[T25.02669] Geactualiseerde Erfgoedverordening 2025 gemeente Lansingerland (met wijzigingen bijhouden)
Tekst van het document
Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Uit artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de ambtenaren die op grond van artikel 22, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor zover het betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, daarnaast ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Dit laatste wordt in artikel 18.7 van de Ow geregeld.
Artikel 21. Subsidieplafond Het college stelt jaarlijks het subsidieplafond vast. De raad hoeft dus op basis van de Algemene subsidieverordening gemeente Lansingerland 2009 niet specifiek een subsidieplafond voor gemeentelijke monumenten vast te stellen, dit is aan het college. Het college kan dit subsidieplafond echter slechts vaststellen, binnen de door de gemeenteraad vastgestelde begroting. Via het budgetrecht kan de raad erop toezien dat de begroting in evenwicht is (artikel 189 Gemeentewet). Artikel 25. Subsidietoekenning Subsidie wordt verleend voor de instandhouding van beschermde gemeentelijke monumenten, niet zijnde bezit van de gemeentelijke of een andere overheid. Beoogd wordt het plegen van preventief en structureel onderhoud van beschermde gemeentelijke monumenten te stimuleren. De levensduur van de oorspronkelijk toegepaste materialen wordt door het plegen van preventief en structureel onderhoud verlengd en cultuurhistorische waarden daarmee geborgd. Het gehanteerde uitgangspunt hierbij is dat behoud gaat voor herstel en herstel voor vervanging. Beoogd neveneffect is dat restauratiewerkzaam heden hierdoor minder frequent noodzakelijk zullen zijn. Naast onderhoudswerkzaamheden worden - in beperkte mate - herstelkosten subsidiabel gesteld. De subsidie is echter niet van toepassing als er sprake is van restauratieplan.
In geval een eigenaar tot restauratie van zijn of haar object overgaat, bestaat de mogelijkheid een beroep te doen op het Cultuurfonds voor Monumenten Zuid-Holland. Artikel 26. Hoogte subsidie De gemeente stelt op basis van de door de aanvrager aangeleverde bescheiden de subsidiabele kosten vast. Voor de berekening van de subsidiabele kosten wordt de Leidraad BRIM Subsidiabele Instandhoudingkosten 2011 gehanteerd. Deze Leidraad is ontwikkeld voor het vaststellen van subsidiabele instandhoudingkosten bij het verlenen van subsidie voor rijksmonumenten. De Leidraad geeft inzicht in de werkzaamheden die in aanmerking komen voor subsidieverlening. In deze Leidraad is het te vergoeden percentage en de maximaal verkrijgbare subsidie bepaald. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beschermde gemeentelijke monumenten die geen en die wel deel uitmaken van een ensemble. In geval twee of meer gemeentelijke monumenten deel uitmaken van een ensemble en één eigenaar hebben, wordt een lager subsidiebedrag beschikbaar gesteld dan voor twee of meer afzonderlijke gemeentelijke monumenten aangezien er van uit wordt gegaan dat de kosten van instandhoudingwerkzaamheden bij het gelijktijdige uitvoeren lager zullen zijn. Artikel 27. Subsidieaanvraag In artikel 27 zijn onder het tweede lid de indieningvereisten aangegeven.
Op basis van de geleverde bescheiden moet de gemeente in staat zijn de subsidiabele kosten te kunnen bepalen. Een bouwkundig inspectierapport geeft een overzicht van de staat van onderhoud en een indicatie op welke termijn
onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. De werkomschrijving (of bestek) en de daarbij behorende begroting moeten - in samenhang met het inspectierapport - dusdanig zijn ingericht dat de gemeente de subsidiabele kosten kan bepalen. Dit houdt in dat de werkzaamheden naar soort en naar onderdeel moet zijn gespecificeerd (activiteit, manuren en materialen). Als bijvoorbeeld schilderwerkzaamheden worden beschreven en het beschermde gemeentelijke monument een moderne aanbouw heeft die niet onder de bescherming valt, zijn de schilderwerkzaamheden van deze moderne uitbouw niet subsidiabel. Uit het inspectierapport, het bestek en de begroting moet kunnen worden afgeleid over welke opgevoerde posten geen subsidie beschikbaar wordt gesteld. Indien naar het oordeel van de gemeente de bescheiden onvoldoende inzicht geven in de werkzaamheden, kunnen aanvullende bescheiden worden gevraagd (derde lid). Het zal in deze gevallen vooral gaan om werkzaamheden die verder reiken dan onderhoud alleen, derhalve werkzaamheden waarbij sprake is van kleine restauratieve ingrepen. Om de administratieve lasten voor de aanvrager te beperken wordt bij de aan te leveren bescheiden zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bescheiden die reeds zijn aangeleverd in het kader van bij de aanvraag om omgevingsvergunning.
Artikel 29. Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteitcultureel erfgoed Het college kan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteitcultureel erfgoed verzoeken een advies te geven over een subsidieaanvraag, maar is dit niet verplicht. Als sprake is van reguliere onderhoudswerkzaamheden waarbij geen sprake is van partieel herstel of een deelrestauratie kan het college besluiten af te zien van een advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteitcultureel erfgoed.
Artikel 30. Beschikking subsidieverlening In geval een advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteitcultureel erfgoed conform het gestelde bij de toelichting van artikel 29 niet noodzakelijk is, wordt de beschikking binnen acht weken na het indienen van een ontvankelijke aanvraag gegeven. Artikel 31. Weigeringsgronden In artikel 31 worden de weigeringgronden genoemd. In lid f wordt bepaald dat er geen beschikking kan worden gegeven op het moment dat het subsidieplafond wordt overschreden (zie ook de toelichting op artikel 21). Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst. In geval een subsidie aanvraag niet kan worden gehonoreerd omdat het subsidieplafond daarmee wordt overschreden, schuift de aanvraag door naar het daarop volgende jaar. Het is daarom raadzaam dat eigenaren geruime tijd voorafgaande aan de aanvraag hun voornemen tot onderhoudswerkzaamheden kenbaar maken bij de gemeente.
Artikel 32. Kettingbeding Het kettingbeding is opgenomen om er voor zorg te dragen dat verplichtingen jegens de gemeente ten gevolge van een toegekende subsidie worden overgedragen op de opvolgende eigenaar, bijvoorbeeld wanneer een subsidiebeschikking is afgegeven en de werkzaamheden zijn uitgevoerd, maar de definitieve vaststelling van de subsidie nog niet heeft plaatsgevonden op het moment dat de overdracht van een beschermd gemeentelijk monument plaatsvindt.
Artikel 33. Termijn aanvang en beëindiging werkzaamheden Met de bepalingen van dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat toegekende subsidie onnodig lang dient te worden gereserveerd. Plannen dienen met voortvarendheid te worden uitgevoerd. In voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de in het vierde lid geformuleerde afwijkingbevoegdheid. Artikel 34. Toezicht
Dit artikel is opgenomen om te waarborgen dat de gemeente erop kan toezien dat de werkzaamheden waarvoor subsidie is aangevraagd worden verricht op een wijze die overeenkomen met de instandhoudingplannen zoals deze bij de gemeente zijn ingediend.
Artikel 35. Verzekering De tekst uit de oude verordening kon discussie oproepen over wat herstel in de oude staat is. Om te voorkomen dat de eigenaar het gemeentelijke monument moet herstellen in de staat waarin het ooit gebouwd werd, is nu opgenomen dat het gaat om het herstel in de staat waarin het zich bevond op het moment van het ontstaan van de schade. Dit voorkomt extra hoge kosten voor de eigenaar gelet op onder andere het historisch onderzoek (hoe heeft het object er bij de oprichting uitgezien?) en gebruik van oude materialen. Wel dient in ogenschouw te worden genomen dat de staat waarin het object zich bevond op het moment van het ontstaan van de schade moet overeenstemmen met de staat op het moment van aanwijzing als gemeentelijk monument en eventueel daarna met vergunning of toestemming van het college aangebrachte wijzigingen. Hiermee wordt voorkomen dat de verplichting geldt voor herstel of herbouw van het gemeentelijke monument inclusief illegaal uitgevoerde werkzaamheden aan het object. Artikel 39. Subsidievaststelling Het kan voorkomen dat men tijdens het verrichten van de instandhoudingwerkzaamheden op zaken stuit die noodzakelijkerwijs moeten worden verholpen. In het werk kan bijvoorbeeld blijken dat een venster houtrot heeft. Het heeft geen zin het venster te schilderen als men het hout niet repareert.
De kosten van dergelijk en ander meerwerk dient aan de gemeente te worden gemeld om eventueel subsidiabel gesteld te kunnen worden. Als de meerkosten in aanmerking komen voor subsidie, wordt dit schriftelijk door de gemeente aan de aanvrager bevestigd.