CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.06184] Bijlage 6 - Quick scan natuur_ANONIEM

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verzoek bindend adviesrecht aanvraag en gedeeltelijke ontheffing bindend adviesaanvragen Ruimte-voor-Ruimte woningen Groenzoom (mogelijk motie/amendement PvdA, Groen Links)11.073 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Berkel en Rodenrijs, Groenzoom, Noordeinde 1 Quick scan natuur Gemeente Lansingerland

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling

2 juli 2025, projectnummer 240496.01

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl In opdracht van: Contactpersoon:

Gemeente Lansingerland

Opsteller: Velbezoek uitgevoerd door: Collegiale toetser: Datum oplevering: Projectnummer: Foto voorblad:

2 juli 2025 210496.01 Aangezicht besluitgebied

Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitge­ voerd door deskundigen zoals bedoeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zoals is beschreven in artikel 7.197j, lid 2, onder a van de Omgevingsregeling. Ecologen in opleiding tot deskun­ dige werken altijd onder begeleiding van een deskundige. Dat neemt niet weg dat ecologisch onderzoek altijd een momentopname is. De bescherming van Rode lijstsoorten en soorten van bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomge­ ving (Bal) onder de specifieke zorgplicht Omgevingswet (Ow) is nieuw. De concrete interpretatie van de beschreven onderzoekslast en invulling van te nemen maatregelen, is nu nog niet duidelijk. Dit zal door middel van jurisprudentie op termijn duidelijk(er) worden. Tot die tijd maken wij op basis van wat redelij­ kerwijs kan worden gevraagd een eigen inschatting van de onderzoekslast en te nemen maatregelen voor de betreffende soorten. Indien dit in de toekomst leidt tot onvolledigheden of onjuistheden in dit rapport, zijn wij hiervoor niet aansprakelijk te stellen.

SAB is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassing van de re­ sultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van SAB. De opdrachtgever vrijwaart SAB voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

1.2

Besluitgebied

3

1.3

Leeswijzer

8

Beschermde gebieden

9

2.1

Natura 2000-gebieden

9

2.2

Natuurnetwerk Nederland

12

Beschermde soorten

14

3.1

Wettelijk kader

14

3.2

Aanwezigheid biotopen en soorten

15

3.3

Vogels

16

3.4

Planten

21

3.5

Grondgebonden zoogdieren

22

3.6

Vleermuizen

22

3.7

Reptielen

25

3.8

Amfibieën

25

3.9

Vissen

26

3.10

Insecten en andere ongewervelden

26

3.11

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten

27

3.12

Specifieke zorgplicht

27

Beschermde houtopstanden

30

4.1

Wettelijk kader

30

4.2

Aanwezigheid

31

4.3

Effectbeoordeling en advies

32

Conclusie

33

5.1

Beschermde gebieden

33

5.2

Beschermde soorten

33

5.3

Beschermde houtopstanden

34

5.4

Vervolgstappen

34

Geraadpleegde bronnen Bijlage: Tabel soorten NDFF

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Achter de Noordersingel 45-85 ligt een locatie die momenteel een agrarische be­ stemming heeft. De gemeente Lansingerland wil de ontwikkeling van het gebied mogelijk maken om deze als vijf vrije kavels uit te geven. Ook worden er bomen in het besluitgebied gekapt. Deze ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen het huidige omgevingsplan. Hiervoor dient derhalve een ruimtelijke procedure te worden doorlopen en moet de haalbaar­ heid van het nieuwe plan worden aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het nieuwe plan toe­ staat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorlig­ gende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake is van het verstoren van beschermde na­ tuurgebieden, beschermde soorten, beschermde houtopstanden en of nader onder­ zoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Besluitgebied

1.2.1

Huidige situatie

Het besluitgebied bevindt zich ten noorden van Berkel en Rodenrijs (gemeente Lan­ singerland, provincie Zuid-Holland). In de omgeving van het besluitgebied liggen agrarische gronden, kassen en woningen. Het besluitgebied wordt in het noorden, westen en zuiden omgeven door watergan­ gen. Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging van het besluitgebied weer.

3

Topografische kaart met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: Esri

Luchtfoto met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd). Bron: Esri

4

Op 20 december 2024 heeft een veldbezoek aan de locatie plaatsgevonden. Het besluitgebied omvat een substantieel deel van (voormalige) agrarische grond. Hierin zijn enkele verhogingen/dijk aanwezig. Deze zijn geïnspecteerd op ho­ len/burchten, maar dergelijke openingen zijn niet waargenomen. In het noorden is een kleine, onverharde parkeerplaats aanwezig, welke omrand is door opgaand groen. Dit bestaat uit struweel (als braam en klimop), takkenrillen en enkele kleine bomen (o.a. berk en naaldbomen). Er is ook een omgewaaide naaldboom aanwe­ zig. Het besluitgebied is deels omgeven door watergangen. De (oevers van de) wa­ tergangen waren ten tijde van het veldbezoek recentelijk gemaaid en het gemaaide riet lag nog op de oever. Onderstaande afbeeldingen geven een eerste impressie van hoe het besluitgebied eruit ziet.

Het grootste deel van het besluitgebied bestaat uit gemaaid grasland, omsloten door een watergang.

5

De watergang was recentelijk gemaaid en het riet lag nog op de oevers.

Naast het halfverharde parkeerterrein is opgaand struweel aanwezig. Een deel hiervan is groenblijvend.

6

Takkenrillen in opgaand struweel.

Ten oosten van het besluitgebied zijn woningen aanwezig (links).

1.2.2

Toekomstige situatie

De gemeente Lansingerland wil de ontwikkeling van het besluitgebied mogelijk ma­ ken en uitgeven als vijf vrije kavels. Daarvoor wordt een ruimtelijke procedure door­ lopen. Hiervoor worden ook de bomen in het besluitgebied gekapt en het groen ge­ rooid. Ook wordt de watergang ten westen ook uitgebreid in oostelijke richting. In deze quick scan is dan ook uitgegaan van de uitvoering van deze werkzaamheden.

7

Voornemen van de verkaveling van het besluitgebied, bron: Gemeente Lansingerland.

1.3

Leeswijzer Het doel van deze quick scan is het toetsen van de beoogde ontwikkeling aan de wet- en regelgeving die voor natuur en ecologie geldt. De bescherming van natuur en ecologische waarden valt net als andere thema's in de fysieke leefomgeving per 1 januari 2024 onder de Omgevingswet. In het stelsel van de Omgevingswet wor­ den verschillende 'activiteiten natuur' onderscheiden die voor het project "Groenzoom Berkel en Rodenrijs" van belang kunnen zijn: - Natura 2000-activiteit; - Flora- en fauna-activiteit; - Vellen en beheren van houtopstanden. In hoeverre deze wet- en regelgeving voor het project gevolgen heeft wordt onder­ zocht in de hoofdstukken gebiedsbescherming (hoofdstuk 2) en soortenbescher­ ming (hoofdstuk 3) en de bescherming van houtopstanden (hoofdstuk 4).

8

2 Beschermde gebieden Verschillende overheden kunnen beschermde gebieden aanwijzen ten behoeve van het behoud en bescherming van natuur. Dit heeft ook gevolgen voor het type be­ scherming die deze gebieden genieten. Ter uitvoering van de Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn zijn door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselze­ kerheid en Natuur (LVVN) Natura 2000-gebieden aangewezen, zie paragraaf 2.1. Verder kan de minister van LVVN bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). Ieder provinciaal bestuur geeft invulling aan het natuurbeleid voor zijn provincie. Dat betreft regels voor gebieden die onderdeel uit­ maken van het Natuurnetwerk Nederland en andere beschermde gebieden (artikel 2.44 Omgevingswet) maar ze zijn ook verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de uitvoering van het rijksbeleid ten aanzien van Natura 2000-gebieden binnen de grenzen van de betreffende provincie.

2.1

Natura 2000-gebieden

2.1.1

Wettelijk kader

Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning werkzaamheden of activiteiten uit te voeren die significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor Natura 2000-gebieden is dit uitgewerkt als een specifieke zorgplicht (artikel 11.6 Bal). Hiermee worden alle activiteiten verboden die iemand verricht waarvan die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van natuur in het betreffende Natura 2000-gebied. Diegene is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te ma­ ken, of om die activiteit niet uit te voeren als dit redelijkerwijs mogelijk is. Dit houdt in dat diegene kennis moet nemen van de aanwezige natuurwaarden in het gebied. Daarna moet diegene nagaan of verslechterende of significant verstorende gevol­ gen worden uitgesloten. Als deze gevolgen niet zijn uit te sluiten, moeten hiervoor passende preventieve maatregelen getroffen worden. Er moet nagegaan worden of deze maatregelen werken. Als blijkt dat deze niet werken moet de activiteit ge­ staakt worden en moet de schade hersteld worden.

De gevoeligheid van soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden is voor elk Nederlands Natura 2000-gebied samengevat in de 'Effectenindicator' (Broekmeyer, M. E. A. et al. 2005). In de Effectenindicator wor­ den 19 mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats onderscheiden (zie on­ derstaand overzicht).

9

1 Oppervlakteveriies

11. Verandering overstromingsfreguentie

2. Versnippering

12. Verandering dynamiek substraat

3 Verzuring door stikstof uit de lucht

13. Verstoring door geluid

4 Vermesting door stikstof uit de lucht

14 Verstoring door licht

5. Verzoeting

15. Verstoring door trilling

6 Verzilting

16. Optische verstoring

7 Verontreiniging

17. Verstoring door mechanische effecten

8 Verdroging

18. Verandering in populatiedynamiek

9. Vernatting

19. Bewuste verandering soortensamenstelling

10. Verandering stroomsnelheid

Mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats

Behalve voor activiteiten die effect hebben op het fysieke areaal van een Natura 2000-gebied gaat het ook over activiteiten die in de omgeving van een Natura 2000-gebied plaatsvinden en die elders een effect kunnen hebben, zoals geluid, licht en stikstof; de zogenaamde externe werking. Plannen zoals het in dit rapport genoemde project kunnen met name door stikstofuitstoot een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Dit is omdat in de Nederlandse Natura 2000-gebieden veel na­ tuurwaarden aanwezig zijn die gevoelig zijn voor en reeds overbelast zijn door uit de lucht neerdalend stikstof. Gegeven het feit dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) kan plaatsvinden bij gemotoriseerd verkeer, inzet van sloopwerktuigen, industrie en ook bij de verwarming van huizen, en/of ammoniak (NH3) bij met name veehouderij, is het wettelijk vereist deze emissies in beeld te brengen. In het geval mogelijk sprake is van een problematische stikstofdepositie in een Na­ tura 2000-gebied ten gevolge van de geplande ruimtelijke ontwikkeling, moet een AERIUS-berekening uitgevoerd worden voor de werkzaamheden (aanlegfase) en toekomstig gebruik (gebruiksfase). Als daaruit volgt dat een plan of project moge­ lijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats: de voortoets.

Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld. Dit wordt door de Provincie beoordeeld of door een omgevingsdienst namens hen. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan kan, conform artikel 16.53c van de Omgevingswet en artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leef­ omgeving (Bkl) een passende beoordeling worden gemaakt. Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-ge­ bied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voor­ waarden is voldaan: - er zijn geen reële alternatieven voor de activiteit; - er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; - er vindt natuurcompensatie plaats.

10

2.1.2

Ligging

Het besluitgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Wel liggen in de wijdere om­ geving verschillende Natura 2000-gebieden, zie onderstaande kaart. De drie dichtstbijzijnde zijn: - Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein: 16 km afstand; - Westduinpark & Wapendal: 17 km afstand en - Boezems Kinderdijk: 17 km afstand.

Globale ligging van het besluitgebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving (groen). Bron: N2000

2.1.3

Effectbeoordeling en advies

Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, dus oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Het project heeft geen invloed op watersystemen. Daarmee zijn ook de storingsfactoren verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van stroomsnelheid of overstro­ mingsfrequentie niet van toepassing. De ontwikkeling gaat niet gepaard met een dusdanige uitstoot van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen in de omgeving (stik­ stofverbindingen niet beschouwd) dat ze in het Natura 2000-gebied verontreinigin­ gen veroorzaken omdat aangenomen wordt dat bij de realisatiefase aan alle daar­ voor geldende milieunormen voldaan wordt. Omstandigheden die leiden tot een mogelijke verandering van dynamiek van substraat in een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Eventuele verandering in geluid, licht, verstoring door trillingen, optische verstoring en mechanische effecten ten gevolge van het voorliggende plan zullen uitdoven, geabsorbeerd worden en/of overstemd worden door het tus­ senliggend stedelijk- en landelijk gebied, dan wel ten gevolge van de afstand, voor­ dat dit het Natura 2000-gebied kan bereiken.

Invloed op de populatiedynamiek en bewuste verandering van soortensamenstelling hoeft niet verder onderzocht te worden omdat ten gevolge van afstand en ongeschiktheid van het besluitgebied voor Natura 2000-soorten, er geen uitwisseling of beïnvloeding van individuen plaatsvindt tussen het besluitgebied en een Natura 2000-gebied ten gevolge van de ontwikkeling.

11

Als er in een later stadium gebouwd wordt, kan stikstofdepositie op Natura 2000gebieden niet gesloten worden aangezien door de realisatie van het project, in de aanlegfase, door de inzet van vrachtwagens en machines stikstofverbindingen uit­ gestoten worden. Ook in de gebruiksfase kan een hogere stikstofuitstoot aan de orde zijn dan nu het geval is, door het realiseren van nieuwe woningen. In het AERIUS-model wordt de stikstofneerslag berekend ten gevolge van de beoogde ont­ wikkeling, over een gebied met een straal van 25 km. Aangezien binnen 25 km van het besluitgebied een Natura 2000-gebied aanwezig is, is een onderzoek naar stik­ stofdepositie uitgevoerd (SAB 2024). Uit de uitgevoerde AERIUS berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase van dit project blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omlig­ gende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te ver­ wachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning Na­ tura 2000-activiteit is niet nodig.

2.2 Natuurnetwerk Nederland 2.2.1

Wettelijk kader

Gedeputeerde Staten zijn verantwoordelijk voor het landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (artikel 2.31a, lid 1d Ow) in hun provincie en ze kunnen bij omgevingsverordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provin­ ciale landschappen (artikel 2.44, lid 5 Ow). De provincie Zuid-Holland heeft de bescherming van Natuurnetwerk Nederland op­ genomen in artikel 6.24 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019. Via arti­ kel 6.9 van deze verordening worden daarnaast belangrijke weidevogelgebieden beschermd via een 'nee, tenzij'-regime. De regels voor compensatie van waarden die verloren gaan binnen het NNN of binnen belangrijk weidevogelgebied staan be­ schreven in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap ZuidHolland (2013). De provinciale regels met betrekking tot natuur hebben geen externe werking. 2.2.2

Ligging

Het besluitgebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie onderstaande af­ beelding). Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 3,5 kilometer ten wes­ ten van het besluitgebied. Daarnaast zijn er ook geen overige provinciaal be­ schermde gebieden als weidevogelgebieden in de nabije omgeving van het besluitgebied aanwezig.

12

Globale ligging van het besluitgebied (rood kader) ten opzichte van het Natuurnetwerk Neder­ land (groen)). Bron: provincie Zuid-Holland

2.2.3

Effectbeoordeling en advies

Het besluitgebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescher­ ming van het NNN kent in de provincie Zuid-Holland geen externe werking. De voor­ genomen ingreep leidt daarom niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingrepen zullen geen ef­ fect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescher­ ming van het NNN staat de uitvoering van de plannen niet in de weg.

13

3 Beschermde soorten 3.1

Wettelijk kader

3.1.1

Beschermingsregimes

Voor alle activiteiten in de leefomgeving is de specifieke zorgplicht aan de orde. In de context van deze quick scan betreft de specifieke zorgplicht alle van nature in Nederland levende wilde planten en dieren en gaat het over negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. Ingevolge de specifieke zorgplicht is degene die een activi­ teit verricht verplicht om: -

In de eerste plaats alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.

- Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. - Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De specifieke zorgplicht vraagt nadrukkelijk aandacht voor dieren en planten van bijlage II van de Habitatrichtlijn, van het beschermingsregime 'andere soorten' (Bij­ lage Bal) en soorten van rode lijsten1. Daarnaast is voor een aantal soorten door middel van verboden een beschermings-regime opgenomen. Er gelden aparte en strengere beschermingsregimes voor 'vogelrichtlijnsoorten' (artikel 11.37 t/m 11.40 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), en voor 'habitatrichtlijnsoorten' (arti­ kel 11.46 t/m 11.48 Bal), zie paragraaf 3.12. Om na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van beschermde soorten (11.27 sub 2a Bal) wordt in paragrafen 3.3 tot en met 3.10 beoordeeld welke van deze soorten mogelijk in het besluitgebied voor kunnen komen. Indien aanwezigheid van deze soorten niet op voorhand uitgesloten kan worden, eist de provincie meestal dat soortgericht nader onderzoek naar deze soorten moet plaatsvinden om aan te tonen dat de soort daadwerkelijk wel of niet aanwezig is.

Deze onderzoekseisen zijn beschreven in paragraaf 3.11. Dit nader onderzoek valt buiten de scope van deze quick scan natuur. Voor soorten die niet onder de specifieke zorgplicht vallen, zoals uitheemse soor­ ten, geldt wel nog de algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet). Daar­ naast moet hoe dan ook voor ieder dier voorkomen worden dat het onnodig lijdt (artikel 11.28 Bal). Kortom ten allen tijden moet bij de uitvoering van werkzaamhe­ den rekening worden gehouden met alle aanwezige dieren, ook als dat niet is voor­ zien.

1

1 Op de rode lijsten staan verdwenen, (ernstig) bedreigde, kwetsbare en gevoelige planten en dieren in Nederland. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) stelt de lijsten vast. Zie ook Besluit Rode lijsten flora en fauna: https://wetten.overheid.nl/BWBR0017434/2024-10-03

14

3.1.2

Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit

Schadelijke handelingen die bij ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde kunnen zijn, zijn het doden of verwonden van dieren, het verstoren of vernielen van nest- en ver­ blijfplaatsen, of het verdwijnen van essentieel leefgebied wat lijdt tot aantasting van de functionaliteit van nest- en verblijfplaatsen. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat een beschermde soort aanwezig is en een schadelijke handeling niet te voorkomen is, kan de provincie onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. In dat geval kan de voorziene ruimtelijke ontwik­ keling uitgevoerd worden indien aan de voorschriften van de vergunning wordt vol­ daan en voldoende mitigerende maatregelen getroffen worden (artikel 8.74j t/m l, Bkl). Indien uit de quick scan blijkt dat een schadelijke handeling uitgesloten kan worden dan is de ruimtelijke ontwikkeling geen flora- en fauna activiteit en is voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning nodig. 3.1.3

Vrijstellingen van vergunningplicht

Voor het verrichten van een mogelijk schadelijke handeling voor de categorie 'an­ dere soorten' is voor een aantal soorten een vrijstelling verleend. Voor deze soor­ ten hoeft geen vergunning aangevraagd te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Onder 'andere soorten' vallen ook zeer algemene diersoorten als gewone pad, ree en veldmuis. De provincie Zuid-Holland heeft bepaald voor welke soorten dit geldt. Het gaat dan om de soorten: aardmuis, bastaardkikker, bunzing, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel wild zwijn en woelrat.

3.2 Aanwezigheid biotopen en soorten 3.2.1

Raadplegen verspreidingsgegevens

Om een inschatting te krijgen van de aanwezige soorten in het besluitgebied is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 2 december 2024, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar zijn opgevraagd. De volgende soorten zijn opgevraagd: - Vogelrichtlijnsoorten - Habitatrichtlijnsoorten - Soorten van het beschermingsregime 'andere soorten' (Bijlage IX Bal), zonder de provinciaal vrijgestelde soorten. - Rode lijstsoorten van de categorieën ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar en gevoelig. Hiervoor is een straal van 1 km om het besluitgebied aangehouden. De soortenlijst hiervan is te vinden in de bijlage. Daarnaast is aanvullend ook verspreidingsatlas.nl geraadpleegd, waarbij wordt bepaald of het besluitgebied binnen het algehele ver­ spreidingsgebied van de betreffende soort ligt. Verspreidingsgegevens van de bo­ vengenoemde soorten zijn niet alomvattend. Derhalve wordt per soortgroep op ba­ sis van de aanwezige biotopen (zie ook paragraaf 3.2.2) nog bekeken of aanvullend soorten aanwezig kunnen zijn.

15

3.2.2

Aanwezige biotopen

Naast de bureaustudie is ook een veldbezoek aan het besluitgebied en de directe omgeving gebracht. Dit bezoek vond plaats op 20 december 2024, bij droog en zonnig weer en een temperatuur van circa 7 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en om de ge­ schiktheid van het besluitgebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie, maar geeft enkel een globaal beeld van aanwezige soorten, habitats en biotopen op ba­ sis van een momentopname. In het besluitgebied zijn de volgende biotopen aanwezig: - Kleine bomen - Opgaand groen - (Voormalig) agrarisch weiland - Ruig gras - Afwateringssloot - Takkenrillen

3.3 Vogels 3.3.1 Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4)

Er zijn verschillende vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. 3.3.1.1

Huismus

Nesten van huismussen zijn te vinden in of tegen allerlei menselijke bebouwing: onder (met name golvende) dakpannen, in neststenen en in kieren en gaten in muren. In schuren, boerderijen en loodsen nestelen huismussen vaak op balkenconstructies in gebouwen. Ook zijn nesten te vinden achter regenpijpen bij al dan niet met klimop begroeide muren en in nestkasten. Soms maakt de huismus in holten van bomen of in dichte struiken een nest, maar dat gebeurt alleen als de hoeveelheid nestgelegenheid een beperkende factor binnen het leefgebied is terwijl er wel voldoende voedsel en schuilmogelijkheden aanwezig zijn. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal belangrijke elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en juveniele huismussen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet meer geschikt. (BIJ12, 2023). Aanwezigheid In het besluitgebied is geen bebouwing aanwezig.

Ten oosten van het besluitgebied zijn wel meerdere woningen aanwezig die geschikt zijn voor de

16

huismus om in te nestelen. In het besluitgebied zelf is in de noordoostelijke hoek struweel en opgaand groen aanwezig, waarvan een deel groenblijvend is. Gedurende het veldbezoek is er een kolonie huismussen waargenomen waardoor op- en afgevlogen werd op het struweel en dit groen tevens in gebruik namen als kwetterplaats. Gezien de nabijheid tot potentiële nestplaatsen in de woningen ten oosten van het besluitgebied en het struweel, is het mogelijk dat dit (essentieel) leefgebied van de huismus betreft. Met name, omdat er weinig vergelijkbaar groen in de directe omgeving aanwezig is. Effectbeoordeling en advies Omdat dit groen gerooid/gekapt wordt, kan mogelijk essentieel leefgebied van de huismus verloren gaan, waardoor potentiële nestlocaties in naastliggende woningen hun functionaliteit kunnen verliezen. In dat geval is sprake van een schadelijke handeling en een vergunningsplichtig geval. Nader onderzoek naar essentieel leefgebied van de huismus is derhalve noodzakelijk. 3.3.1.2

Gierzwaluw

Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder nok- en windveerpannen (er is dan vaak een goede aanvliegroute), onder scheefliggende of kapotte dak­ pannen, in gaten en kieren onder de dakrand, in dakgootbekisting en bij dakkapellen en daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast wor­ den soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter re­ genpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal twee à drie meter boven de grond of ander onderlig­ gend oppervlak te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie midden op het dak geschikt te kunnen zijn. Het is dan voor de gierzwaluw mogelijk om in de vleugels te komen (BIJ12 2023). Aanwezigheid In het besluitgebied is geen geschikte bebouwing aanwezig waar gierzwaluwen een nest kunnen hebben. Mogelijk zijn er nestlocaties aanwezig in de naastlig­ gende woningen. Deze liggen echter buiten de invloedssfeer van de werkzaamhe­ den door de tussenliggende tuinen. Mogelijke aanvliegroutes kunnen ook niet ver­ sperd worden door toekomstige werkzaamheden.

Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op deze soort te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwe­ zig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 3.3.1.3

Boomvalk, buizerd, havik, ransuil , sperwer

De boomvalk is een schaarse broedvogel die leeft in open landschappen, meestal met water in de buurt. De boomvalk broedde oorspronkelijk veel op heiden, in bossen en langs bosranden op zandgrond. Tegenwoordig broedt zij echter meer in open agrarische landschappen en aan de rand van steden. Ook in gebieden die rijk zijn aan menselijke verstoring zoals sport-, bedrijfsterreinen of langs snelwegen wordt door

17

de boomvalk gebroed. Dit heeft deels te maken met een toenemende predatiedruk van havik in het oorspronkelijke broedgebied. De boomvalk gebruikt voornamelijk nesten van kraaien maar ook duiven of andere roofvogels om in te broeden en ge­ draagt zich in broedtijd onopvallend. Nesten kunnen in boomgroepen, vrijstaande bo­ men maar ook op hoogspanningsmasten aanwezig zijn. De broedperiode is in meijuni (SOVON 2002, www.vogelbescherming.nl). De buizerd heeft de voorkeur voor een afwisselend landschap waar bossen worden afgewisseld door open terrein, weilanden en houtwallen. De combinatie van een bos of bosje met nabijgelegen open land is ideaal. De buizerd maakt in de meeste geval­ len gebruik van een bestaand kraaien- of blauwe reigernest, en bouwt deze verder uit tot een omvangrijk nest. Het territorium en bijbehorende nesten wordt jaarrond verde­ digd. Nesten bevinden zich in hoge bomen tussen de 6 en 27 meter, grofweg tussen de 1/3 en 2/3 van de boomhoogte. Het nest bevindt zich direct langs de stam of soms op een zijtak, enkel in grove dennen ook in de boomtop (SOVON, 2002). De havik komt voornamelijk voor in naald- en loofbos en kan een territorium levens­ lang bezetten. Ook moerasbos en parken worden gebruikt. Door onderlinge concur­ rentie en voedselgebrek in bosgebieden worden ook steeds vaker dieren in groenge­ bieden rond de stad aangetroffen.

De havik maakt (meestal) zelf een nest hoog in de kroon van een boom welke vaak jarenlang achtereen wordt gebruikt. Soms wordt een nest van een andere roofvogel opgelapt. Meestal worden naaldbomen maar soms ook loofbomen gebruikt. De broedtijd loopt van eind maart tot begin juli (SOVON 2002, www.vogelbescherming.nl). Ransuilen broeden in allerlei gebieden, waar open veld aanwezig is met voldoende muizen. Ze mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Tegenwoordig wordt vooral in kleine bosjes en agrarisch cultuurland gebroed. De soort nestelt in een oud nest van een andere soort, bij voorkeur van ekster of zwarte kraai, maar soms ook van houtduif, buizerd of havik. Ze broeden bij voorkeur in naaldbomen, die het beste dekking geven, maar ook in loofbomen, houtwallen, boomgroepen en solitaire bomen. De broedperiode is van half februari tot eind juli, waarbij eileg plaatsvindt van half maart tot half april. (SOVON 2002, www.sovon.nl,www.vogelbescherming.nl). De sperwer komt voor in allerlei typen bos en kleinschalig landschap met boomgroepen. De soort broedde traditioneel in dichte, niet te oude naaldbossen of gemengde bossen. Onder andere door toename van de havik, die in vergelijkbaar gebied leeft en ook op de sperwer jaagt, broedt de sperwer tegenwoordig echter op allerlei plekken in dichte loofbosjes, wegbeplanting en stadstuinen.

De sperwer maakt elk jaar een nieuw nest binnen het bezette territorium, vaak dicht bij het oude. Het nest wordt direct aan de stam op dikke takken gebouwd. Soms wordt het oude nest van een houtduif verder uitgebouwd. De soort broedt van eind april tot eind juni (SOVON, 2002).

18

Aanwezigheid Binnen het besluitgebied zelf zijn geen middelgrote tot grote nesten aangetroffen die mogelijk tot voorgaande soorten benoemen. Echter is er direct ten oosten (circa 20 meter) van het besluitgebied een groot eksternest aanwezig. Zie onder­ staande afbeelding. Gezien de aanwezigheid van eksters direct rond dit nest tij­ dens het veldbezoek is het waarschijnlijk dat deze nog in gebruik is door de ekster. Echter kan een dergelijk nest gezien het biotoop in een later stadium door voorge­ noemde soorten in gebruik genomen worden. Gezien de nabijheid tot de woningen en openbare weg is het op voorhand uit te sluiten dat het in gebruik genomen wordt door de buizerd, havik en ransuil. De boomvalk verdraagt dergelijke versto­ ring van menselijke activiteit beter en kan dit nest in gebruik nemen. Aanwezigheid van essentiële elementen van deze roofvogel kan daarom op voorhand niet worden uitgesloten. Effectbeoordeling en advies Momenteel is het nest waarschijnlijk in gebruik door het paar eksters dat in de na­ bijheid waargenomen was gedurende het veldbezoek. Echter kan het op voorhand niet uitgesloten worden dat tussen het veldbezoek en de voorgenomen werkzaam­ heden het nest niet meer in gebruik zal zijn. Eksters maken namelijk meerdere nes­ ten, waarvan enkel één in gebruik genomen wordt.

Als het besluitgebied bouwrijp gemaakt wordt of er worden woningen gerealiseerd, dan zal er een hoge mate van (geluids)verstoring optreden. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat dit nest in die fase in gebruik genomen wordt door een boomvalk. Daarom dient er nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar de boomvalk.

Groot eksternest ten oosten van het besluitgebied tussen de woningen gelegen.

19

3.3.1.4

Overige vogelsoorten

Aanwezigheid Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), (cluster nesten) in hoge bomen in bos of boomgroepen (roek, wespendief, zwarte wouw), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nis­ sen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het besluitgebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het besluitgebied verwacht. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op deze soorten te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwe­ zig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 3.3.2

Vogelsoorten met mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5)

Voor een aantal soorten geldt dat de nesten enkel jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een situatie waar de huidige broedlocatie zal worden vernield en broedlocaties in de omgeving zeer schaars zijn. Een categorie 5-soort is dan niet flexibel genoeg om een andere broedlocatie te vinden. 3.3.2.1

Aanwezigheid

Tijdens het veldbezoek zijn er categorie 5-soorten waargenomen zoals de ekster, zie ook voorgaande paragraaf (3.3.1). Er is naar waarschijnlijkheid een actief eksternest aanwezig direct naast het besluitgebied. 3.3.2.2

Effectbeoordeling en advies

Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op categorie 5 soor­ ten te verwachten, omdat er voldoende essentiële elementen, zoals broedlocaties, in de omgeving van het besluitgebied aanwezig zijn. Van zwaarwegende ecolo­ gische factoren is derhalve geen sprake, waardoor de nesten niet jaarrond be­ schermd zijn. Wel dient nog steeds rekening gehouden te worden met broedende vogels zoals is beschreven in paragraaf 3.3.3. 3.3.3 3.3.3.1

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Aanwezigheid

Tijdens het veldbezoek zijn in het besluitgebied soorten met niet jaarrond be­ schermde nesten aangetroffen als houtduif en roodborst. Dergelijke soorten kun­ nen mogelijk in het besluitgebied tot broeden komen. 3.3.3.2

Effectbeoordeling en advies

Bij de toekomstige ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen wor­ den beschadigd of vernield, wat verboden is onder de Omgevingswet. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half 20

augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Om over­ treding van de wet te voorkomen adviseren wij om de geplande ruimtelijke ontwik­ keling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het besluitgebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is na­ der onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werk­ zaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het besluitgebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.

3.4

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Omgevingswet betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groei­ plaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soor­ ten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl).

Het besluitgebied bestaat overwegend uit (voormalig) agrarisch grasland met land­ schapselementen. Het grasland wordt regelmatig gemaaid. Daarnaast is er een slootkant aanwezig met rietkraag die ook onlangs gemaaid was en een klein deel van het besluitgebied bestaat uit opgaand struweel. Beschermde plantsoorten ko­ men hier niet voor. Tijdens het veldbezoek werden verder ook geen aanwijzingen gevonden dat bijzondere groeiplekken voor beschermde plantsoorten aanwezig zijn. Ook komt het biotoop van de soort die uit de analyse van verspreidingsgegevens in de omgeving voorkomen in zijn geheel niet overeen. Dit geldt voor de waar­ neming van de trosdravik. Deze komt voor op zonnige plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, vaak kalkhoudende grond. Deze soort is waargenomen in het naastliggende natuurgebied van de Groenzoom. Daarom kan de aanwezigheid van beschermde plantsoorten in het besluitgebied op voorhand uitgesloten worden.

21

3.5

Grondgebonden zoogdieren Beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeld­ zaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter wor­ den ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl).

Volgens de verspreidingsatlas.nl komen enkel soorten voor in de omgeving van het besluitgebied die in de provincie Zuid-Holland zijn vrijgesteld, zoals egel, kleine marterachtigen, dwergmuis, woelrat, haas en konijn. Deze worden derhalve behan­ deld in paragraaf 3.12. De aanwezigheid van overige soorten kan direct op voor­ hand worden uitgesloten wegens het volledig ontbreken van geschikt biotoop en/of waarnemingen.

3.6

Vleermuizen Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals ge­ wone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikma­ ken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bo­ men (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomer­ periode in boomholten (Dietz et al. 2011).

Volgens de verspreidingsatlas.nl komen gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis in de buurt van het besluitgebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Omgevingswet. 3.6.1

Verblijfplaatsen

Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12, 2024; Dietz et al. 2011). Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn loofboomsoorten als eik en beuk jonger dan 60 jaar en 22

naaldboomsoorten jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol (waar boombewonende vleermuizen vaak gebruik van maken) nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). 3.6.1.1

Aanwezigheid gebouwbewonende vleermuissoorten

In het besluitgebied zijn geen gebouwen aanwezig. De bebouwing ten oosten van het besluitgebied zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, echter bevinden deze zich op enige afstand van het besluitgebied door de tussenliggende tuinen. 3.6.1.2

Aanwezigheid boombewonende vleermuissoorten

In het besluitgebied staan verschillende bomen. Een aantal daarvan zijn groot ge­ noeg om holtes en andere verblijfsmogelijkheden voor boombewonende vleermuis­ soorten te herbergen. Tijdens het veldbezoek is veel aandacht besteedt aan het controleren van de bomen op geschikte holtes of loshangende schors voor vleer­ muizen. Dit was niet aanwezig. Het is daarom op voorhand uitgesloten dat in het besluitgebied verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn. 3.6.1.3

Effectbeoordeling en advies

De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor gebouw- en boombewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. Er zijn in het besluitgebied geen verblijfplaatsen aanwezig van boombewonende vleer­ muissoorten. Er bevinden zich in de nabij gelegen woningen ten oosten van het besluitgebied wel potentieel verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoor­ ten. Hier dient gedurende de aanlegfase en gebruikfase rekening mee gehouden te worden. Indien de panden, watergangen en het naastliggende groen meer verlicht worden dan nu het geval is, kunnen potentiële verblijfplaatsen hun functie verlie­ zen. Verlichting mag hier niet op gericht worden en strooilicht dient beperkt te wor­ den. Indien deze maatregelen niet gewaarborgd worden, kan verlies van functiona­ liteit van verblijfplaatsen leiden tot een overtreding van de Omgevingswet. Om dat uit te sluiten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden en mogelijk vervolgens een vergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd te worden. Door het gericht en beperkt toepassen van verlichting kan dit voorkomen worden. 3.6.2 Essentieel foerageergebied

Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorko­ mende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een es­ sentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd.

23

3.6.2.1

Aanwezigheid

Het besluitgebied omvat onderdelen die geschikt zijn als foerageergebied voor vleermuizen. In het bijzonder de watergangen die het besluitgebied omsluiten en opgaand groen. Het opgaand groen is echter klein van omvang. Daarnaast zijn er (insectdragende) bomen dichter bij de woningen gelegen. Het is daarom niet waar­ schijnlijk dat deze bomen een essentiële foerageerfunctie vervullen voor vleermui­ zen. Van de watergangen is echter niet op voorhand uit te sluiten dat deze essenti­ eel foerageergebied vormen voor vleermuizen. 3.6.2.2

Effectbeoordeling en advies

Het besluitgebied is nagenoeg volledig omgeven door een watergang. Indien deze meer verlicht wordt dan nu het geval is, kan deze zijn functie verliezen als (essenti­ eel) foerageergebied. Er dient derhalve gedurende de aanleg- en gebruiksfase reke­ ning gehouden te worden met deze watergang. Deze dient niet meer verlicht te worden dan nu het geval is. Verlichting mag niet gericht worden op de watergang en strooilicht dient beperkt te worden. Indien deze maatregelen niet gewaarborgd worden, kan verlies van (essentieel) foerageergebied leiden tot een overtreding van de Omgevingswet. Er dient dan nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden en mogelijk een vergunning flora en fauna activiteit aangevraagd te worden. 3.6.3 Essentiële vliegroutes

Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënte­ ren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijk­ heid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopu­ latie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. 3.6.3.1

Aanwezigheid

Zoals benoemd in voorgaande paragraaf, kan de directe omgeving van het besluit­ gebied dienen als foerageergebied. Echter is de afwateringssloot door de lijnvor­ mige structuur ook zeer geschikt als vliegroute. Het voorkomen van een (essentiele) vliegroute direct naast het besluitgebied is niet op voorhand uit te sluiten. 3.6.3.2

Effectbeoordeling en advies

Dezelfde maatregelen als benoemd in paragraaf 3.6.2.2. dienen in nageleefd te worden. Indien deze maatregelen niet nageleefd (kunnen) worden, dient er nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.

24

3.7

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veenge­ bieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daar­ naast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009).

Volgens de verspreidingsatlas.nl komen er geen beschermde reptielen in de omge­ ving van het besluitgebied voor. Daarnaast is er voor dergelijke beschermde soor­ ten ook geen geschikt biotoop aanwezig. Het voorkomen van beschermde reptie­ len in het besluitgebied is op voorhand uitgesloten.

3.8

Amfibieën Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl).

Volgens de verspreidingsatlas.nl komt de rugstreeppad in de omgeving van het besluitgebied voor. 3.8.1 Rugstreeppad

De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwloca­ ties. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kun­ nen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009). 3.8.1.1

Aanwezigheid

Op het moment is het uitgesloten dat de rugstreeppad in het besluitgebied voor­ komt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Aanwezigheid kan in de huidige situatie van het besluitgebied derhalve op voorhand worden uitgesloten.

25

3.8.1.2

Effectbeoordeling en advies

De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied. Als het besluitgebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het besluitgebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten lig­ gen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen.

3.9

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebon­ den aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van slo­ ten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl).

Volgens de verspreidingsatlas.nl komen er geen beschermde vissen in de omge­ ving van het besluitgebied voor. Daarnaast is er voor dergelijke beschermde soor­ ten ook geen geschikt biotoop aanwezig. De watergang bevat bijvoorbeeld geen natuurlijke elementen als onderwatervegetatie en/of helder water waardoor het ge­ schikt zou kunnen zijn voor beschermde soorten als hiervoor genoemd. Het is uit­ gesloten dat beschermde vissen in het besluitgebied voorkomen.

3.10

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (voch­ tig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of ko­ men zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwali­ teit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zo­ wel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl).

Volgens de verspreidingsatlas.nl komen er geen beschermde insecten en andere ongewervelden in de omgeving van het besluitgebied voor. Daarnaast is er voor dergelijke beschermde soorten ook geen geschikt biotoop aanwezig. Het is

26

uitgesloten dat beschermde insecten of andere ongewervelden in het besluitgebied voorkomen.

3.11

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten In deze paragraaf is beschreven hoe het nader onderzoek naar de soorten waar­ voor dit nodig is, globaal zal worden uitgevoerd. Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betref­ fende soort aan te kunnen tonen. Wij werken, indien voorhanden, volgens deze pro­ tocollen.

3.11.1

Huismussen

De huismus is een vogelrichtlijnsoort. Het nader onderzoek naar deze soort dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het Kennisdocu­ ment huismus (BIJ12 2023). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni, waarbij één veldbezoek in de periode 1 april tot en met 15 mei plaatsvindt. De inventarisa­ ties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, in de ochtend vanaf minimaal één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. 3.11.2

Boomvalk

De onderzoekperiode voor de boomvalk loopt van eind april mei t/m eind augustus (SOVON.nl). Door ten minste vier keer in de meest geschikte periode in het besluitgebied te lopen en te zoeken naar nest indicerend gedrag van de betreffende soort, kan vastgesteld worden of er een nestlocatie van deze soort binnen de invloeds­ sfeer van het besluitgebied aanwezig is. 3.11.3

Overzicht onderzoeksperiodes

Onderstaand overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soor­ ten weer. Overzicht van onderzoeksperiodes van de te onderzoeken soort(groep)en: Optimale onder­ zoeksperiode donkerblauw; Suboptimale onderzoeksperiode lichtblauw___________________ Soortgroep

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Boomvalk

Huismus

3.12

Specifieke zorgplicht Volgens de analyse van de verspreidingsgegevens van de NDFF (bijlage 2) komen ook soorten voor die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Het betreft soorten die: - enkel onder bijlage II van de Habitatrichtlijn vallen (hierna: bijlage II-soorten),

27

- op een rode lijst staan, maar enkel onder de specifieke zorgplicht zijn be­ schermd. - enkel onder het beschermingsregime 'andere soorten' vallen en niet vrijgesteld zijn van de schadelijke handelingen. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek kan geconcludeerd worden dat de kwali­ teit van de aanwezige biotopen voor rode lijstsoorten wisselend is. Het besluitgebied bestaat grotendeels uit (voormalig) agrarisch grasland. Dit is geregeld onder­ houden groen en het bevat niet de kwaliteiten voor hoge en zeldzame natuurwaarden. Derhalve kan aangenomen worden dat de Rode lijstsoorten die aangemerkt zijn als ernstig bedreigd en bedreigd niet in het besluitgebied voorko­ men. Wel zijn er in het besluitgebied aanwijzingen gevonden die duiden op de aan­ wezigheid van ware muizen en is geschikt biotoop (opgaand struweel) aanwezig voor onder andere de kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en egel. Van deze soorten zijn ook waarnemingen bekend in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast vormt het naastgelegen natuurgebied de Groenzoom belangrijk broedgebied voor (water)vogels. Derhalve wordt er bij het naleven van de (specifieke) zorgplicht nadrukkelijk op deze soorten geattendeerd. Volgens de analyse uit paragraaf 3.2 komen soorten uit de volgende soortgroepen potentieel voor in het besluitgebied: amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdie­ ren.

Om voldoende invulling te geven aan de specifieke zorgplicht adviseren wij de vol­ gende maatregelen uit te voeren: - Voorafgaande aan de werkzaamheden hoog gras kort te maaien zodat het be­ sluitgebied ongeschikt wordt gemaakt voor o.a. amfibieën en zoogdieren. Hier­ bij wordt zorgvuldig en op een laag tempo gewerkt en het maaisel dient uit het besluitgebied afgevoerd te worden. Schakel hiervoor indien nodig een gecertifi­ ceerd (Kleurkeur) bermbeheerder in. - Werkzaamheden in één richting uit te voeren en van binnen naar buiten zodat dieren niet ingesloten worden en de mogelijkheid hebben om te vluchten. - Het verwijderen van de vegetatie dient buiten het broedseizoen van vogels (glo­ baal van half maart tot en met half juli) plaats te vinden. Raadpleeg hiervoor in­ dien nodig een ecologisch deskundige. - De werkzaamheden worden, indien mogelijk, zo trillings- en geluidsarm mogelijk uitgevoerd om verstoring van soorten te voorkomen; - Vermijd onnodige verstoring van dieren door het gebruik van licht door bij het gebruik van verlichting te kiezen voor armaturen die weinig strooilicht veroorza­ ken en te voorkomen dat deze uitstralen en/of gericht worden op opgaand groen en/of bebouwing; - Bomen en beplantingen die behouden blijven in het besluitgebied te markeren en voldoende beschermen zodat ze niet beschadigd raken gedurende de werk­ zaamheden.

- Het verwijderen van dieren van de bouwplaats als er gerede kans is dat ze be­ schadigd zullen raken.

28

Als bovengenoemde maatregelen niet genomen kunnen worden, dient een deskun­ dig ecoloog geraadpleegd te worden hierover.

29

4 Beschermde houtopstanden 4.1

Wettelijk kader Naast de regels voor houtopstanden van het rijk in het Besluit activiteiten leefom­ geving (Bal) kunnen ook provincies en gemeenten regels opstellen ten aanzien van houtopstanden. Daarbij maken de verschillende overheden ook onderscheid in wat wordt verstaan onder een houtopstand. Rijks- en provinciale regels hebben betrek­ king op houtopstanden vanaf een oppervlakte van 1.000 m2, of in het geval van een rijbeplanting die uit minimaal 20 bomen bestaat. In gemeentelijke regels worden onder houtopstanden ook individuele bomen en struiken verstaan, meestal vanaf een bepaalde afmeting. Voor bomen en struiken binnen de bebouwingscontour houtkap en op erven en tui­ nen stellen rijk en provincie geen regels, de gemeente kan hier wel regels voor op­ stellen. De bebouwingscontour houtkap wordt door de gemeente vastgesteld en komt meestal overeen met de grens van de bebouwde kom. Ook voor typen hout­ opstanden waarvoor rijk- en provincie geen regels opstellen kan een gemeente re­ gels opnemen in het omgevingsplan dus ook in het buitengebied, buiten de bebouwingscontour houtkap.

4.1.1

Rijksregels

Volgens de regels van het Bal over houtopstanden (afdeling 11.3 van het Bal) is het verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie (artikel 11.126 Bal). De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond bin­ nen drie jaar moet worden herbeplant (artikel 11.129 Bal). 4.1.2

Provinciale regels

De provincie Zuid-Holland stelt in paragraaf 3.9.2 van haar Omgevingsverordening aanvullende regels voor de melding die gedaan moet worden bij het vellen van een houtopstand en ten aanzien van de herplantplicht. Bij dat laatste gaat het om de ei­ sen die gesteld worden aan herbeplanting en de uitzonderingen op de plicht tot herbeplanting. 4.1.3

Gemeentelijke regels

De gemeente Lansingerland heeft regels omtrent het kappen van bomen gesteld in haar Bomenverordening Lansingerland 2018. Daarin wordt gesteld dat een vergun­ ning nodig is voor het vellen van beschermde houtopstanden zoals opgenomen op de "groene kaart", vitale bomen met een stamomtrek boven de 45 cm en houtop­ standen die in het kader van o.a. herplantplicht zijn gerealiseerd. In het omgevings­ plan van de gemeente zijn vooralsnog enkel voorschriften opgenomen voor het doen van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden.

30

In het kader van de Omgevingswet dienen gemeente een bebouwingscontour hout­ kap vast te stellen, waarbinnen regels van rijk en provincie ten aanzien van houtopstanden niet van kracht zijn. Zolang het Omgevingsplan geen bebouwingscontour houtkap aanwijst geldt onder de Omgevingswet als bebouwingscontour houtkap de bij besluit van de gemeenteraad ingevolge artikel 4.1 sub a van de Wet natuur­ bescherming vastgelegde grenzen van de bebouwde kom (artikel IV, Aanvullingsbesluit natuur). In de gemeente Lansingerland is de begrenzing van de bebouwde kom o.g.v. art. 4.1. Wet natuurbescherming onderdeel van de Bomenverordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=0041c33a-48b6-45e2-ae6d-4cb0346f9ef6