CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T24.00798] Vast te stellen plan compleet

Commissie Ruimte 9 april 2024, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek24.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het plaatsen van een geluidscherm is theoretisch ook mogelijk maar is vanuit oogpunt van landschappelijke inpassing volledig ongewenst. Samenvattend, het is in principe mogelijk om maatregelen te treffen. Deze zijn echter al snel kostbaarder dan het toets bedrag van C 10.000. Daarbij kan de vraag gesteld worden of het werkelijk een meerwaarde heeft om de geluidsbelasting met 2-3 dB terug te brengen. Op grond van het voorgaande stelt ARDEA voor om uit te gaan van de vaststelling van een hogere waarde van 53 dB. De geluidsrapportage geeft aan dat de geprojecteerde Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

28

woning A twee geluidluwe gevels heeft (de noordoost- en de noordwestgevel) en woning B één geluidsluwe gevel heeft (de noordoostgevel). Gezien de ligging van de woning kan ook een buitenruimte/terras worden gerealiseerd dat voldoet aan de eis van 53 dB (aan de noordoostzijde). Gezien de oriëntatie van de woningen zal de buitenruimte/het terras mogelijk aan een andere zijde worden gerealiseerd. Aan die zijden van de woning zal enige hinder van het geluid van het verkeer kunnen optreden. ARDEA adviseert daarom bij de verdere ontwikkeling van de woning te voorzien in een (glazen) terrasscherm zodat er een geluidluwe hoek wordt gerealiseerd. Bij de wijziging van de bestemmingsplan/gebruiksregels voor de kavels wordt voorgesteld toe te staan dat een (transparant) scherm geplaatst mag worden met een hoogte van ca. 2,0 m. 4.6.3. Conclusie Op basis van de uitgevoerde berekeningen wordt voorgesteld om een hogere waarde procedure te volgen in het kader van de Wgh, waarbij een hogere waarde wordt vastgesteld van 53 dB voor beide woningen. Op basis van de berekeningen zijn beide woningen voorzien van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimten met geluidsbelasting van 53 dB (zonder aftrek) of lager. Daarmee wordt voldaan aan het hogere waarden beleid.

Aangezien de standaard gevelwering van de woningen voldoende is voor een goed woon- en leefklimaat, rekening houdend met de vergunde maatwerkvoorschriften van Stolk Flora B.V. zijn er vanuit akoestisch oogpunt voor de rest geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Bij het ontwerp bestemmingsplan is een ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden ter inzage gelegd van 16 november 2023 tot en met 27 december 2023. Er zijn hierover geen zienswijzen ingediend. Het vastgestelde besluit hogere waarden Wet geluidhinder van 5 maart 2024 is als bijlage bij de toelichting opgenomen. 4.7. Luchtkwaliteit 4.7.1. Wet- en regelgeving De normen voor luchtkwaliteit zijn geregeld in paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze paragraaf staat bekend als de ‘Wet Luchtkwaliteit'. Deze wet heeft tot doel de volksgezondheid te beschermen door luchtverontreiniging terug te dringen. Hiervoor zijn bepaalde maximumstandaarden voor vervuiling in het leven geroepen. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Zeer grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Het komt in grote lijnen erop neer dat projecten die tot gevolg hebben dat de jaargemiddelde norm van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) met meer dan 3% stijgt, wordt aangemerkt als een groot project. Kleine projecten die minder dan 3% bijdragen hoeven niet getoetst te worden. De grenswaarden van stikstofdioxide en fijnstof zijn de volgende: Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 ^g / m^

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 ^g/m^

Fijnstof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 ^g / m^

24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. meer dan 50 ^g / m^

29

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

Het Rijk, de provincies en de gemeenten werken samen in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit programma heeft tot doel de Europese luchtkwaliteitseisen te realiseren. NSL werpt geen belemmeringen op voor ruimtelijke ordening projecten wanneer: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project ‘niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er moet in kaart worden gebracht of met de huidige luchtkwaliteit de ontwikkeling kan plaatsvinden. En of door de uitvoering van het project de luchtkwaliteit niet dusdanig zal verslechteren dat het wordt gezien als een NIBM-project. 4.7.2. Onderzoek Bestaande situatie De luchtkwaliteit van het perceel is opgenomen in de Atlas Leefomgeving, (www.atlasleefomgeving.nl). De gegevens uit deze atlas zijn afkomstig van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Gekeken is naar de stikstof- en fijnstofdioxideconcentraties op regionaal niveau.

^___________ ____________________________________ Figuur 4.8.2.1: Stikstofgehaltes (bron: www.atiasieefomgeving.ni).

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

30

Figuur 4.8.2.2: Fijnstof gehaltes (bron: www.atlasleefomqevinq.nlJ. Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 18-20 ^g/m^ bedraagt. De concentraties liqqen onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde NO2 van 40 pg/m^. Ten aanzien van fijnstof (PM10) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 15-17 pg/m^ bedraagt. Deze concentratie ligt onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 40 pg/m^. Uit de gegevens blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen overschrijding van de normen plaatsvindt. Nieuwe situatie Het plan betreft 2 nieuwe woningen waardoor de verkeerstoename niet groot zijn. Binnen het plangebied wordt in overeenstemming met de nota parkeernorm van Lansingerland ruimte geboden om 6 auto's (incl. bezoekers) te parkeren. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal is gebaseerd op het ‘weekdaggemiddelde'. Voor een woongebied dient een weekdagfactor van 0,9 te worden toegepast. De totale toename van maximaal 6 auto's genereert 12 extra voertuigbewegingen. De toename van het weekdaggemiddelde bedraagt 10,8. Het aandeel vrachtverkeer bedraagt 0%. De maximale bijdrage van het verkeer is minimaal. De ontwikkeling kan dus ook worden bestempeld als NIBM.

Toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Jaar van planrealisatie 2022 Extra verkeer als gevolg van het

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 10,8

plan Aandeel vrachtverkeer 0,0“zá NO2 in pg/m^ 0,01

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in pg/m^ 0,00 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m^ 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

4.7.3. Conclusie Het project is op het gebied van luchtkwaliteit uitvoerbaar. 4.8. Milieuzonering 4.8.1. Wet- en regelgeving De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken en anderzijds functies die daar last van hebben. Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 wordt onder andere bij bestemmingsplanprocedures als handreiking gebruikt voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. In deze publicatie worden per bedrijfstype minimale richtafstanden aangegeven voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid die bij voorkeur dienen te worden aangehouden tot hindergevoelige functies (gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht, of een gedeelte daarvan) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Als aan de richtafstanden wordt voldaan, is op die punten sprake van een goede 31

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

ruimtelijke ordening. De richtafstanden zijn enerzijds gekoppeld aan de milieucategorie van de te beoordelen inrichting en anderzijds de karakterisering van de omgeving waarin de inrichting is gelegen. 4.8.2. Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies als wonen, bedrijvigheid, horeca en recreatie aanwezig. Daarom valt dit plangebied onder ‘gemengd gebied'. De nieuwe woningen sluiten aan bij de naastgelegen geplande woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B. Er is gekeken of de nieuwe woningen op voldoende afstand zijn gelegen van de omliggende bedrijven. Hierbij is de afstand van de perceelgrenzen van de nieuwe woningen tot aan de bedrijven aangehouden. Dit betekent dat er eventueel ook vergunningsvrije bouwwerken gerealiseerd kunnen worden zonder dat deze bouwwerken voor een belemmering zorgen.

Adres

Functie

Bedrijfsnaam

Milieucat.

Richtafstand in gemengd gebied

Afstand tot het plangebied

Hoeksekade 111K Hoeksekade 111A Sporthoekpad

Glastuinbouw Glastuinbouw Veldsportcomplex

Stolk Flora Stolk Flora LTC Triomf

2 2 3.1

10 m 10 m 30 m

40 m 50 m 65 m

Vanuit het bestemmingsplan wordt de eis gesteld dat de afstand van de woning tot de perceelgrens minimaal 5 meter bedraagt, hieraan wordt voldaan bij het beoogde initiatief. De afstanden zijn voldoende om geen belemmering te vormen. Derhalve is geen nader onderzoek noodzakelijk. Naar aanleiding van het bestemmingsplan voor de realisering van de naastgelegen woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B is nader akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van het bedrijf Stolk Flora B.V.. Dit heeft geleid tot het opnemen van maatwerkvoorschriften voor het bedrijf voor de avond- en nachtperiode . Dit leidt niet tot belemmeringen bij het beoogde initiatief. In paragraaf 4.6, Geluid, is dit nader onderbouwd. 4.8.3. Conclusie Er gelden vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor het voorliggende plan. 4.9. Externe Veiligheid 4.9.1. Wet- en Regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. De externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water, spoor en door buisleidingen.

Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de ‘Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb).

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

32

4.9.2. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart van de provincie Zuid - Holland blijkt dat het plangebied ruim buiten de invloedgebieden van Bevi-bedrijven ligt, zie onderstaand figuur. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig.

Figuur 4.10.2.1: Uitsnede risicokaart externe veiligheid (bron: risicokaart.nl) Vervoer van gevaarlijke stoffen a. Weg en water In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse routes voor transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast ligt het plangebied ruimschoots buiten de 200 m-zone vanaf rijkswegen en spoorwegen in het kader van de basisnetroute voor gevaarlijke stoffen. Dit geldt ook voor de provinciale weg N209 waarover transport van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Hierdoor is er geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen. b. Brandstofleiding Op een afstand van circa 620 meter ten noordwesten van het plangebied is een buisleiding W-521-01 voor aardgas gelegen. Het betreft hier een leiding van de Gasunie, met een diameter van circa 12,44 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontour ligt niet buiten de leiding. De Gasunie geeft aan op welke afstand van een leiding het uitvoeren van een groepsrisicoberekening noodzakelijk is. Voor een leiding met deze diameter en druk van strekt deze contour (invloedsgebied) zich uit tot 150 meter aan weerszijden van de leiding. Omdat de voorgenomen ontwikkeling ruim buiten deze contour is gelegen, wordt gesteld dat deze geen invloed heeft op het groepsrisico. c.

Kabels en Leidingen Voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden wordt bij het KLIC gemeld waar en wanneer wordt gegraven. d. Rotterdam The Hague airport Rotterdam The Hague Airport is gelegen op circa 4.400 meter van het plangebied. De provincie Zuid-Holland heeft de beleidslijn “Beleidskader groepsrisico in de omgeving van Rotterdam - The Hague Airport” opgesteld. Hierin worden nieuwe contouren vermeld en wordt ingegaan op een nieuw verantwoordingsgebied. Voor nieuwe ontwikkelingen en voor conserverende bestemmingsplannen binnen het verantwoordingsgebied moet een

33

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

berekening en een verantwoording worden gedaan. De beleidslijn is opgenomen in het provinciale beleid.

Figuur 4.10.2.2: Verantwoordingsgebied Rotterdam-The Hague Airport Oostzijde (bron: “Beleidskader groepsrisico in de omgeving van Rotterdam - The Hague Airport) Het plangebied is niet gelegen in de PR 10-6 contour, maar valt wel binnen het verantwoordingsgebied. Op gebied van luchtvaartlawaai gelden momenteel geen beperkingen ter plaatse van het plangebied, want het plangebied ligt buiten de 35 Kecontour. Uitgaande van een gemiddelde bezetting van 2,4 mensen per woning, leidt realisatie van het bouwplan (2 woningen) tot circa 5 extra personen. Gezien de huidige persoonsdichtheid binnen de 20 Ke-contouren wordt deze beperkte toename acceptabel geacht. 4.9.3. Conclusie Er gelden geen beperkingen vanuit externe veiligheid voor het voorliggende plan. Het project is op het gebied van externe veiligheid uitvoerbaar. 4.10. Verkeer en parkeren 4.10.1. Wet- en regelgeving In februari 2014 is de Nota Parkeernormen Gemeente Lansingerland vastgesteld. Hierin worden eisen gesteld aan het aantal parkeerplaatsen en de loopafstanden naar parkeergelegenheid. Daarnaast wordt onderbouwd waar de norm afwijkt van de kencijfers van het CROW. De Normering is onverdeeld aan de hand van onderscheidende gebieden, doelgroepen en functie. Voor een woning geld een andere norm dan een supermarkt, ook is er onderscheidt tussen bebouwde kom en buitengebied. 4.10.2.

Onderzoek Volgens de Nota Parkeernormen gemeente Lansingerland vallen de woningen onder vrijstaande koopwoningen. Ook valt het buiten de bebouwde kom. Daarom geldt voor het initiatief een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning, daarnaast een aandeel van 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers. Op het perceel zullen daarom 6 parkeerplaatsen van ten minste 5 meter diep en 2,5 meter breed aangelegd worden.

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

34

Naast het parkeren is de ontsluiting van de kavel van belang. Om de ontsluiting van de woningen veiliger te maken wordt de huidige uitrit verplaatst i.v.m. belemmering van een lantaarnpaal. De uitrit zal in het midden van de kavel ontsluiten aan de Hoeksekade en wordt door beide woningen gebruikt. De inrit zal 6 meter breed zijn met een aansluitingsbreedte van 12 meter (2x3 meter bochtstraal) op de Hoeksekade. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard aan ‘het aanbrengen, wijzigen, verwijderen of behouden van een uitweg naar de openbare weg' stelt.

Figuur 4.10.2: Weergave plan inrit en parkeerplaatsen In de regels van dit bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting parkeren opgenomen overeenkomstig de ‘Nota parkeren Lansingerland' en de ‘Nota parkeernormen gemeente Lansingerland'. 4.10.3. Conclusie Vanuit verkeer en parkeren gelden geen belemmeringen voor het voorliggende plan. 4.11. Duurzaamheid 4.11.1. Wet-en regelgeving Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.

35

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

Convenant klimaatadaptief bouwen Provincie Zuid-Holland heeft in samenwerking met gemeenten, waterschappen, bouwbedrijven, ontwikkelaars, natuurorganisaties, netwerk-/brancheorganisaties en overige partijen in en rondom de bouwketen een convenant klimaatadaptief bouwen opgesteld. Hierin worden afspraken gemaakt over het verminderen van wateroverlast, hittestress, langdurige droogte met nadelige gevolgen, bodemdaling met nadelige gevolgen en het vermeerderen van de biodiversiteit. In het programma van eisen worden concrete eisen voor klimaatadaptief bouwen uitgewerkt en onderbouwd. Eis (Omgevingsplan) Doei (Omgevíngsvisie) Meer info: zie bijsluiter Hevige neerslag leidt niet tot NI: Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar, of wordt gestuurd. in de bebouwde omgeving. N2: In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm/u). Langdurige droogte leidt niet tot Dl: De inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de verdroging of schade aan de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. bebouwde omgeving.

D2: In het plangebied wordt 50% (450 mm) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd. Tijdens hitte biedt de bebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Hl: Tenminste 50% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst. H2: Opwarming van stedelijk gebied verminderen; 40%van alle oppervlakken wordt warmtewerend of verkoelend ingericht. H3: Koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs-)ruimte in de directe omgeving. Bodemdaling in bebouwd gebied Bol: Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kosteneffectief zijn over de blijft beperkt en betaalbaar. levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp opgenomen. Groenblauwe structuur en BI: Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in biodiversiteit worden versterkt op de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw de planlocatíe en in de directe bewonende soorten. stedelíjke omgeving. De bebouwde omgeving is bestand VI: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 20 cm treedt geen schade aan gebouwen op en tegen overstromingen. blijven hoofdwegen begaanbaar. V2: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 50 cm worden maatregelen getroffen om schade aan gebouwen te beperken, als deze doelmatig zijn. V3: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 200 cm worden maatregelen getroffen om vitale infrastructuur en kwetsbare objecten te beschermen.

V4: Voor overstromingen met een waterdiepte boven 200 cm worden maatregelen getroffen om veilig te kunnen schuilen in het overstroomde gebied.

Range 40-70 mm

20-100% 20-60yo 30-80%

1-3 Soorten­ categorieën

Figuur 4.11.1: Programma van eisen (convenant klimaatadaptief bouwen)

Gemeentelijk beleid Tijdens de klimaatconferentie van Parijs is afgesproken dat in 2050 de uitstoot van CO2 wereldwijd teruggebracht moet zijn tot 80-95 procent ten opzichte van 1990. In Lansingerland gaan we daarom voorlopig uit van de doelstelling om in 2050 vrijwel energieneutraal te zijn (conform de afspraken in Parijs). Hiertoe is onder meer het Actieprogramma Realistisch Duurzaam (2015 -2016) opgesteld, dat op 7 juli 2015 door het college is vastgesteld. Een duurzaam beleid is niet alleen beter voor de toekomst van mens en milieu, maar levert ook belangrijk economisch voordeel op. Het is dan ook niet meer dan logisch dat Lansingerland zich de komende jaren gaat ontwikkelen tot een duurzame, CO2-neutrale gemeente, met een klimaatbestendig, leefbaar en gezond bedrijfsleven. Daarbij geeft de gemeente zelf het goede voorbeeld, maar vraagt de gemeente ook iets van inwoners en ondernemers. In het Actieprogramma Realistisch Duurzaam wordt een aantal concrete projecten benoemd. Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling In de anterieure overeenkomst is vastgelegd dat exploitant ten behoeve van de ontwikkeling en realisatie van het bouwplan zal aansluiten bij de in het DGO (zie paragraaf 3.4) genoemde duurzaamheidsmaatregelen, waarbij het ‘Verbeterd aanvullend niveau' het streven is, maar tenminste op het niveau zoals vermeld in de kolom ‘Minimaal aanvullend niveau' zal worden ontwikkeld.

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

36

Het Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling Gemeente Lansingerland Op 6 november 2017 heeft de gemeente een notitie opgesteld waarin het duurzaamheidskader voor alle ruimtelijke nieuwbouw woningbouwprojecten binnen de gemeente. Er wordt gekeken naar de thema's Energie, Klimaatadaptatie en Circulaire grondstoffen. Voor het thema circulaire grondstoffen worden de volgende uitgangspunten gegeven: 1. Milieuprestatie gebouw (MPG): 10% scherper dan vigerend bouwbesluit 2. Hergebruik van materiaal: In overeenstemming met de beoordelingsrichtlijnen van BREEAM-NL Gebiedsontwikkeling moet een 80-90% van het totaal volume bouwmaterialen waar mogelijk kunnen worden hergebruikt. 3. Milieubelasting materialen: De toepassing van schadelijke materialen van de nieuwbouw (conform NIBE-classificatie) is maximaal 2%; 4. Circulariteit: 10-20% van de bij nieuwbouw gebruikte materialen is herbruikbaar zonder kwaliteitsverlies. Bouwbesluit Ook het Bouwbesluit 2012 stelt een aantal verplichtingen aan duurzaamheid in bouwen. De energieprestaties moeten voldoen aan de BENG-normen, conform het Bouwbesluit en behorend bij de verschillende gebouwfuncties. Hierbij stelt BENG 1 eisten aan de maximaal benodigde hoeveelheid energie van een gebouw. Dit wordt uitgedrukt in kWh per m^ gebruiksoppervlak per jaar.

BENG 2 stelt eisen aan de maximale hoeveelheid primair fossiele brandstof in kWh per m^ gebruiksoppervlak per jaar. BENG 3 stelt eisen aan het minimum aandeel hernieuwbare energie als percentage van het totale energiegebruik. 4.11.2. Onderzoek Bij de nieuwbouw wordt toepassing gegeven aan de wettelijke verplichtingen op dit gebied. Er worden milieuvriendelijke bouwmaterialen toegepast. Tevens wordt er op verantwoorde wijze omgegaan met energie. 4.11.3. Conclusie Vanuit duurzaamheid gelden geen belemmeringen voor het voorliggende plan. 4.12. Milieueffectrapportage (m.e.r.) 4.12.1. Wet- en regelgeving Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings) -plichtig in het andere geval dient een m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling (kenmerk en plaats van het project, kenmerk van potentieel effect). 4.12.2. Onderzoek Gezien de kleine omvang van het voorliggende plan en aard in relatie tot milieu zijn geen van de onderdelen uit kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r van toepassing op dit plan. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage. 37

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

In het voorliggende plan is per aspect bepaald of het voorliggende plan gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, bodem, geluid, luchtkwaliteit, milieuzonering, externe veiligheid, verkeer, parkeren en duurzaamheid. Deze aspecten vormen geen belemmeringen voor dit plan.

4.12.3. Conclusie Voor het project is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel zal een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Dit besluit wordt opgenomen als bijlage bij de toelichting.

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

38

5.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

5.1.

Algemeen Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de RO-standaarden, in werking getreden sinds 1 juli 2013. De RO-standaarden bestaan uit: de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Tevens zijn de regels afgestemd op de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor).

5.2.

Bestemmingsplan Het bestemmingsplan is zowel analoog als digitaal beschikbaar. Het digitale bestemmingsplan bestaat uit een GML-bestand met bijbehorende regels en toelichting. De koppeling van de kaart, toelichting en regels (het bestemmingsplan) wordt de verbeelding genoemd. De verbeelding is vervat in een GML-bestand (GML-bestand NL.IMRO.1621.BP0214-VAST). De analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan is getekend op een schaal 1:1.000 en omvat 1 kaartblad (genummerd 105800-D-240425-RW-verbeelding-01.pdf). Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard.

5.3.

Plansystematiek Het plangebied heeft een rechtstreekse bouwtitel, omdat is gekozen voor een gedetailleerde plansystematiek. De bestemmingsvlakken maken een flexibele invulling van het plangebied mogelijk, zodat ingespeeld kan worden op toekomstige invullingen. In de regels zijn bouw- en gebruiksregels opgenomen die de bebouwings-, gebruiks- en inrichtings-mogelijkheden van het plangebied inkaderen. In het plan hoeft zodoende niet meer geregeld te worden dan noodzakelijk is voor het functioneren van het gebied. Dit betekent een flexibele regeling die enerzijds de individuele vrijheid van de initiatiefnemer waarborgt en er anderzijds voor zorgt dat algemene belangen, als de ruimtelijke kwaliteit, niet worden aangetast.

5.4.

Bestemmingsplanprocedure In de Wro en het Bro zijn regelingen opgenomen voor de bestemmingsplanprocedure. In deze procedure zijn de onderstaande fases onderscheiden.

5.4.1. Voorbereidingsprocedure Indien de gemeente voornemens is een bestemmingsplan voor te bereiden waarvoor geen milieueffectrapport wordt opgesteld, geeft zij kennis op grond artikel 1.3.1 Bro van dat voornemen in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte manier. De kennisgeving vermeldt of en waar en wanneer er stukken van het voornemen ter inzage worden gelegd, of er gelegenheid wordt geboden om zienswijzen op het voornemen naar voren te brengen en door wie, op welke manier en binnen welke termijn en of een onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over het voornemen. De gemeente voert onderzoek uit bij het opstellen van een ontwerpbestemmingsplan naar de bestaande situatie, de ruimtelijke ontwikkelingen en naar mogelijke en wenselijke ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt het ontwerpbestemmingsplan voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro beschikbaar aan de betreffende besturen en diensten. 5.4.2. Inspraak en overleg De omwonenden van het plangebied zijn vroegtijdig betrokken bij het initiatief (g 6.1), waardoor er geen inspraak in de ontwerpfase heeft plaatsgevonden. Wel is er wettelijk overleg gehouden met de overlegpartners.

39

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

Het overleg met diverse partijen wordt geregeld in artikel 1.1.1 lid 4 jo. artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit kader is dit bestemmingsplan voorgelegd aan de vaste overlegpartners. De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de ‘Nota overleg en staat van wijzigingen bestemmingsplan Hoeksekade nabij nr. 111' die als bijlage bij de toelichting is gevoegd. De wijzigingen zijn in het ontwerpplan verwerkt. Het ontwerp is ter inzage gelegd van 16 november 2023 tot en met 27 december 2023. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 5.4.3. Ontwerp en vaststellingsprocedure Het ontwerpbestemmingsplan is ter inzage gelegd van 16 november 2023 tot en met 27 december 2023 na een aankondiging in het gemeenteblad op internet. De ter inzagelegging heeft digitaal plaatsgevonden via ruimtelijkeplannen.nl. Er zijn geen zienswijzen ingediend. De gemeenteraad stelt vervolgens het bestemmingsplan, gezamenlijk met een oordeel over de zienswijzen, vast. 5.4.4. Beroepsprocedure Het vaststellingsbesluit waarin het bestemmingsplan is vastgesteld wordt door de gemeenteraad bekend gemaakt. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd. Binnen zes weken na het bekendmaken van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Beroep kan worden ingesteld door belanghebbenden 5.5.

Regels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

5.5.1. Inleidende regels Artikel 1 Begrippen De in de regels gebruikte begrippen worden hierin omschreven ter voorkoming van misverstanden of verschil in interpretatie. Artikel 2 Wijze van meten Dit betreft een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. 5.5.2. Bestemmingsregels Artikel 3 De bestemmingen De bestemmingen zijn opgebouwd uit één of meerdere van de volgende onderdelen: een bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijking van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijking van de gebruiksregels; wijzigingsbevoegdheid. 5.5.3. Algemene regels Artikel 4 Antidubbeltelregel Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 5 Algemene bouwregels In dit artikel is een regeling opgenomen met betrekking tot bestaande maten. Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

40

Artikel 6 Algemene gebruiksregels In dit artikel is aangeven welk gebruik te allen tijde verboden is. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn alle afWijkingsregels opgenomen die voor het gehele plangebied van toepassing zijn. Artikel 8 Algemene wijzigingsregels Dit artikel omschrijft wanneer bevoegd gezag het plan mag wijzigen. Artikel 9 Algemene procedureregels Dit artikel omschrijft de procedure met betrekking tot de voorbereiding van de bestemmingsplanwijziging. 5.5.4. Overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en het gebruik van bestaande gronden en bouwwerken die afwijken van het bestemmingsplan; Artikel 11 Slotregel Dit artikel geeft de titel van de regels van het bestemmingsplan aan.

41

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

6.

UITVOERBAARHEID

6.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooruitlopend op het verzoek aan de gemeente voor medewerking bestemmingswijziging zijn op woensdag 26 februari 2020 bezoeken gebracht aan de omwonenden of is later (2 maart 2020) contact met hen opgenomen. Tijdens de gespreken is het plan toegelicht. Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de verschillende belanghebbende instanties. De volgende vooroverlegpartners hebben gereageerd op het plan: » Provincie Zuid-Holland » Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond » Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard . DCMR De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de ‘Nota overleg en staat van wijzigingen bestemmingsplan Hoeksekade nabij nr. 111', die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Naar aanleiding van de overlegreacties zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de toelichting, regels en verbeelding. De betreffend aanpassingen zijn in de Nota overleg benoemd.

Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen en/of aanvullingen volgend uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, evenals ambtshalve wijzigingen. Op de voorbereiding van een wijzigingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 Awb) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is zowel in de Staatscourant als via elektronische weg geplaatst. Tevens is de kennisgeving toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 16 november 2023 tot en met 27 december 2023 ter inzage gelegen. In deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad een zienswijze in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ontvangen. Wel is de bijlage van deze toelichting een geüpdatet stikstofdepositieberekening toegevoegd in verband met de update van Aerius in november 2023. Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging dienen burgemeester en wethouders vervolgens het bestemmingsplan vast te stellen.

Tegen een besluit omtrent vaststelling staat rechtsreeks beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De termijn om beroep in te dienen bij de ABRvS vangt aan met ingang van de dag nadat het vaststellingsbesluit ter inzage is gelegd.

6.2.

Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer deze plaatsvinden in het kader van een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, of een afwijkingsbesluit.

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

42

Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van de geplande ontwikkeling te verhalen, kan een anterieure overeenkomst worden gesloten met de initiatiefnemer. Indien deze overeenkomst niet privaatrechtelijk tot stand kan worden gebracht, is de gemeente verplicht een exploitatieplan op te stellen om haar kostenverhaal te verzekeren. In dit geval is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. Daarom wordt voor dit project geen exploitatieplan opgesteld.

43

Hoeksekade nabij nr. 111 te Bergschenhoek Toelichting Vaststelling

BIJLAGE(N)

BIJLAGE 1 Quick-scan Wet natuurbescherming, Blom Ecologie B.V., 13 oktober 2021

AAB Nederland

Jupiter 420 2675 LX Honselersdijk

Datum

13 oktober 2021

Kenmerk

BE/2021/794/r

Uw kenmerk

Email d.d. 19 juli 2021

Auteur(s) Collegiale toets

Quickscan Wet natuurbescherming Hoeksekade ong. te Bergschenhoek Aan de Hoeksekade ong. naast nummer 111 te Bergschenhoek is een weiland gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens twee vrijstaande woningen te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. AAB Nederland begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Groene buffers? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Hoeksekade ong. te Bergschenhoek (figuur 1). De planlocatie betreft een weiland. Er staan geen gebouwen en er zijn geen struiken aanwezig. Voor de planlocatie ligt een kavelsloot en is een zomereik gesitueerd. Een deel van de sloot zal gedempt worden in de beoogde ontwikkeling. De zomereik zal behouden blijven. De planlocatie grenst aan een doorgaande weg en ligt circa 40 m van een glastuinbedrijf. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door vrijstaande woningen, bedrijven en sportparken. Op circa 1 km afstand ligt een golfbaan, met aangrenzend het Hoge Bergse Bos.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hoeksekade ong. te Bergsehenhoek (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van twee vrijstaande woningen. Een deel van de kavelsloot voor de planlocatie wordt gedempt. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: » » » » »

dempen van deel kavelsloot: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie De ontwikkeling Hoeksekade Noord valt buiten deze quickscan. (bron: AAB Nederland).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 21 september 2021 en is uitgevoerd door ing. R.C. Pickert. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 19“ Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie.

Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

3

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplieht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbeseherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelriehtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatriehtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provineiaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij'-principe. Voor werkzaamheden in dergelijk gebied dient een ontheffing op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland voorhanden te zijn. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Voor werkzaamheden in Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer geldt dit ontheffingsregime niet, maar geldt wel een compensatieplicht.

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en Groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.

4

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rij beplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per

hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, grote brandnetel, madeliefje, paardenbloem en riet. De planlocatie is een weiland met voornamelijk Engels raaigras. Gezien de waargenomen soorten en de huidige functie betreft het een voedselrijke bodem. Voor de planlocatie staat een zomereik (op gemeentelijke grond) welke behouden blijft.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten.

5

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2011-2021). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De planlocatie betreft een weiland zonder bomen of struiken en dus met zeer weinig beschutting. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatriektlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10).

Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatriektlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het ontbreekt op de planlocatie aan hoge groene structuren als bomenlanen of hoge struiken.

Derhalve is het uitgesloten dat de planlocatie als vliegroute of foerageergebied gebruikt wordt. Echter wordt de bomenlaan aan de Hoeksekade wel als vliegroute en foerageergebied gebruikt. Derhalve dient er tijdens en na de beoogde ontwikkeling geen lichtuitstraling te zijn richting de Hoeksekade. In de luwte van bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

6

Amfih^ieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2011­ 2021). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De sloot voor de planlocatie wordt deels gedempt voor een inrit. De sloot is grotendeels begroeid met riet en volledig bedekt met kroos. De sloot dient via de juiste methode gedempt te worden in het kader van Algemene zorgplicht. De sloot dient gefaseerd gedempt te worden in één werkrichting om eventueel aanwezige fauna de kans te geven om te ontsnappen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.

Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: ringslang (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Ringslangen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van de ringslang en andere beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Zoals eerder beschreven dient de sloot volgens de juiste methode gedempt te worden. Wanneer dit gebeurd zijn negatieve effecten op (beschermde) vissen uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.

Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, gaai, grote bonte specht, houtduif en kauw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Op de planlocatie zijn geen gebouwen aanwezig.

Verder zijn er geen jaarrond groene struiken of voldoende voedsel aanwezig.

7

Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (Br[12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voor de gierzwaluw geldt tevens dat er geen geschikte nestlocaties aanwezig zijn. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen wegens het foerageergebied van beduidend hogere kwaliteit in de directe omgeving, zoals een boomgaard. Daarnaast zijn er geen sporen van uilen gevonden zoals braakballen en ontbreken er uitkijkpaaltjes. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten wegens de ruime hoeveelheid hoogkwalitatief foerageergebied in de directe omgeving, zoals het Hoge Bergse Bos en agrarische percelen. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De naastgelegen struiken en boom vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=cfa334e8-a26e-45a5-a2b3-3a45ed502076