CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.00629] Algemene toelichting omgevingsplan van de gemeente Lansingerland.

Gemeenteraad 17 juli 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan - bouwsteen 1 bestaande woonwijken16.470 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een optie is ook om niets te regelen. Dan laat de gemeente los. Bovenstaande vragen kunnen tot deze uitkomst leiden. De ondergrens zijn de algemene zorgplichten uit de Ow. De samenleving draagt namelijk ook verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving. Waar we regels uit het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan beleidsneutraal omzetten naar het ‘nieuwe deel’, sluiten we ook qua regeltype zo veel mogelijk aan bij bestaande regelingen. In lijn met de eerder beschreven uitgangspunten, kiezen we bij het opstellen van nieuwe regels in principe voor het regeltype dat zo laag mogelijk in de piramide staat. Het omgevingsplan stelt algemene regels als daarmee kan worden volstaan om het beoogde doel te bereiken – al dan niet met een informatie- of meldplicht. Voor de gevallen waar vooraf een toetsing wenselijk is, stelt het omgevingsplan een vergunningplicht in. Dat geldt voor veel activiteiten met een grotere ruimtelijke impact, bijvoorbeeld het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen. Regels: normering Bij vergunningplichten in het omgevingsplan kan worden getoetst aan open (kwalitatieve) en gesloten (kwantitatieve) normen. Gesloten normen bieden duidelijkheid en rechtszekerheid en maken snellere vergunningverlening mogelijk. Open normen bieden daarentegen meer flexibiliteit 22

en mogelijkheden tot maatwerk door de beoordelingsvrijheid die op basis van het concrete geval kan worden ingevuld. Anderzijds is hiermee altijd een (uitgebreidere) gemeentelijke toets nodig. Dit omgevingsplan bevat zowel open als gesloten normen als toetsingskader voor activiteiten. Uitgangspunt is dat veelvoorkomende activiteiten met een beperkte impact op de fysieke leefomgeving vooral worden gereguleerd met gesloten normen. Voor activiteiten met een grotere impact of in ‘gevoelige’ gebieden, waarvoor het wenselijk is om een kwalitatieve afweging te maken – kiezen we eerder voor combinaties van gesloten en open normen. Regels: regelniveau en werkingsgebieden Vanwege het verordenende karakter van het omgevingsplan, worden regels in principe op een zo hoog mogelijk schaalniveau gesteld. Het plan bevat een vaste set met regels die voor het hele grondgebied van de gemeente gelden. Daar waar nodig hebben regels een specifiek werkingsgebied (een geometrisch bepaald object waar bepaalde regels van toepassing zijn). Uitgangspunt is dat die gebiedsgerichte regels zoveel mogelijk toepasbaar zijn in gelijksoortige gebieden. Bijvoorbeeld: regels over wonen die gelden in woonwijken van de verschillende kernen. Op die manier is simpelweg het werkingsgebied van de regel groter, waardoor herhaling van eenzelfde regel op een andere plek niet nodig is.

Soms kunnen regels voor grotere gebieden volstaan, soms is ook maatwerk nodig met locatiespecifieke regels (bijvoorbeeld op perceelsniveau). Ook regels op dit lagere schaalniveau hebben we waar mogelijk gestandaardiseerd, zodat regels op verschillende locaties zo veel mogelijk gelijk zijn.

Paragraaf 5.3 Systematiek van het omgevingsplan Het omgevingsplan ziet er anders uit dan een bestemmingsplan. Dit is allereerst het gevolg van de bredere reikwijdte, maar ook de grotere afwegingsruimte bij het stellen van regels, het ontbreken van de (uitdrukkelijke) eis van uitvoerbaarheid en het loslaten van het limitatief-imperatieve stelsel van vergunningverlening. Het limitatief-imperatieve stelsel betekent dat een omgevingsvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien zich één van de in de beoordelingsregels genoemde weigeringsgronden voordoet. Dit is dus een vaste lijst waar geen sprake is van een open beoordelingskader. Dit alles maakt dat er niet meer met een gedetailleerde verbeelding gewerkt hoeft te worden. Centraal bij het omgevingsplan staat het stellen van regels over activiteiten. Wanneer iemand ergens in de fysieke leefomgeving een activiteit wil ondernemen, moet deze voldoen aan de regels van het omgevingsplan. Dat kan een algemene regel over de toelaatbaarheid van de activiteit zijn of bijvoorbeeld een toetsing aan open of gesloten normen vragen. Deze regels zijn gekoppeld aan een werkingsgebied; oftewel de plaats waar de gereguleerde activiteit plaatsvindt. Dat is ofwel de hele gemeente ofwel een specifiek aangewezen locatie. De inhoudelijke regels in het omgevingsplan zijn daarom opgebouwd rondom verschillende typen activiteiten.

Dat zijn de ‘herkenbare’ planologische activiteiten, zoals het bouwen en het gebruiken van gronden en bouwwerken (zoals voorheen geregeld in bestemmingsplannen). Onder de bredere reikwijdte van het omgevingsplan vallen ook andere activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval milieubelastende activiteiten. Het omgevingsplan vormt zo als het ware een verzameling van alle activiteiten in de fysieke leefomgeving waarover de gemeenteregels stelt. De centrale rol voor activiteiten en werkingsgebieden komt terug in de opzet van het omgevingsplan. Dit sluit onder meer aan bij de systematiek van het VNG-casco. In hoofdstuk 4 van het omgevingsplan worden verschillende soorten gebieden aangewezen. Daarbij is per gebied 23

bepaald welke activiteiten zijn toegelaten en welke (varianten) regels daarop van toepassing zijn. De regels voor activiteiten zelf zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het omgevingsplan. Hoofdstuk 4 fungeert als een soort dashboard en stuurt als het ware hoofdstuk 5 aan: hier worden (varianten van) regels ‘aan- en uitgezet’. Hoofdstuk 5 kan worden gezien als een kaartenbak met verschillende varianten van regels waaruit kan worden gekozen. Door deze modulaire opzet kunnen eenvoudig gebieden worden toegevoegd of aangepast in hoofdstuk 4, en nieuwe ‘regelsets’ worden opgenomen in hoofdstuk 5. Gezamenlijk vormen de hoofdstukken 4 en 5 het hart van het omgevingsplan 2.

2 Bij de raadpleging van het omgevingsplan via het DSO speelt deze onderliggende structuur overigens geen

grote, zichtbare rol. Omdat het DSO toont welke regels op een locatie gelden, is het hoofdstuk waar die regels staan minder van belang. 24

Hoofdstuk 6 structuur omgevingsplan Paragraaf 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt uitleg gegeven over de structuur van het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. De structuur van het omgevingsplan mag een gemeente zelf invullen. Gemeente Lansingerland is aangesloten bij het VNG-casco, maar heeft hier en daar ook eigen keuzes gemaakt. Hieronder wordt per hoofdstuk toegelicht wat de inhoud hiervan is.

Paragraaf 6.2 Algemene bepalingen (hoofdstuk 1 van de regels) In hoofdstuk 1 van het omgevingsplan staan de begripsbepalingen behorend bij het omgevingsplan. Daarnaast kunnen hier ook algemene regels komen te staan die van toepassing zijn op het gehele omgevingsplan.

Paragraaf 6.3 Doelen (hoofdstuk 2 van de regels) In hoofdstuk 2 staan de doelen waarop dit omgevingsplan is gericht. In dit hoofdstuk staan de doelen die ook in de Ow worden genoemd. Daarnaast worden specifieke doelen genoemd waardoor regels zijn opgenomen. Deze specifieke doelen vinden hun herkomst in het gemeentelijke vastgestelde beleid, zoals de omgevingsvisie.

Paragraaf 6.4 Programma (hoofdstuk 3 van de regels) Dit hoofdstuk is gereserveerd voor programma's. Gezien tot op heden nog geen programma is vastgesteld is dit hoofdstuk vooralsnog leeg.

Paragraaf 6.5 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving (hoofdstuk 4 van de regels) Het omgevingsplan van Lansingerland kent verschillende typen werkingsgebieden. Deze zijn aangewezen in hoofdstuk 4 van de regels. Bij de opbouw van hoofdstuk 4 is aangesloten bij de geïntegreerde versie van de staalkaarten van de VNG. De regels zijn namelijk onderverdeeld in twee categorieën: thematisch geordende regels en regels die per gebiedstype worden geordend. De keuze om de regels over activiteiten thematisch, dan wel per gebiedstype te ordenen, hangt vooral af van de aard van de betreffende activiteit. Een vuistregel is dat de activiteiten met gebruiksruimte per gebiedstype worden geregeld en de andere activiteiten thematisch. Het thematisch regelen van activiteiten is geen doel op zichzelf, maar is een middel om hoofdstuk 4 van het omgevingsplan logisch in te delen. Door in afdeling 4.1 gebruik te maken van thema’s kunnen per thema de activiteiten in hoofdstuk 5 worden ‘aangezet’ waarvoor met het oog op dezelfde doelen regels worden gesteld. Deze manier van regelen zorgt ervoor dat in hoofdstuk 4 direct de samenhang zichtbaar wordt tussen de activiteiten die onder hetzelfde thema worden geregeld. Hoofdstuk fungeert hierbij als een ‘richtingaanwijzer’.

Paragraaf 6.6 Activiteiten (hoofdstuk 5 van de regels) Subparagraaf 6.6.1 Inleiding Het omgevingsplan stelt regels over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Deze zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de regels. Hieronder wordt beknopt toegelicht om welke activiteiten het gaat.

Subparagraaf 6.6.2 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving In de titel 5.2 Normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn verschillende normen voor activiteiten opgenomen. Deze normen bepalen of en hoe een activiteit mag plaatsvinden. Het zijn 25

voornamelijk regels over de effecten van activiteiten, die elders in het plan geregeld zijn. Het verrichten van die activiteiten is alleen toegestaan als aan de normen in deze titel wordt voldaan. Deze titel bevat hoofdzakelijk milieunormen, die afkomstig zijn uit voormalige rijksregels (bruidsschat) en die volgen uit de instructieregels van het Bkl. Maar er staat bijvoorbeeld ook een verwijzing naar parkeernormen, omdat dit ook normen zijn waaraan activiteiten moeten worden getoetst. Normen kunnen verschillen afhankelijk van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. In sommige gevallen zijn er daarom meerdere varianten van normen opgenomen – bijvoorbeeld een standaardwaarde en een hogere of lagere waarde. Bij de in hoofdstuk 4 aangewezen werkingsgebieden is aangegeven welke normen er van toepassing zijn.

Subparagraaf 6.6.3 Gebruiksactiviteiten De gebruiksactiviteiten in het omgevingsplan zijn min of meer te vergelijken met de bestemmingen in bestemmingsplannen; waarin gronden bijvoorbeeld bestemd waren voor detailhandel, sport en wonen. Dit bepaalt kortom waarvoor en hoe bouwwerken en gronden gebruikt mogen worden. Per gebied kan dit verschillen: in het ene gebied is bepaald gebruik vergunningvrij toegestaan, in een ander gebied is daarvoor een vergunning nodig, terwijl in weer een ander gebied het helemaal niet is toegestaan. Nieuw is dat het omgevingsplan de gebruiksactiviteit vergunningplichtig kan stellen. Daardoor kan gestuurd worden op functiewijzigingen zonder dat sprake is van bouwen. Hoewel in het omgevingsplan niet meer wordt gewerkt met ‘bestemmingen’ is wel gekozen voor herkenbare 'gebruiksactiviteiten', zoals wonen en agrarische activiteiten. Uitgangspunt van dit plan is om activiteiten zoveel mogelijk op het niveau van de ‘gebieden’ te regelen. Dat is niet altijd toereikend. Soms is een activiteit in een gebied als geheel wenselijk, maar in bepaalde zones niet of onder andere voorwaarden. Op een kleiner schaalniveau gelden dan aanvullende regels. Andersom kan ook: activiteiten die in een ‘gebied’ in principe niet wenselijk zijn maar alleen op een bepaalde locatie wel aanvaardbaar zijn – bijvoorbeeld omdat ze daar nu al plaatsvinden.

Voor (bestaande) functies die niet binnen het hele gebiedstype passen, of alleen op bepaalde plekken wenselijk zijn, zijn daarom aanwijzingen op locatieniveau gedaan. Deze werkingsgebieden vormen zo voor specifiek aangewezen locaties een afwijking van de rest van het gebiedstype. Het gebruik van gronden en bouwwerken betreft voor een belangrijk deel ook het al aanwezige feitelijke gebruik, zoals vaak ook al was vastgelegd in voorgaande ruimtelijke plannen. Een inventarisatie van bestaande bestemmingen en functies heeft dan ook als basis gediend voor de regelingen in dit omgevingsplan. Waar relevant hebben we dit gekoppeld aan beleidsdoelstellingen uit bijvoorbeeld de omgevingsvisie. Gezamenlijk leidt dit tot een activiteitenlijst per gebied: een opsomming per gebied in hoofdstuk 4 van toegestane gebruiksactiviteiten in hoofdstuk 5. De systematiek voor de gebruiksactiviteiten in dit omgevingsplan is als volgt. Voor elke gebruiksactiviteit zijn er in de basis drie opties mogelijk. De regelsets die op de activiteitenlijst per gebied staan, zijn altijd één van deze drie varianten. Allereerst zijn de concrete activiteiten aangewezen: dit is een uitwerking van wat onder de ‘gebruiksactiviteit’ wordt verstaan, vergelijkbaar met bestemmingsomschrijvingen (en begripsbepalingen) uit bestemmingsplannen.

Vervolgens zijn er sets met regels die op de aangewezen activiteiten van toepassing zijn. Daarvoor zijn er drie varianten mogelijk: Functiemenging: in deze variant is het betreffende gebruik in het hele gebied toegelaten, als wordt voldaan aan de algemene regels. Dat wil zeggen, als deze ‘regelset’ op de activiteitenlijst van een gebied staat, mogen de hierin aangewezen activiteiten overal

26

-

-

plaatsvinden (mits ook wordt voldaan aan de milieuregels en regels in andere daar geldende werkingsgebieden). Functie op locatie: in deze variant zijn de aangewezen activiteiten alleen op een specifieke locatie toegestaan. Deze wordt ook in het gebiedstype in hoofdstuk 4 geactiveerd, waarbij de activiteit vervolgens alleen wordt verricht in het daarvoor aangewezen werkingsgebied (bijvoorbeeld: werkingsgebied ‘supermarkt’). Dit is vergelijkbaar met het vroegere ‘bestemmen’. Vergunningplicht: de in deze variant aangewezen activiteiten zijn alleen toelaatbaar met een omgevingsvergunning. De regelset bevat ook de beoordelingsregels waaraan een aanvraag voor een vergunning wordt getoetst.

Subparagraaf 6.6.4 Bouw- en sloopactiviteiten Onder de Ow is het bouwen opgedeeld in twee afzonderlijke activiteiten: de ‘ruimtelijke bouwactiviteit’ en de ‘technische bouwactiviteit’. Doorgaans wordt dat ‘de knip’ tussen de bouwactiviteiten genoemd. Om een bouwwerk te kunnen bouwen moet worden voldaan aan de regels die gelden voor de technische bouwactiviteit en voor de ruimtelijke bouwactiviteit. De ruimtelijke bouwactiviteit wordt beheerst door wat er in het omgevingsplan staat. Het omgevingsplan bepaalt wat er waar mag worden gebouwd. Nieuw is dat de vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk, die voorheen op landelijk niveau in de Wabo stond, via de bruidsschat in het omgevingsplan terechtgekomen is (hoofdstuk 22). Waar het omgevingsplan een vergunning eist voor een bouwactiviteit, wordt gesproken van een omgevingsplanactiviteit. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt getoetst aan de regels van het omgevingsplan. De technische bouwactiviteit gaat over hoe iets moet worden gebouwd. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit wordt getoetst aan de bouwtechnische voorschriften uit het Bbl (de opvolger van het Bouwbesluit 2012). In aanvulling daarop kan het omgevingsplan voor bepaalde zaken extra eisen aan de technische bouwactiviteit stellen.

Bijvoorbeeld als dat nodig is om te voldoen aan binnenwaarden bij een woning in een geluidaandachtsgebied. Voor het omgevingsplan is dit onderscheid niet zo zeer van belang. Voor technische zaken geldt landelijk nog een vergunningplicht en moet in ieder geval worden voldaan aan de regels van het Bbl. Daarnaast zijn er landelijk nog enkele vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken bepaald (artikel 2.29 Bbl). Dat wil zeggen, die activiteiten zijn toegestaan ongeacht wat in het omgevingsplan staat. Buiten deze landelijk bepaalde regels voor bouwactiviteiten, gelden de regels in het omgevingsplan. In het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan bestaan deze regels uit de bouwregels van voorgaande ruimtelijke plannen en de voormalige rijksregels van de bruidsschat (hoofdstuk 22). Bij het opbouwen van het ‘nieuwe deel’ maken we een geïntegreerde regeling voor bouwen in titel 5.4 van de regels.

27

Subparagraaf 6.6.5 Milieubelastende activiteiten Naast de gebruiks- en bouwactiviteiten stelt het omgevingsplan regels aan milieubelastende activiteiten3. Regels die voortkomen uit het milieurecht hebben – anders dan in een bestemmingsplan – in het omgevingsplan nadrukkelijk een plaats. Onder de Wabo en de Wet milieubeheer was het aangrijpingspunt voor het stellen van regels de ‘inrichting’. De Ow kent een ander aangrijpingspunt: de ‘milieubelastende activiteit’. Belangrijkste onderscheid is dat een inrichting activiteiten betrof kon ook uit meerdere milieubelastende activiteiten bestaan. De Ow gaat uit van het ‘decentraal, tenzij’ principe. Uitgangspunt is dat zo veel mogelijk op decentraal niveau wordt geregeld, tenzij sprake is van nationale belangen, internationale of Europeesrechtelijke verplichtingen. Dit betekent dat voorheen landelijk via het Activiteitenbesluit geregelde inrichtingen onder de Ow voor een deel gemeentelijk gereguleerde milieubelastende activiteiten zijn. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Bal. Regels in het omgevingsplan over milieubelastende activiteiten komen voort uit doelstellingen vanuit milieubeheer. Het zijn activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu – bijvoorbeeld door geluid of geur – kunnen veroorzaken.

Omgevingsplanregels over milieubelastende activiteiten vallen grofweg in twee typen uiteen:  Regels die iets bepalen over de (maximaal toegestane) gevolgen van milieubelastende activiteit op de omgeving. Dit zijn vooral immissievoorschriften. Regulering in het omgevingsplan wordt verplicht gesteld via instructieregels in het Bkl. Daarbij is er vaak een standaardwaarde met in meer of mindere mate afwegingsruimte. Dit wordt ook wel het ‘mengpaneel’ genoemd.  Regels die iets bepalen over hoe en onder welke voorwaarden een activiteit mag of moet worden verricht. Dit zijn vooral middel- en doelvoorschriften. Regulering in het omgevingsplan is vrijwillig; in ieder geval gaat het om regels afkomstig uit het Activiteitenbesluit die via de bruidsschat in het omgevingsplan terecht zijn gekomen. Gezien het verschillende karakter van deze twee typen regels, staan ze op een verschillende plaats in het omgevingsplan. Regels over de effecten van milieubelastende activiteiten staan in het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan onder de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving in titel 5.2. Regels over het verrichten van (specifieke) milieubelastende activiteiten zelf staan in titel 5.5 van de regels, in het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan. Daarin zijn de milieubelastende activiteiten uit de ‘bruidsschat’ verwerkt, met een beleidsneutrale overgang als uitgangspunt.

Daar waar het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan nog geldt, staan de regels over milieubelastende activiteiten dus nog in hoofdstuk 22. In titel 5.5 staan allereerst enkele algemene regels die voor alle milieubelastende activiteiten gelden. Het zijn hoofdzakelijk algemene bepalingen en aanvraagvereisten afkomstig uit de bruidsschat. Daarnaast zijn er vergunningplichten voor verschillende specifieke milieubelastende activiteiten gesteld, die zijn overgenomen uit paragraaf 22.3.26 van het ‘tijdelijk deel’. Tot slot bevat de titel allerlei algemene regels voor specifieke milieubelastende activiteiten. Het gaat om regels over uiteenlopende activiteiten zoals lozen van afvalwater, recreatieve visvijvers en wassen van motorvoertuigen. Ook deze regels zijn overgenomen uit de bruidsschat.

3 De Ow definieert een milieubelastende activiteit als ‘een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan

veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit’. 28

Subparagraaf 6.6.6 Uitvoeren van werken en werkzaamheden Naast regels voor het bouwen van bouwwerken stelt het omgevingsplan regels over het uitvoeren van werken en werkzaamheden (dit wordt ook wel de ‘aanlegactiviteit’ genoemd). Deze activiteit is te vergelijken met de ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ zoals vaak in bestemmingsplannen voorkwam. Het gaat onder meer om afgraven, ophogen en andere bodemroerende werkzaamheden, aanleggen van verhardingen of aanbrengen van opgaande beplantingen. Deze titel bevat voornamelijk regels voor werken en werkzaamheden in specifieke gebieden, zoals in een restrictiegebied archeologie of aanwijzing van een weg. Met de regels wordt voor het belang van die gebieden een extra bescherming in het leven geroepen. In een algemene paragraaf zijn voor alle werken en werkzaamheden activiteiten aangewezen en aanvraagvereisten en vergunningvoorschriften bepaald. Per inhoudelijke regelset zijn allereerst de activiteiten aangewezen en oogmerken benoemd waarom de regels gesteld zijn. Die zijn toegespitst op het belang waarvoor deze regels een extra bescherming vormen (bijvoorbeeld het beschermen en behouden van archeologische waarden). Vervolgens bevatten de regelsets soms algemene regels voor de activiteiten, en vaak ook een vergunningplicht met bijbehorende beoordelingsregels.

De inhoudelijke regelingen sluiten grotendeels aan bij de aanlegvergunningstelsels uit voorgaande ruimtelijke plannen (denk aan regelingen die in dubbelbestemmingen voorkwamen)

Paragraaf 6.7 Beheer en onderhoud (hoofdstuk 6 van de regels) In deze paragraaf staan de regels over onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen. Dit kan bijvoorbeeld zien op het in stand houden van terreininrichting of beplanting.

Paragraaf 6.8 Financiële bepalingen (hoofdstuk 7 van de regels) Vooralsnog is deze paragraaf gereserveerd in het omgevingsplan.

Paragraaf 6.9 Overgangsrecht (hoofdstuk 8 van de regels) Anders dan het geval was onder de Wro en het Bro wordt in de Ow geen standaard overgangsrecht meer voorgeschreven voor het omgevingsplan. Met het opgenomen overgangsrecht wordt aangesloten bij het overgangsrecht uit de voormalige bestemmingsplannen. Daarnaast worden er voorrangsbepalingen opgenomen om aan te geven welke regels voorgaan, dit is vooral relevant tijdens de transitiefase, omdat het tijdelijke deel op bepaalde plekken nog geldig kan zijn.

Paragraaf 6.10 Monitoring en informatie (hoofdstuk 9 van de regels) Vooralsnog is deze paragraaf gereserveerd in het omgevingsplan.

29

Hoofdstuk 7 Digitalisering omgevingsplan Paragraaf 7.1 Inleiding De Omgevingswet bestaat ook uit een digitaal deel, namelijk het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Dat is een online verzamelpunt waar alle digitale informatie over de fysieke leefomgeving bij elkaar staat. In het DSO staan de volgende functies: vergunningcheck, vergunningaanvraag, regels op de kaart en maatregelen op maat.

Paragraaf 7.2 Vergunningcheck Initiatiefnemers kunnen in de vergunningcheck controleren of ze onder de Ow een activiteit mogen uitvoeren op een bepaalde locatie. Dit doen ze door vragen te beantwoorden. De vergunningcheck kan zien op het bouwen van een bouwwerk of bijvoorbeeld het gebruik van gebouwen of gronden.

Paragraaf 7.3 Vergunningaanvraag Een vergunningaanvraag is simpel gezegd een vragenlijst of formulier die een initiatiefnemer invult om bij een bevoegd gezag vergunning voor een vergunningplichtige activiteit aan te vragen. Bij deze vergunningaanvraag moet een initiatiefnemer verschillende gegevens en bescheiden aanleveren, dit kan bijvoorbeeld een bouwtekening zijn. Tijdens het indienen van de aanvraag wordt voor de initiatiefnemer duidelijk welke gegevens en bescheiden voor de aangevraagde activiteit verreisd is. Dit volgt namelijk uit het DSO.

Paragraaf 7.4 Regels op de kaart Regels op de kaart vervangt de website 'ruimtelijkeplannen.nl', waar alle bestemmingsplannen te zien waren. Zoals de naam het zegt, staan hier alle regels over de fysieke leefomgeving op de kaart. Een inwoner voert een adres in of tekent een gebied en ziet zo alle regels over de fysieke leefomgeving die op dat adres of binnen dat gebied gelden.

Paragraaf 7.5 Maatregelen op maat Aan de hand van maatregelen op maat kunnen initiatiefnemers nagaan welke maatregelen ze moeten nemen voordat ze een activiteit willen uitvoeren. Ook krijgen zij daarin te zien hoe vaak en in welke volgorde ze deze maatregelen voor bepaalde activiteiten dienen te nemen. Het is de bedoeling dat initiatiefnemers voor een goede maatregel een aantal stappen moeten doorlopen in maatregelen op maat.

30

Hoofdstuk 8 Omgevingsaspecten van het omgevingsplan Paragraaf 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt een uitleg gegeven over de omgevingsaspecten waar mogelijk regels over moeten worden gesteld in het omgevingsplan. Per omgevingsaspect wordt besproken wat het juridische kader is en wat het aspect inhoudt. In dit hoofdstuk staan ook gereserveerde omgevingsaspecten, dat betekent dat deze voor nu nog niet relevant zijn voor de juridische regels in het omgevingsplan. Als deze wel relevant worden bij een wijziging, zal het aspect worden aangevuld.

Paragraaf 8.2 Externe veiligheid Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Het doel van die instructieregels is dat het omgevingsplan rekening houdt met risico’s van branden, rampen en crises. Ook moet rekening worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de zelfredzaamheid van personen en met mogelijkheden tot hulpverlening (zoals bereikbaarheid voor hulpdiensten). Deze risico’s worden gevormd door het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportassen - wegen en spoorwegen maar bijvoorbeeld ook buisleidingen. Daarnaast worden risico’s gevormd door verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s – zoals het opslaan van gevaarlijke stoffen. De risicobenadering van externe veiligheid gaat uit van twee sporen: het beschermen van individuen (plaatsgebonden risico of PR) en het beschermen van groepen (groepsrisico of GR). Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep mensen als deze, zowel beschermd als onbeschermd, op een plaats bevinden.

Plaatsgebonden risico Voor wat betreft het PR bevat het Bkl grens- en standaardwaarden, die ruimtelijk worden vertaald in afstanden van risicobronnen tot gebouwen en locaties. Deze PR-contour is een gegeven of berekende afstand vanaf de risicobron. Het Bkl stelt instructieregels voor het toelaten van milieubelastende activiteiten en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties moet het omgevingsplan de grenswaarde uit het Bkl in acht nemen. Binnen de PR-contour zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het omgevingsplan rekening houden met de standaardwaarde voor het PR die het Bkl stelt. Groepsrisico – aandachtsgebieden Naast het PR, wordt onder de Ow het GR ingevuld aan de hand van aandachtsgebieden. Bij risicovolle activiteiten (uit het Bal) wijst het Bkl deze aandachtsgebieden aan. Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Dat wil zeggen, waar zich bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen.

Er is onderscheid gemaakt tussen de risico’s van warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Er zijn dan ook drie categorieën aandachtsgebieden: 31

  

brandaandachtsgebied; explosieaandachtsgebied; gifwolkaandachtsgebied.

De aandachtsgebieden liggen rondom activiteiten met externe veiligheidsrisico’s en gelden zodra de activiteit wordt verricht. Een brandaandachtsgebied ligt het dichtst bij de risicobron, het gifwolkaandachtsgebied spreidt zich het verst uit. Afhankelijk van het type activiteit is sprake van één of meerdere type aandachtsgebieden. Binnen een aandachtsgebied moet het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico (5.15 Bkl). Aan de instructieregel wordt in ieder geval voldaan als binnen het aandachtsgebied geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten. Het Bkl biedt wel enige afwegingsruimte (‘rekening houden met’), om binnen een aandachtsgebied deze gebouwen of locaties toe te laten. In het omgevingsplan moet dan gewaarborgd zijn dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt wordt. Voor legaal aanwezige activiteiten, gebouwen en locaties hebben de aandachtsgebieden geen gevolgen. De gemeente kan voor (een deel van) brand- en explosieaandachtsgebieden in het omgevingsplan een voorschriftengebied aanwijzen (5.14 Bkl). Het is dus ook mogelijk om geen of een kleiner voorschriftengebied aan te wijzen.

Als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht. Binnen een voorschriftengebied gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw. Deze aanvullende eisen staan in het Bbl (artikel 4.90 t/m 4.96), en hebben tot doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie. De bouweisen zijn aanvullend op de generieke bouweisen uit het Bbl en de beschermende maatregelen die binnen het hele aandachtsgebied worden getroffen (5.15 Bkl). Voor bestaande gebouwen binnen een voorschriftengebied gelden de aanvullende bouweisen niet.

Afbeelding 5.1: Infographic aandachtsgebieden externe veiligheid (bron: Iplo).

32

Paragraaf 8.3 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl stelt instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (subparagraaf 5.1.4.2a). Daarmee schrijft het Bkl voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een aandachtsgebied is een gebied waar het geluid hoger kán zijn dan de toepasselijke standaardwaarde. De aandachtsgebieden, voor de verschillende bronnen, dienen te worden berekend. Op verschillende manieren kan voorzien worden in een aanvaardbare situatie op het gebied van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Allereerst kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien door geen geluidgevoelige gebouwen toe te laten in het geluidaandachtsgebied. Daarnaast kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien als het omgevingsplan, dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. In veel gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te voldoen. Bij een overschrijding van de standaardwaarde kan alsnog sprake zijn van een aanvaardbare situatie als: 1.

aangetoond is dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; 3. en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid hoger is dan de grenswaarde. Bij overschrijding van de grenswaarde moet echter sprake zijn van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen die dit rechtvaardigen. Om, net als bij een overschrijding van de standaardwaarde, te voorzien in een aanvaardbare situatie dient: 1. aangetoond te worden dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; Ten slotte dienen aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw, waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen te worden getroffen die: 1. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of 2.

borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. Tevens dient in het omgevingsplan te worden bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Op deze manier kan ook bij een situatie, waarin het geluid hoger is dan de grenswaarde, worden voorzien in een aanvaardbare situatie.

33

Paragraaf 8.4 Geluid door activiteiten Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn instructieregels opgenomen die toezien op het beheersen van geluid door activiteiten (paragraaf 5.1.4.2). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluid door specifieke activiteiten (zoals geluid door windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) en andere activiteiten. In de instructieregels is ook onderscheid gemaakt in de wijze waarop in een aanvaardbare situatie wordt voorzien. Geluid door andere dan specifieke activiteiten In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten anders dan specifieke activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het omgevingsplan voorziet in ieder geval in een aanvaardbare situatie als de standaardwaarde wordt opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast dient de grenswaarde te worden opgenomen voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. In een omgevingsplan kan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, op een aangewezen bedrijventerrein, verhoogd worden met 5 dB(A).

Ook kan in een omgevingsplan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, in een aangewezen agrarisch gebied, verlaagd worden met 5 dB(A). Het omgevingsplan kan andere waarden bevatten dan de standaardwaarde. Gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie kan afgeweken worden van de standaardwaarde. Een hogere waarde kan alleen worden opgenomen als dit niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast is het stellen van een hogere waarde een mogelijkheid als sprake is van een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op basis waarvan reeds een hogere waarde gold. Daarnaast bepaalt het Bkl onder meer dat het omgevingsplan waarden voor een maximaal geluidniveau in de dagperiode kan bevatten, kan afwijken van waarden bij festiviteiten of waar waarden gelden, geen waarden bevatten of andere regels dan waarden stellen.

Paragraaf 8.5 Geur Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan ervoor moet worden gezorgd dat de geur die door activiteiten wordt veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Om aan deze eis te voldoen stelt het Bkl instructieregels voor drie categorieën milieubelastende activiteiten die geur produceren, waarvoor in ieder geval in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen. Het gaat hier om het exploiteren van zuiveringstechnische werken (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten. Voor elk van deze verschillende categorieën wordt in het Bkl aangegeven op welke manier in een omgevingsplan in ieder geval sprake is van een aanvaardbare situatie. Voor andere geurveroorzakende activiteiten moet de gemeente zelf bepalen en verantwoorden of en welke geurregels in het omgevingsplan nodig zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om industrie, 34

horeca-activiteiten, dierenpensions en -klinieken, maneges en het hobbymatig houden van dieren. Hierbij bepaalt de gemeente zelf welke mate van geurhinder aanvaardbaar is, en in hoeverre daarvoor waarden, afstanden en/of gebruiksregels in het omgevingsplan nodig zijn. De locatie van (in het omgevingsplan toegelaten) geurveroorzakende activiteiten enerzijds en geurgevoelige gebouwen anderzijds is daarbij bepalend. In de instructieregels in het Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De formulering van de instructieregel geeft aan dat voor dit aspect ruimte bestaat om op lokaal niveau een afweging te maken. De belangrijkste afweging die het bevoegd gezag op het gebied van geur dient te maken is het aanwijzen van de bebouwingscontour(en) geur. Binnen deze gebieden wordt de emissie van geur minder snel aanvaardbaar geacht omdat andere kwaliteiten en functies in deze gebieden een hogere prioriteit hebben dan het belang van het emitteren van geur als gevolg van activiteiten. Gebieden die, volgens het bevoegd gezag, beschermd dienen te worden tegen geuroverlast kunnen met behulp van een contour worden aangewezen.

Paragraaf 8.6 Luchtkwaliteit Omgevingswet Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Ow moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan beschouwd worden. Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat functies die niet met elkaar te verenigen zijn met regels verenigbaar worden. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Besluit kwaliteit leefomgeving In subparagraaf 5.1.4.1 Bkl zijn instructieregels opgenomen over luchtkwaliteit. Het Bkl bevat instructieregels voor specifieke situaties. Op grond van deze regels zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht (stikstofdioxide en fijnstof) van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een wegtunnelbuis wordt toegelaten. Verder gelden er instructieregels voor gemeenten die in de in het Bkl aangewezen aandachtsgebieden liggen.

Voor activiteiten die leiden tot een verhoging van de concentratie (van onder andere fijnstof) in de buitenlucht in een aangegeven aandachtsgebied, moeten ook de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht genomen worden. Uitgezonderd zijn activiteiten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan verhoging van de concentratie van die stoffen. Daarvoor zijn in het Bkl enkele standaardgevallen aangewezen.

Paragraaf 8.7 Trillingen Besluit kwaliteit leefomgeving In de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.4.4) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Een aanvaardbare situatie wordt in ieder geval gecreëerd als in het omgevingsplan de standaardwaarde van toepassing wordt verklaard voor continue en herhaald voorkomende trillingen. Het omgevingsplan kan ook een lagere waarde bevatten. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde dan de standaardwaarde bevatten, als op basis van een omgevingsvergunning of een 35

maatwerkvoorschrift reeds een hogere waarde gold. Deze waarde is niet hoger dan de grenswaarde. Ook is een hogere waarde mogelijk als het gaat om een activiteit die verricht wordt op een bedrijventerrein dat in het omgevingsplan is aangewezen. Indien sprake is van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan dit het rechtvaardigen om in het omgevingsplan een hogere waarde op te nemen dan de standaardwaarde en zelfs hoger dan de grenswaarde. De maximale waarde is de grenswaarde vermenigvuldigd met de factor 1,8.

Paragraaf 8.8 Bodem Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl geeft instructieregels over het toelaten van bodemgevoelige gebouwen (bijvoorbeeld woningen) op bodemgevoelige locaties (bijvoorbeeld een plaats waar een woning is toegelaten). Het Bkl bepaalt dat het omgevingsplan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moet bevatten. Daarnaast bepaalt het Bkl dat het omgevingsplan geen bodemgevoelige gebouwen (op bodemgevoelige locaties) toelaat waar de kwaliteit van de bodem ongeschikt is. In het omgevingsplan kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Bij het vaststellen van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, die op zijn genomen in het bijlage IIA bij het Bal. Door het overnemen van deze interventiewaarden wordt in ieder geval voorzien in een aanvaardbare situatie. Besluit activiteiten leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn rechtstreeks werkende rijksregels gesteld over bodemhandelingen. Het gaat onder meer om graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie. Voor deze activiteiten bevat het Bal rechtstreeks geldende rijksregels (hoofdstuk 4 van het Bal).

De gemeente kan afwijken van deze regels door maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Buiten het omgevingsplan kunnen maatwerkvoorschriften gesteld worden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit heeft dan het karakter van een beschikking.

Paragraaf 8.9 Licht Gereserveerd.

Paragraaf 8.10 Cultuurhistorie en archeologie Omgevingswet Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Ow (art. 1.2). De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Ow: in de Ow zijn de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Ow is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Ow. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Ow. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Ow. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische

36

monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De regels dragen de gemeente op om in het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Paragraaf 8.11 Natuur en ecologie Omgevingswet Een van de onderwerpen die onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Ow moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Ow op het thema faunabeheer. Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Ow zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Hierin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen.

Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 regels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels neerleggen bij gemeenten.

Paragraaf 8.12 Water Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.3 Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van 37

watersystemen. De belangen van de waterbeheerder worden bij het omgevingsplan betrokken (vergelijkbaar met de ‘watertoets’ in bestemmingsplannen). Daarnaast bevat het Bkl instructieregels voor primaire waterkeringen, grote rivieren en specifieke gebieden zoals het IJsselmeergebied.

Paragraaf 8.13 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Gereserveerd.

Paragraaf 8.14 Mobiliteit Gereserveerd.

38

Hoofdstuk 9 Proces omgevingsplan Paragraaf 9.1 Ontwikkeling van het omgevingsplan Paragraaf 9.1.1 Opbouw van het omgevingsplan in de transitiefase Zoals in hoofdstuk 1 al beknopt omschreven, bouwen we gedurende de transitiefase (tot en met 2031) het omgevingsplan stapsgewijs op. Dat wil zeggen, het omzetten van het ‘tijdelijk deel’ naar het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan, dat voldoet aan alle eisen van de wet. Om daartoe te komen hebben we een plan van aanpak 4 opgesteld. Dit is vastgesteld door de gemeenteraad. Dat vormt de basis voor onze aanpak en het proces. Omdat het ook een leerproces is, zullen op basis van voortschrijdend inzicht kleine wijzigingen in planning en invulling wel mogelijk zijn. Het opbouwen van het omgevingsplan doen we aan de hand van ‘bouwstenen’. Dit zijn afzonderlijke wijzigingsprocedures, die we na elkaar zullen doorlopen.

Op basis van het plan van aanpak gaan we uit van de volgende bouwstenen:  Bouwsteen 1: bestaande woonwijken (woongebied, linten binnen woongebied, wijkcentra)  Bouwsteen 2: linten en buurtschappen  Bouwsteen 3: glastuinbouw  Bouwsteen 4: integratie APV  Bouwsteen 5: centra Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk  Bouwsteen 6: buitengebied zonder glastuinbouw/ groene flanken (natuur en recreatie)  Bouwsteen 7: bedrijventerreinen  Bouwsteen 8: overige gebieden en onderwerpen  Projectwijzigingen (zoals woningbouwlocaties)  Verwerken TAM-IMROplannen en Bopa's Het uitgangspunt is dat na het onherroepelijk worden van deze bouwstenen tegelijkertijd de voorgaande ruimtelijke plannen worden ingetrokken. Hiermee voorkomen we dat er twee regimes tegelijk gelden. De grenzen van de bouwstenen sluiten dan ook zo veel mogelijk aan op de grenzen van geldende ruimtelijke plannen. Dit geldt niet voor de vierde bouwsteen, omdat die over de APV gaat. Tot nu toe bestaat het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan uit bouwsteen 1. De komende jaren werken we verder aan de volgende bouwstenen. Tot die tijd, zal op die plekken nog het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan gelden. Elke bouwsteen vormt een aparte wijziging van het omgevingsplan. Bijlage 1 bevat een overzicht van alle wijzigingsprocedures van het omgevingsplan.

Uiteindelijk zal, na vaststelling van alle bouwstenen, het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan bestaan uit:  Overgezette regels uit ruimtelijke plannen;  Overgezette regels uit de bruidsschat;  Overgezette regels over de fysieke leefomgeving uit verordeningen;  Nieuwe regels over nieuwe onderwerpen zoals klimaatadaptatie en energietransitie;  Regels om gebiedsontwikkelingen mogelijk te maken.

Paragraaf 9.1.2 Wijzigingen en actualisaties van het omgevingsplan Omdat er maar één gemeentelijk omgevingsplan is, betekent een aanpassing van regels over de fysieke leefomgeving een wijziging van dit omgevingsplan. Naast het opbouwen van het 4 Aanpak omgevingsplan 2022-2029, vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2022 (T21.06290).

39

omgevingsplan ‘nieuwe stijl’ aan de hand van de bouwstenen, kunnen er verschillende redenen zijn om het omgevingsplan te wijzigen. Allereerst om op specifieke locaties nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Een reden kan ook zijn dat een beleidswijziging (via de beleidscyclus) vraagt om nieuwe regels. Of aanscherpingen in regels die op basis van voortschrijdend inzicht niet langer toereikend zijn. De bevoegdheid om (delen van) het Omgevingsplan vast te stellen op grond van artikel 2.8 van de Ow is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders voor de volgende gevallen: a. conform wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen in bestemmingsplannen; b. het inpassen van in afwijking van het Omgevingsplan verleende omgevingsvergunningen (niet-tijdelijk), zoals de wet vereist; c. de bouw van maximaal 40 woningen, met uitzondering van de volgende situaties: 1. het bouwen van hoofdgebouwen binnen de linten, en/of 2. de huisvesting van flexwerkers (arbeidsmigranten). d. als gevolg van instructieregels van het Rijk of de provincie; e. juridisch-technische wijzigingen, redactionele aanpassingen en correcties. Daarnaast is ook de bevoegdheid om een voorbereidingsbesluit te nemen op grond van artikel 4.14 van de Ow gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.

Door de modulaire opbouw van dit plan kunnen afzonderlijke onderdelen eenvoudig worden gewijzigd. Zo kunnen in de regels de werkingsgebieden (hoofdstuk 4) en regels voor activiteiten (hoofdstuk 5) worden aangepast of uitgebreid. Ook de betreffende onderdelen van deze algemene toelichting zullen hierop waar relevant worden toegespitst. Bij elk wijzigingsbesluit zal een aparte motivering van dat besluit worden opgesteld. Die motivering zal ingaan op de aanleiding en het doel van de wijziging, en onderbouwen hoe de nieuwe regels voldoen aan de eisen van de wet. Ook zal hierin de doorlopen procedure aan de orde komen: verslag van de participatie, overleg met ketenpartners en andere belanghebbenden, en de formele procedurestappen van terinzagelegging en vaststelling. Bijlage 1 bij deze algemene toelichting bevat een overzicht van alle wijzigingen van het omgevingsplan, met onder meer een verwijzing naar de publicatie en motivering.

Paragraaf 9.2 Initiatieven Subparagraaf 6.2.1 Binnenplanse mogelijkheden Het omgevingsplan stelt regels over de toelaatbaarheid van activiteiten. Zo zijn er bepaalde activiteiten rechtstreeks toegelaten. Dat kan zonder dat daaraan verdere regels zijn verbonden, maar is vaak gekoppeld aan een zorgplicht of algemene regels. Daaraan moet worden voldaan om de activiteit te mogen uitvoeren. Voor bepaalde activiteiten geldt daarbij ook een meld- of informatieplicht. Daarnaast zijn in het plan activiteiten aangewezen die alleen mogen worden verricht met een omgevingsvergunning: de zogenaamde omgevingsplanactiviteit. Een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet in strijd is met het omgevingsplan, maar waarvoor wel een vergunning nodig is. Daarmee vindt vooraf een expliciete beoordeling van de beoogde activiteit plaats, op basis van het beoordelingskader dat in het plan is opgenomen. Bij een aanvraag moet dus worden aangetoond dat aan die regels kan worden voldaan. Dit plan bevat binnenplanse vergunningplichten voor verschillende activiteiten, soms met open en soms met gesloten normen of een combinatie daarvan. 40

Subparagraaf 9.2.2 Buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (Bopa) Het is ook mogelijk dat een initiatief zich aandient, dat niet binnen het omgevingsplan past. In dat geval gaat het om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan (en niet vergunningsvrij is). Er zijn twee varianten: 1. een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen; 2. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Een initiatief voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, kan mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning. Daarvoor gelden inhoudelijk dezelfde eisen als voor (wijziging van) het omgevingsplan: er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en voldaan worden aan de instructieregels van het Rijk (Bkl) en de provincie (omgevingsverordening). Een andere optie voor initiatieven die niet binnen het omgevingsplan passen, is een wijziging van het plan zelf. Op beide routes gaat de volgende paragraaf verder in (zie hoofdstuk 9 en paragraaf 9.1.2 over wijzigingen en actualisaties van het omgevingsplan).

Subparagraaf 9.2.3 Bopa versus wijziging van het omgevingsplan Soms wil een initiatiefnemer een project realiseren dat in strijd is met het omgevingsplan. Dit kan op twee verschillende manieren: via een buitenplanse omgevingsplan activiteit (Bopa) of met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (subparagraaf 9.2.2). In onderstaande tabel worden de verschillen van een Bopa en een wijziging omgevingsplan naast elkaar gezet.

Algemeen

Bopa

Wijziging omgevingsplan

Concrete projecten op basis van een

Concrete initiatieven en plannen die nog uitwerking

uitgewerkt plan

behoeven. Er kan een gedetailleerde of globale regeling worden opgesteld en alles wat daar tussen in zit.

Regels van naastgelegen percelen

Aanpassing regels is nodig voor bijvoorbeeld:

hoeven niet aangepast te worden

Voldoen aan de instructieregels;

om het initiatief te kunnen

Om de uitvoerbaarheid aan te kunnen

realiseren.

tonen’ 

Een groter gebied om een initiatief in te passen/mogelijk te maken.

Eenmalige toestemming om een

Herhaalde toepassing mogelijk. Het omgevingsplan

activiteit uit te voeren.

wordt namelijk gewijzigd als daar aanleiding toe is.

Inhoudelijke

Moet sprake zijn van een

Hetzelfde als bij de Bopa.

vereisten

‘Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties’. Daarnaast moest voldaan worden aan instructieregels van het Rijk en provincie.

Bevoegd

Bevoegd gezag: College van

Bevoegd gezag: Gemeenteraad.

gezag

Burgemeester &Wethouders.

In bepaalde gevallen gedelegeerd aan het college zie paragraaf 9.1.2.

41

Wel kan bindend adviesrecht van de gemeenteraad van toepassing zijn bij bepaalde gevallen.

Paragraaf 9.3 Procedureschema omgevingsplan Om een helder overzicht te bieden van het proces rondom de totstandkoming en wijziging van het Omgevingsplan, is er een procedureschema opgesteld. Dit schema beschrijft de stappen van conceptfase tot vaststelling, inclusief de rol van participatie, zienswijzen, en eventuele beroepsprocedures. Stappen in het procedureschema 1. Kennisgeving van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen De gemeente geeft in het gemeenteblad via de LVBB kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 16.29 Ow). 2. Conceptfase In deze fase wordt een eerste concept van de wijziging van het omgevingsplan opgesteld. Dit omvat de hoofdlijnen van de beoogde regels en motivering van de wijziging. In deze fase vinden naast participatie ook het overleg met de zogenaamde ketenpartners plaats. Participatie: Belanghebbenden, zoals inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties, worden in deze fase geïnformeerd en uitgenodigd om hun input te leveren. De gemeente kan zelf de manier kiezen waarop geparticipeerd wordt. Dit kan bijvoorbeeld via informatieavonden, digitale bijeenkomsten of gerichte gesprekken. Indien er voorafgaand aan de omgevingsplanwijziging al een nota van uitgangspunten is opgesteld voor een gebiedsontwikkeling vindt de participatie vaak al voor de procedure van de omgevingsplanwijziging plaats.

Vooroverleg Het vooroverleg is onder de Ow niet meer verplicht zoals onder de Wro. Toch maakt het vooroverleg wel deel uit van de procedure bij de gemeente Lansingerland. Het wordt als zeer nuttig ervaren om in een vroeg stadium al met de ketenpartners in gesprek te gaan. Onder ketenpartners vallen bijvoorbeeld de provincie, hoogheemraadschappen, de veiligheidsregio en nutsbedrijven. 3. Ontwerpfase Op basis van de resultaten uit de conceptfase wordt een ontwerpbesluit en een ontwerpwijziging van het omgevingsplan opgesteld. Dit ontwerp bevat gedetailleerde regels en een motivering. Dit ontwerpbesluit wordt ter inzage gelegd. De gemeente geeft vóór de terinzagelegging kennis van het ontwerp-omgevingsplan (ontwerpbesluit) in het gemeenteblad via de LVBB. Zie artikel 3:12 Awb, voor de inhoud van de kennisgeving. Terinzagelegging Het ontwerpbesluit wordt gedurende een wettelijke termijn van zes weken, ter inzage gelegd. Belanghebbenden kunnen in deze periode zienswijzen indienen. Beoordeling van zienswijzen Alle ingediende zienswijzen worden zorgvuldig beoordeeld. Dit resulteert in een nota van zienswijzen, waarin de zienswijzen worden samengevat en wordt toegelicht hoe met de zienswijzen is omgegaan. Indien nodig wordt het ontwerp aangepast. 4.

Vaststellingsfase Het aangepaste ontwerp wordt aangeboden aan de gemeenteraad (of het college, afhankelijk van de inhoud van de wijziging) voor vaststelling.

42

5.

43

Bekendmaking Als de gemeenteraad de wijziging van het omgevingsplan vaststelt maakt de gemeente het besluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de LVBB. Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Beroepsfase Na vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Inwerkingtreding Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen.

Bijlage 1 Procedureoverzicht Wijziging Bouwsteen 1

44

Datum vaststelling 17 juli 2025

Kenmerk Op002

Aanleiding/ beschrijving Eerste bouwsteen in het stapsgewijs opbouwen van het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan.

Publicatie besluit

Publicatie motivering

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=813cf19e-ba6f-4664-9815-fe852d770e79