[T25.06180] Bijlage 2 - Verkennend bodemonderzoek
Tekst van het document
“
įJL
Hfrļ Jp i - i.ļ 'l 'iMrV' j . iļirJ ï Rmįrš' ï İS Twľ1/ ' J. JÿÊm
i 1 1 jo
1İ liT it
i
JE f iļ
Verkennend bodemonderzoek Middelweg 11 te Berkel en Rodenrijs Definitief
In opdracht van: Gemeente Lansingerland Opgesteld door:
Projectnummer: M20A0402 Documentnaam: m20a0402.r01 Datum: 8 maart 2021
Versie
Vrijgegeven door
m20a0402.r01
■■iiii
Bezoekadres Poortweg 4 2612 PA DELFT www.stantec.com/nl
KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, 14001:2015 en VCA* gecertificeerd
2001 +2002+2018
Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600
Paraaf
Datum 8 maart 2021
Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen.
Inhoudsopgave 1.0 Inleiding 1.1 Doel van het onderzoek 1.2 Kwaliteit
1 1 1
2.0 Vooronderzoek 2.1 Beschrijving van de locatie 2.2 Historische gegevens
2 2 2
2.3 Regionale bodemopbouw en geohydrologie 2.4 Locatie-inspectie 2.5 Hypothese en onderzoeksstrategie
5 6 6
3.0 Veldwerk en chemische analyses 3.1 Algemene onderzoeksstrategie en werkwijze 3.2 Resultaten veldwerk 3.3 Analysestrategie
7 7 8 10
4.0 Bespreking onderzoeksresultaten
12
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Algemene bodemkwaliteit Asbest Asfalt en fundering Conclusie Wet bodembescherming Toetsing hypothese
13 14 16 17 17
5.0 Conclusies en aanbevelingen
18
Bronvermeldingen
20
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2:
Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:750) Verklarende woordenlijst Kwaliteit, referentiekader en betrouwbaarheid
Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 3.5: Bijlage 3.6: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5.1: Bijlage 5.2: Bijlage 5.3: Bijlage 5.4: Bijlage 5.5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8:
Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten fundering aan de Rbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Analysecertificaten asbest Analysecertificaten asfalt Analysecertificaten fundering Foto’s onderzoekslocatie Historisch onderzoek Indeling percelen
Stantec | m20a0402.r01
1.0
INLEIDING
Op 8 december 2020 is door de gemeente Lansingerland aan Stantec B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van Middelweg 11 te Berkel en Rodenrijs (bijlagen 1 en 2). De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen woningbouw en bouwrijp maken van de locatie. De actuele bodemkwaliteit is bij de gemeente niet bekend. In november 2020 is een voorbelastingslaag opgebracht op de locatie met een dikte van circa 50 cm.
1.1
DOEL VAN HET ONDERZOEK
Het doel van dit onderzoek is inzicht verkrijgen in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de onderhavige locatie en haar omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem. Aan de hand van de onderzoeksresultaten wordt vastgesteld of de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt is voor de gewenste bestemming. Indien de resultaten daartoe aanleiding geven wordt advies gegeven over eventueel vervolgonderzoek en asfaltverharding.
1.2
KWALITEIT
Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de volgende protocollen en normen: ^ ^ ^ ^
NEN 5740 (bron 1), strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. NEN 5707 (bron 3), inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. NEN 5897 (bron 4), inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. CROW 210 (bron 13), Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt.
In overeenstemming met deze normen is voorafgaand aan het veldonderzoek een vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (bron 2). Het verkennend onderzoek bestond uit vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, toetsing en interpretatie.
Stantec | m20a0402.r01 1
2.0
VOORONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het vooronderzoek besproken. Dit resulteert in een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (bron 2). Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek wordt informatie van het historisch gebruik op standaardniveau voldoende geacht.
2.1
BESCHRIJVING VAN DE LOCATIE
De regionale ligging van de onderzoekslocatie is zichtbaar in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Relevante (historische) informatie betreffende aangrenzende percelen is eveneens weergegeven in bijlage 2. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, nummer 7167 en 7165. De oppervlakte van de onderzoekslocatie locatie bedraagt circa 9.859 m2. Momenteel is de locatie in gebruik als braakliggend terrein en deels als parkeerterrein. Het voormalige gebruikt bestond uit een tuinbouwbedrijf. De toekomstige bestemming van de locatie is wonen met tuin.
2.2
HISTORISCHE GEGEVENS
Voor het historisch onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ^ Archieven van de gemeente Lansingerland. ^ Topotijdreis. ^ historisch kaartmateriaal (bron www.topotiidreis.nl); • bodemarchief; •
bodemkwaliteitskaart.
Historisch bodembedreigende bedrijfsactiviteiten (Hbb) Ter plaatse van de onderzoekslocatie heeft zich een tuinbouwbedrijf bevonden. Uit de BRK-i blijkt dat zich op het terrein een metaalconstructiebedrijf (A0493002839) heeft bevonden. Tevens blijkt uit de website van de DCMR Milieudienst Rijnmond dat zich een lasinrichting, laad-, los-, op- en overslagbedrijf (goederen) en transportbedrijf op het perceel heeft bevonden. We merken op dat dit niet uit de bekende bodemonderzoeken blijkt. Uit de BRK-i blijkt dat zich een onbekende bedrijfsactiviteit met locatiecode AA162102038 op de onderzoekslocatie heeft bevonden. Gezien de contour van deze activiteit over een groot vlak is ingetekend, wordt niet verwacht dat deze activiteit zich op de onderzoekslocatie heeft bevonden.
Stantec | m20a0402.r01 2
Bodemarchief Uit het bodemarchief van de gemeente blijkt dat op of in de directe omgeving van de locatie in het verleden op de locatie bodemonderzoek is uitgevoerd. Onderstaand zijn globaal de betreffende onderzoeksresultaten weergegeven, in bijlage 7 is uitgebreid verslag opgenomen van deze bodemonderzoeken en saneringen. De relevante tekeningen zijn ook weergegeven in deze bijlage. Bodemonderzoek ^
(1) AA162101066 Vooronderzoek, verkennend en nader bodemonderzoek percelen Middelweg 11 te Berkel en Rodenrijs, CSO Adviesbureau, 08L199, 4-7-2008. De aanleiding van het onderzoek is de aankoop van de locatie in het kader van het project Groenzone. In de boven- en ondergrond is bijmenging met puin, plastic en slib aangetroffen. Over het algemeen is de locatie niet tot licht verontreinigd met cadmium, koper, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie. Plaatselijk is een sterke verontreiniging met koper, lood, zink en PCB aangetoond. In de afperkende boringen zijn in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) sterke verontreinigingen met koper, lood, zink en PCB aangetoond. De ondergrond (0,5-0,9 m-mv) is plaatselijk sterk verontreinigd met koper. Er is sprake van 360 m3 met zware metalen en PCB’s verontreinigde grond. In het grondwater (0,86-1,02 m-mv) zijn maximaal sterk verhoogde concentraties koper en minerale olie en licht verhoogde concentraties arseen, nikkel, zink, benzeen, xylenen en naftaleen gemeten. Op het maaiveld is 12,45 gram asbest plaatmateriaal aangetroffen. In het asbestmengmonster MM erfverharding (boringen verspreid over het gehele perceel ter plaatse van de verharding) (0,0-0,5 m-mv) is 20 mg/kg d.s. asbest aangetoond. Het gehalte bevindt zich beneden de huidige grenswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.).
De verontreiniging met zware metalen en PCB ontstaan na 1987 moet gesaneerd worden en de gevolgen van de verontreiniging ongedaan gemaakt worden.
^
(2) AA162101066 Aanvullend resultaten verkennend en nader bodemonderzoek, CSO Adviesbureau, 08L199, 11-7-2008. De aanleiding van deze notitie is het ontbreken van analyseresultaten uit voorgaand onderzoek (CSO, 08L199, 4-7-2008) betreffende het onderzoek naar de asfaltverharding en het grondwater. Uit het onderzoek blijkt dat het asfalt ter plaatse van de parkeerplaats nietteerhoudend is. In het grondwater ter plaatse van peilbuis S01 zijn sterk verhoogde concentraties minerale olie en licht verhoogde concentraties arseen, koper en nikkel aangetoond. Uit het chromatogram blijkt dat het waarschijnlijk om een benzine-achtige verontreiniging gaat. De oorzaak hiervan is onbekend. Op basis van de beschikbare gegevens kan de hoeveelheid sterk verontreinigd grondwater niet worden vastgesteld. Aanbevolen wordt om een herbemonstering van het grondwater uit te voeren. Aan de hand van deze resultaten kan worden vastgesteld of nader grondwateronderzoek noodzakelijk is.
^
(3) AA162101066 Nader asbestonderzoek, CSO Adviesbureau, 11L100, 9-9-2011. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is nader asbestonderzoek uitgevoerd in verband met het aantreffen van asbestverdacht plaatmateriaal op het maaiveld na de sloop van de opstallen. Tijdens het onderzoek is er ter plaatse van de onderzoekslocatie asbest met een maximaal gehalte van 663 mg/kg d.s. aangetoond. De verontreiniging met asbest in analytisch afgeperkt. In de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) is analytisch geen asbest aangetoond en derhalve is de verontreiniging met asbest beperkt tot de bovengrond (0-0,5 m-mv).
Stantec | m20a0402.r01 3
De omvang van de ernstige asbestverontreiniging is ingeschat op 950 m3. Er is geen sprake van onaanvaardbare risico’s. Er zijn beperkingen aanwezig bij het huidige gebruik. Deze kunnen weggenomen worden door afdekken of afgraven van de verontreiniging. Indien grond vrijkomt dient dit naar een erkende verwerker te worden afgevoerd. ^
(4) AA162102523 Nader milieukundig (asbest) bodemonderzoek op het ontwikkelingsterrein aan de Noordersingel te Berkel en Rodenrijs, Vander Helm Milieubeheer, LANO130291, 29-5-2013. De aanleiding voor het onderzoek zijn de in eerder uitgevoerd verkennend bodemonderzoek (LANO121343, 13-2-3013) aangetroffen verontreinigingen alsmede de geplande herinrichting van het terrein tot bouwkavels. Uit het voorgaande onderzoek is gebleken dat ter plaatse van boring 105 een matige verontreiniging aanwezig is met barium, lood en zink van 0 tot 0,5 m mv. In de ondergrond (0,6-1,1 m-mv) van boring 105 zijn geen verhoogde gehalten barium, lood en zink gemeten. In de bovengrond (0-0,5 m-mv) van afperkende boringen 105A, 105B, 105C en 105D zijn maximaal licht verhoogde gehalten lood en zink gemeten. De op het maaiveld aanwezige asbesthoudende fragmenten zijn tijdens de maaiveldinspectie middels handpicking verwijderd. De puinlaag ter plaatse van PS02, PS03 en PS04 (RE1) dient te worden gesaneerd en afgevoerd. PS01, PS06, PS09 en PS10 (RE1 en RE2) bevatten wel asbest, echter wordt de interventiewaarde niet overschreden. Aanbevolen wordt om de puinlaag waar de asbestconcentratie de restconcentratienorm overschrijdt te saneren middels ontgraving (PS02, PS03 en PS04).
Saneringen ^
(1) AA162102038 Saneringsplan, CSO Adviesbureau, 12M464.4, 25-4-2013. De aanleiding voor het saneringsplan wordt gevormd door de resultaten van in 2008 en 2011 uitgevoerde bodemonderzoeken. Ter plaatse van de gedempte sloot (zware metalen, PCB > I) zal ontgraven worden tot 2,0 m-mv (terugsaneerwaarde, zware metalen, PCB c AW) en ter plaatse van de verontreiniging met asbest (asbest boven 100 mg/kg d.s.) zal worden ontgraven tot 0,5 m-mv (terugsaneerwaarde, asbest c 100 mg/kg d.s.). De gekozen methode van sanering, is door middel van ontgraving en afvoering van het verontreinigde bodemmateriaal.
^
(2) AA162101066 Saneringsevaluatie, CSO Adviesbureau, onbekend, 26-5-2014. De gehele verontreiniging ter plaatse van de verontreiniging met asbest is ontgraven. Ter plaatse van WA14 (de oostelijke perceelsgrens) is nog een verontreiniging met asbest achtergebleven van 220 mg/kg d.s. De putwand is derhalve afgedekt met signaleringsdoek. Na analyse van de putbodem en -wand monsters zijn geen gehalten boven Achtergrondwaarde aangetroffen. Derhalve zijn op het perceel geen verontreinigingen met asbest, zware metalen en PCB meer aanwezig. In de controlepeilbuizen zijn maximaal licht verhoogde concentraties barium, xylenen en minerale olie gemeten.
Stantec | m20a0402.r01 4
Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente (bron 16) bevindt de locatie zich in zone Lansingerland: buitengebied BG (0-0,5 m-mv) en in zone Lansingerland: buitengebied & wonen na 1970 OG (0,5-2,0 m-mv). Dit betekent dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten koper, lood, molybdeen en PAK kunnen worden verwacht. In de ondergrond worden geen verhoogde gehalten verwacht.
2.3
REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Op regionale schaal is de bodem opgebouwd uit een afwisseling van watervoerende lagen (zand, grind) en waterscheidende lagen (klei, leem, veen). De deklaag uit Holocene afzettingen (zand, klei en veen). Het hierin aanwezige grondwater vormt het freatische grondwaterpakket. Diepere lagen betreffen Pleistocene afzettingen. Zandlagen hierbinnen vormen het 1e en diepere watervoerende pakketten. Regionale bodemopbouw Onderstaande tabel toont de bodemopbouw die afgeleid is uit de lokaal geplaatste boringen en sonderingen. Tabel 1: Regionale bodemopbouw Hoofdlithologie
Bijmenging Z korrelgrootte
Bijzonderheden Z opmerkingen
0,0 tot -0,4
Klei
Matig humeus
-
Holocene afzettingen, complexe eenheid
-0,4 tot -4,2
Klei
Zwak siltig
-
Holocene afzettingen, complexe eenheid
-4,2 tot -4,6
Veen
-
-
Holocene afzettingen, complexe eenheid
-4,6 tot -5,8
Klei
Zwak humeus, zwak siltig
-
Holocene afzettingen, complexe eenheid
-5,8 tot -8,8
Klei
Zwak siltig
-
Holocene afzettingen, complexe eenheid
-8,8 tot -9,8
Klei
Sterk siltig
-
Holocene afzettingen, complexe eenheid
-9,8 tot -10,50
Zand
Matig fijn
-
Holocene afzettingen, complexe eenheid
-10,5 tot -12,8
Zand
Matig fijn, zwak grindig
-
Formatie van Kreftenheye
Laagdiepte (van...tot...m NAP)
Formatie
De regionale stromingsrichting van het freatisch grondwater is richting het noorden, oosten, zuiden en westen in de richting van de nabijgelegen sloten. Het freatische grondwater wordt ook afgewaterd naar de omliggende sloten.
Stantec | m20a0402.r01 5
2.4
LOCATIE-INSPECTIE
Op 17 december 2020 is een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens deze inspectie zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Het grootste gedeelte van de locatie is onverhard. De parkeerplaats van de locatie is verhard met asfalt. De gehele locaties is opgehoogd met een voorbelastingslaag met een dikte van ca. 0,5 meter.
2.5
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE
Op basis van de bovenstaande historische informatie is onderstaande hypothese geformuleerd. Ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek is de bijbehorende onderzoeksstrategie gevolgd (bron 1, bijlage b). ^
^
^ ^
Uit het vooronderzoek blijkt dat er in de grond en het grondwater mogelijk sprake is van een lichte verontreiniging met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. Plaatselijk is mogelijk sprake van matige verhoogde gehalten barium, lood en zink in de grond. Op grond van de beschikbare informatie is uitgegaan van de volgende onderzoeksstrategie, verdachte locatie met een diffuse bodembelasting (VED-HE). Door de aanwezigheid van een diffuus verontreinigde ophooglaag kunnen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen worden aangetroffen. Aangezien de locatie mogelijk verdacht is met betrekking tot asbest, is bovenstaande onderzoeksstrategie gecombineerd met de strategie voor verkennend onderzoek naar asbest in bodem. In verband met de opgebrachte laag zand, was het niet mogelijk om proefgaten te graven, wel is het opgeboorde materiaal visueel geïnspecteerd op asbest. Het asfalt is aangebracht voor 1999 en derhalve verdacht op het voorkomen van teer. De funderingslagen zijn verdacht op het voorkomen van asbest, zware metalen, PAK en minerale olie.
Stantec | m20a0402.r01 6
3.0
VELDWERK EN CHEMISCHE ANALYSES
3.1
ALGEMENE ONDERZOEKSSTRATEGIE EN WERKWIJZE
De gehanteerde onderzoeksstrategie is gebaseerd op de in hoofdstuk 2 gestelde hypothese. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van alle uitgevoerde veldwerkzaamheden en de analyses van grond en grondwater. In de hierop volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de veldwerkzaamheden en de chemische analyses. Tabel 2: Overzicht uitgevoerde veldwerkzaamheden en analyses Aanleiding Diepte boringen (m-mv)*
Algemene bodemkwaliteit (9.859 m2) 0,0-1,0 0,0-2,5 0,0-3,0 Verhardingen (850 m2) 0,0-0,1W,6
Totaal
1 NEN-grond:
2 NEN-grondwater:
3 PFAS-grond: 4 Asbest in grond:
5 CO/PAK-ma: 6 GC/MS: 7 Theo Pouw pakket:
1 Asbest in puin:
Veldwerk Aantal boringen
Aantal boringen met peilbuis
18 4 2 3
Analyses Grond/ verhardingen
Grondwater
7 NEN-grond1 2 PFAS-grond3 4 asbest in grond4
2 NEN-grondwater2
1 CO/PAK-ma5 1 GC/MS6 2 Theo Pouwpakket7 1 asbest in puin8
-
22 grondboringen 2 peilbuizen 3 kernboringen In de beoogde boordiepte is rekening gehouden met het doorboren van een aangebrachte laag zand op het oorspronkelijke maaiveld van maximaal 50 cm. lutum- en organisch stofpercentage, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM) en polychloorbifenylen (PCB). barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen (som o,m,p), styreen, naftaleen, vinylchloride, 1.1- dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1.1- dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform, minerale olie. PFAS (30 stoffen) conform advieslijst 12 juli 2019. asbestanalyse conform NEN 5707 op monster van 10 kg, fractie > 0,5 mm (kwantitatief). constructie en laagopbouw asfaltkern; PAK-marker test (indicatieve teerhoudendheid). aanvullende kwantitatieve analyse op PAK (Geaccrediteerd volgens AP04/CROW210/NCOB).
metalen (barium, kobalt, koper, molybdeen, tin, vanadium), chloride, fluoride, sulfaat in het eluaat van het uitloogonderzoek Schudproef (1^=10); Som-PCB; Som-PAK; minerale olie. asbestgehalte in puin ^27kg); bij een volumepercentage puin(granulaat) in de bodem groter dan 5007o.
Stantec | m20a0402.r01 7
De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage 2. De boringen zijn gelijkmatig over de locatie verspreid geplaatst.
3.2
RESULTATEN VELDWERK
Het veldwerk is uitgevoerd op 18 en 19 januari 2021. Voor aanvang van de boorwerkzaamheden is de locatie visueel geïnspecteerd. Op het maaiveld van het terrein zijn geen verontreinigingen en geen asbestverdachte materialen waargenomen. In bijlage 4 zijn de gedetailleerde boorbeschrijvingen weergegeven met de bodemopbouw, de diepten waarop grondmonsters zijn genomen en de diepten waarop eventuele peilfilters geplaatst zijn. De zintuiglijke waarnemingen en eventuele afwijkingen zijn eveneens in deze bijlage weergegeven. Bodemopbouw De opgebrachte (schone) laag bestaat uit klei met sporen baksteen. De bodem onder deze laag bestaat tot de maximale boordiepte (3,1 m-mv) uit klei. Plaatselijk (B09) is in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv bijmenging met resten baksteen aangetroffen. Grond Visueel zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdachte materialen waargenomen. Van het bodemmateriaal is maximaal per halve meter en/of per bodemlaag een monster genomen. Voor de analyse van grondmonsters op asbest zijn in het veld mengmonsters samengesteld. Grondwater Voor de bemonstering van het grondwater zijn boringen B04 en B05 afgewerkt met een peilbuis. Conform NEN 5740 is de bovenzijde van het peilfilter circa 0,5 m beneden de grondwaterstand geplaatst. Het grondwater is bemonsterd op 27 januari 2021.
Bij de grondwaterbemonstering is het grondwater waargenomen op een diepte van circa 0,75 en 0,87 m-mv. Tijdens de bemonstering zijn aan het grondwater geen afwijkingen waargenomen. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (Ec) en de aanwezigheid van niet-opgeloste deeltjes (troebelheid) van het grondwater zijn tijdens de monstername in het veld bepaald. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De meetwaarden geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen. Tabel 3: Veldmetingen grondwater Peilbuis
Filter (m-mv)
GWS (m-mv)
Temp. (0C)
PH
Ec (pS/cm)
Troebelheid (FTU)
B04
2,10 - 3,10
0,87
9,7
6,6
810
62
B05
2,00 - 3,00
0,75
9,1
6,7
870
56
Op basis van de gemeten Ec is sprake van brak (400 pS/cm ^c ^.800 pS/cm) grondwater.
Stantec | m20a0402.r01 8
Op basis van de beschikbare gegevens kan geen eenduidige stromingsrichting van het freatische grondwater worden vastgesteld. Opgemerkt wordt dat de stromingsrichting van het freatisch grondwater beïnvloed kan zijn door bijvoorbeeld getijden, drainage, kabels en leidingen e.d. De troebelheid van grondwater heeft een natuurlijke waarde in een zandpakket van 0-10 NTU. Deze kan afwijken wanneer er sprake is van een meer siltig samengestelde bodem. Vooral in klei- en veengronden (slechtlopende peilbuizen) komt het in de praktijk veelvuldig voor ondanks dat de gestelde vereisten voor plaatsing van peilbuizen en bemonstering van grondwater zijn gevolgd, de NTU waarden afwijken. Tijdens de monstername van het grondwater is in beide peilbuizen een NTU van > 10 gemeten. De peilbuizen B04 en B05 staan in een kleipakket. Wij zien dit niet als een afwijking en houden hiermee rekening met de interpretatie van de meetresultaten. Asbest Het veldwerk bestond uit een visuele inspectie van de voorbelasting (het huidige maaiveld) en van de opgeboorde grond uit het voormalige maaiveld (0,5-1,0 m-mv) en de ondergrond. Van het opgeboorde bodemmateriaal zijn in het veld mengmonsters samengesteld. Bij het samenstellen van de mengmonsters is rekening gehouden met het bodemtype en de visuele waarnemingen. De weersomstandigheden waren slecht: regen (H0 mm), goed zicht ^50 m), plasvorming op het maaiveld.
De onderzoeklocatie was beperkt toegankelijk vanwege de waterplassen. Circa 50Zo van het maaiveld was vrij inspecteerbaar. Vanwege de waterplassen is geen volledige visuele inspectie van het maaiveld uitgevoerd. De inspectie-efficiëntie van het maaiveld is ingeschat op 50-70Zo. Ter plaatse van de voorbelasting (het huidige maaiveld) is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ter plaatse van B09 is in de laag van 0,5 tot 1,0 m-mv sporen baksteen aangetroffen, in de overige boringen is geen bijmenging aangetroffen. Ter plaatse van de parkeerplaats (boringen B01, B02 en B03) is een funderingslaag aanwezig. Deze laag bestaat uit asfalt, baksteen, glas en steen. Het gemiddelde volumepercentage aan bodemvreemd materiaal in de fractie ^0 mm is ingeschat op > 50Zo. Er zijn zowel boringen waarin minder dan 50Zo bodemvreemd materiaal is aangetroffen, als proefgaten waarin meer dan 500Zo bodemvreemd materiaal is aangetroffen. Daarom zijn zowel monsters conform de NEN 5707 als de NEN 5897 samengesteld. In bijlage 4 zijn de gedetailleerde profielbeschrijvingen weergegeven met de bodemopbouw. In géén van de boringen is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen. Asfalt en fundering Het asfaltonderzoek voldoet voor het geplande werk qua geboorde en geanalyseerde hoeveelheden aan de CROW 210 (bron 13).
Ter plaatse van B01, B02 en B03 zijn drie kernboringen geplaatst, om de kwaliteit en de hergebruikmogelijkheden vast te stellen. Slechts bij één boring, B01, was het asfalt separaat te bemonsteren van de onderliggende fundering In deze asfaltkern zijn twee verschillende soorten asfalt aangetroffen (bijlage 5.3).
Stantec | m20a0402.r01 9
De opbouw van het asfalt bestaat bij boring B01 voornamelijk uit oppervlaktebehandeling (OB) en grindasfaltbeton (GAB). Deze kern heeft een dikte van 8,9 cm. Ter plaatse van B02 en B03 is tevens asfalt aanwezig, het asfalt hier was echter vastgereden met de fundering en niet als zodanig mogelijk los te bemonsteren. Deze asfaltlagen zijn derhalve niet geanalyseerd op PAK-marker, het materiaal van deze kernen is samen met de fundering geanalyseerd in funderingsmonsters FUNM01 en FUNM02. Het asfalt is hier aangetroffen in de bovenste 20 cm van de gehele laag. Ter plaatse van B01, B02 en B03 is een funderings-Zverhardingslaag aanwezig. Het materiaal bestaat uit brokken asfalt, baksteen, stenen, grind en glas. Ter plaatse van B02 en B03 is de asfalttoplaag vastgereden in de fundering. Ter plaatse van B03 is eveneens een zwakke olie-water reactie en een matige brandstofgeur waargenomen. De funderingslaag van B03 is derhalve separaat onderzocht. De funderings-Zverhardingslaag heeft een gemiddelde dikte tussen de 52 en 60 centimeter. Van de fundering zijn in het veld mengmonsters samengesteld voor de analyse op het Theo Pouwpakket (metalen, sulfaat, schudproef, PAK, PCB en minerale olie) en asbest in puin.
3.3
ANALYSESTRATEGIE
Onderstaande tabel geeft, voor de verschillende aanleidingen, de geselecteerde monsters weer met de bijbehorende zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde analyses. De mengmonsters zijn gebaseerd op de aangeleverde schets met de toekomstige verkaveling (zie bijlage 8). Tabel 4: Analysestrategie Code Samengesteld uit (meng)monster boringen diepte (m-mv) Algemene kwaliteit grond M01 (0,50 - 1,00) B04, B10, B11 M02 (0,50 - 1,00) B05, B24, B25, B26 M03 (0,50 - 1,00) B07, B17, B23, B27 M04 (0,50 - 1,00) B08, B13, B14, B16 M05 (0,50 - 1,00) B18, B19, B20 M06 (0,50 - 1,00) B09 M07 (0,50 - 1,00) B06, B12 PFAS PFAS-M01 (0,50 - 1,00) B04, B08, B10, B12
Bodemtype Zintuiglijke waarnemingen
Analyses Grond
Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei
NEN-grond NEN-grond NEN-grond NEN-grond NEN-grond NEN-grond NEN-grond
PFAS-M02 (0,50 - 1,00) B20, B21, B22, B25
Klei
Algemene kwaliteit grondwater B04-1-1 (2,10 - 3,10) B04 B05-1-1 (2,00 - 3,00) B05 Asbest
-
Sporen baksteen -
Klei
Grondwater
-
PFAS + organisch stofgehalte PFAS + organisch stofgehalte -
Stantec | m20a0402.r01 10
-
NEN-grondwater2 NEN-grondwater2
Code (meng)monster diepte (m-mv) ASB-FUNM01 (0,00 - 0,60)
Samengesteld uit boringen
ASB-M01 (0,50 - 1,00)
B04, B06, B10, B11, B12, B13 B07, B08, B14, B15, B16, B18 B09, B17, B19, B20, B21, B22 B05, B23, B24, B25, B26, B27
ASB-M02 (0,00 - 1,00) ASB-M03 (0,50 - 1,80) ASB-M04 (0,50 - 1,00) Asfalt B01-Asfalt kern (0,00 - 0,08)
Fundering FUNM01 (0,00 - 0,60)
FUNM02 (0,00 - 0,60)
Bodemtype Zintuiglijke waarnemingen
B01, B02, B03
Matig steenhoudend, zwak baksteenhoudend, brokken asfalt, Klei
resten glas -
Klei
-
Klei
Sporen baksteen
Klei
-
Analyses Grond Asbest in puin
Asbest in grond Asbest in grond Asbest in grond Asbest in grond
B01
Asfalt
PAK marker inclusief laagdikte + GC/MS
B01, B02
Matig steenhoudend, zwak baksteenhoudend, brokken asfalt, resten glas Matig steenhoudend, zwak baksteenhoudend, brokken asfalt, zwakke olie-water reactie, matige brandstofgeur
Theo Pouw-
B03
Stantec | m20a0402.r01 11
Grondwater
pakket
Theo Pouwpakket
-
4.0
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie beschreven op basis van de onderzoeksresultaten. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten getoetst aan de in hoofdstuk 2 geformuleerde hypothese. In de onderstaande tabellen zijn de gemeten verhoogde gehalten voor grond, PFAS in grond en grondwater weergegeven, evenals de toetsing voor Besluit bodemkwaliteit. Tabel 5: Verhoogde gehalten in grond per bodemlaag (NEN-parameters grond) Analysemonster (cm-mv)
M01 (50-100)1 M02 (50-100)
Boringen
Bodem type
Zintuiglijke Toetsing waarnemingen Wbb ^W
B04, B10, B11 B05, B24, B25, B26
Klei
-
Klei
-
koper, lood, PCB PAK koper, lood, nikkel, zink, PCB
Klei
M03 (50-100) M04 (50-100) M05 (50-100)1,2
B07, B17, B23, B27 B08, B13, B14, B16 B18, B19, B20
Klei
-
Klei
-
Toetsing Bbk
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)
Industrie
Basishygiëne
Wonen
Basishygiëne
Wonen
Basishygiëne
AW
Basishygiëne
Basishygiëne PAK AW Sporen baksteen PAK Basishygiëne B09 AW Klei Basishygiëne B06, B12 AW Het resultaat voor PCB 28 is mogelijk valspositief verhoogd door de aanwezigheid van PCB 31. Gezien er maximaal een licht verhoogd gehalte PCB is aangetoond, wordt er geen invloed verwacht op het gerapporteerde resultaat. Er zijn componenten PAK aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot. Gezien er maximaal een licht verhoogd gehalte PAK is gemeten, wordt er geen invloed verwacht op het gerapporteerde resultaat. Klei
M06 (50-100)2 M07 (50-100) 1
2
Toelichting: AW: Wonen: Industrie: NIET:
Bodemkwaliteitsklasse AW; Bodemkwaliteitsklasse Wonen; Bodemkwaliteitsklasse Industrie; Niet toepasbaar.
Tabel 6: Verhoogde gehalten PFAS in de grond per bodemlaag Analysemonster (cm-mv)
Boringen
Toetsing Bbk Landelijk
PFAS-M01 (50-100) PFAS-M02 (50-100)
B04, B08, B10, B12 B20, B21, B22, B25
Landbouw/natuur Niet verontreinigd Landbouw/natuur Niet verontreinigd
Stantec | m20a0402.r01 12
Toetsing Wbb Landelijk
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400) Basishygiëne Basishygiëne
Tabel 7: Verhoogde gehalten in grondwater (NEN-parameters grondwater) Analysemonster (cm-mv)
Peilbuizen
Toetsing Wbb
B04-1-1 (210-310) B05-1-1 (200-300)
B04 B05
^W barium barium
4.1
-
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400) -
Basishygiëne Basishygiëne
ALGEMENE BODEMKWALITEIT
Grond In de oorspronkelijke kleiige bovengrond (thans de laag van 0,5-1,0 m-mv) onder de opgebrachte voorbelasting zijn licht verhoogde gehalten koper, lood, nikkel, zink, PAK en PCB gemeten. Mogelijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde gehalten ten opzichte van de AW waarden en/of detectiegrenzen gemeten. In de oorspronkelijke kleiige bovengrond (0,5-1,0 m-mv) onder de opgebracht laag zijn verhoogde gehalten PFOA (0,53 pg/kg d.s.) en PFOS (0,26 pg/kg d.s.) aangetoond. Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de geanalyseerde grond(meng)monster(s) zijn voor het bepalen van de hergebruikmogelijkheden indicatief getoetst aan de, normwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit behorende bij het Besluit bodemkwaliteit (bron 11). De in het laboratorium gemeten gehalten zijn hierbij omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages. De uitwerking van deze (indicatieve) toetsing is opgenomen in bijlage 3.4. In tabel 5 wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de (indicatieve) toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit conform het generieke beleid (landelijke beleid).
Bij gebiedsspecifiek beleid dient te worden getoetst aan het door het bevoegd gezag vastgestelde lokale bodembeleid (bodembeheernota, bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart) met lokale maximale waarden en eventueel aanvullende specifieke eisen ten aanzien van grondverzet. Op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat de bovengrond (0,5-1,0) ter plaatse van B04, B10 en B11 (nieuwe perceel linksboven) in klasse Industrie valt. De bovengrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van B05, B24, B25 en B26 (nieuwe perceel linksonder) en de bovengrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van B07, B17, B23 en B27 (strook aan rechterzijde perceel) in klasse Wonen valt. De bovengrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van B08, B13, B14 en B16 (nieuwe perceel midden boven), de bovengrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van B09, B18, B19 en B20 (nieuwe perceel midden onder) en de bovengrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van B06 en B12 (nieuwe perceel rechtsboven) vallen in klasse Achtergrondwaarde (voor schets plaatsing toekomstige percelen, zie bijlage 8). Op basis van het landelijk tijdelijk handelingskader voor PFAS (bron 14) is de bovengrond (0,5-1,0 m-mv) onder de opgebrachte grond voor het gehele geclassificeerd als Landbouw/natuur.
Stantec | m20a0402.r01 13
Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse is in veel gevallen een partijkeuring conform AP04 vereist. Een dergelijke keuring onderscheidt zich van het onderhavige onderzoek door een intensievere bemonstering, een aangepaste monstervoorbehandeling in het laboratorium, zowel monstername als analyse in duplo en in enkele gevallen uitloogonderzoek. Veiligheidskundige aspecten (voorlopige Arbo veiligheidsklassen) Met behulp van de berekeningsmodule van CROW-publicatie 400 (bron 12 en 15) zijn de gehalten van de meest verontreinigde monsters getoetst aan de betreffende veiligheidseisen. Op basis van de CROW 400 (zie Tabel 5) blijkt dat de bovengrond (0,5-1,0 m-mv) ter plaatse van het gehele perceel geclassificeerd kan worden als veiligheidsklasse “Basishygiëne” voor zowel NEN-grond als PFAS-grond. Op basis van deze veiligheidsklasse dienen de juiste aanvullende maatregelen genomen te worden gedurende werkzaamheden in de grond. Voor de bijbehorende veiligheidsvoorzieningen, metingen en maatregelen wordt verwezen naar de betreffende publicaties van het CROW. Grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium gemeten. Mogelijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarden en/of detectiegrenzen gemeten.
Een verhoogde troebelheid ^ 10 NTU) kan invloed hebben op het meetresultaat. Bij een te hoge troebelheid kan een overschatting van het meetresultaat voor organische verbindingen (minerale olie, vluchtige (aromatische en gechloreerde) koolwaterstoffen, PAK en PCB) plaatsvinden. Er kan daardoor ten onrechte vastgesteld worden dat sprake is van een grondwaterverontreiniging. In het grondwater afkomstig uit peilbuizen B04 en B05 is een NTU van respectievelijk 62 en 56 aangetoond. Uit de analyseresultaten blijkt dat geen van de organische verbindingen in concentraties groter dan de streefwaarde(n) zijn aangetoond. De verhoogde troebelheid heeft geen invloed op de eindconclusie.
4.2
ASBEST
Analyses en berekeningen Het gehalte aan asbest (mg/kg d.s.) voor de fracties ^0 mm is bepaald door het laboratorium en berekend volgens rekenregels uit de NEN 5897 (bron 4). Asbest aan maaiveld Opgemerkt wordt dat de maaiveldinspectie zich heeft toegespitst op de voorbelasting (huidige maaiveld) en niet op het oorspronkelijke maaiveld.
Stantec | m20a0402.r01 14
Asbest in bodem en puin De monsters ten behoeve van het verkennend asbest in grond- en puinonderzoek ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in het veld samengesteld. Ter plaatse van B01, B02 en B03 is funderings- Z verhardingslaag aangetroffen met een dikte tussen de 40 en 52 cm. Deze laag is heterogeen van samenstelling en bestaat uit brokken asfalt, baksteen, stenen, grind en glas. In de boringen ter plaatse van het braakliggend terrein is visueel géén asbestverdacht materiaal aangetroffen. In tabel 8 zijn de analyseresultaten van de fijne fractie (c 20 mm) uit de (meng)monsters opgenomen. Uit de gemeten asbestconcentraties is de gewogen asbestconcentratie per mengmonster berekend (waarbij de gecorrigeerde concentratie amfibool 10 maal zwaarder weegt dan de gecorrigeerde concentratie serpentijn). De gewogen concentraties zijn vervolgens getoetst aan de interventiewaarde (voorheen restconcentratienorm) van 100 mg/kg d.s. De resultaten zijn weergegeven in tabel 8. In deze tabel zijn de in het laboratorium gemeten en gewogen asbestconcentraties (fijne fractie c 20 mm) in de mengmonsters weergegeven.
Tabel 8: Gemeten en gewogen asbestgehalte fijne fractie grond- en puinmonsters Totale asbestgehalte Totaal gewogen Asbestgehalte grove Asbestgehalte fijne fractie fractie (mg/kg d.s.) (mg/kg d.s.) gemeten (mg/kg d.s.) gemeten asbestgehalte (mg/kg d.s.) Serpentijn Amfibool Serpentijn Amfibool Serpentijn Amfibool ASB-FUNM01 (0-0,6)1 B01, B02, B03 11 2,9 11 2,9 40,3 B04, B06, B10, B11, B12, B13 c2 c2 c2 c2 c2 ASB-M01 (0,5-1,0)1 ASB-M02 (0,5-1,0)1 B07, B08, B14, B15, B16, B18 c2 c2 c2 c2 c2 ASB-M03 (0,5- 1,0)1 B09, B17, B19, B20, B21, B22 c2 c2 c2 c2 c2 ASB-M04 (0,5-1,0)1 B05, B23, B24, B25, B26, B27 c2 c2 c2 c2 c2 Het aangeleverde analysemonster voldoet niet aan de minimaal vereiste hoeveelheid volgens de eisen in NEN5898. Gezien de aanlevering van voldoende natgewicht materiaal (tussen 12-13 kg) en de uiteindelijke geringe afwijking op het drooggewicht (ASB-M01 8,1 kg, ASB-M02 9,3 kg, ASB-M03 8,4 kg en ASBM04 8,7 kg) en het niet aantreffen van asbest in mengmonster ASB-M01 t/m ASB-M04, wordt geen invloed verwacht op het gerapporteerde resultaat. ASBFUNM01 is bemonsterd door middel van een asfaltboor met diameter 12 cm en derhalve is niet voldoende materiaal verzameld voor de analyse op asbest. Het monster bestaat uit grove stukken puin en is visueel geïnspecteerd. Het gerapporteerd resultaat wordt representatief beschouwd. Code (meng)monster (m-mv)
Proefgaten
Stantec | m20a0402.r01 15
Uit analyses blijkt dat in de bodem geen asbest is aangetoond (concentraties beneden of gelijk aan de bepalingsgrens). De gedetailleerde analyseresultaten staan vermeld in de bijgevoegde analysecertificaten (zie bijlage 5). Uit de analyse blijkt dat in de funderings^verhardingslaag indicatief asbest is aangetoond (concentratie beneden de grens voor nader onderzoek 50 mg/kg d.s.). De gedetailleerde analyseresultaten staan vermeld in de bijgevoegde analysecertificaten (zie bijlage 5).
4.3
ASFALT EN FUNDERING
De genomen asfaltkern B01 is aangeboden voor een beschrijving van de constructie-opbouw en een PAK-marker test. Uit de PAK-markertests blijkt dat B01 niet een concentratie PAK groter dan 250 mg/kg d.s. bevat. De aanvullende GC/MS analyse is vervolgens ingezet op de asfaltkern. Op basis van de aanvullende GC/MS analyses is de PAK concentratie in alle geanalyseerde lagen of kernen kleiner dan 10 mg/kg d.s. Hiermee wordt de hergebruiknorm van 75 mg/kg (CROW 210) niet overschreden. Ter plaatse van B02 en B03 is tevens asfalt aanwezig, het asfalt hier was echter vastgereden met de fundering en niet als zodanig mogelijk los te bemonsteren. Deze asfaltlagen zijn derhalve niet geanalyseerd op PAK-marker of GC/MS, het materiaal van deze kernen is samen met de fundering geanalyseerd in funderingsmonsters FUNM01 en FUNM02. Van het funderingsmateriaal zijn mengmonsters samengesteld. De samenstelling is weergegeven in tabel 9. Deze mengmonsters zijn ter analyse bij het laboratorium aangeboden. Tabel 9: Mengmonsters funderingonderzoek Code mengmonster (m-mv) FUNM01 (0,00 - 0,60)
Boringen B01, B02
FUNM02 (0,00 - 0,60)
B03
Type materiaal Matig steenhoudend, zwak baksteenhoudend, brokken asfalt, sterk grindhoudend, resten glas Matig steenhoudend, zwak baksteenhoudend, brokken asfalt, zwakke olie-water reactie, matige brandstofgeur
Uit de analyse van het funderingsmateriaal op organische verbindingen PAK, PCB en minerale olie conform AP04 blijkt dat het materiaal voor deze parameters voldoet aan de eisen uit de Regeling bodemkwaliteit. Dit houdt in dat de fundering als toepasbaar geldt, mits een uitloogproef aantoont dat er geen kans is op uitloging vanuit de fundering. Deze uitloogproef bestaat uit een kolomproef en analyse van het eluaat op 15 metalen (antimoon, arseen, barium, cadmium, kobalt, chroom, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, seleen, tin, vanadium en zink) en 4 anionen (fluoride, bromide, chloride en sulfaat). In het eluaat van de beschikbaarheidsproef van mengmonsters FUNM01 en FUNM02 zijn verhoogde concentraties van de geanalyseerde parameters barium, koper, vanadium, fluoride, chloride en sulfaat gemeten, maar deze overschrijden niet de norm voor hergebruik voor nietvormgegeven bouwstoffen zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit.
Stantec | m20a0402.r01 16
Hieruit blijkt dat het materiaal van de wegfundering ter plaatse van als toepasbare bouwstof geldt en dus geschikt is voor hergebruik. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat voor een definitieve classificatie een partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1002 mogelijk noodzakelijk is.
4.4
CONCLUSIE WET BODEMBESCHERMING
Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ^25 m3 sterk verontreinigde grond en M00 m3 sterk verontreinigd grondwater).
4.5
TOETSING HYPOTHESE
In paragraaf 2.5 werd de hypothese gesteld dat de locatie verdacht is op het voorkomen van een lichte verontreiniging met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie in grond en grondwater. Plaatselijk is mogelijk sprake van matig verhoogde gehalten barium, lood en zink in de grond. Tevens is de locatie verdacht op het voorkomen van asbest in de grond. Het asfalt is verdacht op het voorkomen van teer (aangelegd voor 1999). De funderingslagen zijn verdacht op het voorkomen van asbest, zware metalen, PAK en minerale olie. ^ Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de in paragraaf 2.5 opgestelde hypothese voor de bodem aanvaard: uit de analyseresultaten blijkt dat de locatie licht verhoogde gehalten koper, lood, nikkel, zink, PAK en PCB bevat. ^ Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de in paragraaf 2.5 opgestelde hypothese voor het grondwater aanvaard: uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater licht verhoogde concentraties barium bevat. ^ De hypothese dat sprake is van de aanwezigheid van asbest wordt verworpen: op de locatie is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. ^ De hypothese dat sprake is van teerhoudend asfalt wordt verworpen: het asfalt (B01) is niet teerhoudend. ^ De hypothese dat de fundering verontreinigd is met asbest wordt aanvaard: er is analytisch 40 mg/kg d.s. asbest aangetoond.
^ De hypothese dat de fundering verontreinigd is met zware metalen, PAK en minerale olie wordt verworpen: er zijn verhoogde concentraties barium, koper, vanadium, fluoride, chloride en sulfaat gemeten. Echter overschrijden deze de norm voor hergebruik voor niet-vormgegeven bouwstoffen zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit niet. Nader onderzoek en saneringen maatregelen worden niet noodzakelijk geacht.
Stantec | m20a0402.r01 17
5.0
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken: Conclusies bodem ^ ^
^ ^
^
^ ^ ^ ^
De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot de maximale boordiepte van 3,1 m-mv uit klei. Op de locatie is een voorbelasting aanwezig met een dikte van gemiddeld 0,5 meter. In deze voorbelasting is bijmenging met sporen baksteen aanwezig. Deze laag is niet verder onderzocht in onderhavig onderzoek. In de bodemlaag onder de voorbelasting is plaatselijk (B09) bodemvreemde bijmengingen met resten baksteen aangetroffen. In de kleiige grond (0,5-1,0 m-mv) onder de opgebrachte voorbelasting zijn licht verhoogde gehalten koper, lood, nikkel, zink, PAK en PCB gemeten. Tevens zijn er verhoogde gehalten PFOA (0,53 gg/kg d.s.) en PFOS (0,26 gg/kg d.s.) gemeten. Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft de grond de kwaliteitsklasse Industrie (nieuwe perceel linksboven), Wonen (nieuwe percelen linksonder en strook rechterzijde) en kennen derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden elders. De grond ter plaatse van de nieuwe percelen rechtsboven, midden boven en midden onder hebben kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde en zijn derhalve vrij toepasbaar. Conform het landelijk tijdelijk handelingskader voor PFAS heeft de grond de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Conform de CROW 400 geldt de veiligheidsklasse “Basishygiëne” voor werken in de grond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium gemeten.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Conclusies asbest in grond ^ ^
Op basis van het historisch onderzoek is de locatie verdacht voor aanwezigheid van asbest. Zowel visueel als analytisch is in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het braakliggend terrein (asbest in grond) geen asbest aangetoond.
Conclusies asfalt en fundering ^
^
Ter plaatse van de boring B01 is het asfalt onderzocht op samenstelling en PAK-gehalte. Er zijn twee types asfalt aangetroffen, namelijk oppervlaktebehandeling (OB) en grindasfaltbeton (GAB). Het is asfalt is op basis van PAK-marker tests en aanvullende analyses niet verontreinigd met PAK (gehalte onder de hergebruik- norm van 75 mg/kg). Ter plaatse van B02 en B03 is tevens asfalt aanwezig, het asfalt hier was echter vastgereden met de fundering en niet als zodanig mogelijk los te bemonsteren. Deze asfaltlagen zijn derhalve niet geanalyseerd op PAK-marker of GC/MS, het materiaal van deze kernen is samen met de fundering geanalyseerd.
Stantec | m20a0402.r01 18
^
^
^
^
Ter plaatse van B01, B02 en B03 is een funderings-Zverhardingslaag aanwezig. Het materiaal bestaat uit brokken asfalt, baksteen, stenen, grind en glas. Ter plaatse van B03 is eveneens een zwakke olie-water reactie en een matige brandstofgeur waargenomen. De funderingslaag van B03 is derhalve separaat onderzocht. De funderings-Zverhardingslaag heeft een gemiddelde dikte tussen de 52 en 60 centimeter. De funderingslaag bestaande uit asfalt, baksteen, glas, grind, steen, is kwantitatief geanalyseerd op voorkomen van asbest. Hierbij is analytisch asbest (40 mg/kg d.s.) aangetroffen. Voor het funderingsmateriaal van kan worden geconcludeerd, dat de gehalten van de organische verbindingen voldoen aan normen zoals gesteld in de Regeling bodemkwaliteit. Uit de resultaten van het uitlogingsonderzoek blijkt dat het materiaal geschikt is als nietvormgegeven bouwstof voor hergebruik op basis van de toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit. Voor een definitieve classificatie is een partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1002 mogelijk noodzakelijk.
Aanbevelingen ^ ^
^
Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem. Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen. Gezien de heterogeniteit en samenstelling van het asfalt en fundering ter plaatse van de parkeerplaats, achtten wij het niet zinvol om deze separaat van elkaar af te voeren. Het materiaal is dermate grof dat het waarschijnlijk niet in aanmerking komt voor hergebruik.
Stantec | m20a0402.r01 19
BRONVERMELDINGEN 1.
NEN õľ^^OOQ+AI^OIõ Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 april 2016. 2. NEN 5725:2017 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 oktober 2017. 3. NEN 5707+C2:2017 Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 december 2017. 4. NEN 5897+C2:2017 Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 december 2017. 5. BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 6. Protocol 2001, ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 7. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 8. Protocol 2018, ‘Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 9.
Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant nummer 16675, 27 juni 2013. 10. Regeling bodemkwaliteit, regeling van 13 december 2007, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 247, 20 december 2007 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. 11. Besluit bodemkwaliteit, besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 469., 3 december 2007 en bijbehorende wijzigingen/besluiten. 12. CROW-publicatie 400 ‘Werken in of met verontreinigde bodem’, druk 2, december 2017. 13. CROW-publicatie 210 ‘Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt’, juni 2015. 14. Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2 juli 2020. 15. Notitie SRC-Arbo-waarden PFAS (PFOS, PFOA, GenX) en omgang met overig PFAS, TAUW, 23 juli 2019. 16. Bodemkwaliteitskaart gemeente Lansingerland, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 11K088, 11-10-2013.
Stantec | m20a0402.r01 20
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 3.5: Bijlage 3.6: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5.1: Bijlage 5.2: Bijlage 5.3: Bijlage 5.4: Bijlage 5.5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8:
Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:750) Verklarende woordenlijst Kwaliteit, referentiekader en betrouwbaarheid Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten fundering aan de Rbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Analysecertificaten asbest Analysecertificaten asfalt Analysecertificaten fundering Foto’s onderzoekslocatie Historisch onderzoek Indeling percelen
Bijlage 1: Overzichtskaart (1:25.000)
Verkennend bodemonderzoek Middelweg 11 (perceel 7167) te Berkel en Rodenrijs Overzichtstekening
Legenda
H
Projectlocatie
1.000 m
Opdrachtgever:
Datum: Schaal: Status:
9-2-2021 1:25.000 Definitief
Projectnummer: M20A0402 Formaat:
A4 landscape
Tekenaar:
NIKO
Stantec
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M20\M20A0402
3 Gemeente Lansingerland
Bijlage 2: Situatietekening (1:750)
Verkennend bodemonderzoek Middelweg 11 (perceel 7167) te Berkel en Rodenrijs Situatietekening
Legenda
ú?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
0
Boring tot 1,0 m-mv
H
Boring tot 2,5 m-mv
©
Asfaltboring met boring tot 0,6 m-mv
( Asfaltboring met boring tot 0,8 m-mv Ophoging met grond tot 1,5 m boven
ĽZZJ mv
I Projectgebied
20
30
40 m
Opdrachtgever:
Gemeente Lansingerland
Datum: Schaal: Status:
9-2-2021 1:750 Definitief
Projectnummer: Formaat:
M20A0402 A3 landscape NIKO
Tekenaar:
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M20\M20A0402
I
Bijlage 3.1: Verklarende woordenlijst
VERKLARENDE WOORDENLIJST Een grond- en/of grondwaterverontreiniging kan veroorzaakt worden door verschillende parameters. Soms betreft het stoffen die van nature in de bodem voorkomen. In andere gevallen is er sprake van milieuvreemde stoffen. Om een indicatie te krijgen van een eventuele grond(water)verontreiniging worden analyses uitgevoerd op verschillende parameters. Toetsingskader Sinds oktober 2008 zijn in het kader van de Wet bodembescherming de streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) van kracht en daarmee het toetsingskader voor beoordeling van de kwaliteit van grond en grondwater. Daarnaast gelden voor de toepassing van grond de (landelijke) achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit. Achtergrondwaarde (grond) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond. Streefwaarde (grondwater) Als de streefwaarde wordt overschreden is er sprake van bodemverontreiniging. Voor de stoffen die van nature voorkomen, komt de streefwaarde overeen met het zogenaamde ‘gemiddelde achtergrondgehalte’.
Voor stoffen die niet van nature in de bodem voorkomen is de streefwaarde gelijkgesteld aan de aantoonbaarheidsgrens van de huidige analysetechnieken, ook wel ‘detectiegrens’ genoemd. Tussenwaarde Deze waarde geeft de milieukwaliteit aan, waarbij er sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare, risico's voor mens en milieu. Het betreft een rekenkundig gemiddelde van de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) en de Interventiewaarde, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Overschrijding van deze waarde heeft slechts een indicatieve functie, namelijk het aangeven van de noodzaak om een nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uit te voeren. Grond of grondwater die de tussenwaarde wel maar niet de interventiewaarde overschrijdt, wordt aangeduid als matig verontreinigd. Interventiewaarde De interventiewaarde is de waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake kan zijn van een dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor plant, mens en dier.
Toetsingswaarden asbest Voor asbest in grond geldt alleen een interventiewaarde c.q. restconcentratienorm. Deze norm is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. asbest (gewogen). De Interventiewaarde voor asbest is gebaseerd op het verwaarloosbaar risiconiveau (VR). Grond met een gehalte aan asbest (gewogen) lager dan de Interventiewaarde mag hierdoor als niet verontreinigd worden aangemerkt. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest. Geval van ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde en de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Asbest is uitgezonderd van dit volumecriterium. BRL SIKB 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek Alleen bedrijven die door het Ministerie van I en M zijn erkend mogen veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek verzorgen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Zij zijn ook de enigen die voor deze activiteit het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborging bodembeheer SIKB' mogen voeren.
Bedrijven met een erkenning staan vermeld op de lijst met erkende veldwerkers bij milieuhygiënisch bodemonderzoek op de website van Rijkswaterstaat Leefomgeving (www.rwsleefomgeving.nl). Besluit bodemkwaliteit Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Volgens dit besluit kan per gemeente een beleid worden gevoerd, waarin rekening gehouden is met lokale omstandigheden. Per gemeente dient voor toepassing gecontroleerd te worden of er sprake is van gebiedsspecifiek beleid of dat de generieke normen van het besluit van toepassing zijn. Voor de ontvangende bodem dient de bodemkwaliteit te zijn vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden afgeleid van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Als geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld moet met bodemonderzoek de kwaliteit van de ontvangende bodem worden vastgesteld. Een dergelijk onderzoek dient tenminste te worden uitgevoerd volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740.
PARAMETERS Asbest Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen, die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Losse asbestvezels zijn met het blote oog niet zichtbaar. Asbestvezels zijn sterk en flexibel tegelijk. Bovendien zijn ze thermisch en elektrisch isolerend, bestand tegen zuren en logen en hebben ze een hoge wrijvingsweerstand. Hierdoor zijn ze geschikt voor veel verschillende toepassingen, als: ^ golfplaten; • waterleidingbuizen; ^ rem- en frictiemateriaal; • isolatiemateriaal. Asbest is met name na de Tweede Wereldoorlog veel gebruikt. Niet-hechtgebonden asbest is sinds 1983 vrijwel niet meer toegepast. De beroepsmatige toepassing en verkoop van alle soorten asbest is sinds 1 juli 1993 volledig verboden. Minerale olie Onder verontreinigingen met minerale olie vallen o.a. benzine, diesel en huisbrandolieverontreinigingen. Verontreinigingen met minerale olie komen veelvuldig voor. Minerale olie is in de meeste gevallen in de bodem terechtgekomen door lekkage bij ondergrondse tanks of calamiteiten. Een olieverontreiniging is in de meeste gevallen goed zintuiglijk waarneembaar door geurafwijkingen en/of met behulp van de olie-op-watertest. Bij de olie-op-watertest wordt een beetje grond in water gebracht. De in de grond aanwezige olie komt boven drijven en wordt zichtbaar als een oliefilm.
Na analyse kan in de meeste gevallen een redelijk betrouwbare indicatie worden gegeven van de oliesoort. Indien sprake is van een benzineverontreiniging dient tevens rekening gehouden te worden met een verontreiniging met vluchtige aromaten (BTEXN) en bij nieuwe gevallen met ETBE of MTBE. Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) Bestrijdingsmiddelen worden ook wel pesticiden genoemd. Met name bij (voormalige) tuinbouwkassen en akkerbouw wordt rekening gehouden met deze vorm van verontreiniging. DDT en drins zijn bekende voorbeelden. Polychloorbifenylen (PCB) PCB zijn olieachtige vloeistoffen die veel zijn toegepast in transformatoren en condensatoren vanwege hun goede elektrisch-isolerende eigenschap in combinatie met het bestand zijn tegen hoge temperaturen. In het verleden zijn PCB ook toegepast in producten als motorolie, tl-armaturen, inkt, lijm en verf. Tegenwoordig zijn PCB op de zwarte lijst geplaatst en is de toepassing ervan verboden. PCB zijn voor mens en dier met name schadelijk omdat zij de eigenschap hebben om zich op te hopen in vet.
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) PAK zijn teerachtige producten. PAK wordt gevormd bij diverse verbrandings- en chemische processen, veelal door onvolledige verbranding van koolstofverbindingen. PAK kan in hoge gehaltes voorkomen in asfalt, steenkoolteer, pek, creosoot, diverse oliesoorten, zuiveringsslib en dakbedekkingsmaterialen. In de bodem komen PAK-verbindingen vaak voor in combinatie met koolas of sintels. In totaal bestaan er circa 250 verschillende PAK-verbindingen. Bij analyse op PAK ten behoeve van bodemonderzoek wordt een selectie van deze verbindingen geanalyseerd, bijvoorbeeld de zogeheten zestien van EPA of tien van VROM. Enkele PAK-verbindingen, zoals benzo(a)pyreen, zijn carcinogeen ofwel kankerverwekkend. Vluchtige aromaten (BTEXN) Vluchtige aromaten (BTEXN = benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen) worden bereid uit aardoliën. Ze zijn met name aanwezig in benzine en oplosmiddelen (bv. thinner). Ze zijn vrij vluchtig en hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van bijvoorbeeld benzeen is bekend dat het kankerverwekkend is. Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOH/ VOCl) Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen zijn koolwaterstoffen met een halogeenverbinding, met name chloor is in dit kader bekend.
VOH/ VOCl worden veel gebruikt als ontvettings- en schoonmaakmiddelen bij chemische wasserijen, metaalindustrie en drukkerijen. Met name verontreinigingen met ‘Per’ (tetrachlooretheen) en ‘Tri’ (trichlooretheen) komen veel voor. Per en Tri hebben een hoog soortelijk gewicht (zwaarder dan water) en zijn vrij vluchtig. Ook deze stoffen hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van deze stoffen is bekend dat ze het zenuwstelsel aan kunnen tasten. Zware metalen Zware metalen komen van nature in kleine hoeveelheden voor in de bodem. In deze hoeveelheden zijn ze niet schadelijk voor volksgezondheid of milieu. Grote (schadelijke) hoeveelheden zware metalen zijn in veel gevallen in het milieu terecht gekomen door: ^ verwerking metaalertsen; ^ metaalbewerking; • metaaloppervlaktebehandeling (galvaniseren/emailleren); • glazuren van aardewerk (loodwit); ^ metalen in drukinkt, cosmetica, katalysatoren, accu's, batterijen en verbrandingsafval (sintels, cokes, vliegas, slakken). Zware metalen komen in de bodem vaak in combinatie met puin en aardewerk voor. Door toepassing van lood als antiklopmiddel in benzine zijn grote hoeveelheden lood diffuus verspreid in het milieu terecht gekomen, vooral langs wegen en in stedelijke gebieden.