijnelement is een zeer dicht boorgrid noodzakelijk. Zelfs indien het mogelijk blijkt om op de locatie een dergelijk dicht boorgrid te realiseren, is de kans groot dat een exacte lokalisering uiteindelijk vanwege de vele verstoringen op het terrein (kabel- en leidingsleuven, bomkraters, niet-gesprongen explosieven en dergelijke) niet mogelijk zal zijn. Vanwege de vele verstoringen, die de interpretatie van bodemlagen bemoeilijken, wordt de aanleg van proefsleuven aanbevolen. Voorgesteld wordt om aan de west- en zuidzijde van de vermoede locatie van de schans, ter hoogte van de gracht/greppel die het aardwerk begrenst, over een afstand van circa 30 tot 50 m een proefsleuf te graven (afb. 12 ). Nadat in de proefsleuven de positie van de gracht bepaald is, kan op basis van de aanname dat het een min of meer rond verdedigingswerk betreft de omtrek en locatie van de schans bepaald worden. De keuze om het booronderzoek aan de west- en zuidzijde uit te voeren is daarbij dan gebaseerd op het feit dat hier vandaag de dag geen sprake is van bebouwing en de kans groot geacht wordt dat de begrenzing van de schans hier nog relatief goed in de bodem bewaard is.

De exacte invulling van het proefsleuvenonderzoek de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). In het overige deel van het plangebied wordt vanwege de aanwezigheid van vergraven of onthoofde bodemprofielen geen nader onderzoek noodzakelijk geacht. Benadrukt moet evenwel worden dat ook in deze hier zones plaatselijk nog sprake kan zijn van het voorkomen intacte podzolbodemprofielen. Deze zullen echter vermoedelijk in omvang beperkt zijn waardoor geen sprake meer zal zijn van een behoudenswaardige vindplaats. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zo¬als aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet.

7

1

Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van de Provincie Noord-Holland heeft ADC ArcheoProjecten in de periode maart t/m juni 2014 een aanvullend bureauonderzoek gevolgd door een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Kolonel Palmkazerne’ te Crailo (gemeenten Bussum, Hilversum en Laren). Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. In het kader hiervan werd in 2006 door de provincie Noord-Holland aan de Grontmij de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek. Doel daarvan betrof het opstellen van een specifiek verwachtingsmodel op basis van bekende en verwachte archeologische waarden, historische en aardwetenschappelijke informatie. Uit het bureauonderzoek bleek dat binnen het plangebied grotendeels sprake is van een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde voor vondsten en sporen uit de periode van de Prehistorie tot en met de Nieuwe tijd. Tevens zou binnen het plangebied mogelijk sprake zijn van een schans, die in 1880 in het kader van de Nieuwe Hollandse Waterlinie plangebied zou zijn aangelegd. Waar deze schans dan binnen het terrein gesitueerd zou moeten zijn, werd in het bureauonderzoek niet aangegeven.

Aanbevolen werd hier nader onderzoek naar te verrichten.1 Tevens werd aanbevolen om de archeologische verwachting voor het plangebied te toetsten middels een Inventariserend veldonderzoek middels grondboringen. Na afronding van het bureauonderzoek is het project echter stil komen te liggen. Recentelijk is het project door de provincie Noord-Holland evenwel weer ter hand genomen. In het kader hiervan is aan ADC ArcheoProjecten de opdracht verstrekt het geadviseerde aanvullende bureauonderzoek naar de mogelijke aanwezigheid en ligging van de schans binnen het plangebied uit te voeren. Aansluitend op het bureauonderzoek naar de schans is in mei en juni 2014 in het plangebied Kolonel Palmkazerne een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hoewel op basis van het in 2006 uitgevoerd bureauonderzoek en het hierop gebaseerde Programma van Eisen aan vrijwel het gehele gebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting is toegekend, is door het bevoegd gezag besloten dat alleen die zones waar ontwikkeling in de vorm van nieuwbouw is voorzien nader onderzoek middels een booronderzoek noodzakelijk was. Het verkennend booronderzoek is op basis hiervan beperkt tot veertien afzonderlijke deellocaties binnen het plangebied. Het gaat daarbij om zones waar ontwikkelingen zijn voorzien, echter buiten de huidige bouwvlakken.

Aangenomen wordt dat ter plaatse van de huidige bebouwing de bodem dusdanig vergraven is dat hier geen archeologische resten meer zijn te verwachten. Dit is ingegeven door de veronderstelde ligging van archeologische resten direct onder het maaiveld. Het voorliggende rapport behandelt in hoofdstuk 2 de resultaten van het aanvullend bureauonderzoek en in hoofdstuk 3 en 4 de resultaten van het Inventariserend veldonderzoek.

1

Huizing-Schreur 2006

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10074446/1