CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.05197] Motivering BOPA Herlijkheid Noordersingel, Noordersingel ten noorden van 171 (NLo)

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verzoek bindend adviesrecht aanvraag en gedeeltelijke ontheffing bindend adviesaanvragen Ruimte-voor-Ruimte woningen Groenzoom (mogelijk motie/amendement PvdA, Groen Links)28.811 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect klimaatadaptatie maatwerkvoorschriften op te nemen.

51/88

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking 6.12.1 Kaders Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegen­ gaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: a. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een be­ drijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. b. Voor zover een omgevingsplan (of en BOPA) voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. c. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikke­ ling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. d. Als een ontwikkeling voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoorde­ ling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 5.161c van het Bkl is aangegeven dat in het omgevingsplan regels over te realiseren categorieën woningen kun­ nen worden opgenomen. Dan moet het gaan over bouwactiviteiten waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid van de Ow kosten moeten worden verhaald.

Daarbij is aangegeven voor welke categorie woningen regels kunnen worden gesteld en onder welke voorwaarden. Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.44 uit deze paragraaf wordt voorgeschreven dat een BOPA, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren, rekening houdt met de regionale afgestemde behoefte aan de ontwikkeling. In artikel 7.45 wordt verwezen naar artikel 5.129g van het Bkl. Daarnaast is aangegeven dat wanneer regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling, de motivering van de behoefte kan be­ staan uit een verwijzing naar die afspraken. 6.12.2 Toetsing Gelet op het beperkte aantal kavels (minder dan 12) wordt dit project niet gezien als stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Een ladderonderbouwing is daarom niet noodzakelijk. De ontwikkeling is on­ derdeel van de zachte plancapaciteit die regionaal is afgestemd.

52/88

6.12.3 Conclusie Het toevoegen van woonkavels binnen het lint draagt voor het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect ladder voor duur­ zame verstedelijking maatwerkvoorschriften op te nemen.

6.13 Licht 6.13.1 Kaders Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving Lichthinder is een thema dat gemeenten moeten afwegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn geen instructieregels opgenomen voor lichthinder. Wel maakt het onderdeel uit van een 'evenwichtige toedeling van functies en locaties' en kan het daarvoor toch noodzakelijk zijn om aandacht te besteden aan lichthinder. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 4.790 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor kunstlicht In de tuinbouw bij kas­ sen. 6.13.2 Toetsing Ten oosten van het projectgebied, op ongeveer 220 meter afstand, bevinden zich kassen waar lichthinder kan worden ver­ wacht. Gezien de afstand en het feit dat er reeds bestaande woningen op kortere afstand staan, worden geen knelpunten verwacht vanuit de kassen. Verder zijn er geen hinder veroorzakende activiteiten rondom het projectgebied. Woningen veroorzaken geen lichthinder. 6.13.3 Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect lichthinder bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er geen lichtbronnen in de nabijheid zijn gelegen. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect lichthinder maatwerkvoorschriften op te nemen.

6.14 Luchtkwaliteit 6.14.1 Kaders Omgevingswet Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand hou­ den van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan beschouwd te worden. Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat functies die niet met elkaar te verenigen zijn met regels verenigbaar worden. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uit­ werken. Besluit kwaliteit leefomgeving In subparagraaf 5.1.4.1 Bkl zijn instructieregels opgenomen over luchtkwaliteit. Het Bkl bevat instructieregels voor speci­ fieke situaties. Op grond van deze regels zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht (stikstofdioxide en fijnstof) van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnel­ weg of een wegtunnelbuis wordt toegelaten. Verder gelden er instructieregels voor gemeenten die in de in het Bkl aange­ wezen aandachtsgebieden liggen.

Voor activiteiten die leiden tot een verhoging van de concentratie (van onder andere fijnstof) in de buitenlucht in een aangegeven aandachtsgebied, moeten ook de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht genomen worden. Uitgezonderd zijn activiteiten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan verhoging van de concentratie van die stoffen. Daarvoor zijn in het Bkl enkele standaardgevallen aangewezen.

53/88

6.14.2 Toetsing Het projectgebied bevindt zich niet in artikel 5.51 (van het Bkl) vermelde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. In totaal betreft het initiatief de uitgifte van zes vrije kavels en valt onder de standaardgevallen 'niet in betekenende mate luchtkwaliteit', zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het projectgebied. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Maatgevend is het toetspunt aan de Noordersingel. Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstof­ dioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden (Voor NO2 en PM10 40 pg/m3 en voor PM2,5 25 pg/m3) lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022; 19,5 pg/m3 voor NO2, 16,7 pg/m3 voor PM10 en 8,6 pgZm3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. 6.14.3 Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is.

Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit maatwerkvoorschriften op te nemen.

6.15 Mobiliteit 6.15.1 Kaders Mobiliteit moet in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwe­ zig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Mobiliteitsvisie Lansingerland 2024 Lansingerland wil voor alle vervoerwijzen veilige netwerken bieden die het verkeer snel en efficiënt afwikkelen, met zo klein mogelijke effecten op mens, natuur en milieu. Hieronder volgen de ambities die op dit project van invloed (kunnen) zijn: ^ De gemeente wil klimaatverandering helpen tegengaan en zal hier aandacht aan besteden bij de uitwerking van het Mobiliteitsplan door in te zetten op milieuvriendelijke vervoerswijzen, ketenmobiliteit en mobiliteitsmanagement. Hierdoor wordt tevens de aanleg van nieuwe grote verbindingen zoveel mogelijk voorkomen. ^ Lansingerland wil mobiliteit mogelijk maken door voor de verschillende vervoerswijzen hoogwaardige netwerken te bieden die onderling gekoppeld zijn. ^ De gemeente zet samen met de regio in op integrale, dynamische reisinformatie langs wegen, bij HOV - haltes en op internet.

^ De gemeente wil mobiliteitsmanagement bevorderen aan de hand van vervoerplannen. ^ De gemeente wil het openbaar vervoer en ketenmobiliteit stimuleren en zorgt zowel voor voldoende P + R - plaatsen en fietsenstallingen bij de stations van Randstadrail en Bleizo. Als voor een goede bereikbaarheid van deze stations. ^ De gemeente wil een dekkend netwerk van bushaltes in stedelijk gebied, uitgaande van een maximale loopafstand van 900 m voor ZoRo - bus en Randstadrail (HOV-lijnen). Voor het aanvullende busnet wordt rekening gehouden met een maximale loopafstand van 400 m. ^ Lansingerland ziet de fiets als het vervoermiddel binnen de kernen en zorgt voor een fijnmazig fietsennetwerk en goede stallingsvoorzieningen aldaar. ^ De gemeente wil het autogebruik faciliteren met de huidige wegenstructuur, waarbij de functie en vorm van wegen op elkaar afgestemd worden.

54/88

Nota parkeren (2014) en parkeerbeleid In deze nota (vastgesteld 27-4-2014) zijn de hoofdlijnen voor het auto- en fietsparkeerbeleid voor de periode 2013 - heden vastgelegd. In een separate nota zijn de auto- en fietsparkeernormen vastgelegd. Bij auto- en fietsparkeren moet telkens gezocht worden naar de juiste balans tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en economie. Het parkeerbeleid maakt onderscheid naar woongebieden, werkgebieden, centra, overstappunten openbaar vervoer, vrachtautoparkeren en handhaving. De Noordersingel is te zien als woongebied. Hier is de toevoeging van parkeerplaatsen vaak duur en daarmee strijdig met het uitgangspunt van kosteneffectiviteit. Daarnaast gaat uitbreiding van parkeerruimte vaak ten koste van het groen. Daarom wordt een werkwijze gevolgd die in eerste instantie gericht is op benutting van de aanwezige parkeerruimte. Hierbij wordt gewerkt volgens een vast proces, zijnde 'de parkeerdruktoets'. Daarin wordt be­ paald of de parkeersituatie echt een probleem is en of het treffen van maatregelen noodzakelijk is. Hierdoor worden alle parkeerdrukvraagstukken op uniforme wijze beoordeeld. Fietsparkeren De kwaliteit van de huidige fietsvoorzieningen in Lansingerland en, specifiek, die in de drie centra kan verbeterd worden.

Vanaf 2013 worden in Lansingerland daarom alleen fietsparkeervoorzieningen gerealiseerd die voldoen aan het kwaliteits­ keurmerk 'Fietsparkeur'. Fietsparkeervraagstukken worden vanaf 2013 middels een fietsparkeertoets op uniforme wijze beoordeeld. Zo kan eerst worden bepaald of de parkeersituatie echt een probleem is en of het treffen van maatregelen noodzakelijk is. Bij nieuwe ontwikkelingen (realiseren woningen) geldt als voorwaarde dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig moeten zijn. Voor vrijstaande- en twee-onder-een-kap woningen gelden de parkeernormen zoals opgenomen in tabel 6.1. Tabel 6.1 parkeernormen Lansingerland

Soort woning

Bebouwde kom

Buitengebied

Koop, vrijstaand

2,2

2,4

Koop, twee-onder-een-kap

2,1

2,2

6.15.2 Ontsluiting Het projectgebied wordt door middel van een nieuw aan te leggen doodlopende straat ontsloten op de Noordersingel. De Noordersingel is een erfontsluitingsweg waar 30 km/u mag worden gereden. Fietsers en voetgangers delen hier de rijbaan door middel van een fietssuggestiestrook. 6.15.3 Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is aangesloten bij de kencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers basis voor parkeernormering'. Voor de stedelijkheidsgraat is 'matig stedelijk' aangehouden en is het projectgebied gelegen in 'rest bebouwde kom'. In de bestaande situatie is het gebruik van de gronden getypeerd als weiland en kent daarmee geen relevante verkeersgeneratie. Er is dus geen spraken van een te verrekenen verkeersgeneratie. In tabel 6.2 wordt de verkeersgeneratie van de beoogde situatie bepaald. De verkeersgeneratie van 55,5 mvt/etmaal (werkdag) extra kan worden afgewikkeld op de Noordersingel zonder dat de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid in het geding komen. Tabel 6.2 Bepalen van de verkeersgeneratie

Functie

Aantal

Kencijfer

Weekdag

Werkdag

Koop, huis, vrijstaand

2 woningen

8,6 per woning

17,2

19,1

Koop, huis, twee-onder-één-kap Totaal

4 woningen

8,2 per woning

32,8 50

36,4 55,5

55/88

6.15.4 Parkeren Op basis van de parkeernormen van de gemeente Lansingerland dienen binnen het projectgebied 10,6 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd (2*2,4 en 4*2,2). Met de ontwikkeling worden 15 parkeerplaatsen gerealiseerd. Per kavel worden 2 eigen parkeerplaatsen gerealiseerd, deze dienen in stand te worden gehouden. Naast deze eigen par­ keerplaatsen worden tevens 3 gezamenlijke parkeerplaatsen gerealiseerd voor bezoekers. Op de kavels is voldoende ruimte om stalling te bieden aan fietsen en scootmobiels. 6.15.5 Conclusie De verkeerstoename op de Noordersingel zal gering zijn, het zal de verkeersafwikkeling nauwelijks benadelen. Binnen het projectgebied is voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. De ontwikkeling draagt voor het aspect mobiliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de verkeersdruk ter plaatse zeer beperkt verslechterd. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect mobiliteit maatwerkvoorschriften op te nemen.

6.16 Natuur en ecologie 6.16.1 Kaders Beleidskaders Groenstructuur 2016-2026 De gemeente Lansingerland geeft in haar structuurvisie aan dat zij een groene en aantrekkelijke gemeente wil zijn om in te wonen, te werken en te recreëren. Een goede groenstructuur is tevens een belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit en vergroot de aantrekkingskracht als uitloopgebied voor de inwoners van de metropool gemeenten Rotterdam en Den Haag. De afgelopen jaren is gebleken dat er een eenduidig en consequent kompas mist voor de aanleg, het beheer en onderhoud van groen. Dat heeft op veel plekken geleid tot een keurig onderhouden groenareaal, maar op verschillende plekken heeft dat ook geleid tot ad hoc ingrepen die de kwaliteit van het groen negatief beïnvloeden en waarbij de samenhang op een hoger niveau ontbreekt. Het doel is het vaststellen van de belangrijkste structuren om de huidige kwaliteiten zichtbaar te maken en zo te behouden. Het vormt een toetsingskader voor het beoordelen van ruimtelijke plannen en projecten. Inge­ zet wordt op het ontwikkelen van een duurzaam groenbeleid met het behoud van bestaand groen, ontwikkeling van een duurzaam bomenbestand, versterking van ecologische waarden en biodiversiteit en de vergroting van de samenhang tus­ sen groene en blauwe structuren. De Noordersingel als lijnelement (boezemlint) is aangewezen.

Voor de Noordersingel is het doel: ^ behouden van de hoge ligging van de boezem, de weg en de bebouwing; ^ inzetten op versterking groene karakter van tuinen en erven; ^ behoud en versterken vrije doorzichten op het achterland en het water. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan gevraagd en zijn de regels van de wijzigingsbevoegdheden in dit plan reeds zo geformuleerd dat er voldoende zicht moet blijven op het achterland en het water. Juridische kaders Omgevingswet Een van de onderwerpen die onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevings­ wet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaar­ den. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Ow op het thema faunabeheer.

56/88

Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de na­ tuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Hierin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 regels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of her­ stel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoe­ ren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omge­ vingsplannen door gemeenten.

Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels neerleggen bij gemeenten. Provinciale omgevingsverordening In de provinciale omgevingsverordeningen zijn diverse bepalingen opgenomen die gericht zijn op het beschermen van na­ tuur en kansen voor de biodiversiteit. In Ş 7.3.7 over ruimtelijke kwaliteit worden gebieden met beschermingscategorieën aangewezen. Onder deze gebieden valt het Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied en de groene buffer. De bepalingen in deze paragraaf be­ schermen de aangewezen gebieden en laten ontwikkelingen slechts beperkt toe of onder de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft. In Ş 7.3.16 over het Natuurnetwerk Nederland is bepaald dat een BOPA, voor het natuurnetwerk Nederland, daarbinnen geen activiteiten toelaat die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebie­ den significant beperkt. Daarnaast mogen ontwikkelingen ook niet leiden tot significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.

In artikel 7.41aa is een instructieregel opgenomen die voorschrijft dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, met 12 wonin­ gen of meer, de mogelijkheden de mogelijkheden tot het versterken van de biodiversiteit dienen te worden betrokken. In artikel 7.45ca wordt voorgeschreven dat een BOPA, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit betrekt. 6.16.2 Toetsing Soortenbescherming In opdracht van Rho Adviseurs is door Habitus een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8 bij deze motivering. De conclusie uit dit onderzoek is als volgt: Er is nader onderzoek benodigd naar de steenuil, en met maatregelen kan onderzoek voorkomen worden op teunisbloempijlstaart, vleermuizen (vliegroute) en roofvogels en er zijn maatregelen benodigd voor ooievaar en vogels zonder jaarrond beschermd nest. Tevens worden er in paragraaf 5.3.1 van de quickscan ecologische kansen benoemd, deze zullen worden meegegeven aan de kopers van de kavels. Naar aanleiding van de Quickscan flora en fauna n de voorgenomen werkzaamheden is in opdracht van NLO door RSK een nader onderzoek uitgevoerd. Dit nader onderzoek dient te bepalen of de betreffende vergunningsplichtige soort, namelijk

57/88

steenuil, binnen het projectgebied voorkomen en welke functies het projectgebied voor deze soort invult. Op basis daarvan is getoetst of sprake is van een overtreding van één of meer van de verbodsbepalingen op flora- en fauna-activiteiten uit de Omgevingswet. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze motivering. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit de rapportage overgenomen. Steenuil Binnen het projectgebied zijn geen beschermde functies van steenuil vastgesteld. Negatieve effecten op steenuil door de geplande werkzaamheden zijn uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen overtreden uit de Omgevingswet en ver­ volgstappen zijn niet noodzakelijk. Overige waarnemingen Binnen het projectgebied zijn vleermuizen aangetroffen. Grootschalige effecten op aanwezige vleermuizen zijn uitgesloten, mits voldaan wordt aan de voorzorgsmaatregelen. Negatieve effecten op de aanwezige algemene broedvogels, als gevolg van de geplande werkzaamheden, zijn uitgesloten mits buiten het broedseizoen wordt gewerkt (globaal van 15 maart tot en met 15 juli), waarbij een broedende vogel buiten deze periode ook beschermd is. De (specifieke) zorgplicht is te allen tijde van kracht voor alle flora en fauna. Advies Er wordt geadviseerd om vleermuizen in en rondom het projectgebied niet onnodig te verstoren tijdens de geplande ingre­ pen.

Indien werkzaamheden worden uitgevoerd in de vleermuisactieve periode (globaal van begin april tot en met eind oktober), moet uitvoering van werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopgang vermeden worden. Daarnaast dient het projectgebied niet verlicht te worden tussen zonsondergang en zonsopgang. Bij de geplande werkzaamheden is het van belang om de algemene zorgplicht te allen tijde in acht te nemen voor alle in het wild levende organismen. Hierbij geldt dat: In elk geval één richting op gewerkt dient te worden, zodat vluchtroutes voor elk dier altijd mogelijk zijn. Hierbij dient niet richting dode hoeken gewerkt te worden, maar richting geschikt alternatief habitat. Geef verstoorde of vluchtende dieren hiertoe de ruimte; Indien werkzaamheden langere tijd stil komen te liggen dient voor het herstarten van werkzaamheden het gebied nog­ maals geheel te worden doorlopen door een erkend en kundig ecoloog. Mogelijk hebben beschermde soorten zich intussen (opnieuw) gevestigd. Om algemene broedvogels niet onnodig te storen en overtreding te voorkomen, wordt aangeraden om potentieel versto­ rende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (globaal van 15 maart t/m 15 juli, hoewel dit per soort ver­ schilt).

Het wordt daarnaast aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het projectgebied nogmaals kort te con­ troleren op de aanwezigheid van vogelnesten door een erkend en kundig ecoloog. Gebiedsbescherming De projectlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied De Wilck ligt op circa 10,6 kilometer (zie figuur 6.5). De projectlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De grens van het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) 'Midden-Delfland' ligt aan de gehele westzijde van het projectgebied over een strook van circa 2 meter breed (zie Figuur 6.5, rechtsonder). Effecttoetsing bijzonder provinciaal landschap Midden-Delfland Negatieve effecten worden uitgesloten. Voor het BPL 'Midden-Delfland' is de visie in een uitvoeringsprogramma uitge­ werkt. Het hoofddoel van dit programma is het versterken van het BPL als groenblauwe oase met natuur, landbouw en recreatie. Omdat enkel de oever en het water van het projectgebied in het BPL liggen, is er geen sprake van landbouw of recreatie in het BPL dat in het projectgebied aanwezig is. Er is wel sprake van natuur, namelijk de watergang als een verbin­ ding voor flora en fauna. In het kavelpaspoort staan diverse regels beschreven waar de nieuw te bouwen woningen aan dienen te voldoen.

Eén van deze regels is dat de natuurlijke oever gehandhaafd dient te worden. Daarnaast dient bebouwing ten minste 10 meter vanaf de waterlijn aan de westzijde gerealiseerd te worden. De oever en de watergang blijven door deze regels behouden en zullen hun functie als verbinding voor flora en fauna behouden. Negatieve effecten op het bijzonder provinciaal

58/88

landschap worden daarom uitgesloten. Stikstof Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Meijendel ä Berkheide. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt 14,5 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand. Ten behoeve van de ontwikkeling is een stikstofberekening voor zowel de aanleg- als gebruiksfase uitgevoerd, de memo met uitgangspunten en de berekeningen zijn opgenomen in bijlage 6 en 7. Uit de berekening met de AERIUS Calculator (2024) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toe­ name is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.

Figuur 6.5 ligging projectgebied (rode punt in de rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden, bijzonder provinciaal landschap en Natuurnetwerk Nederland (PDOK, 2024; provincie Zuid-Holland, 2024). Het kaartje rechtsonder is een detailweergave van het bijzonder provinciaal landschap en het projectgebied. (Bron quickscan Habitus)

6.16.3 Conclusie In het kader van de soortenbescherming is door de Omgevingsdienst Haaglanden geadviseerd om voordat er enige werk­ zaamheid plaatsvindt nader onderzoek naar de soortgroepen vogels met een jaarrond beschermd nest (sperwer, boom­ valk, ooievaar), het opstellen van een lichtplan ten aanzien van vleermuizen en het opstellen van een memo ter behoud van het harig wilgenroosje aangaande de Teunisbloempijlstaart. Op basis van dit onderzoek kan worden beoordeeld of (ook) een vergunning voor flora- en fauna-activiteiten benodigd is. Hiertoe is in hoofdstuk 7 en in de vergunning een maatwerkvoorschrift opgenomen. Op basis van de AERIUS berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en ge­ bruiksfase uitgesloten. De ecologische kansen uit de quickscan worden meegegeven aan de kopers van de kavels.

59/88

6.17 Omgevingsveiligheid 6.17.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Voor omgevingsveiligheid zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.2 van het Bkl relevant (waarborgen van de veiligheid). De omgevingsverordening bevatten geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema omgevingsveiligheid. Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.2. Van de provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Deze instructieregels gaan over het opnemen en waarborgen van risicogebieden en groepsrisico's. 6.17.2 Toetsing Er is binnen het projectgebied geen sprake van niet gesprongen explosieven. De sociale veiligheid wordt gewaarborgd doordat de woningen richting de openbare ruimte zijn georiënteerd. 6.17.3 Conclusie De ontwikkeling draagt voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid maatwerkvoorschriften op te nemen.

6.18 Rotterdam The Hague Airport 6.18.1 Kaders Voor de beperkingengebied activiteit bij een luchthaven zijn beoordelingsregels opgenomen in afdeling 8.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Volgens deze regels kan het bevoegd gezag alleen een omgevingsvergunning verlenen als de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de staat en de werking van de luchthaven. Er zijn verschillende deelbelangen, waaronder in ieder geval: ^ veilig gebruik van de luchthaven; • doelmatig beheer van de luchthaven; • ongestoorde verkeersafwikkeling bij luchthavens; • mogelijkheid tot verruiming of wijziging van de luchthaven. Deze beoordelingsregels gelden alleen voor vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten bij luchthavens. 6.18.2 Toetsing Het projectgebied valt buiten het aandachtsgebied en de LIB-zone van de Luchthaven Rotterdam The Hague Airport (zi ook paragraaf 6.5.2). 6.18.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt voor dit aspect bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor dit as­ pect is geen noodzaak om maatwerkvoorschriften op te nemen.

6.19 Slagschaduw van windturbines 6.19.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In paragraaf 5.1.4.4a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgesteld voor de omgang met slag­ schaduw van windturbines. Deze regels stellen eisen aan het toelaten en beheren van windturbines die slagschaduw ver­ oorzaken in verblijfsruimten van gevoelige gebouwen. De regels zijn van toepassing op windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die slagschaduw veroorzaken in verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, zowel voor de turbines zelf als voor de gebouwen waarin de schaduw valt. Er zijn

60/88

uitzonderingen voor gebouwen die voor maximaal tien jaar zijn toegelaten en voor windparken waarvoor uiterlijk op 30 juni 2021 een vergunning is verleend en waarvoor geen wijzigingen zijn doorgevoerd. Gevoelige gebouwen omvatten woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen en kinderopvanglocaties, inclu­ sief gebouwen die nog gebouwd mogen worden volgens het omgevingsplan of een vergunning. Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat de slagschaduw aanvaardbaar is en kan regels bevatten die niet gelden voor gebouwen die functioneel verbonden zijn met de betreffende windturbine. Als een omgevingsplan regels bevat over slagschaduw bij bepaalde activiteiten, zoals in de agrarische sector of op een be­ drijventerrein, kan het bepalen dat die regels niet gelden voor gebouwen die eerder functioneel verbonden waren met die activiteit of windturbine. Een aanvaardbare situatie wordt bereikt als een omgevingsplan bepaalt dat slagschaduw gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag kan optreden in verblijfsruimten van gevoelige gebouwen die op een afstand van minder dan twaalf keer de rotordiameter van de windturbine liggen. Deze regels gelden niet voor windparken met 3 of meer windturbines. Toetsing en conclusie 6.19.2 Er is geen sprake van slagschaduw door activiteiten in en in de omgeving van het projectgebied.

De beoogde ontwikkeling draagt voor dit aspect bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen noodzaak om maatwerkvoorschriften op te nemen voor dit aspect.

6.20 Stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit 6.20.1 Kaders Omgevingswet Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Be­ schermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vast­ gelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documen­ ten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Provinciale omgevingsverordening In paragraaf 7.3.7 geeft de provincie instructieregels die gaan over ruimtelijke kwaliteit. In deze paragraaf worden gebieden aangewezen met verschillende beschermingscategorieën. Daarnaast wordt ingegaan op ruimtelijke ontwikkelingen en wordt aangegeven wanneer sprake is van inpassen, aanpassen of transformeren. Daarbij wordt voorgeschreven dat een omgevingsplan een ruimtelijke ontwikkeling alleen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In de paragraaf wordt vervolgens nog ingegaan op het borgen van de ruimtelijke kwaliteit, de randvoorwaarden bij ontwikkeling en de motivering van de locatiekeuze. Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol.

In paragraaf 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45b is voorge­ schreven dat een omgevingsplan, die voorziet in een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen, rekening houdt met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en dat bijgedragen wordt aan een goede woon- en leefomgeving. Daarnaast wor­ den in het omgevingsplan de mogelijkheden betrokken voor gevarieerde woningtypen. 6.20.2 Toetsing De zes kavels worden aansluitend aan de lintbebouwing aan de Noordersingel mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is in overeenstemming met de verstedelijkingsambitie van de provincie. Er is, gelet op de omvang en ruimtelijke uitstraling van dit project, geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is sprake van inpassen, de ontwikkeling is klein­ schalig en voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau en past binnen de gebiedsidentiteit. De richtpunten ruimtelijke kwaliteit zien op het Veenlandschap waar met name het behoud van het veen en het voorko­ men van bodemdaling een rol spelen, bij droogmakerijen is de waterhuishouding van belang. Als gevolg van de sanering van bedrijfsbebouwing in bestemmingsplan "Groenzoom" en herinrichting tot recreatiegebied is

61/88

de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. 'In ruil' daarvoor kunnen onder andere de 6 nieuwe woningen worden gerealiseerd, on­ der zodanige voorwaarden dat een zorgvuldige inpassing geborgd is. 6.20.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt voor dit aspect bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is nood­ zaak om met betrekking tot het aspect maatwerkvoorschriften ten aanzien van de verkaveling en bouwmogelijkheden op te nemen in hoofdstuk 7 en de omgevingsvergunning. Dit wordt vastgelegd in de voorschriften en bijbehorende figuur.

6.21 Trillingen 6.21.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.4.4) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te wor­ den met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelig ruimten van een trillingsgevoelig gebouw. Een aanvaardbare situatie wordt in ieder geval gecreëerd als in het omgevingsplan de standaardwaarde van toepassing wordt verklaard voor continue en herhaald voorkomende trillingen. Het omgevingsplan kan ook een lagere waarde bevat­ ten. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde dan de standaardwaarde bevatten, als op basis van een omgevingsver­ gunning of een maatwerkvoorschrift reeds een hogere waarde gold. Deze waarde is niet hoger dan de grenswaarde. Ook is een hogere waarde mogelijk als het gaat om een activiteit die verricht wordt op een bedrijventerrein dat in het omgevings­ plan is aangewezen. Indien sprake is van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan dit het rechtvaardigen om in het omgevingsplan een hogere waarde op te nemen dan de standaardwaarde en zelfs hoger dan de grenswaarde. De maximale waarde is de grenswaarde vermenigvuldigd met de factor 1,8. 6.21.2 Toetsing In de omgeving van het projectgebied zijn geen spoorlijnen die trilling veroorzaken en er worden geen activiteiten uitge­ voerd die trillingshinder veroorzaken.

6.21.3 Conclusie Met deze BOPA worden trillingsgevoelig gebouwen mogelijk gemaakt. Door het ontbreken van bronnen die trillingen veroorzaken, wordt voldaan aan het Bkl. Er is geen noodzaak om met be­ trekking tot het aspect trillingen maatwerkvoorschriften op te nemen.

6.22 Water 6.22.1 Kaders Beleidskaders Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswate­ ren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Land­ bouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ont­ wikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese

62/88

richtlijnen voor water. Instructieregels Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen heb­ ben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa moet daarom rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (weging van het waterbelang). In deze waterparagraaf zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het project gegeven. Deze paragraaf vormt daarmee de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de we­ ging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalin­ gen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële ont­ trekkingen van meer dan 150.000 m3^aar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd.

De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van water­ overlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instru­ ment is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het ge­ bied zelf en de omgeving worden voorkomen. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een "goede ecologische toestand" (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een "goed ecologisch potentieel" (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbe­ heer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerbrief d.d. 25 november 2022, kenmerk IENW/BSK2022/283041). Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waar­ mee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Beleid waterbeheerder Het grondgebied van de gemeente Lansingerland ligt zowel binnen het werkgebied van het Hoogheemraadschap van Delf­ land als van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Het projectgebied is gelegen binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap Delfland. Hoogheemraadschap van Delfland waterbeheerprogramma 2022 — 2027

63/88

Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke par­ tijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico's, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking weging van het waterbelang De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de procedure voor de weging van het waterbelang in plannen voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau.

De handreiking is gebaseerd op be­ leid van Delfland en sluit aan op de provinciale en landelijke regelgeving. Als er door een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving meer ruimte voor water moet komen (wateropgave), bijvoorbeeld als compensatie voor de aanleg van een huis, woonwijk of bedrijventerrein (verharding), is de voorkeur extra water te gra­ ven in aansluiting op bestaande sloten, vaarten. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, zijn alternatieve maatregelen om het regenwater vast te houden of vertraagd af te voeren ook mogelijk. Een deel van de wateropgave is gebaseerd op de ver­ wachte toename van neerslag in de toekomst, dat deel kan altijd met alternatieve maatregelen worden ingevuld. Delfland is medeondertekenaar van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en stimuleert haar gebiedspartners om de afspraken uit het convenant toe te passen. Standstill-beginsel Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initia­ tiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt.

Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Waterschapsverordening en legger In het kader van de Omgevingswet worden alle regels van het waterschap die betrekking hebben op de fysieke leefomge­ ving opgenomen in één Waterschapsverordening. In november 2022 heeft Delfland hiervoor de Waterschapsverordening Delfland vastgesteld. Dit betreft een in hoofdzaak beleidsarme omzetting van de regels uit onder andere de Keur Delfland en de bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Daarbij is aangekondigd dat de Waterschapsverordening in de loop der tijd zal worden aangepast en geactualiseerd met zogenoemde partiële wijzigingen. De ambitie is om deze aanpassingen in een continu verbeterproces door te voeren.

Zodoende kan Delfland flexibel reage­ ren op toekomstige ontwikkelingen in het gebied en de regels uit de Waterschapsverordening laten aansluiten bij: ^ de maatschappelijke opgaven in ons gebied en de rol die Delfland daarin wil innemen ^ de samenwerking en participatie met gemeenten, burgers en bedrijven; ^ de ervaringen uit de uitvoeringspraktijk; ^ veranderingen in de regelgeving van rijk, provincie en gemeenten, en ^ het digitaal stelsel omgevingswet (DSO).

64/88

Beleidsregels Dempen en graven De 'Beleidsregels Dempen en graven' geven regels voor de inrichting van watergangen en oevers van alle oppervlaktewate­ ren in het beheersgebied van Delfland. Het doel van de 'Beleidsregels Dempen en graven' is aan te geven hoe Delfland omgaat met zijn bevoegdheid om vergun­ ning te verlenen voor de verbodsbepalingen die in de Keur zijn opgenomen. Om te voorkomen dat bij het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning steeds weer een volledige belangenafweging dient plaats te vinden, heeft Delfland in deze beleidsregels vastgelegd, wanneer wel en wanneer niet gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot vergunningverlening. De Beleidsregels Dempen en graven bevatten toetsingcriteria voor de behandeling van de vergun­ ningaanvraag. Beleidsregel natte ecologische zones Deze beleidsregel is van toepassing op de vergunningaanvraag voor het aanleggen, wijzigen, houden en verwijderen van een natte ecologische zone (NEZ) en het verrichten van andere activiteiten (medegebruik) in een NEZ in het hele beheergebied van Delfland. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire watergangen. Deze beleidsregel be­ schrijft hoe Delfland vergunningaanvragen voor een NEZ beoordeelt. Één van de NEZ betreft een natuurvriendelijke oever.

Gemeentelijk beleid Strategische Samenwerkingsagenda Water Het waterplan is overgegaan in de Strategische Samenwerkingsagenda Water (SSAW) welke op 7 juli 2021 is vastgesteld door de gemeente en op 29 juni 2021 door het hoogheemraadschap. De SSAW beoogd een goede samenwerking dat helpt om te komen tot een robuust, klimaatbestendig watersysteem en een hogere kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Lansingerland. Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025 De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afval- en hemelwater en heeft ook een zorgplicht voor het grondwater. Met dit Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 legt de gemeente het rioleringsbeleid van Lansingerland voor de komende planperiode vast. Daarnaast wordt een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.3 Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De belangen van de waterbeheerder worden bij het omgevingsplan betrokken (vergelijkbaar met de 'watertoets' in bestemmingsplannen). Daarnaast bevat het Bkl instruc­ tieregels voor primaire waterkeringen, grote rivieren en specifieke gebieden zoals het IJsselmeergebied.

Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.4 van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland bevat instructieregels voor waterkeringen die gericht zijn op het waarborgen van de veiligheid en functie van regionale waterkeringen. Om te beginnen moeten omgevingsplannen de functie "regionale waterkering" toekennen aan regionale waterkeringen en "beperkingengebied met betrekking tot een waterkering" aan de locaties van beperkingengebieden ter bescherming van deze waterkeringen. De legger van de beheerder van de waterkering en de aangewezen beperkingengebieden zijn daarbij leidend. Voor activiteiten in het omgevingsplan die invloed hebben op regionale waterkeringen moet worden gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor instandhouding, onderhoud of versterking van deze waterkeringen. Advies van de be­ heerder van de waterkering is hierbij vereist. Daarnaast moet het omgevingsplan het profiel van vrije ruimte voor toekomstige versterking of uitbreiding van waterkerin­ gen in acht nemen. Dit profiel wordt vastgesteld in een waterschapsverordening.

65/88

6.22.2 Toetsing Bodem en grondwater Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem uit kalkarme leekVwoudeerdgronden en klei. Binnen het projectgebied is sprake van grondwatertrap IVu. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) 61 centimeter onder het maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt 109 centimeter onder het maaiveld. Het maaiveld is gele­ gen op circa 4 meter onder NAP. Er wordt uitgegaan van een vloerpeil van de woningen van - 4,3 m/NAP en dus een droog­ legging van de woningen van 1,3 meter. De gemeente adviseert de percelen geleidelijk af te laten lopen. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Het grondwaterpeil wordt niet (tijdelijk) gewijzigd, daarnaast wordt de bodem niet vervuild. Waterkwantiteit Ten oosten van het projectgebied, parallel aan de Noordersingel, ligt de Noordersingel tocht. Dit betreft een primaire wa­ tergang. Aan de noord-, zuid- en westzijde wordt het projectgebied begrensd door secundaire watergangen. De bescher­ mingszone van deze watergangen is 5 meter.

Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dem­ pen, graven, bouwen, onttrekken, lozen wordt in het kader van de waterschapsverordening een vergunning aangevraagd of wordt volgens de zorgplicht een melding gedaan. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats in de beschermingszone van de aangelegen watergangen. Het projectgebied bevindt zich niet in de beschermingszone van waterkeringen. Het projectgebied ligt binnen peilgebied GPG2018MEP 39. Dit betreft een peilgebied met een vastgesteld waterpeil op 5,50 m -NAP. Uitgaande van een bestaand maaiveldhoogte op 4,80 tot 4,90 m +NAP bedraagt de drooglegging 0,65 m. Door­ gaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 m en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 m. Om te kunnen voorzien in voldoende doorlegging zal het maaiveld binnen het pro­ jectgebied opgehoogd moeten worden (bouwpeil 4,20 m -NAP, straatpeil 4,5 m -NAP, maaiveld 4,8 m -NAP. Het grondwa­ ter zal zeer waarschijnlijk inclusief eventuele opbolling worden bepaald door het waterpeil in het naastgelegen oppervlak­ tewater. De (grond)waterpeilen in zowel het projectgebied als de omgeving en de zoetwaterbeschikbaarheid in de bodem zijn sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het projectgebied.

De natuurlijke draagkracht van de bo­ dem is daarbij mede sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het projectgebied.

66/88

POL20202200-Secundair

Tocht NoordersīngelPrimair (POL20214230)

POL20245250 - Secunda r

POL2020242C - Secundair

Figuur 6.6. Uitsnede legger Hoogheemraadschap van Delfland

In de bestaande situatie is het projectgebied volledig onbebouwd en onverhard. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van 1.645 m2 (met inbegrip van bijgebouwen, erf verharding en/of bestrating). In tabel 6.3 staan de oppervlakten van toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Tabel 6.3 Opp. bebouwd en verhard Noordersingel naast nr. 171 Berkel en Rodenrijs (t.b.v. Watersleutel)

Bebouwing Max bebouwd opp. Cf. eis gem.

Verharding Parkeerplaats incl oprit Terras

Toegangsweg incl. gastenparkeerplaatsen TOTAAL

Kavel 1 2 3 4 5 6 Totaal

120 120 150 150 150 150

32,5 32,5 32,5 32,5 32,5 32,5

30 30 30 30 30 30

840

195

180

422

1637 < 1645m2

Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet lan­ ger in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot water­ overlast, en past niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren kan gebruik

67/88

worden gemaakt van de Watersleutel. Deze rekentool is ontwikkeld om voor eenvoudige plannen op basis van een aantal kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem snel inzicht te krijgen in de benodigde compensatie. De voor dit pro­ ject ingevulde watersleutel is opgenomen als bijlage 10. Uit de watersleutel volgt dat voor de ontwikkeling moet worden voorzien in 230 m2 (ontwikkeling: 169 m2 + Klimaat 2050: 61 m2) extra te realiseren (te graven) water. Indien ten aanzien van de compensatie wordt voorzien in een alternatieve waterberging bedraagt de waterbergingsopgave 71,9 m3 (ontwikkeling: 52,8 m3 + Klimaat 2050: 19,1 m3). Buiten de eisen uit de waterschapsverordening en de Watersleutel van het hoogheemraadschap hebben de gemeente en het Hoogheemraadschap zich met ondertekening van het “Convenant Klimaatadaptief Bouwen" gecommitteerd, om de huidige bouwopgave klimaatadaptief te ontwikkelen: verminderen van de kans op wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en vergroten van de biodiversiteit, zie ook https://bouwadaptief.nl/. In samenspraak met de gemeente wor­ den de minimale eisen en de watersleutel naast elkaar gehanteerd. Omdat maatregelen voor beide doelen effectief kun­ nen zijn, hoeft alleen de grootste opgave gerealiseerd te worden. In het 'Convenant Klimaatadaptief Bouwen' staat ten aanzien van wateroverlast o.a. het navolgende opgenomen: 1.

In het projectgebied treedt bij extreem hevige neerslag geen schade op (bij 70 mm in een uur) aan bebouwing, infrastructuur en aan vitale voorzieningen. Vitale voorzieningen blijven functioneren (bij 90 mm in een uur). 2. Op privaat terrein wordt een groot deel van de neerslag (50 mm, met range tussen 40-70 mm) van een hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in een uur) verwerkt (geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen) in voorzieningen op privaat terrein of in daarvoor bestemde extra voorzieningen in het projectgebied. De voorzieningen voeren de eerste 24 uur daarna vertraagd af en zijn in maximaal 60 uur weer beschikbaar. Delfland hanteert voor de invulling van de bergingsopgave de Richtlijn Compensatie Verharding. Er zijn meerdere manieren om die compenserende maatregelen in te vullen maar het graven van extra oppervlaktewater wordt traditioneel veel toe­ gepast. Wanneer compensatie wordt gezocht door het aanleggen van nieuw oppervlaktewater of het vergroten van het bestaande areaal dient de aanleg plaats te vinden in het zelfde peilgebied als waar de extra verharding plaatsvindt. Dit wordt vanuit het Hoogheemraadschap als betrouwbaar op de lange termijn gezien en kan bijdragen aan een robuuste waterstructuur. In de bestaande situatie is 547 m2 aan oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een water­ oppervlakte van 778 m2.

In totaal wordt daardoor volgens de Watersleutel minimaal 230 m2 extra oppervlaktewater gecreeerd, zie navolgende figuur. Met het realiseren van nieuw oppervlaktewater wordt naast de eisen uit de waterschapsverordening tevens voldaan aan het “Convenant Klimaatadaptief Bouwen". Voor het graven van het nieuwe oppervlaktewater is een vergunning van het waterschap nodig. Deze zal bij het verdere planproces worden aangevraagd. De kavels worden bouwrijp opgeleverd. Onderdeel van het bouwrijp maken is de overgang van land naar water. Deze oever wordt middels een talud vormgegeven. Dit talud wordt uitgevoerd in de verhouding 1:3. Dit draagt er aan bij dat in nattere tijden extra water kan worden opgevangen. In figuur 6.8 is een natuurvriendelijke oever opgenomen. Als de oevers qua natuurvriendelijk aan de beleidsregel Natte Ecologische Zone (Beleidsregel natte ecologische zones | Lokale wet- en regel­ geving) voldoen, dan kunnen deze op de Legger van Delfland opgenomen worden. Op die manier wordt geborgd, dat de natuurvriendelijke oever in stand gehouden wordt.

68/88

Figuur 6.8 Natuurvriendelijke oevers (bron: Kavelpaspoort)

Waterkwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïn­ vloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt (bij voorkeur) geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Natuurvriendelijke oevers hebben over het algemeen een positief effect op de waterkwaliteit. Onderhoud en bagger Delfland, andere overheden of de eigenaren van de aangrenzende percelen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud. In de bestaande situatie ligt het beheer en onderhoud van de aanwezige secundaire watergangen (POL20202200, POL20202420 en 20245250) bij de aanliggende eigenaren. Dit geldt voor zowel het gewoon als het buitengewoon onder­ houd van het watervoerend deel. Het beheer en onderhoud van het primaire oppervlaktewater (POL20214230) ligt in de bestaande situatie bij het Hoogheemraadschap. Het oppervlaktewater dient ten aller tijde door het waterschap onderhou­ den te kunnen worden.

Hiervoor is aan weerzijde van de watergang een beschermingszone opgenomen van 5 meter. Alle activiteiten binnen deze beschermingszone zijn vergunningsplichtig. Onderhoudsstroken langs watergangen dienen vrijge­ houden te worden van bebouwing en obstakels (onder andere bomen en beplanting). In overleg met het Hoogheemraad­ schap zal het toekomstige onderhoud en beheer nader besproken en vastgelegd worden.

69/88

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Waterschapsbeleid moet hemelwater en afvalwater gescheiden worden ingeza­ meld en worden verweekt. In de Noordersingel ligt een gemeentelijk drukriool. Vanwege de doelmatige werking van een drukriolering is het niet toegestaan om hemelwater hierop af te voeren. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke drukriolering. Voor hemelwater wordt de volgende voor­ keursvolgorde aangehouden: ^ hemelwater vasthouden voor benutting; ^ (in-)filtratie van afstromend hemelwater; ^ afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; ^ afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In overleg met de gemeente zal bekeken moeten worden of en op welke wijze aangesloten kan en mag worden op het be­ staande drukriool in de Noordersingel. De ontwikkeling heeft verder geen gevolgen voor de hydrologische gesteldheid, veiligheid van de waterkeringen en volks­ gezondheid. 6.22.3 Conclusie De benodigde waterberging wordt gerealiseerd door het bestaande oppervlaktewater in oppervlak te vergroten. Hiermee is voor de ontwikkeling rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en de waterbelangen, en wordt voldaan aan de instructieregel artikel 5.37 van het Bkl. Voor het graven van het oppervlaktewater zal bij het water­ schap een vergunning aangevraagd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=de2a0ba8-7a20-45b9-aab9-020ae646ce9e