[T25.03307] Uitgangspunten Begroting 2026-2029 (NIEUW)
Tekst van het document
Uitgangspunten Begroting 2026-2029
Afdeling: Financiën Datum: 03-07-2025 (geamendeerde versie) Corsanummer: T25.03307
Voor de samenstelling van de Begroting 2026–2029 stelt het college de volgende kaders en uitgangspunten voor. Het college verzoekt de Raad deze kaders en uitgangspunten vast te stellen.
1.1
Een structureel sluitende begroting voor 2026
De toezichthouder (Provincie Zuid-Holland) eist van de gemeente een structureel sluitende begroting voor het betreffende begrotingsjaar en bij voorkeur ook voor de opvolgende jaren. Dit betekent dat alle structurele lasten zijn gedekt door structurele baten. Het college stelt voor dat er een structureel sluitende begroting komt voor het begrotingsjaar 2026 en voldoet daarmee aan de vereisten van de toezichthouder. Maatregelen die ingezet worden voor 2026 met een structurele doorwerking, hebben daarmee ook een impact op de meerjarige begroting. Uitgaande van de huidige verwachtingen zullen dan ook de jaren na 2026 aanzienlijk lagere tekorten laten zien, maar aanvullende maatregelen blijven in dit geval nodig voor de begroting van 2027 en verder.
1.2
De inwoneraantallen uit de bevolkingsprognose hanteren, aangepast voor nivellering
Het inwoneraantal is een belangrijke factor in de begroting. Zowel aan de lasten- als aan de batenkant is het aantal inwoners bepalend. Meer inwoners betekent meer uitgaven. Daarom neemt ook de algemene uitkering toe bij een toename van het aantal inwoners. Sinds de invoering van de nieuwe systematiek voor het gemeentefonds in 2022, waarbij er gerekend wordt met minder maatstaven, is de zwaarte van de maatstaf ‘inwoneraantal’ fors toegenomen. Zo betekent 1.000 inwoners meer, ca. € 548.000 meer inkomsten uit het gemeentefonds en vice versa; dit betreft de directe impact van het aantal inwoners; het aantal inwoners heeft daarnaast ook nog een indirecte impact via andere maatstaven. Een goede prognose van het aantal inwoners is daarom essentieel. Dat is ook de reden dat hier ook voor de Perspectiefnota 2026 extra aandacht aan is besteed. Daarnaast vereist een solide begroting dat er voor zowel de baten als de lasten met dezelfde maatstaven gerekend wordt, om scheve verhoudingen te voorkomen. Immers, als er aan de inkomstenkant rekening gehouden wordt met meer inkomsten als gevolg van een stijgend aantal inwoners, terwijl we aan de lastenkant uit zouden gaan van gelijkblijvende situatie, dan zouden we ons als gemeente onterecht rijk rekenen. De tabel hieronder laat de conceptprognose van de bevolkingsgroei zien.
De cijfers over 2025 betreffen de werkelijke aantallen inwoners, per 1 januari 2025. Het geraamde aantal inwoners vanaf 2026 is gebaseerd op de conceptbevolkingsprognose van maart 2025, die onder andere weer gebaseerd is op de meest recente woningbouwprognose. In deze woningbouwprognose wordt ook gerekend met woningbouw op Bleizo-West, echter pas met bewoners in 2030. De prognose die we voorheen hanteerden was gebaseerd op de cijfers van 2024. Het geraamde aantal inwoners is naar beneden bijgesteld. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door de toename van het aantal senioren en gezinnen met minder kinderen, met gemiddeld kleinere huishoudens tot gevolg. Daarbij is het ook zo dat de groep van 20-30-jarigen afneemt, doordat jongeren uit huis gaan en buiten de gemeente gaan wonen. Anderzijds wordt de afname veroorzaakt door de bij de planning achterblijvende woningbouw voor de komende jaren. De lagere aantallen opgeleverde nieuwbouwwoningen in combinatie met een toename van kleinere huishoudens hebben een remmende werking op de bevolkingsgroei.
Uitgangspunten Begroting 2026-2029 (T25.03306)
2
Aantal inwoners per 1 januari Inwoners conceptprognose 2025 100% Toename in begrotingsjaar
2025 66.115 536
2026 66.300 185
2027 68.000 1.700
2028 69.300 1.300
2029 70.600 1.300
Inwoners aangepaste prognose juli 2024 Afwijking t.o.v. juli 2024
66.000 115
67.200 -900
69.600 -1.600
72.400 -3.100
75.200 -4.600
Aanpassing inwonersprognose Vanwege de grote financiële opgave waar we als gemeente voor staan en de significante impact die het inwoneraantal op de begroting heeft (zowel voor de baten als de lasten), is er extra kritisch gekeken naar de betreffende bevolkingsprognose. De conceptbevolkingsgroeiprognose laat voor 2025 slechts een kleine stijging van het aantal inwoners van 185, met daaropvolgend een stijging van 1.700 inwoners in 2026. Rekenkundig gezien en met de basis voor de data op 1 januari 2025 klopt het model van de bevolkingsprognose. Echter, na het eerste kwartaal was het werkelijk aantal inwoners in 2025 reeds significant gestegen. Op basis hiervan, achten we het reëel om de inwoneraantallen die wij hanteren bij de berekening van de algemene uitkering en de kosten ten opzichte van de bevolkingsprognose met 500 inwoners per jaar omhoog bij te stellen voor de peildatum 1 januari 2026. Het aantal inwoners per 1 januari 2027 handhaven we wel. We nivelleren daarmee de groei over de jaren enigszins. In lijn hiermee nivelleren we ook het aantal jongeren in de periode 2025-2027. Dit leidt tot de volgende gewijzigde tabel.
Aantal inwoners per 1 januari Inwoners conceptprognose 2025 Toename in begrotingsjaar
2025 66.115 521
2026 66.800 685
2027 68.000 1.200
2028 69.300 1.300
2029 70.600 1.300
Inwoners definitieve prognose 2024 Afwijking t.o.v. eerdere prognose
66.000 115
67.200 -400
69.600 -1.600
72.400 -3.100
75.200 -4.600
Mocht de definitieve bevolkingsgroeiprognose sterk afwijken van de conceptversie, dan zal de definitieve versie in de Begroting 2026 verwerkt worden, daarbij rekening houdend met de aanpassing.
1.3
Loon- en prijsontwikkeling (inflatie)
Afgelopen jaren hebben we te maken gehad met hoge inflatiecijfers. De stijgende kosten hebben een grote impact op ons als gemeente en ook op de gehele samenleving. Om realistisch te begroten passen we een indexatie van de kosten toe. Dit wordt ook voorgeschreven door de Provincie.
1.3.1
Kostenbudgetten indexeren met inflatiecorrectie (variërend van 1,2% tot 5,2%)
De uitgavenramingen 2026 (t/m 2029) worden met inflatie verhoogd naar prijspeil 2026. De budgetten die met indexatie worden verhoogd zijn onder te verdelen in: Materiële budgetten (3,16%): De toegepaste indexatie is gebaseerd op de loon- en prijsontwikkeling die het Rijk in haar Septembercirculaire 2024 heeft gerapporteerd. De Provincie Zuid-Holland heeft vanuit haar rol als toezichthouder het uitgangspunt dat de toe te passen indexaties realistisch zijn. Mocht de indexatie ten tijde van de Meicirculaire 2025
Uitgangspunten Begroting 2026-2029 (T25.03306)
3
1.3.2
anders uitvallen, dan zullen we de Begroting 2026-2029 hierop bijstellen. Ter indicatie is 1% gelijk aan ca. € 160.000. Verbonden partijen (5,2%): Jaarlijks wordt er door de kring van gemeentesecretarissen Rijnmond een indexatie vastgesteld voor de verbonden partijen waaraan de deelnemende gemeenten zich committeren. Subsidies (3,94%): Subsidies kennen wij toe aan maatschappelijke partners die vrijtoegankelijke voorzieningen aanbieden in het sociaal domein. De 3,94% is de OVA-indexatie (Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling). Wmo en Jeugd Lokaal (1,5%-3,94%%): Voor Wmo en Jeugd Lokaal worden er prijsindexcijfers tussen 1,5%-3,94% toegepast (afhankelijk van contractafspraken). Openbare Ruimte (1,2%): Conform de raamovereenkomsten is voor 2026 de indexatie van het CBS/GWW toegepast. Ter indicatie is bij de indexatie over 2026 1% gelijk aan ca. € 98.000.
Loonkostenraming: een stelpost opnemen voor de nieuwe Cao
De huidige Cao voor gemeentepersoneel loopt tot 31 maart 2025. Deze Cao-stijging is in de Perspectiefnota verwerkt. Voor 2025 en verder zal er naar verwachting een nieuw Cao-akkoord komen. Het is nog niet bekend wat de financiële consequenties hiervan zullen zijn. In de Perspectiefnota hebben wij vooralsnog een stelpost opgenomen voor de Cao 2026 van 3,8%. Hierbij hebben we, net als voor de prijsontwikkeling, aansluiting gezocht bij de gehanteerde cijfers in de Septembercirculaire 2024 van het Rijk. Ter indicatie: 1% betreft ca. € 562.000. De Provincie ZuidHolland heeft vanuit haar rol als toezichthouder het uitgangspunt dat de toe te passen indexaties realistisch zijn. Mocht de indexatie ten tijde van de Meicirculaire 2025 anders uitvallen, dan zullen we de Begroting 2026-2029 hierop bijstellen.
1.4
Tarievenbeleid met betrekking tot belastingen en heffingen
De tarieven van de algemene belastingen (onroerendzaakbelasting (OZB), hondenbelasting en precario) worden minimaal verhoogd met een inflatiecorrectie, die nu wordt ingeschat op 3,16%. We onderzoeken of de tariefstijgingen van afgelopen jaren dekkend waren voor de inflatie over de desbetreffende jaren. Toepassing van indexatie op heffingen/leges vindt plaats met inachtneming van het uitgangspunt dat de kostendekkendheid niet mag worden overschreden.
1.5
Rente
Voor te verwachten nieuw af te sluiten langlopende leningen, onder andere in verband met de financiering van nieuwe investeringen, wordt in de Meerjarenbegroting 2026-2029 een percentage van 3% gehanteerd. Dit is een inschatting van het rentepercentage indien we een 10-jarige lineaire lening bij de BNG zouden af moeten sluiten, waarbij we uitgaan van het huidige rentepercentage.
1.6
Capaciteit volgt beleid, groei en (wettelijke) taak
Om uitvoering te geven aan het amendement op de Begroting 2023 en om realistisch te ramen, hanteren we het principe ‘capaciteit volgt beleid, groei in omvang (aantallen) van wettelijke taken en (wettelijke) taak’. Indien besloten wordt om beleid te stoppen dan heeft dit gevolgen voor de capaciteit en vice versa. Wettelijke taken kunnen alleen met voldoende capaciteit worden uitgevoerd en aangezien we een groeigemeente zijn, groeit de capaciteit mee met de groeigerelateerde factoren. We maken deze groei, in lijn met de strekking van het amendement, zichtbaar per programma. Uitgangspunten Begroting 2026-2029 (T25.03306)
4
Als gemeente willen we in staat blijven om goede medewerkers aan ons te binden en deze te behouden. Zeker in de huidige arbeidsmarkt is het van belang dat medewerkers met plezier hun werk kunnen doen, zodat zij onze inwoners en ondernemers zo goed mogelijk van dienst kunnen zijn. Ook in een financieel lastige situatie, blijven de organisatieprincipes daarom in stand. Dit houdt onder andere in dat we streven naar een passende werkdruk met daarbij een reële teamomvang en span-of-attention voor teammanagers.
1.7
Vasthouden aan het huidige format van de begroting
In lijn met wat er tijdens de evaluatie van de Begroting 2023 besproken is, zullen wij voor het opstellen van de Meerjarenbegroting 2026-2029 uitgaan van het bestaande format.
1.8
De ratio weerstandsvermogen blijft op of boven de 1,4
Het weerstandsvermogen geeft aan of de gemeente in staat is om substantiële, incidentele, financiële tegenvallers op te vangen, zonder de noodzaak om direct te bezuinigen en/of lokale lasten te verhogen. De ratio dient binnen de bandbreedte van de door de raad gewenste marge ‘ruim voldoende’ te blijven (tussen de 1,4 en 1,8), waarbij de Raad streeft naar een ratio van 1,7. Gezien de financiële onzekerheid die er nog heerst over het ‘ravijnjaar’ 2026 en de jaren erna, is het effect op het weerstandsvermogen in die jaren nog niet duidelijk. Bij de Begroting 2024 is besloten om de Enecoreserve te betrekken bij de berekening van het weerstandsvermogen. Ondanks dat er druk staat op het weerstandsvermogen, blijft het weerstandsratio vooralsnog ruim boven de 1,7.
1.9
Post onvoorzien hanteren die niet meer gerelateerd is aan het inwoneraantal
De comptabele regelgeving (BBV) schrijft een structurele post onvoorzien voor: de hoogte is aan de gemeente zelf. Als leidraad werd in het verleden € 1 per inwoner genomen. Dat is budgettair van beperkte omvang, maar heeft meer symbolische waarde dan een vast bedrag, omdat zichtbaar wordt dat Lansingerland een groeigemeente is. Bij de Begroting 2024 is de post onvoorzien naar beneden bijgesteld. Het college houdt voor de Begroting 2026 de gewijzigde lijn aan.
1.10 Overheaddoorbelasting aan Investeringen in het Meerjaren Investeringsplan (MIP) Bij de Begroting 2025 is besloten om niet alleen aan grondexploitaties (grexen) en anterieure overeenkomsten (AOK’s), maar ook aan investeringsprojecten in het MIP overheadkosten toe te rekenen door middel van een overheadopslag. Overheadkosten worden immers deels ook gemaakt voor projecten, dus ook investeringsprojecten. Voor reeds in 2024 lopende investeringen zijn de totale kredieten niet opgehoogd voor de overheadkosten. Dit betekent voor die investeringen een taakstelling over de overheadopslag te dekken binnen het bestaande krediet. Voor nieuwe investeringen die na 2024 starten en zijn gestart, wordt er gerekend met een overheadopslag. Dit heeft gevolgen voor de kapitaallasten na afronding van de desbetreffende investeringen. Het college houdt ook voor de Begroting 2026 deze lijn aan.
1.11 Gemeentefondsraming op basis van vaste prijzen en prijspeil 2026 Voor de gemeentefondsraming hanteren we de toepassing van vaste (of gefixeerde prijzen) en gaan we uit van prijspeil 2026. Dit is de bestendige gedragslijn.
Uitgangspunten Begroting 2026-2029 (T25.03306)
5
In de regel hanteren gemeenten bij hun gemeentefondsramingen de systematiek van constante prijzen (ook Lansingerland); d.w.z. de cijfers van begroting en meerjarenramingen worden weergegeven in het op dat moment bekende prijspeil. Bij elke opvolgende circulaire kan –hoeft niet- dat prijspeil wijzigen; die eventuele prijsbijstellingen vinden plaats middels een positieve of negatieve correctie op de cijfers: eenvoudig en de oorsprong/moment van aanpassing prijspeil is traceerbaar. Gemeenten mogen ook kiezen voor ramingen in lopende prijzen: dan wordt per jaar het prijspeil van dat jaar gebruikt. Theoretisch geeft dat een preciezer beeld per begrotingsjaar van de voor inflatie gecorrigeerde cijfers. Deze systematiek is echter aanzienlijk meer bewerkelijk (en daarmee in de praktijk juist minder inzichtelijk over de jaren heen en is bovendien meer foutgevoelig), omdat bij elke aanpassing van het prijspeil alle cijfers per jaar moeten worden herberekend.
1.12 Verhogen inkomsten De gemeente blijft op zoek naar nieuwe structurele en incidentele inkomstenbronnen.
1.13 Vasthouden aan WOZ-waardecorrectie (A2025-010) In het verleden is ervoor gekozen om het OZB-tarief voor woningen te corrigeren voor de WOZwaardeontwikkeling. In tijden van waardedaling zorgde dit ervoor dat de gemeente geen inkomstendaling ervoer en een stabiele dienstverlening kon organiseren. De gemeenteraad kiest voor een voortzetting van deze benadering.
1.14 OZB-verhoging als sluitstuk, eerst inzetten andere middelen (A2025-009) Een verhoging van het OZB-tarief wordt pas ingezet nadat de maatregelen uit de voorgestelde scenario’s zijn ingezet. Dit biedt de gemeenteraad bij het opstellen van de begroting de mogelijkheid om te bepalen welke maatregelen eventueel teruggedraaid kunnen worden, zodat de raad een integrale afweging kan maken of zij voor het in stand houden van bepaalde ambities een OZB-verhoging of andere vorm van dekking wil inzetten.
1.15 Het gebruiken van het beschikbare surplus1 van de algemene reserve voor overbrugging in 2026 (A2025-014) Het gebruiken van het beschikbare surplus in de algemene reserve, binnen de grenzen van wat het college verantwoord acht, dient in 2026 ter overbrugging van de begrotingsopgave. Hiermee kunnen mogelijke bezuinigingen voorkomen worden voor onze inwoners en ontstaat ruimte om richting 2027 en 2028 tot een evenwichtige en zorgvuldige afweging van beleidskeuzes te komen.
1 Voor het bepalen van het inzetbare deel van de algemene reserve wordt uitgegaan van 10% van het surplus (algemene reserve minus
benodigde weerstandscapaciteit) per 1 januari 2026, mits het solvabiliteitsratio boven de 20% blijft. Dit is ambtelijk afgestemd met de provincie. Uitgangspunten Begroting 2026-2029 (T25.03306)
6