CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T24.03141] Geconsolideerde versie Verordening Sociaal Domein 2023

Gemeenteraad 20 februari 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 202344.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Artikel 6.3.3 Duur en omvang van een tegenprestatie 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 13 weken. 2. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per week. 3. De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts twee keer worden opgedragen. 4. De gemeente kan met verwijzing naar artikel 6.3.2, derde lid, ook besluiten geen tegenprestatie op te leggen.

42/134

Artikel 6.3.4 Geen werkzaamheden voorhanden 1. De gemeente draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 2. Indien de gemeente geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt de gemeente binnen vier maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Paragraaf 6.4 Loonkostensubsidie Artikel 6.4.1 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1. De gemeente kan vaststellen of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt de gemeente de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; of als bedoeld in 10d, tweede lid van de Participatiewet, b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Voorafgaand aan de vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente een loonwaardemeting uitvoeren. 4. De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Deze derde neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel 6.4.2 Vaststelling loonwaarde 1. De gemeente maakt bij het vaststellen van de loonwaarde gebruik van een inzichtelijke loonwaardemethodiek die in elk geval voldoet aan de volgende criteria: a. de loonwaarde wordt berekend op basis van gegevens die zijn verkregen van de werkgever en de werknemer zelf; en b.

het instrument genereert een goed leesbare rapportage waarin ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen:  onderbouwing van de loonwaarde;  begeleidingsbehoefte van de werknemer;  inzicht in inzetbaarheid op taken;  aanvullingen gedaan door de loonwaardespecialist. 2. De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze derde neemt daarbij de in de in het eerste lid genoemde methode in acht. Artikel 6.4.3 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. De gemeente verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet.

[Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in 43/134

4. 5.

artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.] De gemeente stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. De gemeente neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

44/134

Hoofdstuk 7.

Inkomen

Paragraaf 7.1 Individuele inkomenstoeslag Artikel 7.1.1 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, lid 1 van de Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel 7.1.2 Langdurig laag inkomen en vermogen 1. Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 36, lid 1 Participatiewet als zijn inkomen gedurende de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) niet hoger was dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm en zijn vermogen gedurende deze periode niet hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Onder inkomen wordt verstaan, inkomen zoals bedoeld in de Participatiewet en inkomen uit algemene bijstand. 2. In afwijking van het eerste lid kan de individuele inkomenstoeslag ook worden verstrekt indien er sprake is van een incidentele overschrijding van de inkomensgrens van maximaal € 150,00 gedurende maximaal 2 maanden en/of er sprake is van een marginale overschrijding van de inkomensgrens met enkele eurocenten. Artikel 7.1.3 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 402,00 voor een alleenstaande; b. € 510,00 voor een alleenstaande ouder; c. € 571,00 voor gehuwden; 2.

Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) bepalend.

Paragraaf 7.2 Studietoeslag Artikel 7.2.1 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, lid 1 Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel 7.2.2 Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een studietoeslag. Artikel 7.2.3 Hoogte studietoeslag De hoogte van de studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en komt overeen met het op dat moment geldende bedrag wat de rijksoverheid hanteert. Artikel 7.2.4 Betaling individuele studietoeslag De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

45/134

Paragraaf 7.3 Afstemming, verlaging en weigering Artikel 7.3.1 Horen 1. Voordat een verlaging van de (bijstands)uitkering wordt opgelegd of de uitkering blijvend of tijdelijk wordt geweigerd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn mening in een gesprek naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn mening naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. de gemeente het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; d. belanghebbende er voor kiest zijn mening schriftelijk naar voren te brengen; of e. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 7.3.2 Afzien van verlaging 1. De gemeente ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging betrekking heeft op het niet nakomen van een arbeidsverplichting en die verplichting inmiddels weer volledig wordt nagekomen; of c. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden. 2. De gemeente kan (gedeeltelijk) afzien van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Artikel 7.3.3 Beschikking 1.

Het besluit tot het opleggen of het afzien van het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering of het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt door toezending van een besluit aan de belanghebbende(n) bekend gemaakt. 2. In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de (bijstands)uitkering wordt verlaagd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. 3. In het besluit tot het afzien van een verlaging van de (bijstands)uitkering als bedoeld in artikel 7.3.2 worden in ieder geval vermeld: a. de reden op grond waarvan normaalgesproken een verlaging zou zijn opgelegd; b. de duur van de verlaging die normaalgesproken zou zijn opgelegd; c. het bedrag of percentage waarmee normaalgesproken de (bijstands)uitkering zou zijn verlaagd; en d. de bijzondere reden waarom daar in dit geval van af wordt gezien. 4. In het besluit tot het (gedeeltelijk) blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt in ieder geval vermeld waarom de uitkering tijdelijk of blijvend wordt geweigerd en waarom de gemeente niet vindt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

46/134

Artikel 7.3.4 Ingangsdatum en periode van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de (bijstands)uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende hoogte van de (bijstands)uitkering. 2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de (bijstands)uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. 3. Als een verlaging niet of niet geheel kan worden opgelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de (bijstands)uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog beoordeeld op grond van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als de belanghebbende binnen de termijn als bedoeld in artikel 7.3.2, eerste lid, sub c, opnieuw een (bijstands)uitkering ontvangt. Artikel 7.3.5 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over: a.

de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet verminderd met de in aanmerking te nemen middelen; of b. de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen; 2. In aanvulling op het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet; of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, sub a, wordt de verlaging berekend over de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van de uitkering inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand. 4. Bij toepassing van het tweede lid, sub b, wordt de verlaging berekend over de verleende bijzondere bijstand.

Artikel 7.3.6 Consequenties schenden geüniformeerde verplichtingen Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende één maand. Deze verlaging wordt in één keer verrekend. Artikel 7.3.7 Niet geüniformeerde verplichtingen 1. Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55, 56a, tweede lid en 57 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

47/134

a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; 2) het niet meewerken aan het in naam van de inwoner door de gemeente verrichten van betalingen van huur, gas water en stroom en de verplichte zorgverzekering uit de toegekende bijstand, zoals bepaald in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet. b. tweede categorie: 1) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatie-wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. c.

derde categorie: 1) het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsverplichting uit artikel 17, tweede lid van de Participatiewet; 2) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 3) het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen of het meewerken aan een onderzoek hiernaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet; 4) Het niet of onvoldoende meewerken aan het verrichten van rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet. d. Vierde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. 2.

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 2) het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. c.

derde categorie: 1) het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

48/134

2) het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 3) het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen

zelfstandigen; 5) gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; 6) Het niet of onvoldoende meewerken aan een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. e. vierde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2) het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3) het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

5) Het niet of onvoldoende nalaten van hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel 7.3.8 Consequenties schenden niet geüniformeerde verplichtingen De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de 7.3.7, wordt vastgesteld op: a. 10% gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 30% gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 50% gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; d. 100% gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie.

49/134

Artikel 7.3.9 Consequenties tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het netto benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; b. 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; c. 50% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,tot € 4.000,-; d. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,of hoger. e. 100% van de (bijstands)uitkering van de eerste volledige kalendermaand na toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden. 3. In aanvulling op het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. om niet als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand middelen tot zijn beschikking had waarmee in het levensonderhoud kon worden voorzien als belanghebbende deze middelen niet bovenmatig had besteed.

Onder bovenmatig wordt verstaan meer uitgeven dan vaste lasten en redelijkerwijs op grond van NIBUD-normen aan levensonderhoud kan worden besteed en als blijkt dat belanghebbende geen inspanningen heeft verricht de lasten op een lager niveau te brengen teneinde een beroep op bijstand te voorkomen. Artikel 7.3.10 Consequenties zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet kan een verlaging worden opgelegd van: a. 60% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; b. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; c. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen.

Artikel 7.3.11 Consequenties niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 50/134

d.

100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Artikel 7.3.12 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Is sprake van een geüniformeerde gedraging dan gaat deze voor. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. 3. Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze paragraaf tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Artikel 7.3.13 Recidive 1.

Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende twee maanden. 2. Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een niet-geüniformeerde gedraging als bedoeld in deze paragraaf opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 3. Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee toepassing is gegeven aan het tweede lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt het verlagingspercentage, in aanvulling op het tweede lid, verdubbeld tot maximaal 100 %. 4. Als bij een gedraging in verband met dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging dan wordt deze gedraging in het kader van de recidivebeoordeling gezien als een gedraging waarvoor een verlaging is opgelegd.

51/134

Hoofdstuk 8.

Toezicht en bestrijding van misbruik

Paragraaf 8.1 Maatschappelijke ondersteuning Artikel 8.1.1 Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 6.1 van de Wmo 2015 aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Wmo 2015 aan de gemeente. Artikel 8.1.2 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo 2015 en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Wmo 2015 wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. 3. Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van de zorgaanbieder teruggeëist. 4. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. 5.

Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner worden teruggevorderd.

Paragraaf 8.2 Jeugdhulp Artikel 8.2.1 Inlichtingenplicht 1. De inwoner of zijn ouders doen aan de gemeente op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot toekenning van een individuele voorziening. 2. De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet als zich een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid van de Jeugdwet voordoet. Artikel 8.2.2 Toezicht rechtmatigheid 1. Gelet op artikel 2.9, aanhef en onder d van de Jeugdwet wijst de gemeente een toezichthouder aan zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. 2. De toezichthouder wordt belast met het toezicht op de Jeugdwet ter voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet. 3. De toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet aan de gemeente.

52/134

Artikel 8.2.3 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en nietgebruik van de Jeugdwet en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Jeugdwet wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. 3. De gemeente kan een eerdere beslissing tot het toekennen van een individuele voorziening herzien of intrekken als: a. de inwoner of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; c. de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de inwoner of zijn ouders niet (langer) voldoen aan de voorwaarden voor de individuele voorziening; of e. de inwoner of zijn ouders de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. 4.

Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. 5. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. 6. Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner of zijn ouders waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner of zijn ouders worden teruggevorderd.

Paragraaf 8.3 Werk en inkomen Artikel 8.3.1 Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 76a van de Participatiewet, artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ aan de gemeente. Artikel 8.3.2 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand en uitkeringen, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein.

53/134

Hoofdstuk 9.

Sociaal Medische Indicatie

Paragraaf 9.1 Algemene bepalingen Artikel 9.1.1 Toepassingsbereik De bepalingen uit hoofdstuk 2 van deze verordening zijn niet van toepassing op dit hoofdstuk. Artikel 9.1.2 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. kind: jeugdige tot en met einde basisschool die als ingezetene op hetzelfde woonadres als de ouders is ingeschreven in de Basisregistratie Personen; b. kinderopvang: dagopvang of buitenschoolse opvang op grond van de wet geleverd door een kindercentrum of gastouderbureau dat geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang; c. kinderopvangtoeslag: de vergoeding van het Rijk in de kosten van kinderopvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de wet; d. maximum uurtarief: het jaarlijks door de Belastingdienst vastgestelde landelijk maximum uurtarief per opvangsoort; e. ouders: degene(n) die juridisch of feitelijk verantwoordelijk is (zijn) voor de dagelijkse zorg van het kind, waaronder worden begrepen ouders, pleegouders en voogden; f. sociaal-medisch adviseur: een jeugdarts van het CJG; g. sociaal-medische gronden: lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke beperking of een sociaal en/of psychisch probleem van de ouders waardoor zij onvoldoende voor het kind kunnen zorgen en als de ontwikkelingskansen van het kind hierdoor onder druk staan; h.

sociaal medische indicatie: een schriftelijk advies van een daartoe door de gemeente aangewezen deskundige dat de noodzaak van kinderopvang gemotiveerd omschrijft; i. tegemoetkoming: bijdrage in de kosten van kinderopvang op basis van sociaal-medische gronden; j. voorliggende voorziening: elke mogelijkheid om in kinderopvang te voorzien waarvan door de aanvragende ouder gebruik kan worden gemaakt, waaronder een andere financiële tegemoetkoming (zoals onder andere via de aanvullende ziektekostenverzekering, een voorziening op grond van de wet of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) of adequate kinderopvang in de informele sfeer; k. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel 9.1.3 Doelstelling en doelgroep 1. Het doel van deze regeling is om ouders tijdelijk te ontlasten dan wel de ontwikkeling van kinderen te bevorderen. 2. Deze regeling is van toepassing op ouders: a. met een aantoonbare lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke beperking of een sociaal en/of psychisch probleem; b. die volgens de Basisregistratie Personen woonachtig zijn in de gemeente Lansingerland; c. die beschikken over een Nederlandse nationaliteit of een rechtmatig verblijf in Nederland hebben; d. die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst; en e.

van wie is vastgesteld dat een of meer van de beperkingen, als genoemd onder a, opvang van het kind of de kinderen tot de middelbare school leeftijd, noodzakelijk maken of ten aanzien van wie is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind of de kinderen noodzakelijk is.

54/134

Artikel 9.1.4 Aanspraak op een tegemoetkoming 1. De gemeente kan aan de ouder als bedoeld in artikel 9.1.3 met inachtneming van deze verordening een tegemoetkoming verlenen. 2. Bij de bepaling van de noodzaak, zoals bedoeld in artikel 9.1.3, lid 2, onder e, houdt de gemeente rekening met de mogelijke inzet van passende voorliggende voorzieningen voor opvang van het kind.

Paragraaf 9.2 Aanvraagprocedure Artikel 9.2.1 Indiening van de aanvraag De aanvraag voor een tegemoetkoming wordt op een door de gemeente beschikbaar gesteld formulier ingediend. Artikel 9.2.2 Advies De gemeente vraagt voor de beoordeling van de aanvraag advies over de noodzaak, duur en de omvang van de kinderopvang aan een sociaal-medisch adviseur met voldoende adequate deskundigheid.

Paragraaf 9.3 Verlening van de tegemoetkoming Artikel 9.3.1 Beslistermijn 1. De gemeente neemt binnen de wettelijke termijn van 8 weken een besluit op de aanvraag. 2. De termijn zoals genoemd in lid 1 kan met 6 weken worden verlengd. Artikel 9.3.2 Afwijzingsgronden De gemeente wijst een aanvraag voor een tegemoetkoming af als: a. de ouder niet behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 9.1.3; b. de kinderopvang niet noodzakelijk is; c. de kinderopvang naar verwachting van de gemeente niet zal plaatsvinden; d. de ouder aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Artikel 9.3.3 Ingangsdatum, omvang en duur 1. De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang op grond van de indicatie daadwerkelijk start. 2. De tegemoetkoming wordt verleend voor maximaal 6 dagdelen per week voor dagopvang en drie dagdelen per week voor buitenschoolse opvang. 3. De gemeente verleent de tegemoetkoming voor maximaal 12 maanden. 4. Verlenging is slechts mogelijk als uit onderzoek blijkt dat er voor de situatie geen andere oplossing is en er een nieuw advies is afgegeven. Artikel 9.3.4 Eigen bijdrage 1. De ouders zijn een eigen bijdrage verschuldigd overeenkomstig de methodiek van de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst. 2.

Er is geen eigen bijdrage verschuldigd wanneer de ouders een netto-inkomen hebben dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet.

55/134

Artikel 9.3.5 Hoogte tegemoetkoming 1. Voor de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming wordt aangesloten bij het geldende maximum uurtarief van de Belastingdienst zoals opgenomen in het Besluit kinderopvangtoeslag. 2. Ouders met een netto-inkomen dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet komen in aanmerking voor een vergoeding van ten hoogste € 11,50 per uur voor een kindercentrum en € 10 per uur voor een gastouderbureau. 3. De tegemoetkoming wordt in de vorm van maandelijkse termijnen uitbetaald aan het kindercentrum of aan het gastouderbureau.

Paragraaf 9.4 Verplichtingen van de ouder Artikel 9.4.1 Inlichtingenplicht De ouders doen aan de gemeente op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn of kunnen zijn op de aanspraak op de tegemoetkoming of de hoogte daarvan.

Paragraaf 9.5 Overige bepalingen Artikel 9.5.1 Herziening en intrekking De gemeente kan het recht op de tegemoetkoming herzien of intrekken als: a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 9.4.1 heeft geleid tot een ten onrechte of te hoog verstrekte tegemoetkoming; of b. anderszins een tegemoetkoming teveel is verstrekt. Artikel 9.5.2 Terugvordering Als de gemeente een besluit tot herziening of intrekking als bedoeld in artikel 9.5.1 heeft genomen, kan de gemeente de ten onrechte of te veel verstrekte tegemoetkoming terugvorderen.

56/134

Hoofdstuk 10.

Slotbepalingen

Paragraaf 10.1 Uitwerking en evaluatie Artikel 10.1.1 Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan de gemeente nadere regels vaststellen.

Paragraaf 10.2 Rechtskracht Artikel 10.2.1 Inwerkingtreding Deze verordening treedt op 1 januari 2023 in werking. Artikel 10.2.2 Intrekken oude verordeningen De Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022, zoals vastgesteld op 24 november 2022 (T22.04042), wordt met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. Artikel 10.2.3 Overgangsrecht 1. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 2. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten die op grond van de oude verordening zijn genomen, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening die hiervoor zijn geldigheid behoudt. 3. Voor de in deze verordening en de oude verordening opgenomen tarieven geldt dat het op het moment van aanvraag geldende tarief wordt gehanteerd. Indien een Pgb wordt toegekend dan is het oude tarief, indien dit hoger ligt dan het tarief op grond van deze verordening, voor maximaal 6 maanden van toepassing. 4. Een inwoner behoudt zijn recht op een lopende voorziening, welke is verstrekt op grond van de oude verordening, totdat de gemeente een nieuw besluit heeft genomen.

De gemeente neemt hierbij een redelijke overgangstermijn van zes maanden in acht, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen. 5. De artikelen 4:15a t/m 4:15e van de oude verordening, inzake de blijverslening, behouden hun geldigheid voor lopende leningen voor zolang de looptijd die lopende lening nog niet is verstreken. Artikel 10.2.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein” of “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023”.

57/134

Ondertekening Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in de openbare raadsvergadering van 20 februari 2025.

de griffier,

de voorzitter

drs. Eveline Hamelink-van Rens

drs. Pieter van de Stadt

58/134

Toelichting Verordening Sociaal Domein 2023 gemeente Lansingerland

59/134

Hoofdstuk 1.

Algemene bepalingen

Paragraaf 1.1. Definities Artikel 1.1.1 Begrippen wetgever Om verwarring te voorkomen wordt in deze verordening in beginsel dezelfde betekenis aan begrippen toegekend als in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Omdat deze verordening regels stelt voor het gehele sociale domein en de wetgever niet in alle wetten dezelfde uniforme begrippen hanteert laat deze bepaling wel een afwijking van deze hoofdregel toe; waar dat blijkt uit deze verordening. Artikel 1.1.2 Begrippen verordening

Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 1.2 Toepassingsbereik Artikel 1.2.1 Sociaal Domein Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 1.2.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden verstrekt door de gemeente Rotterdam. Onder de Wmo 2007 betrof dit een door de gemeente Rotterdam uitgevoerde centrumtaak. In regioverband zijn afspraken gemaakt op grond waarvan deze taken ook onder de Wmo 2015 worden uitgevoerd door de gemeente Rotterdam. Dit past binnen de in artikel 2.6.1, eerste lid van de Wmo 2015 gegeven opdracht om samen te werken als dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Wmo 2015 aangewezen is. Met het oog op de uitvoerbaarheid en rechtseenheid in de regio wordt dit uitgevoerd conform de door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde verordening. Dit artikel vormt hiervoor de juridische basis. Artikel 1.2.3 Strijd met de wet Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 1.2.4 Klachtenreglement Dit artikel spreekt voor zich.

60/134

Hoofdstuk 2.

Toegang

De verschillende domeinwetten (Wmo 2015, Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs) binnen het sociaal domein waar deze verordening op toeziet kennen verschillende procedures voor het krijgen van toegang tot ondersteuning voor inwoners met een ondersteuningsvraag. Uitgangspunt van de decentralisaties is echter dat gemeenten ondersteuningsvragen integraal en in samenhang bekijken. Dit levert een (juridisch) spanningsveld op. Met dit toegangshoofdstuk wordt zo goed mogelijk invulling gegeven aan de integrale toegang vanuit de gemeentelijke visie zonder in conflict te komen met hogere wetgeving.

Paragraaf 2.1 Melding Artikel 2.1.1 Verzoek tot ondersteuning Het uitgangspunt van de toegang is dat alle inwoners met een ondersteuningsvraag zich rechtstreeks melden bij de gemeente/een aanvraag doen bij de gemeente. Omdat een melding/aanvraag voor een algemene (bijstands)uitkering in het kader van de Pw, de IOAW en IOAZ normaalgesproken eerst via het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (UWV) loopt, zijn hierover door de gemeente afwijkende afspraken gemaakt met het UWV (artikel 30c, lid 6 SUWI). Het eerste contact kan per post, via internet, door te bellen of aan een loket plaatsvinden. Het verzoek kan door of namens de inwoner worden gedaan. Dit betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden als daar gelet op de ondersteuningsvraag geen bezwaren tegen bestaan. Deze derde moet wel bevoegd zijn om de inwoner te vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigingsbevoegdheid kan voortvloeien uit de wet (bijvoorbeeld een bewindvoerder) of blijken uit een door de inwoner ondertekende schriftelijke machtiging. Als de vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbreekt dan kan de melding wel aanleiding geven om contact te zoeken met een inwoner. De gemeente heeft met een aantal lokale organisaties afspraken gemaakt over de toegang. Op dit moment zijn dat Stichting Welzijn Lansingerland, Kwadraad en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).

De actuele toegangspartijen zijn te vinden op de website van de gemeente. Zij mogen namens de gemeente het eerste onderzoek verrichten in het kader van de Wmo 2015 (Stichting Welzijn Lansingerland en Kwadraad) en de Jw (CJG). Zij werken hierbij op dezelfde manier als de gemeente, maar de toegang via deze partijen wordt door inwoners vaak als laagdrempeliger ervaren. Mocht het onderzoek van één van deze toegangspartijen tot een aanvraag leiden dan besluit de gemeente hier wel zelf over en maakt zij hierbij gebruik van de onderzoeksresultaten van de aangewezen toegangspartij. Voor het afgeven van een indicatie voor jeugdhulp is in de Jw geregeld dat dit niet uitsluitend een bevoegd-heid van de gemeente betreft. Uit artikel 2.6, lid 1, aanhef en onder e Jw volgt dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Uit artikel 3.5, lid 1 Jw volgt dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. De gemeente kan dit niet afwijkend regelen en daarom zijn deze uitzonderingen ook hier vermeld.

61/134

Artikel 2.1.2 Bevestiging en afspraak Uit het eerste contact met een inwoner moet blijken of er sprake is van een informatieve vraag of dat een onderzoek nodig is om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. In dat laatste geval bevestigt de gemeente of de toegangspartij de ontvangst van de melding schriftelijk, zodat de inwoner weet dat zijn onder-steuningsvraag is ontvangen en in behandeling is genomen. Vervolgens wordt er door de gemeente of de toegangspartij een afspraak gemaakt voor een gesprek. De gemeente, of de toegangspartij namens de gemeente, is verplicht om de inwoner te wijzen op de mogelijkheden om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 2.3.3, lid 3 Wmo 2015) en het indienen van een persoonlijk plan (artikel 2.3.2, lid 2 Wmo 2015) of een familiegroepsplan (artikel 4.1.2 Jw). Op dit moment wordt de onafhankelijke cliëntondersteuning verzorgt door Stichting MEE, maar als dit een andere organisatie wordt dan is dit terug te vinden op de website van de gemeente. Een inwoner kan uiteraard ook zelf iemand meenemen naar het gesprek die hem goed kan ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld een vriend of familielid zijn die zelf geen eigen belang heeft bij de uitkomst van het gesprek (een gewaarborgde derde). Een (beoogd) zorgverlener kan deze rol vanwege zijn eigen (financiële) belang bijvoorbeeld niet vervullen.

Paragraaf 2.2 Onderzoek Artikel 2.2.1 Voorbereiding Voor een zorgvuldige dossiervorming maakt de gemeente of de toegangspartij een dossier aan in het eigen systeem. Op die manier kan informatie, mocht dat nodig zijn, altijd teruggevonden worden. Voor een goed, inhoudelijk gesprek is het belangrijk dat de inwoner ook alvast zoveel mogelijk noodzakelijke en relevante informatie aanlevert. Een van de leidende principes van de gemeentelijke visie is dat de gemeente uitgaat van de inzet van de eigen kracht van inwoners. Hierbij past om ook al in een vroeg stadium te vragen aan de inwoner wat hij zelf al heeft geprobeerd. Dit stimuleert de inwoner om zelf na te denken over mogelijke oplossingen die hij zelf kan realiseren zonder een beroep te hoeven doen op de gemeente. Hiermee wordt ook voorkomen dat in het gesprek mogelijke oplossingen naar voren worden gebracht die voor de inwoner niet bleken te werken. Afhankelijk van de melding kan de gemeente of de toegangspartij vragen om alvast bepaalde stukken toe te sturen. Op basis van de informatie uit deze stukken kan het gesprek alvast worden voorbereid, waardoor er tijdens het gesprek gerichtere vragen kunnen worden gesteld. Uiteraard biedt de gemeente of de toegangs-partij een redelijke termijn waarbinnen deze gegevens kunnen worden aangeleverd. Deze termijn is afhankelijk van de gegevens die gevraagd worden.

De gemeente heeft, anders dan de toegangspartijen, de wettelijke bevoegdheid om gebruik te maken van bepaalde informatiesystemen om gegevens over de inwoner te verkrijgen. Deze bevoegdheden zijn afhankelijk van de ondersteuningsvraag die de inwoner bij de melding heeft doorgegeven. Op basis van deze informatie kunnen tijdens het gesprek gerichtere vragen worden gesteld en kan sneller worden doorgedrongen tot de kern van de hulpvraag. Artikel 2.2.2 Inlichtingenplicht De gemeente of de toegangspartij moet de identiteit van de inwoner met een ondersteuningsvraag zorgvuldig vast kunnen stellen. In dit artikel is dan ook een identificatieplicht opgenomen. Het vaststellen van de identiteit van de inwoner gebeurt door middel van het overleggen van een geldig identiteitsbewijs 62/134

door de inwoner. Volgens de Wmo 2015 moet het gaan om een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht (artikel 2.3.4, lid 1 Wmo 2015). De Jw stelt geen eisen aan de identificatie, maar spreekt slecht van identificerende gegevens (artikel 10.4, lid 3 Jw), zodat een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht eveneens toereikend is. De Pw, IOAW, IOAZ en Wgs vereisen een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht (artikel 17, lid 3 Pw, artikel 13, lid 3 IOAW, artikel 13, lid 3 IOAZ en artikel 7, lid 1 Wgs). Om de ondersteuningsvraag van de inwoner te kunnen onderzoeken is het noodzakelijk dat de inwoner of zijn vertegenwoordiger de gemeente of de toegangspartij alle relevante informatie verstrekt die nodig is voor een zorgvuldig besluit. Deze inlichtingen- en medewerkingsplicht is ook terug te vinden in verschillende domeinwetten en de Algemene wet bestuursrecht (artikel 2.3.2, lid 7 Wmo 2015, artikel 17, lid 1 Pw, artikel 13, lid 1 IOAW en artikel 6 Wgs en artikel 4:2, lid 2 Awb). Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen In dit artikel is bepaald hoe het onderzoek is opgebouwd en wat daarbij van de gemeente of de toegangspartij en van de inwoner gevraagd wordt.

Tijdens het gesprek wordt zorgvuldig onderzoek gedaan naar de situatie van de inwoner. Het gesprek kan ook meerdere gesprekken omvatten en vindt afhankelijk van de situatie telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats. Een eerste gesprek zal, in verband met de identificatieplicht (artikel 2.2.2), altijd in persoon plaats moeten vinden. Complexe situaties zijn vaak niet in één gesprek te doorgronden. Die situaties vragen om een dieper onderzoek naar ‘de vraag achter de vraag’. Soms is er ook aanvullend onderzoek nodig voordat het gesprek kan worden voortgezet. De gemeente of de toegangspartij voert haar gesprek op basis van de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Zij maakt hierbij gebruik van de kennis en ervaring dat een ondersteuningsvraag op één domein vaak samenhangt met een ondersteuningsvraag op een ander domein en dat een duurzame oplossing alleen mogelijk is met een integrale benadering. Dit is ook in jurisprudentie op het gebied van re-integratie erkend (CRvB 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2660). De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek alle voor het nemen van een besluit over de ondersteuningsvraag van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen.

De gemeente of de toegangspartij volgt hierbij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot een zorgvuldig onderzoek (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). In het gesprek is ook specifieke aandacht voor de mantelzorger(s). Dit past binnen de gemeentelijke visie waarin de mantelzorger een belangrijke plaats inneemt. Indien de inwoner of het gezin waartoe de inwoner behoort zelf een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft opgesteld dan wordt dit uiteraard betrokken bij het gesprek. Dit volgt ook uit de Wmo (artikel 2.3.2, lid 5 Wmo 2015). Het feit dat de inwoner zelf een plan heeft betekent echter niet dat de gemeente of de toegangspartij geen onderzoek meer hoeft te doen naar de situatie van de inwoner. De gemeente of de toegangspartij kan op basis van het onderzoek ook tot andere mogelijke oplossingen komen. Op het moment dat het nodig is om specifieke deskundigheid in te schakelen om een goed zicht te krijgen op de ondersteuningsvraag van de inwoner dan schakelt de gemeente een deskundige/adviseur in. Meestal is dit een arts, maar het is ook mogelijk dat er bijvoorbeeld een ergotherapeut of een andere deskundige wordt ingezet. In complexe situaties kan er ook een team van deskundigen worden ingezet. De inwoner wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.

63/134

Artikel 2.2.4 Informatieverstrekking Op grond van artikel 2.3.2, lid 6 Wmo 2015 moet de gemeente de inwoner wijzen op de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgeboden budget. Ook in het kader van de Jw is dit zorgvuldig. De inwoner mag van de gemeente of de toegangspartij verwachten dat hij goed wordt geïnformeerd over deze mogelijkheid, zodat hij een weloverwogen keuze kan maken bij een eventuele aanvraag. De bijdrage in de kosten maakt deel uit van het onderzoek in het kader van de Wmo 2015 (artikel 2.3.2, lid 4 aanhef en onder g Wmo 2015). Om de inwoner in de gelegenheid te stellen een goede keuze te maken en te voorkomen dat hij achteraf verrast wordt door een opgelegde bijdrage in de kosten is het belangrijk de inwoner hier tijdig over te informeren. Artikel 2.2.5 Het ondersteuningsplan Het zorgen voor een goede verslaglegging van het gesprek en het vastleggen van de resultaten van het onderzoek vormt de kern van een zorgvuldig opgebouwd dossier en daarmee een zorgvuldige procedure. De invulling van het verslag is door de wetgever vrij gelaten. In Lansingerland is gekozen voor een ondersteuningsplan dat is gebaseerd op de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Het ondersteuningsplan kan gezien worden als een verslag omdat hierin een inventarisatie van alle knelpunten, gewenste resultaten en oplossingen is opgenomen.

Het betreft een zakelijke weergave van wat de inwoner heeft verteld en wat uit het eventuele aanvullende onderzoek is gebleken. Het geeft een goed en logisch opgebouwd beeld van de belemmeringen/beperkingen die de inwoner ervaart in zijn dagelijks leven en de mogelijke oplossingen. Het ondersteuningsplan is een integraal plan waarin rekening gehouden wordt met het totale pakket aan voorzieningen. Het is belangrijk dat in het ondersteuningsplan geen zaken worden weggelaten. De gemeente moet zich namelijk achteraf over het onderzoek kunnen verantwoorden bij de rechter. Dan moet aangetoond worden dat alle relevante aspecten zijn onderzocht en meegewogen. In het ondersteuningsplan kunnen dus geen zaken worden weggelaten omdat deze naar de inschatting van de gemeente of de toegangspartij niet van belang zijn voor de ondersteuningsvraag terwijl de inwoner deze wel bewust heeft aangedragen. Om als basis te kunnen dienen voor de inzet of afwijzing van een individuele voorziening moet er sprake zijn van een begrijpelijk geheel. In sommige gevallen kan er ook voor gekozen worden om aanvullend een los en uitvoeriger gespreksverslag op te stellen. Binnen het ondersteuningsplan is er ruimte voor de inwoner om ook op een later moment in het onderzoek zijn eigen inbreng (aanvullend) naar voren te brengen.

Het ondersteuningsplan biedt hierdoor een goede basis voor besluitvorming en voldoet hiermee aan de uitgangspunten van het plegen van wederhoor. Artikel 2.2.6 Gegevensdeling De gemeente gaat zorgvuldig om met de gegevens van de inwoner die zij in het kader van het onderzoek ontvangt. Hierbij worden de regels die betrekking hebben op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de inwoner (Algemene Verordening Gegevensbescherming) gerespecteerd. De verzameling en de eventueel noodzakelijke uitwisseling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving (T19.10353). De toegangsmedewerker bepaalt of het uitvragen, uitwisselen en vastleggen (verwerken) van gegevens doelmatig is, in proportie is en of er een alternatief is. Er moet sprake zijn van een gerechtvaardigd (legitiem) doel en de verwerking moet voldoen aan de principes van “subsidiariteit” (minst ingrijpende maatregel), “proportionaliteit” (de maatregel is in verhouding tot het doel) en “doelmatigheid” (de maatregel is geschikt om het doel te bereiken). Indien mogelijk wordt hierbij zoveel mogelijk rekening gehouden met de mening van de inwoner over de (voorgenomen) verwerking van zijn gegevens. 64/134

Indien er tijdens het onderzoek kennis wordt genomen van (signalen van) een strafbaar feit/fraude dan wordt die informatie gedeeld met de relevante interne en/of externe instanties. De bevoegdheid om hiertoe over te gaan en aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar vloeit voort uit artikel 161 Sv. Ambtenaren zijn op grond van artikel 162 Sv bovendien verplicht om aangifte te doen bij de officier van justitie of een hulpofficier als zij in de uitoefening van hun werkzaamheden kennis krijgen van een misdrijf. De Participatiewet bevat hiertoe ook nog een specifieke verplichting (artikel 66 Participatiewet). Om een eventuele controle achteraf mogelijk te maken wordt door de toegangsmedewerker een intern rapport opgemaakt over de (voorgenomen) gegevensverwerking. Hierin legt de toegangsmedewerker zijn argumentatie vast.

Paragraaf 2.3 Aanvraag Artikel 2.3.1 De aanvraag voor een individuele voorziening Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. Een aanvraag moet de naam en het adres van de aanvrager, een dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd bevatten (artikel 4:2, lid 1 Awb). Om aanvragen op een efficiënte manier af te kunnen handelen is het belangrijk dat de inwoner hiervoor gebruik maakt van een door de gemeente voorgeschreven en beschikbaar gesteld formulier (artikel 4:4 Awb). Op het moment dat de inwoner daar geen gebruik van heeft gemaakt dan krijgt de inwoner de kans om dit verzuim te herstellen (artikel 4:5 Awb). Omdat in de verschillende domeinwetten verschillende voorwaarden zijn gesteld voor het doen van een aanvraag, bevat dit artikel ook een aantal uitzonderingen op de mogelijkheid om direct een aanvraag in te kunnen dienen. In de Wmo 2015 is geregeld dat gedurende de onderzoekstermijn van zes weken eerst het onderzoek moet worden afgewacht (artikel 2.3.2, lid 9). De Pw bevat voor jongeren een verplichte zoektermijn van 4 weken, waarbij alleen voor vreemdelingen een afwijkende regeling is opgenomen (artikel 41, lid 4 en 8 Pw).

Met deze bepaling in de verordening wordt de begunstigende mogelijkheid aan jongeren geboden om in zeer bijzondere situaties, waarbij bijvoorbeeld sprake is van een dreigende uithuiszetting, toch al een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening op het gebied van inkomen op basis waarvan de gemeente een voorschot zou kunnen verstrekken (Kamerstukken II 2010-11, 32 815, nr. 7, p. 13 en 16). In het artikel is er een mogelijkheid gecreëerd om een getekend ondersteuningsplan als aanvraag in behandeling te nemen. Dit voorkomt dat de inwoner, naast het indienen van het getekende ondersteuningsplan, ook nog een ingevuld en getekend aanvraagformulier in moet dienen. Als voorwaarde is wel opgenomen dat het gesprek niet langer dan drie maanden geleden heeft plaatsgevonden. Dit is om te voorkomen dat de gegevens te zeer verouderd zijn. Omdat het ondersteuningsplan niet alle informatie bevat die nodig is om een aanvraag voor individuele voorziening te beoordelen met betrekking tot werk, inkomen of schulden, is het volledig invullen van een voorgeschreven aanvraagformulier voor deze domeinen wel altijd vereist. Conform artikel 4; artikel 4a Wgs is in dit artikel bepaald dat het, in afwijking van artikel 4:1 Awb en hetgeen hierover in de verordening is bepaald, ook mogelijk is om de aanvraag mondeling in te dienen tijdens het gesprek.

Artikel 2.3.2 De beoordeling van de aanvraag Dit artikel regelt de zorgvuldige beoordeling van een aanvraag voor een individuele voorziening. Het artikel volgt het hiervoor in de jurisprudentie ontwikkelde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep 65/134

(CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). Indien het noodzakelijk is om een deskundige in te schakelen dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.

Paragraaf 2.4 besluit Artikel 2.4.1 Beslistermijn De regeling uit de Awb waarin is bepaald dat een beschikking dient te worden afgegeven binnen een redelijke termijn van maximaal acht weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 4:13 Awb) is onverkort van toepassing op de Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs. In de Wgs is wel bepaald dat hierover nog een expliciete bepaling in de verordening opgenomen moet worden (artikel 4a, lid 3 Wgs), waaraan met dit artikel wordt voldaan. In de Wmo 2015 is een afwijkende termijn van maximaal twee weken geregeld (artikel 2.3.5, lid 2 Wmo 2015). Dit is echter gekoppeld aan een onderzoekstermijn van maximaal zes weken na de melding (artikel 2.3.2, lid 1 Wmo 2015), waardoor de totale termijn eveneens maximaal acht weken bedraagt. Op grond van artikel 4:15 Awb kan de beslistermijn worden opgeschort indien voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening noodzakelijke gegevens ontbreken in afwachting van de toezending van die gegevens door de inwoner. Opschorting is ook mogelijk met instemming van de inwoner, indien de vertraging aan de inwoner te wijten is of in overmacht situaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=c0415afe-906d-46dd-90ca-163e238f5982