[T26.00996] Uitgangspunten Begroting 2027-2030
Tekst van het document
Uitgangspunten Begroting 2027-2030
Afdeling: Financiën Datum: 26-05-2026 Corsanummer: T26.00996
Voor de samenstelling van de Begroting 2027–2030 stelt het college de volgende kaders en uitgangspunten voor. Het college verzoekt de Raad deze kaders en uitgangspunten vast te stellen.
1.1
Toewerken naar een toekomstbestendige, structureel sluitende begroting
1.1.1
Een structureel sluitende begroting voor 2027 middels structurele maatregelen
Op basis van het BBV is het uitgangspunt voor gemeenten een structureel sluitende meerjarenbegroting. De toezichthouder (Provincie Zuid-Holland) eist in elk geval een structureel sluitende begroting voor het begrotingsjaar en bij voorkeur ook voor de jaren erna. Dit betekent dat alle structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Het college stelt voor dat er een structureel sluitende begroting komt voor het begrotingsjaar 2027 en voldoet daarmee aan de vereisten van de toezichthouder (onder de voorwaarde dat er voldoende vrije reserves zijn). Ombuigingsmaatregelen die ingezet worden voor 2027 met een structurele doorwerking, hebben daarmee ook een impact op de meerjarige begroting. Uitgaande van de huidige verwachtingen laten dan ook de jaren na 2027 aanzienlijk lagere tekorten zien, maar aanvullende maatregelen blijven in dit geval nodig voor de begroting van 2028 en verder.
1.1.2
Eventuele meevallers inzetten om het structurele meerjarentekort verder te verkleinen
Door het tekort in 2027 met structurele maatregelen te sluiten, wordt de opgave voor 2030 al gedeeltelijk gedempt. Door eventuele tussentijdse meevallers, bijvoorbeeld bij de Septembercirculaire, niet in te zetten om ingezette maatregelen terug te draaien, daalt het structurele meerjarentekort verder en beperkt dit de noodzaak tot meer maatregelen in latere jaren. Hiermee zorgen we voor stabiliteit, voorspelbaarheid en betrouwbaarheid, zowel voor de maatschappij als voor de organisatie.
1.2
De inwoneraantallen uit de bevolkingsprognose hanteren
Het inwoneraantal is een belangrijke factor in de begroting. Zowel aan de lasten- als aan de batenkant is het aantal inwoners bepalend. Meer inwoners betekent meer uitgaven. Daar tegenover staat dat tevens de inkomsten vanuit het Rijk (algemene uitkering) toenemen bij meer inwoners. Sinds de invoering van de nieuwe systematiek voor het gemeentefonds in 2022, waarbij er gerekend wordt met minder maatstaven, is de zwaarte van de maatstaf ‘inwoneraantal’ fors toegenomen. Zo betekent 1.000 inwoners meer, ca. € 320.000 meer inkomsten uit het gemeentefonds en vice versa; dit betreft de directe impact van het aantal inwoners; het aantal inwoners heeft daarnaast ook nog een indirecte impact via andere maatstaven, bijvoorbeeld de aantallen jongeren, ouderen, huishoudens en leerlingen. Een goede prognose van het aantal inwoners is daarom essentieel. Dat is ook de reden dat hier ook voor de Kaderbrief 2027 extra aandacht aan is besteed. Daarnaast vereist een solide begroting dat er voor zowel de baten als de lasten met dezelfde maatstaven gerekend wordt, om scheve verhoudingen te voorkomen. Immers, als we aan de inkomstenkant rekening houden met meer inkomsten als gevolg van een stijgend aantal inwoners, terwijl we aan de lastenkant uit zouden gaan van gelijkblijvende situatie, dan zouden we ons als gemeente onterecht rijk rekenen.
De tabel hieronder laat de conceptprognose van de bevolkingsgroei zien. De cijfers over 2026 betreffen de werkelijke aantallen inwoners, per 1 januari 2026. Het geraamde aantal inwoners vanaf 2027 is gebaseerd op de conceptbevolkingsprognose van maart 2026, die onder andere weer gebaseerd is op de meest recente woningbouwprognose, met daarin een afslag van 80% realisatie. In Uitgangspunten Begroting 2027-2030 (T26.00996)
2
deze woningbouwprognose rekenen we met woningbouw op de volgende grote projecten: Wolfend, Wilderszijde, Driehoek Noordpolder, Noordeinde (LOO2), Berkel Westpolder, Merenweg, Lange Vaart en Bleizo Kwartier. De prognose die we voorheen hanteerden was gebaseerd op de cijfers van 2025. Het geraamde aantal inwoners is redelijk vergelijkbaar. De toename van het aantal verwachte inwoners in 2030 is met name gebaseerd op woningopleveringen op Wilderszijde in 2029.
Aantal inwoners per 1 januari Inwoners conceptprognose 2026 Toename in begrotingsjaar
2026 66.638 523
2027 67.000 362
2028 68.300 1.300
2029 69.200 900
2030 72.300 3.100
Inwoners definitieve prognose 2025 Afwijking t.o.v. eerdere prognose
66.700 -62
67.000 0
68.100 200
69.400 -200
70.500 1.800
Mocht de definitieve bevolkingsgroeiprognose sterk afwijken van de conceptversie, dan verwerken we de definitieve versie in de Begroting 2027, daarbij rekening houdend met de aanpassing.
1.3
Loon- en prijsontwikkeling (inflatie)
Afgelopen jaren hebben we te maken gehad met hoge inflatiecijfers. De stijgende kosten hebben een grote impact op ons als gemeente en ook op de gehele samenleving. Om realistisch te begroten passen we een indexatie van de kosten toe. De Provincie schrijft dit ook voor. Niet alleen de kosten worden geïndexeerd. Via het Gemeentefonds worden ook de inkomsten van de Algemene Uitkering geïndexeerd.
1.3.1
Kostenbudgetten indexeren met inflatiecorrectie (variërend van 2,2% tot 5,13%)
De uitgavenramingen 2027 (t/m 2030) worden met inflatie verhoogd naar prijspeil 2027. De budgetten die met indexatie worden verhoogd zijn onder te verdelen in: Materiële budgetten (3,40%): De toegepaste indexatie is de gecombineerde LPO-index. Dit betreft een gewogen gemiddelde van de loonvoet sector overheid (60%), de index prijs materiële overheidsconsumptie (IMOC, 20%) en de index prijs overheidsinvesteringen (IBOI, 20%). Deze is gebaseerd op de loon- en prijsontwikkeling uit de CEP-raming 2026. Deze cijfers rapporteert het Rijk elk jaar ook in de Meicirculaire. We hanteren hiermee een consistente gedragslijn. De berekening ziet er als volgt uit:
loonvoet sector overheid (60%) Index prijs materiële overheidsconsumptie (IMOC, 20%) Index prijs overheidsinvesteringen (IBOI, 20%) Gecombineerde LPO-index
2027 4,2% 2,1% 2,3% 3,40%
Verbonden partijen (3,41% en 3,8%): o Regio Rijnmond: Jaarlijks stellen de deelnemende gemeenten in de regio Rijnmond via een vaste methodiek een indexatie vast voor de verbonden partijen waaraan de deelnemende gemeenten zich committeren. Deze systematiek is gebaseerd op de BBP-/pBBP-systematiek van het rijk. Dit is voor 2027 3,41%
Uitgangspunten Begroting 2027-2030 (T26.00996)
3
Voor de MRDH volgende we Kaderbrief van de regio Haaglanden. Zij hanteren ook de de gecombineerde LPO-index met een correctie over de twee voorgaande jaren. Omdat ten tijde van het opstellen de nieuwste CEP-raming nog niet beschikbaar was, is de berekening gebaseerd op de CEP 2025 en MEV 2026. Dit komt voor de Begroting 2027 uit op 3,8%. Subsidies (5,13%): Subsidies kennen wij toe aan maatschappelijke partners die vrijtoegankelijke voorzieningen aanbieden in het sociaal domein. De 5,13% is de OVA/PPCindexatie (Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling/Prijs particuliere consumptie). Wmo en Jeugd Lokaal (4,1%-5,13%%): Voor Wmo en Jeugd Lokaal worden er prijsindexcijfers tussen 4,1%-5,13% toegepast (afhankelijk van contractafspraken). Dit betreffen bijvoorbeeld de NEA-index 2026 van 4,1% voor collectief vervoer (de Nationale Energie Efficiency Index), OVA-index van 4,24% of de OVA/PPC-index van 5,13%. Openbare Ruimte (2,2%): Conform de raamovereenkomsten is voor 2027 de indexatie van het CBS/GWW toegepast. Ter indicatie is bij de indexatie over 2027 1% gelijk aan ca. € 94.000. o
1.3.2
Loonkostenraming: een stelpost opnemen voor de nieuwe Cao
De huidige Cao voor gemeentepersoneel loopt tot 31 maart 2027. Deze Cao-stijging is in de Kaderbrief verwerkt. Voor 2027 en verder zal er naar verwachting een nieuw Cao-akkoord komen. Het is nog niet bekend wat de financiële consequenties hiervan zullen zijn. Uitgaande van de CEPraming 2026 (consistent met de prijsontwikkeling), verwachten we voor 2027 een loonkostenstijging van 4,2% in 2027. Deels is dit al onderdeel van de huidige Cao en daarmee de huidige begroting. Voor het restant hebben we in de Kaderbrief een stelpost opgenomen. Ter indicatie: 1% betreft ca. € 457.000. De Provincie Zuid-Holland heeft vanuit haar rol als toezichthouder het uitgangspunt dat de toe te passen indexaties realistisch zijn. Mocht de indexatie ten tijde van de Meicirculaire 2026 anders uitvallen, dan zullen we de Begroting 2027-2030 hierop bijstellen.
1.4
Tarievenbeleid met betrekking tot belastingen en heffingen
De tarieven van de algemene belastingen (onroerendzaakbelasting (OZB), hondenbelasting en precario) worden minimaal verhoogd met een inflatiecorrectie, die nu wordt ingeschat op 3,40%. Toepassing van indexatie op heffingen/leges vindt plaats met inachtneming van het uitgangspunt dat de kostendekkendheid niet mag worden overschreden.
1.5
Rente
Voor te verwachten nieuw af te sluiten langlopende leningen, onder andere in verband met de financiering van nieuwe investeringen, hanteren we in de Meerjarenbegroting 2027-2030 een percentage van 3,5%. Dit is een inschatting van het rentepercentage indien we een 10-jarige lineaire lening zouden moeten afsluiten, gebaseerd op recente rentepercentages met een kleine opslag o.b.v. voorzichtigheidsbeginsel en onzekerheden op de kapitaalmarkt. Wij constateren een toenemend renterisico als gevolg van recente geopolitieke ontwikkelingen en de doorwerking daarvan op de kapitaalmarkt. De rente vertoont aanzienlijke schommelingen, mede door de huidige onzekerheden op de kapitaalmarkt. Tegelijkertijd willen we, gezien de begrotingsopgave waar wij voor staan, scherp aan de wind varen en geen onnodig beroep doen op het begrotingssaldo. Op basis van deze overwegingen is gaan we Uitgangspunten Begroting 2027-2030 (T26.00996)
4
voor de Kaderbrief en Begroting 2027 uit van een rentepercentage van 3,5%. Hiermee nemen we een risico: als de daadwerkelijke rente toch hoger uitvalt, zal dit tot hogere rentelasten leiden.
1.6
Capaciteit volgt beleid, groei en (wettelijke) taak
Om uitvoering te geven aan amendement A2022-052 op de Begroting 2023 en om realistisch te ramen, hanteren we het principe ‘capaciteit volgt beleid, groei in omvang (aantallen) van wettelijke taken en (wettelijke) taak’. Indien besloten wordt om beleid te stoppen dan heeft dit gevolgen voor de capaciteit en vice versa. Wettelijke taken kunnen we alleen uitvoeren met voldoende capaciteit en aangezien we een groeigemeente zijn, groeit de capaciteit mee met de groeigerelateerde factoren. We maken deze groei, in lijn met de strekking van het amendement, zichtbaar per programma in T26.02249. Als gemeente willen we in staat blijven om goede medewerkers aan ons te binden en deze te behouden. Zeker in de huidige arbeidsmarkt is het van belang dat medewerkers met plezier hun werk kunnen doen, zodat zij onze inwoners en ondernemers zo goed mogelijk van dienst kunnen zijn. Ook in een financieel lastige situatie, blijven de organisatieprincipes daarom in stand. Dit houdt onder andere in dat we streven naar een passende werkdruk met daarbij een reële teamomvang en span-of-attention voor teammanagers.
1.7
Vasthouden aan het huidige format van de begroting
Voor de Meerjarenbegroting 2027-2028 houden we vast aan de huidige programmabegroting, met uitzondering van uitgangspunt 1.8.
1.8
Indeling beleidsvelden Programma 5
De vaststelling van de programma-indeling van de begroting is een bevoegdheid van de Raad. De diverse programma’s zijn weer onderverdeeld in beleidsvelden. Binnen Programma 5 hanteren we in de huidige begroting drie beleidsvelden, namelijk 5.1 Beheer openbare ruimte, 5.2 Afval- en afvalwatermanagement en 5.3 Vastgoed. Met ingang van Begroting 2027 zullen we beleidsveld 5.2 splitsen in 5.2 Afval en 5.3 Afvalwatermanagement. Het huidige beleidsveld 5.3 Vastgoed zal alleen qua nummering wijzigen in 5.4 Vastgoed. Met de splitsing van beleidsveld 5.2 verbeteren we het inzicht. Beide beleidsvelden vallen in een afzonderlijk gesloten systeem. In de huidige situatie vallen deze samen in één beleidsveld en komt in de P&C-producten niet duidelijk naar voren dat deze gesloten systemen ook daadwerkelijk gesloten zijn. Door splitsing maken we dit beter inzichtelijk.
1.9
De ratio weerstandsvermogen blijft op of boven de 1,4
Het weerstandsvermogen geeft aan of de gemeente in staat is om substantiële, incidentele, financiële tegenvallers op te vangen, zonder de noodzaak om direct te bezuinigen en/of lokale lasten te verhogen. De ratio dient binnen de bandbreedte van de door de raad gewenste marge ‘ruim voldoende’ te blijven (tussen de 1,4 en 1,8), waarbij de Raad streeft naar een ratio van 1,7 (Conform de Nota risicomanagement en weerstandsvermogen gemeente Lansingerland 2024 – 2027). Gezien de financiële onzekerheid die er nog heerst vanuit het Rijk voor met name 2028 en de jaren erna, is het effect op het weerstandsvermogen in die jaren nog niet duidelijk. Bij de vaststelling van de Begroting 2024 is besloten om de Enecoreserve te betrekken bij de berekening van het weerstandsvermogen. Ondanks dat er druk staat op het weerstandsvermogen, blijft de
Uitgangspunten Begroting 2027-2030 (T26.00996)
5
weerstandsratio vooralsnog ruim boven de 1,7. Door inzet van de reserves en de meerjarentekorten daalt dit echter wel substantieel.
1.10 Post onvoorzien hanteren die niet meer gerelateerd is aan het inwoneraantal De comptabele regelgeving (BBV) schrijft een structurele post onvoorzien voor: de hoogte is aan de gemeente zelf. Als leidraad werd in het verleden € 1 per inwoner genomen. Dat is budgettair van beperkte omvang, maar heeft meer symbolische waarde dan een vast bedrag, omdat het zichtbaar maakt dat Lansingerland een groeigemeente is. Bij de Begroting 2024 is de post onvoorzien naar beneden bijgesteld naar € 8.000. Het college houdt voor de Begroting 2027 de gewijzigde lijn aan.
1.11 Overheaddoorbelasting aan Investeringen in het Meerjaren Investeringsplan (MIP) Bij de Begroting 2025 is besloten om niet alleen aan grondexploitaties (grexen) en anterieure overeenkomsten (AOK’s), maar ook aan investeringsprojecten in het MIP overheadkosten toe te rekenen door middel van een overheadopslag. Overheadkosten worden immers deels ook gemaakt voor projecten, dus ook investeringsprojecten. Het college houdt ook voor de Begroting 2027 deze lijn aan.
1.12 Gemeentefondsraming op basis van vaste prijzen en prijspeil 2027 Voor de gemeentefondsraming hanteren we de toepassing van vaste (of gefixeerde prijzen) en gaan we uit van prijspeil 2027. Dit is de bestendige gedragslijn. In de regel hanteren gemeenten bij hun gemeentefondsramingen de systematiek van constante prijzen (ook Lansingerland); d.w.z. de cijfers van begroting en meerjarenramingen worden weergegeven in het op dat moment bekende prijspeil. Bij elke opvolgende circulaire kan –hoeft niet- dat prijspeil wijzigen; die eventuele prijsbijstellingen vinden plaats middels een positieve of negatieve correctie op de cijfers: eenvoudig en de oorsprong/moment van aanpassing prijspeil is traceerbaar. Gemeenten mogen ook kiezen voor ramingen in lopende prijzen: dan wordt per jaar het prijspeil van dat jaar gebruikt. Theoretisch geeft dat een preciezer beeld per begrotingsjaar van de voor inflatie gecorrigeerde cijfers. Deze systematiek is echter aanzienlijk bewerkelijker (en daarmee in de praktijk juist minder inzichtelijk over de jaren heen en is bovendien meer foutgevoelig), omdat bij elke aanpassing van het prijspeil alle cijfers per jaar moeten worden herberekend.
1.13 Verhogen inkomsten De gemeente blijft op zoek naar nieuwe structurele en incidentele inkomstenbronnen.
1.14 Vasthouden aan WOZ-waardecorrectie (A2025-010) In het verleden is ervoor gekozen om het OZB-tarief voor woningen te corrigeren voor de WOZwaardeontwikkeling. In tijden van waardedaling zorgde dit ervoor dat de gemeente geen inkomstendaling ervoer en een stabiele dienstverlening kon organiseren. De gemeenteraad kiest voor een voortzetting van deze benadering.
Uitgangspunten Begroting 2027-2030 (T26.00996)
6
1.15 Het gebruiken van het beschikbare surplus1 van de algemene reserve voor overbrugging in 2027 Het gebruiken van het beschikbare surplus in de algemene reserve, binnen de grenzen van wat het college verantwoord acht, kan in 2027 dienen ter overbrugging van de begrotingsopgave. Hiermee kunnen tijdelijke beleidsimpulsen mogelijk gemaakt worden en ontstaat ruimte om richting 2030 tot een evenwichtige en zorgvuldige afweging van beleidskeuzes te komen. Dit laatste is een technische mogelijkheid, maar biedt geen structurele oplossing voor het begrotingstekort en gaat gepaard met financieringslasten en beperkt de financiële weerbaarheid.
1 Voor het bepalen van het inzetbare deel van de algemene reserve wordt uitgegaan van 10% van het surplus (algemene reserve minus
benodigde weerstandscapaciteit) per 1 januari 2027, mits de solvabiliteitsratio boven de 20% blijft. Dit is ambtelijk afgestemd met de provincie. Uitgangspunten Begroting 2027-2030 (T26.00996)
7