[T25.05197] Motivering BOPA Herlijkheid Noordersingel, Noordersingel ten noorden van 171 (NLo)
Tekst van het document
31/88
(cat.2) groene buffer gebied met beschermīngscategori
gebied met beschermīngscategori
Figuur 5.2 Ruimtelijke kwaliteit (bron Rho Adviseurs)
Voor deze beschermingscategorieën zijn de volgende artikelen van belang: Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Toetsing 7.43 In dit geval is sprake van inpassen, de ontwikkeling is kleinschalig, voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau en past binnen de gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) a. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten min ste gelijk blijft. b. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.
32/88
Toetsing artikel 7.43 a Als gevolg van de sanering van bedrijfsbebouwing in bestemmingsplan "Groenzoom" en herinrichting tot recreatiegebied is de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. 'In ruil' daarvoor kunnen de beoogde nieuwe woningen worden gerealiseerd aan de Noordersingel, onder zodanige voorwaarden dat een zorgvuldige inpassing geborgd is. Het gerealiseerde NNN heeft een bestemming Natuur gekregen waarmee het behoud ervan is geborgd. Artikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie) a. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h. b. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk ma ken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k. Toetsing 7.43 b In dit geval is sprake van inpassing (zie toetsing artikel 7.43). Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) a. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste ge lijk blijft. b.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. c. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Toetsing artikel 7.43c Het projectgebied is gelegen binnen het Veencomplex. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast bevindt zich hier een groot aantal bestaande en voor malige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot oude zeeklei. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn.
Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen waar (in de toekomst) verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Richtpunten: « Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn gericht op het beperken van de bodemdaling. « Ontwikkelingen in droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding. Toetsing richtpunten De voor het veengebied (slagenlandschap) karakteristieke lijnen worden in stand gehouden en benadrukt. De watergangen worden verbreed en daarmee wordt bodemdaling tegengegaan. Het initiatief is in overeenstemming met de richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
33/88
Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied) a. Een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van een natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlo caties als bedoeld in artikel 7.46. Artikel 7.43k (gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers) a. Een omgevingsplan voor locaties binnen Groene Buffers, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. b. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b.
de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Artikel 7.43i (gebiedstype: beschermingscategorie 2 recreatiegebied) Een omgevingsplan voor een recreatiegebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ont wikkelingen, waarbij zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 7.43e, voor zover: a. de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; b. de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; c. de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied; d. de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren; e. de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed. Toetsing artikel 7.43 h, k en i De gronden zijn in het bestemmingsplan "Groenzoom" door middel van een wijzigingsbevoegdheid aangewezen voor wo ningbouw. In het bestemmingsplan is deze keuze onderbouwd.
De gemeente en provincie hebben ervoor gekozen om te verdichten in dit lint, in ruil voor de ontwikkeling van de groenzoom, waarmee het landschap en de feitelijke inrichting van het buitengebied en de groene buffer (contrastwaarde) worden versterkt. Slechts een smalle strook aan de westzijde van het projectgebied ligt in de beschermingscategorie 2 recreatiegebied. Op deze gronden wordt de watergang verbreed. Dit tast de functie als recreatiegebied niet aan. Paragraaf 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen Behalve artikel 7.45c zijn de artikelen in deze paragraaf niet van toepassing. Er is in dit geval namelijk geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De zes vrije kavels (minder dan 12) zijn bovendien planologisch toegestaan op basis van de wijzigingsbevoegdheid.
34/88
Artikel 7.45c bereikbaarheid Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Toetsing 7.45c Op het aspect mobiliteit wordt in paragraaf 6.15 ingegaan. Hierin wordt geconcludeerd dat dit aspect voldoende is geborgd in de beoogde ontwikkeling. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de bereikbaarheid van omliggende functies. Paragraaf 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied is niet gelegen in NNN-gebied. De instructieregels uit deze paragraaf zijn daarmee niet relevant (zie paragraaf6.16 Natuur en ecologie en figuur 6.5) 5.2.2 Provinciale voorbeschermingsregels Er zijn voor dit project geen relevante provinciale voorbeschermingsregels.
5.3
Juridische kaders gemeente
5.3.1 Verordeningen Er is geen samenhang met regels uit gemeentelijke verordeningen
5.4
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de juridische kaders van het rijks- en provinciaal beleid en de gemeentelijke verordeningen. Verdere toetsing aan de instructieregels vindt plaats in hoofdstuk 6 van deze motivering.
35/88
6. OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk wordt aan de verschillende omgevingsaspecten getoetst. Per omgevingsaspect wordt uiteengezet wat de eventuele beleidskaders zijn en wat de juridische kaders zijn. Bij de juridische kaders wordt in veel gevallen gesproken over 'regels in het omgevingsplan'. Met voorliggende BOPA worden logischerwijs geen regels opgenomen in het omgevingsplan. In de paragrafen 5.1.4 en 5.2.1 is eerder uiteengezet dat de instructieregels voor omgevingsplannen ook van toepassing zijn op het verlenen van een BOPA. Vervolgens wordt per omgevingsaspect getoetst aan de beleidsmatige en juridische kaders. Ten slotte wordt per aspect ge concludeerd of sprake is van een aanvaardbare situatie en een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' en onder welke eventuele voorwaarden.
6.1
M.e.r.-beoordeling
6.1.1 Kaders Juridische kaders Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende be oordeling is vereist. Het PlanMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het PlanMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. Of sprake is van een kaderstellend project voor een m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bij een BOPA is het kader de project-mer-beoordelingsplicht die volgt uit artikel 16.43 Omgevingswet en het Omgevingsbesluit artikel 11.16 t/m 11.18, inclusief bijlage V en specifiek projectnummer J 12 (stedelijk ontwikkelingsproject) Toetsing 6.1.2 Met het uitgeven van de 6 kavels is er sprake van een beperkte uitbreiding van het bebouwd oppervlak binnen het be staand stedelijk gebied. De uitgifte van 6 kavels is ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen daarbij is er reeds een wijzigingsbevoegdheid.
Daarmee kwalificeert het plan op basis van jurisprudentie zich niet als een stedelijk ontwikke lingsproject zoals opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Om die reden is een m.e.r.-beoordelingsplicht niet aan de orde. Bovendien blijkt uit de toetsing van de overige milieuaspecten dat de ontwikkeling niet leidt tot aanzienlijke mili eueffecten. Voor zover bekend zijn er geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten. 6.1.3 Conclusie Voor de activiteiten waarop voorliggende BOPA betrekking heeft, is een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure niet ver eist.
6.2
Bodem
6.2.1 Kaders Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl (paragraaf 5.1.4.5) geeft instructieregels over het toelaten van bodemgevoelige gebouwen (bijvoorbeeld woningen) op bodemgevoelige locaties (bijvoorbeeld een plaats waar een woning is toegelaten). Het Bkl bepaalt dat het omgevings plan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moet bevatten. Daarnaast bepaalt het Bkl dat er geen bodemgevoelige gebouwen (op bodemgevoelige locaties) toe worden gelaten waar de kwaliteit van de bodem ongeschikt is. In het omgevingsplan kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van
36/88
bodemgevoelige locaties bevatten. Bij het vaststellen van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, die op zijn genomen in het bijlage IIA bij het Bal. Door het overnemen van deze interventiewaarden wordt in ieder geval voorzien in een aanvaardbare situatie. Besluit activiteiten leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn rechtstreeks werkende rijksregels gesteld over bodemhandelingen. Het gaat onder meer om graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie. Voor deze activiteiten bevat het Bal rechtstreeks geldende rijksregels (hoofdstuk 4 van het Bal). De gemeente kan afwijken van deze regels door maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Buiten het omgevingsplan kunnen maatwerkvoorschriften gesteld worden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit heeft dan het karakter van een beschikking. Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.5 van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland bevat instructieregels die gericht zijn op het waarborgen van de grondwaterkwaliteit en het voorkomen van verdere verspreiding van verontreinigingen in het water systeem. bij het toelaten van bouwactiviteiten op grondwatergevoelige locaties moeten grondige voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Dit omvat het uitvoeren van onderzoek om te controleren op verontreiniging van grondwater, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Als er sprake is van verontreiniging, is een risicobeoordeling vereist en moeten er sane rende maatregelen worden getroffen om verdere vervuiling te voorkomen. Een omgevingsvergunning is vereist voor bouw activiteiten op dergelijke locaties, waarbij maatregelen voor sanering moeten worden aangetoond. Daarnaast regelt de verordening ook het saneren van bodemverontreiniging als onderdeel van een bronaanpak. Afdekken als saneringsaanpak is over het algemeen niet toegestaan, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Maatwerkvoorschriften voor alternatieve saneringsmethoden zijn alleen toegestaan als deze de verontreiniging van het grondwater beperken. Het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater is verboden, tenzij specifieke voorwaarden zijn vast gesteld in het omgevingsplan. Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld voor het lozen, maar alleen als dit geen ge vaar oplevert voor de kwaliteit van het grondwater. Ten slotte is er aandacht voor activiteiten op locaties met een historische bodemverontreiniging. Maatregelen moeten worden genomen om verdere verontreiniging van het grondwater te voorkomen of te beperken.
Omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen worden alleen verleend als deze ver enigbaar zijn met het belang van waterbeheer en bescherming van de kwaliteit van watersystemen. Deze samenhangende regels zorgen voor een geïntegreerde aanpak van grondwaterkwaliteit en bescherming van water systemen binnen de provincie Zuid-Holland. 6.2.2 Toetsing Milieukundig bodemonderzoek In opdracht van Rho Adviseurs is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodem onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 bij deze motivering. De aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek is het uitvoeren van de milieubelastende activiteiten (bouwen) op een bodemgevoelige locatie (Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl Ş5.1.4.5.1). De doelstelling van het onderzoek is inzicht verschaffen in de milieuhygiënisch bodemkwaliteit (grond en grondwater). Conclusies « Op de locatie zijn twee landbouwdammen aanwezig. Ter plaatse van één van deze dammen zijn bodemvreemde bij mengingen aangetroffen. Deze bijmengingen betreffen aardewerk, baksteen, beton, metselpuin en slakken. Op het weiland zijn, met uitzondering van zwakke bijmengingen met baksteen en slakken, geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen.
« De grond ter plaatse van de onderzochte landbouwdam is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PAK en mine rale olie. In de ondergrond is een index-overschrijding met nikkel aangetoond. « De boven- en ondergrond op het overige terrein zijn over het algemeen licht verontreinigd met enkele parameters. « Het grondwater is licht verontreinigd met enkele parameters.
37/88
^
Asbest: in het asbest mengmonster ter plaatse van de landbouwdam is op indicatieve basis in de fijne fractie geen as best aangetoond.
Middels het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater in afdoende mate vastgelegd. De grond en het grondwater zijn over het algemeen licht verontreinigd. Uitzondering is de index overschrijding met nikkel ter plaatse van de landbouwdam. Uit de analyseresultaten van de fijne fractie blijkt dat er geen asbest aangetoond is. Er is geen sprake van sterk verontreinigde grond. Op basis van de analyseresultaten worden er vanuit de milieuhygiënisch bodemkwaliteit voor het uitvoeren van de milieu belastende activiteit bouwen op een bodemgevoelige locatie vooralsnog geen belemmeringen voorzien. Waterbodemonderzoek In opdracht van Rho Adviseurs is door IDDS een milieuhygiënisch waterbodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft de watergangen langs het weiland nabij Noordersingel 171 te Berkel en Rodenrijs. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze motivering. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen werkzaamheden aan de huidige watergangen. Het doel van het onderzoek is meerledig, te weten: ^ het verkrijgen van inzicht in de milieuhygiënisch kwaliteit en toepassingsmogelijkheden van de waterbodem en de daaruit vrijkomende baggerspecie; ^ het vaststellen van de kwaliteit van de toekomstige ontvangende bodem.
Conclusies De toepassingsmogelijkheden van het vrijkomende slib en de vaste waterbodem op de locatie zijn als volgt: ^ Toepassing op of in de landbodem (T101) ^ Het vrijkomende slib kan worden ingedeeld als zijnde 'industrie' en de vaste waterbodem kan worden ingedeeld als 'landbouw en natuur'. ^ Toepassing in een oppervlaktewater (T103A) ^ Het vrijkomende slib kan worden ingedeeld als 'licht verontreinigd'. De vaste waterbodem kan worden toegepast als 'altijd toepasbaar in oppervlaktewater. ^ Verspreiden op de landbodem (T105) ^ Het vrijkomende slib van de watergang en de onderliggende bodem zijn geschikt om te verspreiden op de landbodem op aangrenzende percelen of op landbouwgronden tot 10 km afstand van de locatie. Aanbevelingen Rekening dient te worden gehouden dat bij het toepassen van de baggerspecie dit dient te worden voorgelegd aan de be langhebbenden zoals de beheerder van de watergang, het bevoegd gezag en/of de eigenaar van de landbodem. 6.2.3 Conclusie De beoogde activiteiten waarop deze BOPA-betrekking heeft, is voor het aspect bodem neutraal in het kader van de even wichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect maatwerkvoorschriften op te nemen. De DCMR concludeert in haar advies d.d.
30 juli 2025 dat voldoende bodemonderzoek uitgevoerd is en de bodemkwaliteit geen belemmering voor het voorgenomen gebruik wonen met tuin vormt. In Ş 6.2 van de BOPA is de situatie ten aanzien van de bodemkwaliteit correct beschreven. Uit het rapport van het onderzoek blijkt niet of bij realisatie van het voornemen grond van de planlocatie wordt afgevoerd. Indien sprake is van afvoer van grond, dan kunnen mogelijk aanvullende kwaliteitsgegevens worden geëist, bijvoorbeeld zoals die met een partijkeuring conform het Bbk worden verkregen of een onderzoek naar PFAS in de bodem.
38/88
6.3
Cultuurhistorie en archeologie
6.3.1 Kaders Beleidskaders Gemeentelijk archeologiebeleid Op 7 maart 2017 is de geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden. De gemeente beschikt al sinds maart 2013 over eigen archeologisch beleid. Daarmee heeft de gemeente Lansingerland invulling gegeven aan haar archeologische taak en de daarbij horende verantwoordelijkheden. Dit beleid is bij de actualisatie op enkele punten her zien. Vooral wat betreft de archeologische beleidskaart was deregulering mogelijk. Te veel gebieden hadden een hoge ar cheologische verwachting, terwijl uit archeologisch onderzoek bleek dat deze verwachting naar laag of afwezig kon worden bijgesteld. Op basis van deze geactualiseerde nota en beleidskaart kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is. Nota Cultuurhistorie Plus De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld. Juridische kaders Omgevingswet Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Ow (art. 1.2).
De Erfgoedwet is deels op gegaan in de Ow: in de Ow zijn de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderde len uit de Monumentenwet 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blij ven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erf goedwet en Ow is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Ow. Voor gebouwde of aan gelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Ow. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Ow. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkun dige waarden en cultureel erfgoed.
De regels dragen de gemeente op om rekening te houden met het belang van het be houd van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.18 over archeologie worden gebieden met bekende archeologische waarde aangewezen en beschermd. Omge vingsplannen moeten regels bevatten om deze waardevolle gebieden te beschermen, zoals een verbod op grondbewerking van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld, tenzij archeologisch onderzoek aantoont dat de waarden niet worden aangetast. Als behoud ter plaatse niet mogelijk is, kan het omgevingsplan het behoud van archeologische waarden elders toestaan, mits andere belangen zwaarder wegen. In Ş 7.3.19 over traditionele windmolens gaat het om de aanwijzing en bescherming van molenbiotopen. Omgevingsplan nen moeten vrije windvang en zicht op de molen garanderen. Er gelden hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting binnen verschillende stralen rondom de molen. Afwijkingen zijn mogelijk voor ontwikkelingen die de windvang en het zicht op de molen niet verder beperken, of voor ontwikkelingen binnen bijzondere molenbiotopen, mits deze goed worden inge past.
39/88
6.3.2 Toetsing Cultuurhistorie Bij de verkaveling is de oorspronkelijke ontginningsstructuur als basis aangehouden. Door het verbreden van de watergan gen blijft de ontginningsstructuur zichtbaar. De dichtstbijzijnde cultuurhistorische waardevolle objecten betreffen Noordersingel 43-45, deze worden niet beïnvloed door dit project. In het gebied zijn geen (rijks)monumenten aanwezig. Archeologie In 2016 is in het kader van het bestemmingsplan "Groenzoom' door IDDS een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Deze locatie heeft geen archeologische verwachting en onderzoek is hier dan ook niet nodig. 6.3.3 Conclusie De uitgifte van de kavels houdt rekening met de historische verkaveling van het landschap en het bebouwingslint. Er zijn geen verwachte archeologische waarden. De beoogde activiteiten waarop deze BOPA betrekking heeft, is voor het aspect archeologie en cultuurhistorie neutraal in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect maatwerkvoorschriften op te nemen.
6.4
Duurzaamheid
Kaders 6.4.1 Duurzaamheidsvisie Lansingerland De energietransitie betekent een overgang van fossiele bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen. De focus ligt hier bij op de elektriciteitsvraag en de warmtevraag van de inwoners, bedrijven en de eigen energievraag van de gemeente Lansingerland. Daarnaast omvat het de energievraag van mobiliteit binnen de gemeentegrenzen. Met de ratificering van het Klimaatakkoord van Parijs is ingezet op beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 tot 2 graden ten opzichte van het pre-industriële niveau. De Nederlandse bijdrage aan dit doel bestaat uit een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5 procent per jaar. We hebben het doel om te voldoen aan de Parijs-doelstellingen (SO-95% CO2 reductie in 2050 t.o.v. 1990, met als tussenstap een CO2 reductie van 49^1 in 2030 t.o.v. 1990). Meer dan de helft van alle CO2-uitstoot ontstaat in en rondom steden. Het Rijk gaat ervan uit dat de decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen) zelf een klimaatbeleid voe ren. Het Rijk ondersteunt dit. In het klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten een regionaal afgestemde bijdrage leve ren aan de nationale klimaatdoelen. Lansingerland werkt in regionaal verband samen aan de Regionale Energie Strategie (RES) binnen de regio Rotterdam/Den Haag (binnen de contour van de MRDH).
In de RES wordt samengewerkt met de Greenport West-Holland, het havenindustrieel complex en de MRDH. ^ In 2050 is de gemeente Lansingerland volledig CO2-neutraal. Dat wil zeggen dat de energie die wordt gebruikt, volledig wordt opgewekt uit hernieuwbare bronnen. Deze hernieuwbare bronnen komen zoveel mogelijk uit de gemeente zelf. ^ Om de doelstellingen te behalen wordt de 'trias energetica' gehanteerd: energie besparen hernieuwbare bronnen benutten onvermijdbare koolstofbronnen zo gebruiken dat ze zo min mogelijk CO2-uitstoot veroorzaken. De doelen en maatregelen op dit vlak beschrijven we aan de hand van vier domeinen: ^ Economie en ondernemen, ^ Gemeentelijke bedrijfsvoering, ^ Ruimte, wonen en bouwen, ^ Mobiliteit.
40/88
Domein Ruimte, Wonen en Bouwen In lijn met de wetgeving zal nieuwbouw niet meer worden aangesloten op het aardgas, tenzij er zeer zwaarwegende tech nische bezwaren zijn. Bij woningbouwprojecten met bestaande afspraken, stimuleren we ontwikkelaars gebruik te maken van de inkeerregeling van Stedin. Hiermee wordt voorkomen dat aardgasnetten worden aangelegd. 6.4.2 Toetsing Doordat er nog geen uitwerking is van de woningen die op de vrije kavels gebouwd gaan worden, is het niet mogelijk om aan te geven hoe duurzaam deze worden gebouwd. Wel staat vast dat zij aan de dan geldende normen moeten voldoen en daarmee duurzamer zijn dan de gemiddelde woning in Lansingerland. Door de ontwikkelaar zal in ieder geval wel worden voorzien in voldoende watercompensatie en erfafscheidingen in de vorm van groene hagen tussen de kavels en langs de gemeenschappelijke toegangsweg. In de koopovereenkomst wordt opgenomen dat deze in stand gehouden moet worden. 6.4.3 Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect duurzaamheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wor den met betrekking tot het aspect duurzaamheid maatwerkvoorschriften opgenomen om de duurzaamheidseis van de woningen te verhogen.
6.5
Externe veiligheid
Kaders 6.5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Het doel van die instructieregels is dat rekening wordt gehouden met risico's van branden, rampen en crises. Ook moet rekening worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de zelfredzaamheid van personen en met mogelijkheden tot hulpverlening (zoals bereikbaarheid voor hulpdiensten). Deze risico's worden gevormd door het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportassen - wegen en spoorwegen maar bijvoorbeeld ook buisleidingen. Daarnaast worden risico's gevormd door ver schillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's —zoals het opslaan van gevaarlijke stoffen. De risicobenadering van externe veiligheid gaat uit van twee sporen: het beschermen van individuen (plaatsgebonden ri sico of PR) en het beschermen van groepen (groepsrisico of GR). Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar één per soon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één be paalde plaats bevindt. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep mensen als deze, zowel beschermd als onbeschermd, op een plaats bevinden.
Plaatsgebonden risico Voor wat betreft het PR bevat het Bkl grens- en standaardwaarden, die ruimtelijk worden vertaald in afstanden van risicobronnen tot gebouwen en locaties. Deze PR-contour is een gegeven of berekende afstand vanaf de risicobron. Het Bkl stelt instructieregels voor het toelaten van milieubelastende activiteiten en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties moet de grenswaarde uit het Bkl in acht worden genomen. Binnen de PR-contour zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet rekening gehouden worden met de stan daardwaarde voor het PR die het Bkl stelt. Groepsrisico — aandachtsgebieden Naast het PR, wordt onder de Ow het GR ingevuld aan de hand van aandachtsgebieden. Bij risicovolle activiteiten (uit het Bal) wijst het Bkl deze aandachtsgebieden aan. Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevol gen van ongevallen. Dat wil zeggen, waar zich bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor per sonen in gebouwen kunnen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen de risico's van warmtestraling (brand), overdruk
41/88
(explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Er zijn dan ook drie categorieën aandachtsgebieden: ^ brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied. De aandachtsgebieden liggen rondom activiteiten met externe veiligheidsrisico's, en gelden zodra de activiteit wordt ver richt. Een brandaandachtsgebied ligt het dichtst bij de risicobron, het gifwolkaandachtsgebied spreidt zich het verst uit. Afhankelijk van het type activiteit is sprake van één of meerdere type aandachtsgebieden. Binnen een aandachtsgebied moet rekening worden gehouden met het groepsrisico (5.15 Bkl). Aan de instructieregel wordt in ieder geval voldaan als binnen het aandachtsgebied geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare ge bouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten. Het Bkl biedt wel enige afwegingsruimte ('reke ning houden met'), om binnen een aandachtsgebied deze gebouwen of locaties toe te laten. In dat geval moet dan gewaar borgd zijn dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt wordt. Voor legaal aanwezige activiteiten, gebouwen en locaties hebben de aandachtsgebieden geen gevolgen.
De gemeente kan voor (een deel van) brand- en explosieaandachtsgebieden in het omgevingsplan een voorschriftengebied aanwijzen (5.14 Bkl). Het is dus ook mogelijk om geen of een kleiner voorschriftengebied aan te wijzen. Als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht. Binnen een voorschriftengebied gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw. Deze aanvullende eisen staan in het Bbl (artikel 4.90 t/m 4.96), en hebben tot doel om mensen in een gebouw te bescher men tegen de gevolgen van een brand of explosie. De bouweisen zijn aanvullend op de generieke bouweisen uit het Bbl en de beschermende maatregelen die binnen het hele aandachtsgebied worden getroffen (5.15 Bkl). Voor bestaande gebou wen binnen een voorschriftengebied gelden de aanvullende bouweisen niet.
Figuur 6.1 Infographic aandachtsgebieden externe veiligheid (bron: Iplo)
42/88
Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.2. Van de provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Deze instructieregels gaan over het opnemen en waarborgen van risicogebieden en groepsrisico's. Het gaat om de vol gende instructies: Opname van risicogebieden: specifieke risicogebieden voor externe veiligheid, zoals Botlek-Vondelingenplaat, Europoort en Maasvlakte, worden opgenomen in het omgevingsplan. Waarborgen van ruimte: bij besluitvorming over ruimte voor activiteiten in de buurt van deze risicogebieden moet reke ning worden gehouden met de activiteiten waarvoor het risicogebied is gereserveerd. Groepsrisicobenadering: voor gebieden met een verhoogd groepsrisico moeten in het omgevingsplan overwegingen wor den betrokken, zoals mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling buiten het gebied, alternatieven met minder risico, be staande beschermingsmaatregelen, aanvullende beschermingsopties, maatregelen aan de bron van het risico en advies van de veiligheidsregio. Niet-Basisnet transportroutes: langs deze routes moeten ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen door effectgebieden te beperken en maatregelen te treffen voor bescherming van personen en gebouwen binnen deze zones. 6.5.2 Toetsing Woningen zijn conform artikel 5.3 van het Bkl kwetsbare gebouwen.
Uit de informatie op de risicokaart (figuur 6.2) blijkt dat het projectgebied niet binnen de (gifwolk-, brand- en explosie-) aandachtsgebieden van het water, het spoor, de we gen, de buisleidingen en risicovolle inrichtingen valt. Ook valt het projectgebied buiten het aandachtsgebied en de LIB-zone (luchthaven indeling besluit) van de Luchthaven Rotterdam The Hague Airport. Binnen deze LIB-Zone is wegens geluidoverlast nieuwbouw van woningen niet toegestaan. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaatsen voor brand weervoertuigen nodig. Ook zal de bereikbaarheid van de beoogde ontwikkelingen moeten zijn gewaarborgd. Dit wordt ge borgd door de artikelen 22.13-15 in de bruidsschat. Hiermee wordt rekening gehouden in de beoogde situatie door de aan leg van de nieuwe ontsluiting. In de beoogde situatie worden binnen het projectgebied geen bronnen mogelijk gemaakt met een extern veiligheidsrisico.
Gekozen kaarten
O A
3 PR contouren overige activiteiten Transparantie:
Legenda: Ū PR 10-5 G PR 10-6 PR 10-7
z
PR 10-3
Bron: Ministerie lenW - Register Externe Veiligheid, 2024
(X) Uitleg bij kaart Ç2) Reageren op kaart ļļļT Kaart verwijderen Kaartlaag downloaden
Q Overige a ctivite iten Transparantie: Ũ96
Legenda: * Restcategorie Bron: Ministerie lenW - Register Externe
Figuur 6.2 Uitsnede Risicokaart (www. atlasleefomgeving. nl
43/88
I
6.5.3 Conclusie Het projectgebied is niet gelegen in één van de aandachtsgebieden en draagt voor het aspect externe veiligheid derhalve bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er worden kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt met voorliggende BOPA. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect externe veiligheid maatwerkvoorschriften op te nemen.
6.6
Geluid door activiteiten
6.6.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn instructieregels opgenomen die toezien op het beheersen van geluid door activiteiten (paragraaf 5.1.4.2). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluid door specifieke activiteiten (zoals geluid door windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) en andere activiteiten. In de instructieregels is ook onderscheid gemaakt in de wijze waarop in een aanvaardbare situatie wordt voorzien. Geluid door andere dan specifieke activiteiten Bij een ontwikkeling moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten anders dan specifieke activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij moet erin voorzien worden dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebou wen aanvaardbaar is. Er wordt in ieder geval in een aanvaardbare situatie voorzien als de standaardwaarde wordt gehaald voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast dient de grenswaarde te worden verankerd voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen kan, op een aangewezen bedrijventer rein, verhoogd worden met 5 dB(A).
Ook kan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige ge bouwen, in een aangewezen agrarisch gebied, verlaagd worden met 5 dB(A). Gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie kan afgeweken worden van de standaardwaarde. Een hogere waarde kan alleen worden opgenomen als dit niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde in geluidgevoelige ruim ten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast is het stellen van een hogere waarde een mogelijkheid als sprake is van een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op basis waarvan reeds een hogere waarde gold. Daarnaast bepaalt het Bkl onder meer dat het omgevingsplan waarden voor een maximaal geluidniveau in de dagperiode kan bevatten, kan afwijken van waarden bij festiviteiten of waar waarden gelden, geen waarden bevatten of andere regels dan waarden stellen. 6.6.2 Toetsing en conclusie In de omgeving van het projectgebied hebben diverse percelen de bestemming 'bedrijf'. Het betreft bedrijven die, vanwege functiemenging, zijn toegestaan tussen woningen. Daarnaast liggen andere woningen op een kleinere afstand van deze bedrijven dan de beoogde woningen. De afstand van de beoogde ontwikkeling tot deze bedrijven is dus groter dan de af stand van deze bedrijven tot reeds bestaande woningen.
Deze bedrijven houden in de huidige situatie al rekening met de bestaande woningen. Hierdoor wordt ervan uitgegaan dat voldaan wordt aan de standaardwaarden en hierdoor sprake is van een aanvaardbare situatie.
44/88
6.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
6.7.1 Kaders Beleidskaders De Beleidsnota Hogere Waarden Lansingerland is niet relevant omdat uit het onderzoek is gebleken dat hogere waarden niet aan de orde zijn voor de beoogde ontwikkeling. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl stelt instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (subparagraaf 5.1.4.2a). Daarmee schrijft het Bkl voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en indu strieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een aandachtsgebied is een gebied waar het geluid hoger kán zijn dan de toepasselijke standaardwaarde. De aandachtsgebieden, voor de verschillende bronnen, dienen te worden bere kend. Omdat voor de provinciale weg N470 nog geen geluidproductieplafonds ^ gpp's) zijn vastgesteld is conform artikel 3.5, tweede lid van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg de geluidzone als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder. Ook is tot de gpp's zijn vastgesteld de Wet geluidhinder nog van toepas sing. Op verschillende manieren kan voorzien worden in een aanvaardbare situatie op het gebied van geluid door wegen, spoor wegen en industrieterreinen.
Allereerst kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien door geen geluidgevoelige ge bouwen toe te laten in het geluidaandachtsgebied. Daarnaast kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien als het omgevingsplan, dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. In veel gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te voldoen. Bij een overschrijding van de stan daardwaarde kan alsnog sprake zijn van een aanvaardbare situatie als: a. aangetoond is dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te vol doen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; c. en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid hoger is dan de grenswaarde. Bij overschrijding van de grenswaarde moet echter sprake zijn van zwaarwegende economische belangen of zwaarwe gende andere maatschappelijke belangen die dit rechtvaardigen. Om, net als bij een overschrijding van de standaard waarde, te voorzien in een aanvaardbare situatie dient: a. aangetoond te worden dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen; b.
de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt be perkt. Ten slotte dienen aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw, waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkun dige maatregelen te worden getroffen die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.
45/88
Tevens dient in het omgevingsplan te worden bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maat regelen is. Op deze manier kan ook bij een situatie waarin het geluid hoger is dan de grenswaarde worden voorzien in een aanvaardbare situatie. 6.7.2 Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling is door Rho Adviseurs onderzoek verricht naar wegverkeersgeluid, de rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze motivering. De samenvatting van dit onderzoek is als volgt: Toelaten geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Woningen zijn conform artikel 3.21 van het Bkl geluidgevoelige gebouwen. Het projectgebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg N470 (250m) en de gemeentewegen Noordeindseweg (200m) en Noordersingel (100m). Omdat geluidgevoelige gebouwen worden toegelaten in het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen en van de provinciale weg is toetsing nodig: aan de instructieregels van het Bkl voor de gemeentewegen en aan de Wet geluidhin der voor de N470. Het projectgebied ligt niet binnen een geluidaandachtsgebied van spoorwegen of industrieterreinen. Uitgangspunten De waarde van het geluid moet worden bepaald op basis van het verkeer in een maatgevend jaar. Uitgegaan wordt van de situatie dat de planologische procedure in 2025 gaat plaatsvinden en het maatgevend jaar 10 jaar na plandatum is (2035).
Voor de N470 (80 km/uur, asfalt) is uitgegaan van telgegevens uit 2022 (Bron: provincie Zuid-Holland) die met Wo auto nome groei verhoogd zijn naar 2035 tot 17.752 mvt/etmaal (weekdagen). De intensiteit op de Noordeindseweg (50km^ur, asfalt) is 8.310 - 8.927 mvt/etmaal/weekdag en op de Noordersingel (30 km/uur, asfalt) 713 mvt/etmaal/weekdag (Bron: CIML). Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform bijlage IVe van de Omgevingsregeling (Meet- en rekenmethode geluid wegen) voor de gemeentewegen en conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012 (RMG2012) voor de provinciale weg. Het overdrachtsmodel is opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu, versie V2024 van DGMR-software. Omdat de geluidgevoelige gebouwen zullen bestaan uit twee bouwlagen is getoetst op een waarneemhoogte van h0 = 2 meter en h0 = 5 meter. Voor de 2 vrijstaande woningen is uitgegaan van een bouwhoogte van 7 meter en voor de gescha kelde woningen van een bouwhoogte van 10 meter. Resultaten Uit figuur 6.3 blijkt dat het geluid van de gemeentewegen (Noordeindseweg en Noordersingel) ten hoogste 45 dB is. Dit geluid is lager dan de standaardwaarde van 53 dB uit de instructieregels van het Bkl. Het geluid wordt daarmee als aan vaardbaar beoordeeld.
46/88
įí/33^ 37/39
'
ĴCļ.32
V
37/41 j
Figuur 6.3 Geluid door gemeentewegen (in Lden)
Uit figuur 6.4 blijkt dat het geluid van de provinciale weg N470 ten hoogste 48 dB is. Dit is het geluid zonder rekening te houden met de geluidwal van circa 1 meter hoog langs de weg. Dit geluid is gelijk aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder en wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld. Het laten vaststellen van een hogere waarde is niet nodig.
Figuur 6.4 Geluid door provinciale weg N470 (Lden), inclusief 2 dB aftrek artikel 110g Wgh
Omdat zowel de standaardwaarde als de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden is het niet nodig om het gecumu leerde en het gezamenlijk geluid te bepalen.
47/88
Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de "1,5 dB-toets", wat neerkomt op een verkeerstoename van 40X1. Dit is voor de ontwikkeling niet aan de orde. 6.7.3 Conclusie Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect geluid door wegen voorschriften op te nemen. Het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen is gelet op het aspect geluid door wegen aanvaardbaar en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De DCMR concludeert in haar advies d.d. 30 juli 2025 dat het akoestisch onderzoeksrapport de benodigde informatie bevat en goed samengevat is in de geluidparagraaf van het ruimtelijk plan. Er wordt voldaan aan de richtwaarde (Wgh) en stan daardwaarde (Bkl). Het geluid van wegverkeer en (milieubelastende) activiteiten vormt geen belemmering voor het bouw plan. Geluid door spoorwegen en industrieterreinen is niet relevant.
6.8
Geur
6.8.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl (paragraaf 5.1.4.6) bepaalt dat in een omgevingsplan ervoor moet worden gezorgd dat de geur die door activiteiten wordt veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Om aan deze eis te voldoen stelt het Bkl instructieregels voor drie categorieën milieubelastende activiteiten die geur produceren, waarvoor in ieder geval in het omgevingsplan re gels moeten worden opgenomen. Het gaat hier om het exploiteren van zuiveringstechnische werken (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten. Voor elk van deze verschillende catego rieën wordt in het Bkl aangegeven op welke manier in een omgevingsplan in ieder geval sprake is van een aanvaardbare situatie. Voor andere geurveroorzakende activiteiten moet de gemeente zelf bepalen en verantwoorden of en welke geurregels in het omgevingsplan nodig zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om industrie, horeca-activiteiten, dierenpensions en -klinieken, maneges en het hobbymatig houden van dieren. Hierbij bepaalt de gemeente zelf welke mate van geurhinder aanvaard baar is, en in hoeverre daarvoor waarden, afstanden en/of gebruiksregels in het omgevingsplan nodig zijn. De locatie van (in het omgevingsplan toegelaten) geurveroorzakende activiteiten enerzijds en geurgevoelige gebouwen anderzijds is daar bij bepalend.
In de instructieregels in het Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De formulering van de instructieregel geeft aan dat voor dit aspect ruimte bestaat om op lokaal niveau een afweging te maken. De belangrijkste afweging die het bevoegd gezag op het gebied van geur dient te maken is het aanwijzen van de bebouwingscontour(en) geur. Binnen deze gebieden wordt de emissie van geur minder snel aanvaardbaar geacht omdat andere kwaliteiten en functies in deze gebieden een hogere prioriteit hebben dan het belang van het emitteren van geur als gevolg van activiteiten. Gebieden die, volgens het bevoegd gezag, beschermd dienen te worden tegen geuroverlast kunnen met behulp van een contour worden aangewezen. 6.8.2 Toetsing In de nabijheid van het projectgebied zijn geen zuiveringstechnische werken aanwezig en er worden geen landbouwhuis dieren gehouden. Ten noorden, oosten en zuiden van het projectgebied bevinden zich woningen. De gronden ten westen van het projectgebied zijn bestemd voor recreatie, o.a. voor openluchtrecreatie. Er vinden hier geen geurveroorzakende activiteiten plaats. 6.8.3 Conclusie Het projectgebied is niet gelegen in de nabijheid van geurveroorzakende activiteiten en draagt voor het aspect geur der halve bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect geur maatwerkvoorschriften op te nemen.
48/88
6.9
Gezondheid
6.9.1 Kaders Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een vei lige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een ma tige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving: ^ In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
^ In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. ^ In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. Daarbij dienen milieuaantastingen bij voorrang aan de bron te worden bestreden en is het beginsel dat de vervuiler betaalt. ^ In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid. 6.9.2 Toetsing Het huidige terrein betreft een weiland waarop voorheen paarden en schapen werden gehouden. Doordat deze er in de toekomst niet meer staan, wordt bijgedragen aan afname van stikstof en CO2. Door de vier oevers en tuinen groen in te richten met bij voorkeur inheemse soorten verbeterd de biodiversiteit in het projectgebied en daarmee de gezondheid van mens en dier.
Verdere gezondheid verbeterende ingrepen zijn niet mogelijk binnen een dusdanig klein project. 6.9.3 Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect gezondheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect gezondheid maatwerkvoorschriften op te nemen.
6.10 Kabels en leidingen 6.10.1 Kaders Elektriciteitswet, Besluit kwaliteit leefomgeving en Besluit activiteiten leefomgeving Kabels en leidingen vervullen verschillende functies. De omvang en inhoud, en daarmee het risico bij beschadiging, ver schilt hierdoor ook. Daarnaast kunnen kabels en leidingen in zowel openbare als particuliere gronden gelegen zijn, waar door verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met be trekking tot de bescherming van kabels en leidingen opgenomen. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) en de bruidsschat. De volgende leidingen zijn planologisch relevant: ^ Hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger (art. 22a Elektriciteitswet 1998); ^ Buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 5.18 en 5.135 Bkl, tevens art. 3.101 Bal); ^ Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 3.101 Bal);
49/88
^ ^
Buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom (art. 3.135 en art. 3.101 Bkl); Buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (art. 3.101 Bal).
Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.24 is een instructieregel met betrekking tot beschermingszones voor de drinkwatervoorziening opgenomen. In deze instructieregels is aangegeven dat een omgevingsplan, waarin een leiding behorende tot de vitale infrastructuur voor de openbare drinkwatervoorziening is opgenomen, een zone van minimaal vijf meter aan weerszijden van de leiding aan wijst als 'beschermingszone drinkwatervoorziening'. Daarnaast is bepaald dat het omgevingsplan nieuwe ontwikkelingen binnen deze beschermingszone drinkwatervoorziening slechts toelaat zover daarbij geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het functioneren, het onderhoud en de veiligheid van de drinkwatervoorziening. Voor de beoordeling of hier sprake van is, wordt tijdig advies ingewonnen bij het drinkwa terbedrijf dat beheerder is van de leiding. 6.10.2 Toetsing In en rondom het projectgebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Het aspect kabels en leidingen staat de be oogde ontwikkeling niet in de weg. 6.10.3 Conclusie De beoogde activiteiten waarop deze BOPA betrekking heeft, dragen voor het aspect kabels en leidingen bij aan een even wichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect kabels en leidingen maatwerkvoorschriften op te nemen.
6.11 Klimaatadaptatie 6.11.1 Kaders Beleidskaders Duurzaamheidsvisie Lansingerland De Ruimtelijke adaptatie kent vier opgaven: a. Overstromingen: de kans op overstromingen blijft in Lansingerland tot 2050 ongeveer gelijk. De overlijdensrisico's vol doen aan de norm en dalen nog richting 2050 door geplande maatregelen. Wateroverlast: de intensiteit van buien neemt toe met 12 tot 25^1. De kwetsbaarheid voor hemelwater-overlast neemt toe richting 2050 en ook de kans op grondwateroverlast neemt toe. Hitte: Het aantal tropische dagen verdubbelt richting 2050. Dit heeft zijn weerslag op de volksgezondheid maar ook op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Droogte: Het neerslagtekort stijgt, wat lokaal kan leiden tot sterke bodemdaling. Hierdoor ontstaat binnen delen van de gemeente Lansingerland kans op paalrot en zettingsschade. Lansingerland is aangepast aan de veranderingen in het klimaat. De oplossingen voor wateroverlast, hittestress, droogte en overstromingsgevolgen worden genomen in de gehele buitenruimte: onder en boven de grond, op publiek en privaat ter rein. Het gaat om blauwgroene maatregelen, zoals wadi's, het vergroten van oppervlaktewater, het verwijderen van tegels in de tuin, het terugbrengen van stedelijke waterlopen of waterpleinen.
Traditionele 'harde' natte infrastructuur blijft na tuurlijk een rol spelen, bijvoorbeeld hemelwaterafvoer- en infiltratieriolen, maar soms ook speciaal geconstrueerde bergingsbassins onder straten of gebouwen. Lansingerland is klimaatproof door voldoende koelend vermogen uit groen en water (vergroening) en adequate maatrege len tegen wateroverlast (verblauwen) in de publieke en private ruimte.
50/88
Domein Ruimte, wonen en bouwen Het integraal aanpakken van de buitenruimte vereist een andere manier van werken, waarbij disciplines zoals ruimtelijke ordening, groenbeheer, water- en rioolbeheer zullen moeten samenwerken om te komen tot integrale oplossingen. Ook burgers en bedrijven spelen een zeer belangrijke rol aangezien de meerderheid van het bebouwd gebied in handen is van private partijen. Ook in het private domein zijn maatregelen nodig. Ruimtelijke adaptatie in Lansingerland is daarom niet alleen een ruimtelijke opgave, maar ook een organisatorische en maatschappelijke opgave. Juridische kaders Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.6a geeft de provincie instructieregels die gaan over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen. Bij nieuwe stede lijke ontwikkelingen met 12 woningen of meer dienen de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen be trokken te worden. Daarbij gaat het over de volgende aspecten die betrekking hebben op duurzaamheid en klimaatadaptatie: ^ de risico's van klimaatverandering; ^ de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; ^ de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; ^ de mogelijkheden om de emissies van NO. en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; ^ het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen.
In deze paragraaf is ook een instructieregel opgenomen waarin staat dat rekening wordt gehouden met de risico's voor klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: ^ wateroverlast door overvloedige neerslag ^ overstroming • hitte • droogte • de gevolgen op het risico van bodemdaling Als dergelijke risico's aan de orde zijn, wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk voorkomen en beperken via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico's. 6.11.2 Toetsing Door het verbreden van de watergangen wordt de wateroverlast en de kans op overstroming beperkt. Ook is dit een buffer tijdens droogte. Het aspect hittestress is bij de uitgifte van vrije kavels niet ruimtelijk te sturen. Omdat het hier de uitgifte van vrije kavels betreft, kunnen in deze fase geen uitspraken worden gedaan over zaken zoals energie, waterverbruik, energieopwekking en isolatie. 6.11.3 Conclusie Door het verbreden van de watergangen wordt voldoende ruimte geboden aan het water. Bij de technische uitwerking van de woningen moet rekening gehouden worden met de duurzaamheidseisen zoals die op dat moment gelden. De beoogde activiteiten waarop deze BOPA betrekking heeft, dragen voor het aspect klimaatadaptatie bij aan een even wichtige toedeling van functies aan locaties.