[T25.02062] Was/Wordt-tabel Derde Wijziging Verordening Sociaal Domein 2023
Tekst van het document
WAS/WORDT Derde Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 2023 (met toelichting)
Auteur: Shalini Sahtoe Domein: Samenleving Team: Maatschappelijke Opgaven Datum: 14 mei 2025 T25.02062
1/27
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document.
Artikel 1.2.2
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1.2.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De in deze verordening opgenomen regels zijn niet van toepassing op de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Voor deze voorzieningen gelden de regels van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018 zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam op 14 december 2017 (gmb-2018-24161) en laatstelijk gewijzigd op 11 april 2019 (gmb-2019-100435).
Artikel 1.2.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De in deze verordening opgenomen regels zijn niet van toepassing op de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Voor deze voorzieningen gelden de regels van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025 zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam op 19 december 2024 (gmb-2025-1116).
2/27
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 2. Toegang Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document.
Artikel 2.2.3
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen 1. De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek op basis van de ondersteuningsvraag in samenspraak met de inwoner dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: a. de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; b. de problemen, beperkingen en/of stoornissen van de inwoner; c. de aard en omvang van de ondersteuning die de inwoner nodig heeft; d. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden van de inwoner, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; e. of en in hoeverre de inzet van een individuele voorziening noodzakelijk en passend is om het gewenste resultaat te bereiken. 2. In het gesprek is ook aandacht voor de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s) van de inwoner. 3. Het gesprek vindt afhankelijk van de ondersteuningsvraag telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats. 4. Indien de inwoner voorafgaand aan het gesprek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan, dan betrekt de gemeente of de toegangspartij dit plan bij het gesprek. 5. De gemeente kan, indien zij dat gelet op de ondersteuningsvraag noodzakelijk acht voor het opstellen van een ondersteuningsplan,
Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen 1. De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek op basis van de ondersteuningsvraag in samenspraak met de inwoner dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger: a. de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; b. de problemen, beperkingen en/of stoornissen van de inwoner; c. de aard en omvang van de ondersteuning die de inwoner nodig heeft; d. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden van de inwoner, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; e. of en in hoeverre de inzet van een individuele voorziening noodzakelijk en passend is om het gewenste resultaat te bereiken. 2. De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek over een ondersteuningsvraag gericht op jeugdhulp: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en het gezin, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige, de gezinssituatie en het probleem of de hulpvraag; b. of sprake is van opgroeiproblemen, psychische en psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja: 3/27
voorafgaand of na het gesprek, deskundig advies inwinnen. 6. Indien de gemeente gebruik maakt van de in het vijfde lid genoemde mogelijkheid dan informeert zij de inwoner hier schriftelijk over.
1°. welke problemen dat zijn; 2°. of en zo ja welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°. of en in hoeverre de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders toereikend is om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en 4°. voor zover de eigen kracht van ouders of de jeugdige niet toereikend is, om zo nodig met de inzet van het sociaal netwerk en/of de inzet van een overige of individuele voorziening de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden; c. hoe, als de jeugdige of zijn ouders dat wenst, bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; d. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; e. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoording wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 3.
In het gesprek is ook aandacht voor de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s) van de inwoner.
4/27
4. Het gesprek vindt afhankelijk van de ondersteuningsvraag telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats. 5. Indien de inwoner voorafgaand aan het gesprek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan, dan betrekt de gemeente of de toegangspartij dit plan bij het gesprek. 6. De gemeente wint, indien zij dat gelet op de ondersteuningsvraag noodzakelijk acht voor het opstellen van een ondersteuningsplan, voorafgaand of na het gesprek, deskundig advies in. 7. Indien de gemeente gebruik maakt van de in het vorige lid genoemde mogelijkheid dan informeert zij de inwoner hier schriftelijk over.
5/27
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 4. Wmo Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document.
Artikel 4.4.5
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget 1. Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen het volgende informele tarief: a. Individuele begeleiding: € 25,50 per uur; b. Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten); c. Hulp bij het huishouden: € 22,00 per uur. 2. De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. 3. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.289. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 4. Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.829.
Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk.
Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget 1. Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen het volgende informele tarief: a. Individuele begeleiding: € 25,50 per uur; b. Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten); c. Hulp bij het huishouden: € 22,00 per uur. 2. De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. 3. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.289. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 4. Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.829.
Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 6/27
Artikel 4.5.2
5. Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning (bezoekbaar maken) bedraagt € 3.102. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 6. Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: a. Taxikostenvergoeding € 3.900 per jaar b. Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.599 per jaar Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is. 7. Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. 8. Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst
5. Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning (bezoekbaar maken) bedraagt € 3.102. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 6. Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: a. Taxikostenvergoeding € 4.005 per jaar b. Rolstoeltaxikostenvergoeding € 4.938 per jaar Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is. 7. Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. 8. Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst
Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand per huishouden, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 1,08 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,17 per kilometer. Indexering van de tarieven vindt vanaf 2024
Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan maximaal het bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4 derde lid en artikel 2.1.4a vierde lid van de Wmo 2015, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 1,08 (per enkele reis) en 7/27
plaats en is gebaseerd op de MRDH-tarieven van het voorgaande jaar. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: a. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van de Wet langdurige zorg; b. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(e) de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; d. Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; e. Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; f. Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; g. Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; h. Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of i. Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; j. Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren; k.
Als de inwoner de Wmo-hulpmiddelen, zoals benoemd in artikel 4.3.3, lid 2, sub b, thuis laat staan om te kunnen blijven logeren thuis terwijl het hoofdverblijf is in een Wlz-instelling; l. Als de inwoner bemoeizorg ontvangt. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder.
een bedrag van € 0,17 per kilometer. Indexering van de tarieven vindt vanaf 2024 plaats en is gebaseerd op de MRDH-tarieven van het voorgaande jaar. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: a. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van de Wet langdurige zorg; b. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(e) de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; d. Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; e. Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; f. Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; g. Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; h. Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of i. Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; j. Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren; k.
Als de inwoner de Wmo-hulpmiddelen, zoals benoemd in artikel 4.3.3, lid 2, sub b, thuis laat staan om te kunnen blijven logeren thuis terwijl het hoofdverblijf is in een Wlz-instelling; l. Als de inwoner bemoeizorg ontvangt. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele 8/27
6. Pgb wordt gelijkgesteld aan de kostprijs van de maatwerkvoorziening zorg in natura.
afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. 6. Pgb wordt gelijkgesteld aan de kostprijs van de maatwerkvoorziening zorg in natura.
9/27
Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 5. Jeugd Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald. Een toelichting op de wijzigingen staat achter in dit document.
Artikel 5.1.3
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.1.3 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke jeugdhulpvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke jeugdhulpaanbieder de hulp zal leveren; en d. hoe de hulp verstrekt wordt en wat hierbij van de jeugdige en het gezin wordt verwacht. 3. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; d. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; e. wie de jeugdhulpverlener is die de ondersteuning zal leveren; f. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget.
Artikel 5.1.3 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke jeugdhulpvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking. De duur van de voorziening is altijd tijdelijk van aard en hoeft niet in de volle omvang benut te worden indien niet nodig is; c. welke jeugdhulpaanbieder voor de hulp verantwoordelijk is; en d. hoe de hulp verstrekt wordt en wat hierbij van de jeugdige en het gezin wordt verwacht. 3. Bij het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; De duur van de voorziening is altijd tijdelijk van aard en hoeft niet in de volle omvang benut te worden indien niet nodig is; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; d. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; 10/27
Artikel 5.3.3
4. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde jeugdhulpvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd.
e. wie de jeugdhulpverlener is die de ondersteuning zal leveren; f. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget. 4. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde jeugdhulpvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd.
Artikel 5.3.3 Uitgangspunten individuele voorzieningen 1. De gemeente verleent een individuele voorziening binnen een arrangement van één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: a. ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; b. herstel, vermindering, stabilisatie stoornis bij de inwoner; c. opvoeding, versterken mogelijkheden ouders. 2. De gemeente zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: a. vervangende opvoeding; b. dagbehandeling of dagbesteding; 3. De gemeente kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een inwoner van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 4. De gemeente stelt de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteunings-elementen, bedoeld in het tweede lid, vast in de intensiteitstreden “beperkt”, “midden” of “intensief”, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteunings-behoefte en de zorgzwaarte van de inwoner.
Artikel 5.3.3 Uitgangspunten individuele voorzieningen 1. De gemeente verleent een individuele voorziening binnen een arrangement van één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: a. ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren b. herstel, vermindering, stabilisatie stoornis bij de inwoner; c. opvoeding, versterken mogelijkheden ouders. 2. De gemeente zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: a. vervangende opvoeding; b. dagbehandeling of dagbesteding; 3. De gemeente kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een inwoner van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 4. De gemeente stelt de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteunings-elementen, bedoeld in het tweede lid, vast in de intensiteitstreden “beperkt”, “midden” of “intensief”, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteunings-behoefte en de zorgzwaarte van de inwoner. 11/27
5.
6.
Artikel 5.3.4
De voorzieningen die worden verstrekt dienen veilig te zijn voor de inwoner en zijn omgeving en mogen de gezonde ontwikkeling niet belemmeren. Zij zijn afgestemd op de individuele, reële behoefte van de inwoner en de eventuele andere voorzieningen waarover de inwoner beschikt of kan beschikken. De voorziening wordt verstrekt voor de periode die nodig is om het gewenste resultaat te bereiken en voor zolang de inwoner valt onder de doelgroep van de Jeugdwet.
Artikel 5.3.4 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; en/of f. het leren omgaan met zijn beperkingen.
5.
De voorzieningen die worden verstrekt dienen veilig te zijn voor de inwoner en zijn omgeving en mogen de gezonde ontwikkeling niet belemmeren. Zij zijn afgestemd op de individuele, reële behoefte van de inwoner en de eventuele andere voorzieningen waarover de inwoner beschikt of kan beschikken. 6. De voorziening wordt verstrekt voor de periode die nodig is om het gewenste resultaat te bereiken en voor zolang de inwoner valt onder de doelgroep van de Jeugdwet. 7. Na afloop van de indicatie kan voor de hulpvormen uit artikel 5.3.1, tweede lid, onder c, d en e waar het lokaal ingekochte jeugdhulp betreft een waakvlamconstructie worden ingezet zodat de jeugdige en/of het gezinssysteem kortdurend nog een beroep kan doen op eerder geboden hulpverlening ter borging van het aangeleerde. Een waakvlamconstructie bestaat uit een maximale inzet van 12 uur gedurende 1 jaar. Artikel 5.3.4 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren 1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d.
het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; en/of f. het leren omgaan met zijn beperkingen. 2. Begeleiding is gericht op activering of ondersteuning van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 12/27
3. Begeleiding hoeft er niet voor te zorgen dat de problematiek wordt opgelost, maar wel dat de hulpvraag wordt beantwoord door gebruik te maken van de eigen kracht van het gezin en het netwerk daar omheen. Psycho-educatie kan onderdeel zijn van de begeleiding. 4. Voor activerende begeleiding geldt een maximale duur van 1 jaar. Van de jeugdige en zijn ouder(s) wordt verwacht dat zij na het jaar het geleerde kunnen toepassen in de dagelijkse praktijk. De gemeente kan de duur van de begeleiding alleen dan verlengen wanneer de jeugdhulpaanbieder in afstemming met de jeugdige en zijn ouder(s) gemotiveerd onderbouwen waarom het afgesproken resultaat niet is behaald. Dit doen zij door een plan in te dienen bij de gemeente met een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn met een toelichting. De verlenging duurt niet langer dan maximaal zes maanden. 1. De gemeente kan in individuele gevallen van het vorige lid afwijken. Artikel 5.3.7
Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen 1. Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt: a. als de hulpvrager volgens het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet recht heeft op jeugdhulp van de gemeente Lansingerland; b. voor hetgeen dat het gezin en het sociaal netwerk van de hulpvrager niet met eigen kracht kunnen dragen, stabiliseren of oplossen; c. voor de hulpvraag geen voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling en/of afgesloten aanvullende verzekering, waardoor sprake is van een voorliggende voorziening; d. de inwoner niet vóór de aanvraag al beschikt over de jeugdhulpvoorziening, tenzij er alsnog een aanvraag is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de
Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen 1. Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt: a. als de hulpvrager volgens het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet recht heeft op jeugdhulp van de gemeente Lansingerland; b. voor zover in het onderzoek is vastgesteld dat de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouder(s) niet toereikend is om, zo nodig met de inzet van het sociaal netwerk, zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden; c. voor de hulpvraag geen voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling en/of afgesloten aanvullende verzekering of andere algemene of voorliggende voorziening; d. de inwoner niet vóór de aanvraag al beschikt over de jeugdhulpvoorziening, 13/27
voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorziening redelijkerwijs nog is vast te stellen; e. de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de eigen kracht niet voldoende kan vergroten om met het hulpvraag om te gaan; f. als de inwoner of een derde voldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.2 omdat deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. 2. Bij de beoordeling van de eigen kracht als bedoeld in het eerste lid beoordeelt de gemeente alles wat gezinnen kunnen dragen met eigen mogelijkheden, hun probleemoplossend vermogen, in gezamenlijkheid met hun sociale netwerk en door gebruik te maken van algemene, vrij toegankelijke voorzieningen. Bij de beoordeling als bedoeld in het eerste lid onder b neemt de gemeente de primaire verantwoordelijkheid van ouders om hun kind de noodzakelijke jeugdhulp te bieden tot uitgangspunt. Ouder(s)/verzorger(s) moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden. Ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking.
Dit betekent dat er alleen een individuele voorziening wordt verstrekt als ouders niet over de noodzakelijke eigen kracht beschikken om de jeugdige de benodigde jeugdhulp te kunnen bieden en die eigen kracht ook niet zelf kan vergroten met hulp van het netwerk of algemene voorzieningen of als de ouders hier vanwege overbelasting tijdelijk niet toe in staat zijn.
tenzij er alsnog een aanvraag is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorziening redelijkerwijs nog is vast te stellen; e. als de inwoner of een derde voldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.2 omdat deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening. 2. Onder eigen kracht, als bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, en artikel 2.2.3, tweede lid, wordt in ieder geval verstaan: a. gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp van ouders; b. inzet van het sociaal netwerk; c. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. 3. Wanneer de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) voortkomt uit evidente gezinsproblematiek, dan wordt actieve inzet van de ouder(s) aan het herstel van de gezinsproblematiek gevraagd. De gemeente kan voor de jeugdige alleen een individuele voorziening verstrekken voor datgeen waar de aanpak bij de jeugdhulp ligt. 4. Van de ouder(s) wordt verwacht dat zij hun eigen kracht vergroten en versterken. Daarbij kijkt de gemeente of de ouder(s): a. oorzaken van overbelasting waar mogelijk wegnemen; b. zorgverlof en andere soorten verlof inzetten; c. werktijden aanpassen of het werk anders organiseren; d.
gebruik maken van de opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen; e. het sociaal netwerk inzetten en werken aan het vergroten van het sociaal netwerk; f. de jeugdige, indien mogelijk, voltijds onderwijs laat volgen;
14/27
g. de eigen problematiek verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van begeleiding en coaching trajecten vanuit het voorliggend veld, een beroep doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling, het verminderen van scheidingsproblematiek, etc.
Artikel 5.3.7a (nieuw)
Artikel 5.3.7a Gebruikelijke hulp 1. De gemeente verstrekt geen individuele voorziening als sprake is van gebruikelijke hulp door de ouder(s). 2. Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de verplichting van de ouder(s) om hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden als bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerljk Wetboek, waarbij het gezond en veilig opgroeien van de minderjarige kinderen primair tot de plicht en verantwoordelijkheid van de ouder(s) behoort. 3. Gebruikelijke hulp omvat: a. het ondersteunen bij dagelijkse handelingen zoals eten, drinken, aankleden, persoonlijke hygiëne; b. het bevorderen van zelfredzaamheid en zelfstandigheid en de begeleiding naar volwassenheid; c. het bieden van emotionele ondersteuning en het fysiek en sociaal veilig laten opgroeien van hun kinderen; d. het bieden van zorg die niet standaard bij alle kinderen voorkomt zoals het geven van sondevoeding of medicijnen en het uitvoeren van zorgtaken die langer dan gemiddeld nodig zijn vanwege ziekte, aandoening of beperking; e. het bieden van zorg en toezicht gedurende de hele dag (etmaal) in de nabijheid zonder dat daarbij permanente actieve observatie nodig is; f. het bieden van een passend pedagogisch klimaat; g. het leren omgaan met beperkingen en aandoeningen; h. het bieden van structuur; 15/27
i. het bieden van begeleiding in het maatschappelijk verkeer; zoals bezoek aan familie, vrienden, school, medische instanties of therapie; j. het bieden van hulp en begeleiding bij ‘normale’ (opvoed/opgroei)hulpvragen en problemen die horen bij de levensfase of als kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen. 4. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorg- en opvoedplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. 5. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp past de gemeente de ‘Richtlijn gebruikelijke zorg’ toe, die als bijlage is opgenomen in deze verordening. Bij de toepassing van de richtlijn neemt de gemeente het volgende in acht: leeftijd van het kind: jonge kinderen hebben meer zorg nodig van hun ouder(s) dan oudere kinderen; aard van de hulp: gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen; frequentie: zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer per dag eten, worden als gebruikelijke zorg aangemerkt; duur: in kortdurende situaties (maximaal drie maanden per jaar) wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleegkundige handelingen geven.
Bij langdurige situaties valt de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding nog steeds onder gebruikelijke zorg. 6. Een individuele voorziening kan aan de orde zijn als de begeleiding en verzorging de gebruikelijke hulp te boven gaan vanwege: de zorg voor kinderen met een beperking; en 16/27
(dreigende) overbelasting. 7. De gemeente kan beleidsregels opstellen waarin de criteria van dit artikel verder worden uitgewerkt. Artikel 5.3.7b (nieuw)
Artikel 5.3.7b Bovengebruikelijke hulp 1. Bij bovengebruikelijke hulp gaat het om hulp en zorg die intensiever is dan de gebruikelijke hulp die ouders verplicht zijn aan hun kinderen te bieden als bedoeld in het vorige artikel. 2. Ook als sprake is van bovengebruikelijke hulp voor een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking zijn ouders verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Bij bovengebruikelijke hulp wordt van ouders verwacht dat zij vergaande aanpassingen doen om hun kind gezond en veilig te laten opgroeien. 3. Bij de beoordeling of ouders in staat zijn tot het bieden van bovengebruikelijke hulp stelt de gemeente vast of: a. ouders bekwaam zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Uit onderzoek moet blijken dat ouders daadwerkelijk in staat zijn om de noodzakelijke hulp te bieden aan hun kind en over de benodigde vaardigheden beschikken om adequaat en zorgvuldig te handelen; b. ouders beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Uit onderzoek moet blijken dat ouders daadwerkelijk beschikbaar zijn om de benodigde hulp te kunnen bieden, en c. ouders niet overbelast zijn of dreigen te raken door het bieden van de noodzakelijke hulp, hiervoor geldt het volgende: bij het onderzoek wordt de draaglast en draagkracht van de ouders beoordeeld.
Hierbij wordt ook gekeken naar de gezinssituatie. Onderzocht wordt of ouders naast hun werk en de te verlenen 17/27
gebruikelijke hulp fysiek en psychisch nog in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te verlenen. Hiervoor kan de gemeente extern medisch advies inwinnen; er moet een aannemelijk verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp die ouders aan de jeugdige bieden. Bij overbelasting door aantoonbare externe factoren, zal hiervoor door ouders een oplossing moeten worden gezocht; als sprake is van (dreigende) overbelasting, dan kan de gemeente een voorziening verstrekken. Deze voorziening wordt uitgevoerd door een jeugdhulpaanbieder en voldoet aan de eisen zoals gesteld in de jeugdhulpcontracten van de gemeente. In eerste instantie is deze voorziening van korte duur om aan ouders de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. d. er geen financiële problemen in het gezin ontstaan als de hulp door de ouder(s) wordt geboden. 4. Een individuele voorziening kan aan de orde zijn als uit het beoordelingskader van het vorige lid blijkt dat de ouder(s) niet in staat kunnen worden geacht tot het bieden van bovengebruikelijke hulp aan hun kind. 5. De gemeente kan beleidsregels opstellen waarin de criteria van dit artikel verder worden uitgewerkt. Artikel 5.3.13 (nieuw)
Artikel 5.3.13 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs 1. Ondersteuning die primair gericht is op (ondersteuning bij) het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling is de verantwoordelijkheid van de school (zorgplicht). Dit geldt ook voor ondersteuning die nodig is op het gebied 18/27
van opgroei- en opvoedondersteuning om onderwijsdoelen op school te behalen of als de jeugdige extra begeleiding en ondersteuning nodig heeft. De zorgplicht van scholen is dan ook voorliggend op de inzet van jeugdhulp. Indien ondersteuning primair op andere leefgebieden nodig is, dan kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken. 2. De gemeente verstrekt ook geen individuele voorziening voor: a. speltherapie die er op is gericht om spelenderwijs leerproblemen aan te pakken; b. observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog gericht op onderwijs; c. intelligentieonderzoek of intelligentietest gericht op het onderwijs, als bedoeld in artikel 5.3.14, eerste lid; d. het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken); e. (alle vormen van) remedial teaching, medical teaching en bewegingsonderwijs; f. huiswerkbegeleiding; g. begeleiding bij dyslexie. Voor diagnostiek en behandeling bij ernstige dyslexie kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken; h. begeleiding bij dyscalculie; i. behandeling bij een leerstoornis gericht op lezen, rekenen, schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid en een leerstoornis NAO (niet anderszins omschreven); j. sociale vaardigheidstraining. 3.
Als de hulpvraag zich bevindt op het snijvlak tussen jeugdhulp en onderwijs of als de school jeugdhulp adviseert, dient de school een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) in. Indien de kern van de hulpvraag naar oordeel van de gemeente over het volgen van of in het onderwijs ligt, dan verstrekt hij geen individuele voorziening. Ook niet wanneer deze ondersteuning 19/27
mogelijk een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden dan het doorlopen van school. 4. De gemeente treedt bij het verstrekken van een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet in overleg met de school. Artikel 5.3.14 (nieuw)
Artikel 5.3.14 Diagnostisch onderzoek 1. In afwijking van artikel 5.3.13, tweede lid, onder c, kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken als het intelligentieonderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. 2. Indien jeugdige of ouders een diagnostisch onderzoek aanvragen, gelden de volgende voorwaarden: a. diagnostiek wordt alleen ingezet wanneer dit naar oordeel van de gemeente in het belang is van de jeugdige en essentieel is voor het vinden van passende ondersteuning; b. de gemeente verstrekt dit onderzoek maximaal één keer per drie jaar om te voorkomen dat te veel of te lang gezocht wordt naar oorzaken bij de jeugdige, terwijl de oorzaak van de problematiek niet bij de jeugdige hoeft te liggen. 3. Indien de ouders van de jeugdige op advies van de school een diagnostisch onderzoek aanvragen, gelden de volgende voorwaarden: a. uit het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) blijkt het advies van de school aan de ouders voor dit onderzoek. Extra ondersteuning (al dan niet door de school) kan de jeugdige ook krijgen zonder diagnose; b. uit het ontwikkelingsperspectiefplan blijkt voorts wat de school al heeft gedaan om de jeugdige te ondersteunen.
Artikel 5.3.15 (nieuw)
Artikel 5.3.15 Samenwerkingsafspraken met scholen 1. De gemeente maakt afspraken met kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, primair en voortgezet onderwijs, en 20/27
middelbaar beroepsonderwijs over de toegang tot jeugdhulp. 2. De gemeente stemt de samenwerking van het onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijk verplichte OOGO’s (Op Overeenstemming Gericht Overleg). Artikel 5.4.1
Artikel 5.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan en een recente VOG (niet ouder dan 3 maanden) van de directe hulpverlener(s), in te dienen. 2. Bij een verzoek tot formeel Pgb moet aanvullend op lid 1 een offerte van de jeugdhulpaanbieder, een kopie van het (zorg) diploma, bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de zorgverlener, een uitdraai uit het handelsregister van de zorgverlener en een SKJ- of BIG-registratie worden ingediend. 3. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop. 4. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop.
Artikel 5.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner of zijn ouders bij de aanvraag om een jeugdhulpvoorziening tevens een pgb plan en een recente VOG (niet ouder dan 3 maanden) van de directe hulpverlener(s), in te dienen. 2. Bij een verzoek tot formeel Pgb moet aanvullend op lid 1 een offerte van de jeugdhulpaanbieder, een kopie van het (zorg) diploma, bewijs van verzekering tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid van de zorgverlener, een uitdraai uit het handelsregister van de zorgverlener en een SKJ- of BIG-registratie worden ingediend. 3. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop. 4. Om in aanmerking te kunnen komen voor een Pgb voor dyslexiezorg dient het protocol voor dyslexie op correcte wijze te zijn gevolgd.
21/27
Bijlage Richtlijn gebruikelijke zorg
Kinderen van 0 tot ongeveer 3 jaar
Hebben 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig; Hebben volledige overname van zelfzorg nodig; Hebben voortdurend begeleiding en toezicht nodig. Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar Hebben overdag voortdurend begeleiding en toezicht en overname van zelfzorg nodig; Hebben ’s nachts soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig; De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 3 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind met ernstige meervoudige beperkingen (EMB). Kinderen met een EMB hebben een ernstige verstandelijke beperking met een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief en een ernstige motorische beperking. Meestal is ook sprake van zintuiglijke problemen (waaronder prikkel-verwerkingsstoornissen) en/of somatische aandoeningen (zoals epilepsie, reflux, slikproblemen, luchtweginfecties et cetera). Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar Hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig; het toezicht kan op enige afstand plaatsvinden; Zijn in toenemende mate zelfstandig in de zelfzorg en motoriek; Hebben overdag op geplande en soms op ongeplande momenten hulp bij of enige overname van zelfzorg nodig.
De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 5 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind dat intensief toezicht (maar geen actieve observatie) nodig heeft in verband met blijvende ernstige ontwikkelingsachterstand in combinatie met (geobjectiveerde) ernstige gedragsproblemen. Of als er een blijvende noodzaak is om de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) volledig over te nemen, in combinatie met blijvende beperkingen in de sociale redzaamheid en cognitief functioneren. Of als er sprake is van een blijvend laag cognitief ontwikkelingsperspectief, in combinatie met beperkingen op meerdere terreinen, zoals bewegen en verplaatsen, ADL, gedrag. Kinderen vanaf 8 tot ongeveer 12 jaar Hebben geen 24 uur per dag zorg in de nabijheid meer nodig ter voorkoming van ernstig nadeel; Zijn in toenemende mate zelfstandig in zelfzorg en motoriek, maar hebben nog wel ondersteuning nodig bij persoonlijke verzorging. Verder kan toezicht kan in toenemende mate op afstand. Bijvoorbeeld bij buitenspelen; Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen. 22/27
Kinderen vanaf 12 tot ongeveer 18 jaar Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen. Zij kunnen in toenemende mate alleen gelaten worden. Vaak eerst een tot enkele uren en hoe verder zij zich ontwikkelen hoe langer dat kan. Verder kunnen zij met beperkt toezicht hun zelfzorg uitvoeren. Wel hebben zij bij gebruik van medicatie toezicht, stimulans en controle nodig; Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen.
23/27
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1.2.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden verstrekt door de gemeente Rotterdam. Met het oog op de uitvoerbaarheid en rechtseenheid in de regio wordt dit uitgevoerd conform de door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde verordening. Dit artikel vormt hiervoor de juridische basis. Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen In dit artikel is bepaald hoe het onderzoek is opgebouwd en wat daarbij van de gemeente of de toegangspartij en van de inwoner gevraagd wordt. Onder vernummering van de overige leden, beschrijft het nieuwe lid 2 het onderzoekskader als het specifiek gaat om een jeugdhulpvraag. Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget Het zesde lid vermeldt de geindexeerde budget voor een (rolstoel)taxikostenvergoeding. Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorziening Per 1 januari 2026 hanteert het college het Wmo-abonnementstarief (ook wel eigen bijdrage genoemd) zoals dat wettelijk genoemd en in de Wmo 2015 genoemd wordt. Artikel 5.1.3 Beschikking We vermelden in de beschikking dat de duur van de voorziening tijdelijk van aard is.
Het doel van de ingezette voorziening is namelijk het toewerken naar een situatie waarin de jeugdige en/of zijn ouder(s) zonder een individuele voorziening verder kan. Verder hoeft de voorziening ook niet in de volle omvang benut te worden. Indien blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) minder hulp nodig heeft of wanneer de doelen eerder zijn bereikt dan de gestelde einddatum, dan wordt de voorziening eerder afgerond. Artikel 5.3.3 Uitgangspunten individuele voorzieningen Na afloop van de indicatie op de voorzieningen Begeleiding Ambulant, Behandeling Groep of Behandeling Individueel (artikel 5.3.1, tweede lid, onder c, d of e) kan een waakvlamconstructie worden ingezet zodat de jeugdige en/of het gezinssysteem kortdurend nog een beroep kan doen op eerder geboden hulpvorm ter borging van het aangeleerde. Het is een vorm van preventieve nazorg na een traject of om intensievere hulpverlening af te bouwen. We borgen dit waakvlamcontact in het nieuwe lid 7 van dit artikel. Artikel 5.3.4 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren Voorziening is gericht op activering of ondersteuning Begeleiding is gericht op activering of ondersteuning van de jeugdige en/of zijn ouder(s).
Bij de inzet van een activerende ondersteuning stelt het college meetbare doelen en eventueel een tijdslimiet vast waarin die doelen bereikt moeten worden/waarin aan de doelen gewerkt moeten worden. Voor zover nodig wordt een waakvlamcontact ingezet. Een activerende voorziening is gericht op het leren omgaan door ouders en jeugdige met de ervaren problematiek. Het is niet gericht op het overnemen van hulp, zorg en begeleiding van de ouders of andere ondersteuners. Het college verlengt de duur van activerende begeleiding in beginsel niet. Het college kan de duur van de begeleiding alleen dan verlengen wanneer de ouders en de jeugdhulpaanbieder gemotiveerd onderbouwen waarom het nog niet gelukt is de begeleiding door het gezinssysteem over te laten nemen. De verlenging duurt niet langer dan maximaal zes maanden tenzij er sprake is van een ernstig (dreigend) overbelast systeem, ernstige lichamelijke of psychische stoornis en/of de veiligheid in het gezinssysteem niet kan worden gewaarborgd. 24/27
Ondersteunende begeleiding is uitsluitend gericht op: 1. Het overnemen van persoonlijke verzorging bij een ernstige chronische beperking van de jeugdige. 2. Inzet voor respijtzorg wanneer jeugdige is aangewezen op permanent toezicht. 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen Dit artikel is herschreven en bevat de voorwaarden waaronder een jeugdhulpvoorziening verstrekt kan worden. Daaruit kan afgeleid worden dat indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, het college de gevraagde voorziening kan weigeren. Met dit artikel kunnen de jeugdige en zijn ouder(s) zelf beoordelen of hij in aanmerking komt voor een voorziening. Voorts wordt met de nieuwe leden 2 tot en met 5 concreet benoemd wat het college onder eigen kracht verstaat. Op 29 mei 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) namelijk drie uitspraken gedaan over de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht) als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet, zie ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097. De CRvB heeft geoordeeld dat de gemeenten in de verordening moeten regelen wat de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht inhoudt en wanneer er gelet op deze plicht sprake is van eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp.
Op basis van de uitspraken is in dit artikel uitgewerkt wat het college onder eigen kracht verstaat, dat actieve inzet van ouder(s) wordt verwacht indien de hulpvraag voortkomt uit evidente gezinsproblematiek en wat van ouders verwacht wordt om hun eigen kracht te vergroten en te versterken. Artikel 5.3.7a Gebruikelijke hulp Dit artikel is nieuw in de verordening. De gemeente Lansingerland had namelijk in de beleidsregels uitgewerkt wat onder gebruikelijke hulp verstaan moest worden. Op basis van de bovengenoemde uitspraken van de CRvB hevelen we dit artikel over naar de verordening en hebben we die op een aantal punten uitgebreid dan wel aangescherpt. Het college beoordeelt aan de hand van de Richtlijn ‘gebruikelijke zorg’ (die als bijlage wordt toegevoegd aan de verordening) wanneer sprake is van gebruikelijke zorg. Artikel 5.3.7b Bovengebruikelijke hulp Dit artikel is nieuw en hierin benoemen we wat onder bovengebruikelijke hulp wordt verstaan. Uit rechtspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2021:1327 en ECLI:NL:CRVB:2019:2362) volgt dat bovengebruikelijke hulp ook onder 'eigen kracht' kan vallen. Dit moet het college goed onderzoeken. Het derde lid bevat vier factoren die het college kan onderzoeken bij de vraag of er sprake is van bovengebruikelijke hulp. Artikel 5.3.13 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs Dit artikel is nieuw in de verordening.
De gemeente Lansingerland had deze afbakening namelijk in de beleidsregels uitgewerkt. We hevelen dit artikel over naar de verordening. De Wet Passend Onderwijs is voorliggend aan de Jeugdwet. Scholen hebben een zorgplicht en moeten extra ondersteuning bieden aan leerlingen die dit nodig hebben. Begeleiding van kinderen met problemen op school is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van school. De afbakening tussen de zorgplicht van scholen en de jeugdhulpplicht van gemeenten is echter niet altijd even duidelijk. In de praktijk is er soms sprake van een grijs gebied, waarbij het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs samen met ouders en onderwijs verkennen welke ondersteuning op basis van deze wetten tot een passend ondersteuningsaanbod leidt. Scholen maken daartoe een ontwikkelingsperspectiefplan. Grofweg kan het volgende onderscheid 25/27
gemaakt worden: extra ondersteuning die primair is gericht op het leerproces, is de verantwoordelijkheid van de school. Is extra ondersteuning ook op andere gebieden nodig, dan kan de gemeente verantwoordelijk zijn. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding zijn geïndiceerd. Als er geen sprake is van een ontheffing van de leerplicht, is in eerste instantie het onderwijs aan zet om passende ondersteuning te bieden en heeft de gemeente geen jeugdhulpplicht. Het uitgangspunt is dat leerlingen zoveel mogelijk in de reguliere omgeving onderwijs kunnen volgen. Door kinderen zoveel mogelijk in het regulier of speciaal onderwijs te behouden, waardoor zij met een diversiteit aan klasgenoten opgroeien, wordt het fundament gelegd voor een meer inclusieve samenleving. We proberen plaatsing naar alternatieven in de vorm van jeugdhulp te voorkomen. Daarnaast is het voor alle kinderen, met of zonder ondersteuningsbehoefte, goed voor hun sociale netwerk om dicht bij huis naar school te gaan zodat zij in hun wijk dezelfde kinderen tegenkomen. Met dit artikel maken we duidelijk voor welke hulpvragen het onderwijs/de scholen zelf verantwoordelijk zijn op grond van de zorgplicht.
In lid 1 en 2 benoemen we concreet voor welke hulpvragen het college dan ook geen individuele voorziening vanuit de Jeugdwet verstrekt. Lid 3: Het opstellen van een OPP behoort tot de zorgplicht van het onderwijs. Ook bij een verzoek tot inzet jeugdhulp in of rondom school moet er een OPP zijn. Het OPP is noodzakelijk om de vraag naar jeugdhulp te beoordelen. In het OPP staat ook opgenomen welke acties de school zelf al heeft gedaan. Lid 4: zie ook artikel 2.7, lid 1 Jeugdwet. De ondersteuning vanuit de Jeugdwet en de ondersteuning vanuit de school moeten goed op elkaar worden afgestemd en worden beschreven in het OPP. Artikel 5.3.14 Diagnostisch onderzoek Dit artikel is nieuw. Uit artikel 5.3.13, tweede lid, onder c blijkt al dat de gemeente in beginsel geen individuele voorziening verstrekt voor diagnostische onderzoeken of –testen die gericht zijn op het onderwijs. In bepaalde gevallen kan zo’n onderzoek wel nodig zijn. Artikel 5.3.14 bepaalt in welke situaties dat kan en wat de voorwaarden dan zijn. Zo wordt diagnostiek alleen ingezet wanneer dit in het belang van het kind is, dus niet wanneer dit voornamelijk in het belang is van de school of de ouder(s).
Voor het kind kunnen diagnoses belemmerend werken: jeugdigen zijn volop in ontwikkeling waardoor diagnoses op latere leeftijd niet meer passend hoeven te zijn (zie onderzoek UU “Welk effect hebben diagnostische labels op het welzijn van kinderen?”). Ook kunnen diagnoses leiden tot stigmatisering (zie NJI ‘voorzichtig zijn met labels’). Als laatste kan diagnostisch onderzoek een vertekende uitslag geven wanneer sprake is van een instabiele thuissituatie, waardoor ook in deze gevallen terughoudendheid gepast is. Artikel 5.3.15 Samenwerkingsafspraken met scholen Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.4.1 Verzoek Dit artikel spreekt voor zich. Bijlage Richtlijn gebruikelijke zorg 26/27
De richtlijn wordt gebruikt in samenhang met artikel 5.3.7a bij de vraag of sprake is van gebruikelijke zorg.
27/27