[T25.07569] Beantwoording technische vragen over leerlingenvervoer en jeugdhulpvervoer
Tekst van het document
Formulier beantwoording technische vragen gemeenteraad en commissies Soort vraag:
Cie Samenleving
Steller van de vraag en partij: Dave Bergwerff (CDA) Datum:
10 november 2025
Onderwerp:
Technische vragen over leerlingenvervoer en jeugdhulpvervoer
Vraag 1 Klopt het dat leerlingenvervoer en jeugdhulpvervoer alleen kunnen worden aangevraagd in de gemeente waar het kind volgens de BRP staat ingeschreven, oftewel de gemeente van het hoofdverblijf? Antwoord: Wij merken allereerst op dat leerlingenvervoer wordt toegekend op basis van onderwijswetgeving, namelijk de Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra. De gemeenteraad heeft ter uitwerking daarvan de Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Lansingerland 2024 vastgesteld. Het leerlingenvervoer is daarom niet geregeld in de Jeugdwet en de Verordening Sociaal Domein. Voor beide soorten vervoer geldt dan ook een ander beoordelingskader. Voor het leerlingenvervoer kijken we naar de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Daarbij is niet relevant in welke gemeente de ouders en/of de leerling staan ingeschreven. Bij een coouderschap kan ook de andere ouder, waar de leerling niet in het BRP staat ingeschreven, een aanvraag voor leerlingenvervoer indienen bij de gemeente waar hij of zij woont. In het geval de leerling vanwege noodzakelijke opvang tijdelijk in een andere gemeente verblijft, dient een aanvraag voor leerlingenvervoer bij die gemeente te worden ingediend. Voor het jeugdhulpvervoer kijken we naar de woonplaats van de jeugdige.
Voor de definitie van ‘woonplaats’ sluiten we aan bij de definitie die de Jeugdwet geeft, namelijk: de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel o, van de Wet basisregistratie personen, heeft (woonplaatsbeginsel). Dat betekent dat een aanvraag voor jeugdhulpvervoer inderdaad alleen kan worden ingediend bij de gemeente waar de jeugdige in het BRP staat ingeschreven. Vraag 2 Hoe wordt in het beleid rekening gehouden met kinderen in een 50/50 co-ouderschapsregeling, waarbij slechts één ouder formeel aanspraak kan maken op vervoer, terwijl de zorg- of onderwijsbehoefte bij verblijf bij beide ouders gelijk is? Antwoord: Het uitgangspunt bij zowel het leerlingenvervoer als het jeugdhulpvervoer is dat ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar de school of de locatie waar jeugdhulp geboden wordt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 kan de andere ouder, waar de leerling niet in het BRP staat ingeschreven, ook een aanvraag voor het leerlingenvervoer indienen. Elke gemeente toetst of de ouder hiervoor in aanmerking komt. Daarbij kijkt de gemeente of de school – gerekend vanaf de verblijfplaats –
Ons kenmerk
T25.07569
1/2
ook de dichtstbijzijnde toegankelijke school is en of aan de afstandsgrens wordt voldaan. De situatie kan zich dan ook voordoen dat de andere ouder niet in aanmerking komt voor leerlingenvervoer als niet aan deze voorwaarden is voldaan. Omdat we voor het jeugdhulpvervoer wel uitgaan van het BRP-adres, verwachten we van ouders die een 50/50 co-ouderschapsregeling hebben dat ze het vervoer met elkaar afstemmen. Zo dient de ouder waar de jeugdige niet is ingeschreven er voor te zorgen dat de jeugdige tijdig op het BRP adres arriveert om met het vervoer mee te kunnen. Dit past ook bij de afbakening van de jeugdhulpplicht. Vraag 3 Hoe beoordeelt de gemeente dat deze beleidswijziging niet in strijd komt met het recht op passende jeugdhulp conform artikel 2.3 Jeugdwet? Antwoord: We lezen in uw vraag dat deze alleen ziet op het jeugdhulpvervoer. Wij voldoen aan artikel 2.3, lid 2, van de Jeugdwet waarin is bepaald dat jeugdhulpvervoer kan worden toegekend als dit ook medisch noodzakelijk is. We onderzoeken in elke individuele situatie dan ook of er vanwege de specifieke omstandigheden jeugdhulpvervoer moet worden toegekend. Daarbij beoordelen we ook welke gevolgen de weigering van het vervoer kan hebben voor de jeugdige.
Blijkt uit het onderzoek dat de ouders niet in staat zijn om de jeugdige naar de jeugdhulplocatie te brengen of naar het adres waar de jeugdige is ingeschreven, dan kunnen we het vervoer alsnog toekennen. Weigering van het vervoer kan anders tot gevolg hebben dat de jeugdige geen gebruik kan maken van de jeugdhulpvoorziening wat schadelijk is voor zijn of haar behandeling. We verwachten van de ouders wel dat ze actief proberen om bijvoorbeeld werktijden aan te passen of om gebruik te maken van het sociale netwerk.
2/2