[T25.02063] Geconsolideerde versie na Derde Wijziging Verordening Sociaal Domein
Tekst van het document
Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst.
Artikel 4.4.6 Niet in het tarief 1. De gemeente verstrekt geen Pgb voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder. 2. Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Artikel 4.4.7 Gebruik pgb 1. Een Pgb moet door de inwoner binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld. 2. Het is niet toegestaan om minder uren zorg in te kopen omdat de zorgverlener een hoger uurtarief hanteert. 3. Tenzij het gaat om een incidenteel Pgb, wordt het Pgb verstrekt via de SVB. De zorgverlener kan de kosten declareren bij de SVB, nadat deze zijn goedgekeurd door de beheerder. 4. Het recht op Pgb wordt beëindigd wanneer de Pgb-houder komt te overlijden. Artikel 4.4.8 Zorgplan 1. Een inwoner die er voor kiest om een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst door middel van een Pgb te verzilveren moet binnen drie maanden na toekenning een zorgplan inleveren dat hij samen met de ondersteuningsverlener heeft opgesteld. De inwoner en zijn ondersteuningsverlener tonen hiermee aan dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht wordt verstrekt. 2. Het zorgplan bevat in elk geval de volgende punten: a.
welke leverancier de zorg gaat verlenen; b. wie de directe ondersteuningsverlener(s) is; 23/147
c. wat de deskundigheid is van de directe ondersteuningsverlener(s); d. wie de directe ondersteuningsverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; e. welke doelen behaald moeten worden; f. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; g. de prognose; h. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 3. De inwoner en de ondersteuningsverlener zorgen voor een periodieke evaluatie van het zorgplan en zorgen dat het plan, door het bijhouden en vastleggen van wijzigingen, actueel blijft. Artikel 4.4.9 Weigering pgb 1. De gemeente wijst het verzoek om een pgb af als: a. De ondersteuning die de inwoner met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het Pgb plan en een eventueel zorgplan. Daarnaast dient de uitvoerder van de ondersteuning te beschikken over een adequate zorgopleiding en een recente VOG; b. Niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. Het beheer niet voldoende is geborgd; of d. Er druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 2.
Een Pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Pgb. Het niet voldoen aan de voorwaarden heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de inwoner voor ondersteuning in de vorm van een Pgb afwijst. Artikel 4.4.10 Opschorting betaling uit het pgb 1. De gemeente kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. De gemeente stelt de inwoner aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Paragraaf 4.5 Bijdrage in de kosten Artikel 4.5.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Vervallen. Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan maximaal het bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4, derde lid en artikel 2.1.4a vierde lid van de Wmo 2015,, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 24/147
3. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 1,08 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,17 per kilometer. Indexering van de tarieven vindt vanaf 2024 plaats en is gebaseerd op de MRDH-tarieven van het voorgaande jaar. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: a. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van de Wet langdurige zorg; b. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(e) de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; d. Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; e. Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; f. Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; g. Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; h. Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of i.
Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; j. Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren; k. Als de inwoner de Wmo-hulpmiddelen, zoals benoemd in artikel 4.3.3, lid 2, sub b, thuis laat staan om te kunnen blijven logeren thuis terwijl het hoofdverblijf is in een Wlz-instelling; l. Als de inwoner bemoeizorg ontvangt. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. 6. Pgb wordt gelijkgesteld aan de kostprijs van de maatwerkvoorziening zorg in natura.
Paragraaf 4.6 Waardering en ondersteuning van mantelzorgers Artikel 4.6.1 Waardering mantelzorgers 1. De gemeente zorgt jaarlijks voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. 2. Het blijk van waardering wordt door de gemeente bepaald na overleg met het steunpunt mantelzorg en dient te passen binnen het daarvoor verstrekte budget. 3. De gemeente kan in de beleidsregels bepalen op welke wijze een blijk van waardering wordt geboden aan mantelzorgers. Artikel 4.6.2 Ondersteuning mantelzorgers 1. De gemeente zorgt voor de ondersteuning van mantelzorgers ter voorkoming van overbelasting door advies, ondersteunende diensten, respijtzorg en emotionele steun. 2. De gemeente kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de ondersteuning van mantelzorgers in de gemeente.
Paragraaf 4.7 Klachten en medezeggenschap Artikel 4.7.1 Klachtregeling 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 25/147
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheidstoets die de aanbieder uitvoert. Artikel 4.7.2 Medezeggenschap 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheidstoets die de aanbieder uitvoert.
Paragraaf 4.8 Nadere uitwerking Artikel 4.8.1 Nadere regels stellen 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente op basis van de individuele situatie. 2. De gemeente kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit hoofdstuk.
26/147
Hoofdstuk 5.
Jeugdhulp
Paragraaf 5.1 Procedure Artikel 5.1.1 Melding en aanvraag 1. Een melding om in aanmerking te komen voor jeugdhulp, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.1.1. 2. Een aanvraag om in aanmerking te komen voor jeugdhulp, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1. 3. De gemeente kan in het dringende belang van de inwoner besluiten om ambtshalve een jeugdhulpvoorziening te verstrekken als en voor zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de inwoner een aanvraag wordt ingediend. 4. Als de aanvraag betrekking heeft op een inwoner die jonger is dan 12 jaren, of die ouder is dan 12 jaren en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, dan wordt de aanvraag ingediend door diens wettelijke vertegenwoordiger. Artikel 5.1.2 Onderzoek 1. Het onderzoek volgens artikel 2.3 van de Jeugdwet wordt uitgevoerd op de manier zoals beschreven in paragraaf 2.2. 2. De gemeente is ook bevoegd om onderzoek te doen naar de eigen mogelijkheden van de ouders van de inwoner door hen uit te nodigen of te laten onderzoeken door een (of meerdere) deskundige(n), voor zover dit noodzakelijk is voor de vaststelling van het recht op jeugdhulp. 3. Als de inwoner aangeeft een Pgb te willen ontvangen dan is de gemeente ook bevoegd om onderzoek te doen naar de beoogde ondersteuningsverlener/leverancier. 4.
Als de inwoner een derde als Pgb-beheerder wil machtigen, dan zal de gemeente deze Pgb-beheerder in het onderzoek betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek voeren voordat over het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een Pgb wordt beslist. Artikel 5.1.3 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke jeugdhulpvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking. De duur van de voorziening is altijd tijdelijk van aard en hoeft niet in de volle omvang benut te worden; c. welke jeugdhulpaanbieder voor de hulp verantwoordelijk is; en d. hoe de hulp verstrekt wordt en wat hierbij van de jeugdige en het gezin wordt verwacht. 3. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking. De duur van de verstrekking is altijd tijdelijk van aard en hoeft niet in de volle omvang benut te worden; c.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; d. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; e. wie de jeugdhulpverlener is die de ondersteuning zal leveren; 27/147
f. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 4. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde jeugdhulpvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd. Artikel 5.1.4 Alternatieve route 1. De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulp-aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. De gemeente zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3. De gemeente informeert huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen welke jeugdhulp bij welke aanbieder gecontracteerd is dan wel waar deze informatie beschikbaar is. 4.
Als de inwoner of zijn ouders na een verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contract of subsidierelatie heeft, vergoedt de gemeente deze andere keuze niet. De inwoner kan wel een Pgb aanvragen. 5. De verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is 1 jaar geldig. Verlenging van de toewijzing is onder voorwaarden eenmaal mogelijk. Artikel 5.1.5 Afwijking procedure De gemeente kan op basis van artikel 2.4.3 afwijken van de in deze paragraaf beschreven procedure.
Paragraaf 5.2 Kwaliteit en veiligheid Artikel 5.2.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp 1. De voorzieningen die worden ingezet voor het bieden van jeugdhulp moeten van goede kwaliteit zijn. Daarom moet er in elk geval voldaan worden aan de volgende eisen: a. voldoende deskundigheid bij de hulpverleners; b. afstemming van de ondersteuning op de persoonlijke situatie van de inwoner en het gezin; c. afstemming van de ondersteuning op andere vormen van zorg en ondersteuning; en d. handelen in overeenstemming met de professionele standaard door de jeugdhulpverleners tijdens hun werkzaamheden. 2. De gemeente kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van jeugdhulp. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden en de verantwoordelijkheid van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks klantervaringsonderzoek en het zo nodig ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 5.2.2 Veiligheidseisen jeugdhulp 1. Voor de veiligheid van de inwoner dienen jeugdhulpverleners te voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. Zij dienen te beschikken over een gelet op de 28/147
hulpvraag adequate zorgopleiding en een recente VOG. Ook dient men als professional verzekerd te zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid en te beschikken over een SKJ-registratie of BIGregistratie. 2. De gemeente werkt de in het eerste lid bedoelde eisen verder uit in haar beleid en in de contracten met leveranciers. Artikel 5.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering jeugdhulp door derden De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst. Artikel 5.2.4 Klachtregeling De gemeente ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken en ziet toe op de wijze van naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheid onderzoek. Artikel 5.2.5 Vertrouwenspersoon 1.
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners, conform artikel 2.5 van de Jeugdwet, een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. De gemeente wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg).
Paragraaf 5.3 Voorwaarden jeugdhulpvoorziening Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: 1) informatie, advies en training 2) jeugdgezondheidszorg 3) opvoedondersteuning b. lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp 2. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. GGZ Basis b. Diagnose en behandeling ernstig dyslexie c. Begeleiding Ambulant d. Behandeling Groep e. Behandeling Individueel f. Dagbesteding g. Kortdurend Verblijf h. Vervoer 29/147
i. Pleegzorg j. Opname k. Gesloten Jeugdhulp l. Opname met behandeling m. Gedwongen opname n. Langdurig verblijf Gezinshuis o. Langdurig Verblijf Training Zelfstandig Wonen p. Langdurig verblijf Open Residentieel q. Steun, hulp of behandeling r. Ambulante hulpverlening in thuissituatie s. Crisishulp t. Laag frequente medicatie controle u. Onderwijszorgarrangement Artikel 5.3.2 Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek als bedoeld in artikel 2.2.3. Artikel 5.3.3 Uitgangspunten individuele voorzieningen 1. De gemeente verleent een individuele voorziening binnen een arrangement van één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: a. ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; b. herstel, vermindering, stabilisatie stoornis bij de inwoner; c. opvoeding, versterken mogelijkheden ouders. 2. De gemeente zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: a. vervangende opvoeding; b. dagbehandeling of dagbesteding; 3.
De gemeente kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een inwoner van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 4. De gemeente stelt de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteuningselementen, bedoeld in het tweede lid, vast in de intensiteitstreden “beperkt”, “midden” of “intensief”, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteunings-behoefte en de zorgzwaarte van de inwoner. 5. De voorzieningen die worden verstrekt dienen veilig te zijn voor de inwoner en zijn omgeving en mogen de gezonde ontwikkeling niet belemmeren. Zij zijn afgestemd op de individuele, reële behoefte van de inwoner en de eventuele andere voorzieningen waarover de inwoner beschikt of kan beschikken. 6. De voorziening wordt verstrekt voor de periode die nodig is om het gewenste resultaat te bereiken en voor zolang de inwoner valt onder de doelgroep van de Jeugdwet. 7.
Na afloop van de indicatie kan voor de hulpvormen uit artikel 5.3.1, tweede lid, onder c, d en e waar het lokaal ingekochte jeugdhulp betreft een waakvlamconstructie worden ingezet zodat de jeugdige en/of het gezinssysteem kortdurend nog een beroep kan doen op eerder geboden hulpverlening ter borging van het aangeleerde. Een waakvlamconstructie bestaat uit een maximale inzet van 12 uur gedurende 1 jaar. Artikel 5.3.4 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren 30/147
1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; en/of f. het leren omgaan met zijn beperkingen. 2. Begeleiding is gericht op activering of ondersteuning van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 3. Begeleiding hoeft er niet voor te zorgen dat de problematiek wordt opgelost, maar wel dat de hulpvraag wordt beantwoord door gebruik te maken van de eigen kracht van het gezin en het netwerk daar omheen. Psycho-educatie kan onderdeel zijn van de begeleiding. 4. Voor activerende begeleiding geldt een maximale duur van 1 jaar. Van de jeugdige en zijn ouder(s) wordt verwacht dat zij na het jaar het geleerde kunnen toepassen in de dagelijkse praktijk. De gemeente kan de duur van de begeleiding alleen dan verlengen wanneer de jeugdhulpaanbieder in afstemming met de jeugdige en zijn ouder(s) gemotiveerd onderbouwen waarom het afgesproken resultaat niet is behaald.
Dit doen zij door een plan in te dienen bij de gemeente met een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn met een toelichting. De verlenging duurt niet langer dan maximaal zes maanden. 5. De gemeente kan in individuele gevallen van het vorige lid afwijken. Artikel 5.3.5 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied herstel, vermindering en/of stabilisatie van de stoornis van de jeugdige Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie van de stoornis van de inwoner, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is: a. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; b. het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; c. het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de inwoner in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; en/of d. het verlagen van recidiverisico.
Artikel 5.3.6 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: a. het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de jeugdige; b. het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; c. het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de jeugdige; d. het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; e. het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de jeugdige; 31/147
f. het kunnen zorgdragen voor deelname van de jeugdige aan onderwijs of vormen van daghulp; en/of g. het kunnen ontwikkelen van een voor de jeugdige steunend netwerk. Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen 1. Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt: a. als de hulpvrager volgens het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet recht heeft op jeugdhulp van de gemeente Lansingerland; b. voor zover in het onderzoek is vastgesteld dat de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouder(s) niet toereikend is om, zo nodig met de inzet van het sociaal netwerk, zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden; c. voor de hulpvraag geen voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling en/of afgesloten aanvullende verzekering of andere algemene of voorliggende voorziening; d. de inwoner niet vóór de aanvraag al beschikt over de jeugdhulpvoorziening, tenzij er alsnog een aanvraag is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorziening redelijkerwijs nog is vast te stellen; e. als de inwoner of een derde voldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.2 omdat deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. 2.
Onder eigen kracht, als bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, en artikel 2.2.3, tweede lid, wordt in ieder geval verstaan: a. gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp van ouders; b. inzet van het sociaal netwerk; c. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. 3. Wanneer de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) voortkomt uit evidente gezinsproblematiek, dan wordt actieve inzet van de ouder(s) aan het herstel van de gezinsproblematiek gevraagd. De gemeente kan voor de jeugdige alleen een individuele voorziening verstrekken voor datgeen waar de aanpak bij de jeugdhulp ligt. 4. Van de ouder(s) wordt verwacht dat zij hun eigen kracht vergroten en versterken. Daarbij kijkt de gemeente of de ouder(s): a. oorzaken van overbelasting waar mogelijk wegnemen; b. zorgverlof en andere soorten verlof inzetten; c. werktijden aanpassen of het werk anders organiseren; d. gebruik maken van de opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen; e. het sociaal netwerk inzetten en werken aan het vergroten van het sociaal netwerk; f. de jeugdige, indien mogelijk, voltijds onderwijs laat volgen; g.
de eigen problematiek verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van begeleiding en coaching trajecten vanuit het voorliggend veld, een beroep doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling, het verminderen van scheidingsproblematiek, etc. Artikel 5.3.7a Gebruikelijke hulp 1. De gemeente verstrekt geen individuele voorziening als sprake is van gebruikelijke hulp door de ouder(s). 2. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de verplichting van de ouder(s) om hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden als bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het gezond en veilig opgroeien van de minderjarige kinderen primair tot de plicht en verantwoordelijkheid van de ouder(s) behoort. 3. Gebruikelijke hulp omvat: a. het ondersteunen bij dagelijkse handelingen zoals eten, drinken, aankleden, persoonlijke hygiëne; 32/147
b. het bevorderen van zelfredzaamheid en zelfstandigheid en de begeleiding naar volwassenheid; c. het bieden van emotionele ondersteuning en het fysiek en sociaal veilig laten opgroeien van hun kinderen; d. het bieden van zorg die niet standaard bij alle kinderen voorkomt zoals het geven van sondevoeding of medicijnen en het uitvoeren van zorgtaken die langer dan gemiddeld nodig zijn vanwege ziekte, aandoening of beperking; e. het bieden van zorg en toezicht gedurende de hele dag (etmaal) in de nabijheid zonder dat daarbij permanente actieve observatie nodig is; f. het bieden van een passend pedagogisch klimaat; g. het leren omgaan met beperkingen en aandoeningen; h. het bieden van structuur; i. het bieden van begeleiding in het maatschappelijk verkeer; zoals bezoek aan familie, vrienden, school, medische instanties of therapie; j. het bieden van hulp en begeleiding bij ‘normale’ (opvoed/opgroei)hulpvragen en problemen die horen bij de levensfase of als kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen. 4. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorg- en opvoedplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. 5.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp past de gemeente de ‘Richtlijn gebruikelijke zorg’ toe, die als bijlage is opgenomen in deze verordening. Bij de toepassing van de richtlijn neemt de gemeente het volgende in acht: leeftijd van het kind: jonge kinderen hebben meer zorg nodig van hun ouder(s) dan oudere kinderen; aard van de hulp: gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen; frequentie: zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer per dag eten, worden als gebruikelijke zorg aangemerkt; duur: in kortdurende situaties (maximaal drie maanden per jaar) wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleegkundige handelingen geven. Bij langdurige situaties valt de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding nog steeds onder gebruikelijke zorg. 6. Een individuele voorziening kan aan de orde zijn als de begeleiding en verzorging de gebruikelijke hulp te boven gaan vanwege: de zorg voor kinderen met een beperking; en (dreigende) overbelasting. 7. De gemeente kan beleidsregels opstellen waarin de criteria van dit artikel verder worden uitgewerkt. Artikel 5.3.7b Bovengebruikelijke hulp 1.
Bij bovengebruikelijke hulp gaat het om hulp en zorg die intensiever is dan de gebruikelijke hulp die ouders verplicht zijn aan hun kinderen te bieden als bedoeld in het vorige artikel. 2. Ook als sprake is van bovengebruikelijke hulp voor een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking zijn ouders verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Bij bovengebruikelijke hulp wordt van ouders verwacht dat zij vergaande aanpassingen doen om hun kind gezond en veilig te laten opgroeien. 3. Bij de beoordeling of ouders in staat zijn tot het bieden van bovengebruikelijke hulp stelt de gemeente vast of:
33/147
a. ouders bekwaam zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Uit onderzoek moet blijken dat ouders daadwerkelijk in staat zijn om de noodzakelijke hulp te bieden aan hun kind en over de benodigde vaardigheden beschikken om adequaat en zorgvuldig te handelen; b. ouders beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Uit onderzoek moet blijken dat ouders daadwerkelijk beschikbaar zijn om de benodigde hulp te kunnen bieden, en c. ouders niet overbelast zijn of dreigen te raken door het bieden van de noodzakelijke hulp, hiervoor geldt het volgende: bij het onderzoek wordt de draaglast en draagkracht van de ouders beoordeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de gezinssituatie. Onderzocht wordt of ouders naast hun werk en de te verlenen gebruikelijke hulp fysiek en psychisch nog in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te verlenen. Hiervoor kan de gemeente extern medisch advies inwinnen; er moet een aannemelijk verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp die ouders aan de jeugdige bieden. Bij overbelasting door aantoonbare externe factoren, zal hiervoor door ouders een oplossing moeten worden gezocht; als sprake is van (dreigende) overbelasting, dan kan de gemeente een voorziening verstrekken. Deze voorziening wordt uitgevoerd door een jeugdhulpaanbieder en voldoet aan de eisen zoals gesteld in de jeugdhulpcontract van de gemeenten.
In eerste instantie is deze voorziening van korte duur om aan ouders de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen; d. er geen financiële problemen in het gezin ontstaan als de hulp door de ouder(s) wordt geboden. 4. Een individuele voorziening kan aan de orde zijn als uit het beoordelingskader van het vorige lid blijkt dat de ouder(s) niet in staat kunnen worden geacht tot het bieden van bovengebruikelijke hulp aan hun kind. 5. De gemeente kan beleidsregels opstellen waarin de criteria van dit artikel verder worden uitgewerkt. Artikel 5.3.8 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige In aanvulling op de in artikel 5.3.7 genoemde criteria geldt dat vervangende opvoeding alleen kan worden ingezet als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de inwoner; b. de inwoner vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de inwoner kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; en/of d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de inwoner op.
Artikel 5.3.9 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding In aanvulling op de in artikel 5.3.7 genoemde criteria geldt dat ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding alleen kan worden ingezet als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. vanwege een beperking of stoornis is het voor de inwoner niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; b. de inwoner heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; c. de inwoner is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie 34/147
1.
2.
In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt een individuele voorziening in de vorm van vaktherapie alleen verstrekt als: a. De vaktherapie onderdeel uitmaakt van een concreet behandeltraject voor complexe of meervoudige problematiek; b. De vaktherapeut is geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB); c. Er maximaal 18 sessies van maximaal 1 uur directe tijd worden ingezet. De gemeente kan in individuele situaties gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder c genoemde aantal sessies en/of de duur daarvan, indien dit noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken en eerdere behandeling/diagnose geen (voldoende) resultaat heeft gerealiseerd en er geen alternatieve mogelijkheden zijn om te komen tot effectieve jeugdhulp.
Artikel 5.3.11 Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie 1. In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt individuele voorziening in de vorm van dieren-therapie alleen verstrekt als: a. De dierentherapie wordt uitgevoerd in combinatie met een behandeling of begeleiding; en b. De uitvoerende hulpverlener BIG- of SKJ-geregistreerd is; en c. De aanbieder beschikt over een keurmerk; en d. De inzet van dieren is onderbouwd in een resultaatgericht hulpverleningsplan. 2. De gemeente hanteert voor dierentherapie hetzelfde tarief als het tarief dat voor de passende begeleiding zonder de ondersteunende inzet van een dier zou gelden. Artikel 5.3.12 Zeventien en een half-jarigen De gemeente kan aan een inwoner die de leeftijd van achttien jaar bijna heeft bereikt en die naar verwachting een voortdurende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, vanuit de jeugdwet een individuele voorziening aanbieden die in het kader van de Wmo 2015 als maatwerkvoorziening is ingekocht. In dat geval vindt er afstemming met een Wmo-consulent plaats, die beoordeelt of de maatwerkvoorziening na het bereiken van achttienjarige leeftijd kan worden verstrekt vanuit de Wmo 2015 en zal tevens een Wmo-indicatie worden afgeven voor na het achttiende levensjaar. Artikel 5.3.13 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs 1.
Ondersteuning die primair gericht is op (ondersteuning bij) het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling is de verantwoordelijkheid van de school (zorgplicht). Dit geldt ook voor ondersteuning die nodig is op het gebied van opgroei- en opvoedondersteuning om onderwijsdoelen op school te behalen of als de jeugdige extra begeleiding en ondersteuning nodig heeft. De zorgplicht van scholen is dan ook voorliggend op de inzet van jeugdhulp. Indien ondersteuning primair op andere leefgebieden nodig is, dan kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken. 2. De gemeente verstrekt ook geen individuele voorziening voor: a. speltherapie die er op is gericht om spelenderwijs leerproblemen aan te pakken; b. observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog gericht op onderwijs; c. intelligentieonderzoek of intelligentietest gericht op het onderwijs, als bedoeld in artikel 5.3.14, eerste lid; d. het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken); e. (alle vormen van) remedial teaching, medical teaching en bewegingsonderwijs; f. huiswerkbegeleiding;
35/147
g. begeleiding bij dyslexie. Voor diagnostiek en behandeling bij ernstige dyslexie kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken; h. begeleiding bij dyscalculie; i. behandeling bij een leerstoornis gericht op lezen, rekenen, schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid en een leerstoornis NAO (niet anderszins omschreven); j. sociale vaardigheidstraining. 3. Als de hulpvraag zich bevindt op het snijvlak tussen jeugdhulp en onderwijs of als de school jeugdhulp adviseert, dient de school een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) in. Indien de kern van de hulpvraag naar oordeel van de gemeente over het volgen van of in het onderwijs ligt, dan verstrekt hij geen individuele voorziening. Ook niet wanneer deze ondersteuning mogelijk een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden dan het doorlopen van school. 4. De gemeente treedt bij het verstrekken van een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet in overleg met de school. Artikel 5.3.14 Diagnostisch onderzoek 1. In afwijking van artikel 5.3.13, tweede lid, onder c, kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken als het intelligentieonderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. 2. Indien jeugdige of ouders een diagnostisch onderzoek aanvragen, gelden de volgende voorwaarden: a.
diagnostiek wordt alleen ingezet wanneer dit naar oordeel van de gemeente in het belang is van de jeugdige en essentieel is voor het vinden van passende ondersteuning; b. de gemeente verstrekt dit onderzoek maximaal één keer per drie jaar om te voorkomen dat te veel of te lang gezocht wordt naar oorzaken bij de jeugdige, terwijl de oorzaak van de problematiek niet bij de jeugdige hoeft te liggen. 3. Indien de ouders van de jeugdige op advies van de school een diagnostisch onderzoek aanvragen, gelden de volgende voorwaarden: a. uit het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) blijkt het advies van de school aan de ouders voor dit onderzoek. Extra ondersteuning (al dan niet door de school) kan de jeugdige ook krijgen zonder diagnose; b. uit het ontwikkelingsperspectiefplan blijkt voorts wat de school al heeft gedaan om de jeugdige te ondersteunen. Artikel 5.3.15 Samenwerkingsafspraken met scholen 1. De gemeente maakt afspraken met kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, primair en voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs over de toegang tot jeugdhulp. 2. De gemeente stemt de samenwerking van het onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijk verplichte OOGO’s (Op Overeenstemming Gericht Overleg).
Paragraaf 5.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 5.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan en een recente VOG (niet ouder dan 3 maanden) van de directe hulpverlener(s), in te dienen. 36/147
2. Bij een verzoek tot formeel Pgb moet aanvullend op lid 1 een offerte van de jeugdhulpaanbieder, een kopie van het (zorg) diploma, bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de zorgverlener, een uitdraai uit het handelsregister van de zorgverlener en een SKJ- of BIGregistratie worden ingediend. 3. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop. 4. Om in aanmerking te kunnen komen voor een Pgb voor dyslexiezorg dient het protocol voor dyslexie op correcte wijze te zijn gevolgd. Artikel 5.4.2 Pgb plan 1. Om voor een pgb in aanmerking te komen dient de inwoner of zijn ouders in een pgb-plan toe te lichten dat een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb aantoonbaar tot een goede, doelmatige en effectieve hulp leidt die beter is dan wat de gemeente door middel van zorg in natura kan bieden. De inwoner maakt hiermee een bewuste keuze voor het pgb. 2. Het pgb plan bevat in elk geval de volgende punten: a. de reden waarom de inwoner of zijn ouders het zorg in natura aanbod van de gemeente niet passend vindt en hij in aanmerking wil komen voor een pgb; b.
een beschrijving van de hulp of voorziening die de inwoner of zijn ouders in wil kopen; c. de naam van de beoogde hulpverlener of aanbieder; d. een toelichting op de keuze voor deze aanbieder en/of hulpverlener; e. de kosten die de leverancier/hulpverlener in rekening brengt, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; f. de wijze waarop de inwoner of zijn ouders, conform het model van de SVB, een contract aangaat met de Pgb-aanbieder; g. de wijze waarop de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd; h. de wijze waarop de hulpverlener wordt aangestuurd in de praktijk; i. de wijze waarop de hulp wordt gecontroleerd; j. de wijze waarop een juiste administratie wordt bijgehouden; k. hoe omgegaan wordt met geconstateerde onjuistheden; en l. hoe de continuïteit van de jeugdhulp is gewaarborgd op het moment dat er zich een calamiteit voordoet. 3. In aanvulling op het tweede lid bevat het pgb plan in elk geval de volgende punten indien aanspraak wordt gemaakt op het formele pgb-tarief voor de inhuur van een professional: a. Een uitdraai uit het handelsregister van de leverancier; en b. Bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de leverancier. Artikel 5.4.3 Beheer 1. Om in aanmerking te komen voor een Pgb dient de inwoner of zijn ouder(s) in staat te zijn de taken als budgethouder op zich te nemen. Dit betekent dat hij: a.
In staat is aan te geven welke hulp hij nodig heeft aan de hulpverlener/leverancier; b. Geen problematische schulden heeft; c. Geen ernstige verslavingsproblematiek heeft; d. Geen aanmerkelijke verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een blijvende cognitieve stoornis heeft; e. Geen aangetoonde fraude heeft gepleegd in de afgelopen vier jaar; en f. De Nederlandse taal in woord en geschrift voldoende beheerst. 37/147
2. Indien de inwoner of zijn ouders niet over de in het eerste lid genoemde vaardigheden beschikt dan kan iemand uit het netwerk van de inwoner het beheer van het pgb op zich nemen. Dit kan een wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde zijn. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde voorwaarden dient deze persoon: a. Een recente VOG te overleggen; b. Regelmatig een bezoek aan de inwoner te brengen en zo de ondersteuning ter plekke te controleren (er moet sprake zijn van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd); c. In staat te zijn tot communicatie met de inwoner en zijn ouders; en d. Niet dezelfde persoon te zijn als de beoogde hulpverlener en geen nauwe band hebben met de beoogd hulpverlener waardoor er een belangenconflict zou kunnen optreden. 3. Een inwoner of zijn ouders krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om iemand uit zijn netwerk als bedoeld in het tweede lid aan te dragen. Indien geen geschikte derde wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen. Artikel 5.4.4 Hoogte Persoonsgebonden budget 1. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner of zijn ouders opgesteld Pgb plan; b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: 1°.
waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de inwoner of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; 2°. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de inwoner of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken; en c. bedraagt het formele tarief voor jeugdhulp verleend door een professional die niet behoort tot het sociaal netwerk niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura; of d. bedraagt het informele tarief voor jeugdhulp verleend door een persoon die niet kan worden aangemerkt als een professional en/of door een persoon uit het sociale netwerk € 25,50 per uur voor begeleiding ambulant, € 35,00 per dagdeel voor kortdurend verblijf en € 125,00 per etmaal voor kortdurend verblijf. 2. Tot het sociale netwerk van de inwoner of zijn ouders behoren in elk geval bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad. Artikel 5.4.5 Niet in het tarief 1. De gemeente verstrekt geen Pgb voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder. 2. Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Artikel 5.4.6 Gebruik pgb 1.
Een Pgb moet door de inwoner of zijn ouders binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld. 2. Het is niet toegestaan om minder uren zorg in te kopen omdat de hulpverlener een hoger uurtarief hanteert. Artikel 5.4.7 Zorgplan 38/147
1. Een inwoner of zijn ouders die er voor kiest om een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een dienst door middel van een Pgb te verzilveren moet binnen drie maanden na toekenning een zorgplan inleveren dat hij samen met de ondersteuningsverlener heeft opgesteld. De inwoner of zijn ouders en zijn hulpverlener tonen hiermee aan dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht wordt verstrekt. 2. Het zorgplan bevat in elk geval de volgende punten: a. welke leverancier de hulp gaat verlenen; b. wie de directe hulpverlener(s) is; c. wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); d. [Vervallen] ; e. [Vervallen]; f. welke doelen behaald moeten worden; g. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; h. de prognose; i. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 3. De inwoner en de ondersteuningsverlener zorgen voor een periodieke evaluatie van het zorgplan en zorgen dat het plan, door het bijhouden en vastleggen van wijzigingen, actueel blijft. Artikel 5.4.8 Weigering pgb 1. De gemeente wijst het verzoek om een pgb af als: a. De hulp die de inwoner of zijn ouders met het Pgb wenst in te kopen naar het oordeel van de gemeente niet van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het zorgplan.
Daarnaast dient de uitvoerder van de hulp te beschikken over een recente VOG en om in aanmerking te komen voor het professionele tarief ook over een adequate zorgopleiding en een SKJ of BIG registratie; b. Niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. Het om behandeling gaat en de inwoner of zijn ouders een hulpverlener uit het eigen sociale netwerk in willen zetten; d. Het beheer niet voldoende is geborgd; e. Er druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 2. Een Pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van de gemeente wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Pgb. Het niet voldoen aan de voorwaarden heeft tot gevolg dat de gemeente de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een Pgb afwijst. 3. In afwijking van het tweede lid kan de gemeente in een individuele situatie gemotiveerd afwijken van de eis dat de professionele hulpverlener over SKJ of BIG registratie moet beschikken. Artikel 5.4.9 Opschorting betaling uit het pgb 1.
De gemeente kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. De gemeente stelt de inwoner of zijn ouders aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Paragraaf 5.5 Nadere uitwerking
39/147
Artikel 5.5.1 Nadere regels stellen 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente op basis van de individuele situatie. 2. De gemeente kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit hoofdstuk.
40/147
Hoofdstuk 6.
Werk en re-integratie
Paragraaf 6.1 Algemene bepalingen Artikel 6.1.1 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; c. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar. d. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; e. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; f. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, lid 2, onder f, van de wet; g. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, lid 1 en 3, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; h. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; i.
voorziening: door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; j. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; k. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d, lid 1 of 2, van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; l. wet: Participatiewet. Artikel 6.1.2 Afwegingskader 1. De gemeente kan de voorziening bedoeld in artikelen 6.2.1, 6.2.3, 6.2.4, 6.2.8, 6.2.8a, 6.2.8b en 6.2.10 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2. De gemeente kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 6.2.1, 6.2.2, 6.2.4, 6.2.5, 6.2.6, 6.2.7, 6.2.8, 6.2.8a, 6.2.8b en 6.2.9 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3. De gemeente houdt bij het aanbieden van de in paragraaf 6.2 opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon.
De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. 4. De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; 41/147
c.
5.
6.
7.
de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze paragraaf genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, onder 2 van de Participatiewet; d. naar het oordeel van de gemeente de voorziening niet langer bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e.
de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze paragraaf worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. De gemeente biedt de meest adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. De gemeente stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, de gemeente in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit onderdeel geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
Artikel 6.1.3 Budget- en subsidieplafonds 1. De gemeente kan in beleidsregels een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen die in paragraaf 6.2 worden genoemd. 2. De gemeente kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 3. Een door de gemeente ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 4. De mogelijkheden genoemd in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de voorziening als bedoeld in artikel 6.1.9.
42/147
Paragraaf 6.2 Voorzieningen Artikel 6.2.1 Werkstage 1. De gemeente kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de doelgroep. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. De gemeente plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage, en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel 6.2.2 Sociale activering 1. De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteer-de arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. De gemeente stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. De gemeente biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 6.2.3 Detacheringsbaan 1.
De gemeente kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 6.2.4 Scholing en training 1. De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aanbieden. 2. Een scholing- of trainingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. De ingezette scholing of training moet resulteren in een reële verhoging van de kansen op de arbeidsmarkt; b. De scholing of training is noodzakelijk om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; en c. Scholing of training wordt niet ingezet indien een persoon in het jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing of training al met succes een beroepsgerichte scholing heeft afgerond. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet.
43/147
Artikel 6.2.5 Participatieplaats 1. De gemeente kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door de gemeente, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 6.2.6 Beschut werk 1. De gemeente biedt, volgens artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet, de voorziening beschut werk aan een persoon uit de doelgroep aan die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2. De gemeente wint advies in bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voor de beoordeling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, tenzij die persoon zelf al het advies heeft aangevraagd. 3.
Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet de gemeente onder andere de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4. De gemeente stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voor-schrift in de ministeriële regeling. De gemeente stelt niet meer plekken voor beschut werk beschik-baar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. 5. De gemeente biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. 6. De gemeente bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. 7. De gemeente kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, lid 1, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. arbeidsmatige dagbesteding als bedoeld in artikel 4.5.2., lid 5, sub h; b. sociale activering als bedoeld in artikel 6.2.2; c.