CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

T23.02907 Was/Wordt Wijziging Verordening Sociaal Domein 2023

Gemeenteraad 30 november 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 20239.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

WAS/WORDT Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 2023

Auteur: Shalini Sahtoe Domein: Samenleving Team: Maatschappelijke Opgaven Datum: 27 september 2023 T23.02907 1/28

Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 4. Maatschappelijke Ondersteuning Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald.

Artikel 4.1.4

Bestaande tekst Artikel 4.1.4 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke leverancier de ondersteuning zal leveren; d. hoe de voorziening verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht; e. de kostprijs van de voorziening; en f. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; d. wie de ondersteuningsverlener is die de ondersteuning zal leveren; e. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget; en

Nieuwe tekst Artikel 4.1.4 Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. welke leverancier de ondersteuning zal leveren; d. hoe de voorziening verstrekt wordt en wat hierbij van de inwoner wordt verwacht; en e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. het beoogde resultaat waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend; b. de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; d. wie de ondersteuningsverlener is die de ondersteuning zal leveren; e. de termijn waarbinnen het pgb moet worden aangewend; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget; en 2/28

g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 4. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde maatwerkvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd.

g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 4. Als met de beschikking wordt besloten tot het (gedeeltelijk) afwijzen van de gevraagde maatwerkvoorziening of de gewenste verstrekkingsvorm van een pgb, dan bevat de beschikking de grond(en) waarop deze (gedeeltelijke) afwijzing is gebaseerd. 5. In afwijking van lid 2, onder b, wordt in de beschikking voor inwoners met een chronische aandoening of chronische beperkingen de duur van de verstrekking niet vermeld.

Artikel 4.4.1

Artikel 4.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient de inwoner bij de aanvraag om een maatwerk-voorziening tevens een pgb plan en als de voorzienig bestaat uit een dienst tevens een recente VOG van de directe zorgverlener(s), in te dienen. 2. 2. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie in de vorm van een dienst dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop.

Artikel 4.4.1 Verzoek 1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb stuurt de inwoner een pgb plan mee met de aanvraag voor de maatwerkvoorziening. Als de voorziening bestaat uit een dienst stuurt de inwoner tevens een recente VOG mee van de directe zorgverlener(s). 2. Op het moment dat de aanvraag gaat over het verlengen van een bestaande indicatie in de vorm van een dienst dan dient bij het verzoek ook het bijgehouden zorgplan te worden ingediend, inclusief een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn en een toelichting daarop.

Artikel 4.4.5

Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget 1. Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen het volgende informele tarief: a. Individuele begeleiding: € 13,00 per uur; b. Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten) c. Hulp bij het huishouden: € 13,00 per uur 2. De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in

Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget 1. Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen het volgende informele tarief: a. Individuele begeleiding: € 25,50 per uur; b. Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten) c. Hulp bij het huishouden: € 22,00 per uur. 2. De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in 3/28

3.

4.

5.

6.

7.

natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.146. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.706. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning (bezoekbaar maken) bedraagt € 2.967. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: a. Taxikostenvergoeding € 2.016 per jaar b. Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.486 per jaar c. Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is.

Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening.

3.

4.

5.

6.

7.

natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.289. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.829. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning (bezoekbaar maken) bedraagt € 3.102. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: a. Taxikostenvergoeding € 2.108 per jaar b. Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.599 per jaar c. Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is.

Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto, of wanneer het een minderjarige betreft de auto van zijn ouder, bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. 4/28

8. Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst.

8. Het Pgb voor een woonvoorziening in de vorm van een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, bedraagt maximaal de goedkoopst adequaatste optie uit de Nibud prijzenlijst.

Artikel 4.4.7

Artikel 4.4.7 Gebruik pgb 1. Een Pgb moet door de inwoner binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld. 2. Het is niet toegestaan om minder uren zorg in te kopen omdat de zorgverlener een hoger uurtarief hanteert. 3. Tenzij het gaat om een incidenteel Pgb, wordt het Pgb verstrekt via de SVB. De zorgverlener kan de kosten declareren bij de SVB, nadat deze zijn goedgekeurd door de beheerder.

Artikel 4.4.7 Gebruik pgb 1. Een Pgb moet door de inwoner binnen drie maanden na toekenning worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hier in de beschikking een andere termijn voor wordt vastgesteld. 2. Het is niet toegestaan om minder uren zorg in te kopen omdat de zorgverlener een hoger uurtarief hanteert. 3. Tenzij het gaat om een incidenteel Pgb, wordt het Pgb verstrekt via de SVB. De zorgverlener kan de kosten declareren bij de SVB, nadat deze zijn goedgekeurd door de beheerder. 4. Het recht op Pgb wordt beëindigd wanneer de Pgb-houder komt te overlijden.

Artikel 4.5.1

Artikel 4.5.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Inwoners die woonachtig zijn in de zelfstandige woningen van woonzorglocatie Laurens Huize Sint Petrus zijn een bijdrage in de kosten van maximaal € 19,00 per maand verschuldigd voor huishoudelijke ondersteuning.

Artikel 4.5.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Vervallen.

Artikel 4.5.2

Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste €19,00 per maand per huishouden, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of

Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik kan maken of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste €19,00 per maand per huishouden, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 of 5/28

hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 0,96 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,14 per kilometer. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: a. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van het Besluit langdurige zorg; b. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(e) de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; d. Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; e. Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; f. Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; g. Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; h. Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of i. Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; j.

Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele

hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 1,08 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,17 per kilometer. Indexering van de tarieven vindt vanaf 2024 plaats en is gebaseerd op de MRDH-tarieven van het voorgaande jaar. 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd in de volgende situaties: a. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) al een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor beschermd wonen of op grond van het Besluit langdurige zorg; b. Als de inwoner of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. Als de inwoner gehuwd is en hij of zijn echtgeno(o)t(e) de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; d. Als het een maatwerkvoorziening voor een minderjarige inwoner betreft tot het achttiende levensjaar; e. Als het een maatwerkvoorziening rolstoel betreft; f. Als het een maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding betreft; g. Als het een maatwerkvoorziening onderhoud en reparatie van een voorziening betreft; h.

Als het een maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding betreft voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek; of i. Als de inwoner langer dan één kalendermaand is opgenomen in een tijdelijke instelling; 6/28

Artikel 4.6.1

afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. 6. De kostprijs van een Pgb is gelijk aan het budget dat beschikbaar is gesteld.

j.

Als de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. 6. De kostprijs van een Pgb is gelijk aan het budget dat beschikbaar is gesteld.

Artikel 4.6.1 Waardering mantelzorgers 1. De gemeente zorgt jaarlijks voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. 2. Het blijk van waardering wordt door de gemeente bepaald na overleg met het steunpunt mantelzorg en dient te passen binnen het daarvoor verstrekte budget. 3. De gemeente kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze waarop zorg wordt gedragen voor de blijk van waardering voor mantelzorgers in de gemeente en hoe hier een beroep op kan worden gedaan.

Artikel 4.6.1 Waardering mantelzorgers 1. De gemeente zorgt jaarlijks voor een blijk van waardering voor mantelzorgers. 2. Het blijk van waardering wordt door de gemeente bepaald na overleg met het steunpunt mantelzorg en dient te passen binnen het daarvoor verstrekte budget. 3. De gemeente kan in de beleidsregels bepalen op welke wijze een blijk van waardering wordt geboden aan mantelzorgers.

7/28

Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 5. Jeugd Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald.

Artikel 5.3.1

Bestaande tekst Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: 1) informatie, advies en training 2) jeugdgezondheidszorg 3) opvoedondersteuning b. lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp 2. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. GGZ Basis b. Diagnose en behandeling ernstig enkelvoudige dyslexie c. Begeleiding Ambulant d. Behandeling Groep e. Behandeling Individueel f. Dagbesteding g. Kortdurend Verblijf h. Vervoer i. Pleegzorg j. Opname k. Gesloten Jeugdhulp l. Opname met behandeling m. Gedwongen opname n. Langdurig verblijf Gezinshuis o. Langdurig Verblijf Training Zelfstandig Wonen p. Langdurig verblijf Open Residentieel q. Steun, hulp of behandeling r. Ambulante hulpverlening in thuissituatie s. Crisishulp t. Laag frequente medicatie controle u. Onderwijszorgarrangement v. Pak je kans

Nieuwe tekst Artikel 5.3.1 Vormen van jeugdhulp 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: 1) informatie, advies en training 2) jeugdgezondheidszorg 3) opvoedondersteuning b. lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp 2. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. GGZ Basis b. Diagnose en behandeling ernstig enkelvoudige dyslexie c. Begeleiding Ambulant d. Behandeling Groep e. Behandeling Individueel f. Dagbesteding g. Kortdurend Verblijf h. Vervoer i. Pleegzorg j. Opname k. Gesloten Jeugdhulp l. Opname met behandeling m. Gedwongen opname n. Langdurig verblijf Gezinshuis o. Langdurig Verblijf Training Zelfstandig Wonen p. Langdurig verblijf Open Residentieel q. Steun, hulp of behandeling r. Ambulante hulpverlening in thuissituatie s. Crisishulp t. Laag frequente medicatie controle u. Onderwijszorgarrangement

8/28

Artikel 5.3.10

Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie 1. In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt geen een individuele voorziening in de vorm van vaktherapie verstrekt als: a. De vaktherapie geen onderdeel uitmaakt van een concreet behandeltraject; b. De vaktherapeut niet is geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB); of c. Er meer dan 12 sessies van maximaal 1 uur worden ingezet. 2. De gemeente kan in individuele situaties gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder c genoemde aantal sessies en/of de duur daarvan, indien dit noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken en er geen alternatieve mogelijkheden zijn om te komen tot effectieve jeugdhulp. 3. 3. De gemeente hanteert voor vaktherapie een maximumtarief van € 80,00 per uur, waarbij maximaal 25% aan indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd.

Artikel 5.3.10 Aanvullende criteria individuele voorziening vaktherapie 1. In aanvulling op de criteria in artikel 5.3.7 wordt individuele voorziening in de vorm van vaktherapie alleen verstrekt als: a. De vaktherapie onderdeel uitmaakt van een concreet behandeltraject voor complexe of meervoudige problematiek; b. De vaktherapeut is geregistreerd bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB); c. Er maximaal 12 sessies van maximaal 1 uur worden ingezet. 2. De gemeente kan in individuele situaties gemotiveerd afwijken van het in het eerste lid onder c genoemde aantal sessies en/of de duur daarvan, indien dit noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken en er geen alternatieve mogelijkheden zijn om te komen tot effectieve jeugdhulp. 3. De gemeente hanteert voor vaktherapie een maximumtarief van € 84,00 per uur, waarbij maximaal 25% aan indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd.

Artikel 5.4.4

Artikel 5.4.4 Hoogte Persoonsgebonden budget 1. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner of zijn ouders opgesteld Pgb plan; b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: 1°. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de inwoner of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; 2°. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de inwoner of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken; en c. bedraagt het formele tarief voor jeugdhulp verleend door een professional die niet behoort tot het sociaal netwerk

Artikel 5.4.4 Hoogte Persoonsgebonden budget 1. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner of zijn ouders opgesteld Pgb plan; b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: 1°. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de inwoner of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; 2°. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de inwoner of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken; en c. bedraagt het formele tarief voor jeugdhulp verleend door een professional die niet behoort tot het sociaal netwerk 9/28

niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura; of d. bedraagt het informele tarief voor jeugdhulp verleend door een persoon die niet kan worden aangemerkt als een professional en/of door een persoon uit het sociale netwerk € 13,00 per uur voor begeleiding ambulant, € 35,00 per dagdeel voor kortdurend verblijf en € 125,00 per etmaal voor kortdurend verblijf. 2. Tot het sociale netwerk van de inwoner of zijn ouders behoren in elk geval bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad.

niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura; of d. bedraagt het informele tarief voor jeugdhulp verleend door een persoon die niet kan worden aangemerkt als een professional en/of door een persoon uit het sociale netwerk € 25,50 per uur voor begeleiding ambulant, € 35,00 per dagdeel voor kortdurend verblijf en € 125,00 per etmaal voor kortdurend verblijf. 2. Tot het sociale netwerk van de inwoner of zijn ouders behoren in elk geval bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad.

10/28

Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 6. Werk en re-integratie Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald.

Artikel 6.1.1

Bestaande tekst Artikel 6.1.1 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; c. c. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar.

Nieuwe tekst Artikel 6.1.1 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; c. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar. d. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; e. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; f. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, lid 2, onder f, van de wet; g. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, lid 1 en 3, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; h. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; 11/28

i.

voorziening: door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; j. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; k. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d, lid 1 of 2, van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; l. wet: Participatiewet. Artikel 6.1.2

Artikel 6.1.2 Afwegingskader 1. De gemeente kan de voorziening bedoeld in artikelen 6.2.1, 6.2.3, 6.2.4, 6.2.8 en 6.2.10 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2. De gemeente kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 6.2.1, 6.2.2, 6.2.4, 6.2.5, 6.2.6, 6.2.7, 6.2.8 en 6.2.9 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3. De gemeente houdt bij het aanbieden van de in paragraaf 6.2 opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. 4. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37

Artikel 6.1.2 Afwegingskader 1. De gemeente kan de voorziening bedoeld in artikelen 6.2.1, 6.2.3, 6.2.4, 6.2.8, 6.2.8a, 6.2.8b en 6.2.10 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2. De gemeente kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 6.2.1, 6.2.2, 6.2.4, 6.2.5, 6.2.6, 6.2.7, 6.2.8, 6.2.8a, 6.2.8b en 6.2.9 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3. De gemeente houdt bij het aanbieden van de in paragraaf 6.2 opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. 4. De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; 12/28

van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze paragraaf genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, onder 2 van de Participatiewet; d. naar het oordeel van de gemeente de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze paragraaf worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 5.

De gemeente stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, de gemeente in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit onderdeel geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 5. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze paragraaf genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, onder 2 van de Participatiewet; d.

naar het oordeel van de gemeente de voorziening niet langer bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; 13/28

e. de voorziening naar het oordeel van de gemeente niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze paragraaf worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 6. De gemeente biedt de meest adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 7. De gemeente stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, de gemeente in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit onderdeel geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel 6.2.2

Artikel 6.2.2 Sociale activering 1. De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. De gemeente stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de

Artikel 6.2.2 Sociale activering 1. De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. De gemeente stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de 14/28

mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.

mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. 3. De gemeente biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

15/28

Artikel 6.2.3

Artikel 6.2.3 Detacheringsbaan 1. De gemeente kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 6.2.3 Detacheringsbaan 1. De gemeente kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 6.2.6

Artikel 6.2.6 Beschut werk 1. De gemeente biedt, volgens artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet, de voorziening beschut werk aan een persoon uit de doelgroep aan die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2. De gemeente wint advies in bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voor de beoordeling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, tenzij die persoon zelf al het advies heeft aangevraagd. 3. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet de gemeente onder andere de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

Artikel 6.2.6 Beschut werk 1. De gemeente biedt, volgens artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet, de voorziening beschut werk aan een persoon uit de doelgroep aan die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2. De gemeente wint advies in bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voor de beoordeling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, tenzij die persoon zelf al het advies heeft aangevraagd. 3. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet de gemeente onder andere de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 16/28

Artikel 6.2.7

4. De gemeente stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. De gemeente stelt niet meer plekken voor beschut werk beschikbaar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. 5. De gemeente biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. 6. De gemeente bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. 7. Tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking op een beschutte werkplek, kan de gemeente aan personen uit de doelgroep een werkstage aanbieden zoals bedoeld in artikel 6.2.1.

4. De gemeente stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. De gemeente stelt niet meer plekken voor beschut werk beschikbaar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. 5. De gemeente biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. 6. De gemeente bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. 7. De gemeente kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, lid 1, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. arbeidsmatige dagbesteding als bedoeld in artikel 4.5.2, lid 5, sub h; b. sociale activering als bedoeld in artikel 6.2.2; c. scholing als bedoeld in artikel 6.2.4; d. persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 6.2.8; of e. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

Artikel 6.2.7 Ondersteuning bij leerwerktraject De gemeente kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie de gemeente van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leerwerktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de

Artikel 6.2.7 Ondersteuning bij leerwerktraject De gemeente kan overeenkomstig artikel 10f van de wet ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie de gemeente van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leerwerktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de 17/28

Artikel 6.2.8

Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Artikel 6.2.8 Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan de gemeente persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van tijdelijke, langdurige of structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

Artikel 6.2.8 Persoonlijke ondersteuning 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke onder-steuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.1.2, vierde en vijfde lid, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week of heeft de intentie de arbeidsduur op te bouwen naar minimaal 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplek-aanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. 18/28

3. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen zes maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrek-king zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 4. De gemeente besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 6.2.8a

Artikel 6.2.8a Persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoach) 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura als volgt verstrekken: a. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van de gemeente; b. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van een overheidsorgaan waarbij de voorziening is ingekocht; c. als subsidie in de vorm van een jobcoachcheque aan de werkgever of jobcoachorganisatie. 2. De in het vorige lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij andere voorzieningen, anders dan in dienstverband, gericht op arbeidsinschakeling. 3. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet: a. in het bezit zijn van het keurmerk Register Jobcoach van de beroepsvereniging Noloc; b. een Noloc geaccrediteerde opleiding volgen; of c. binnen een redelijke termijn starten met een Noloc geaccrediteerde opleiding. 19/28

4. Indien de persoonlijke ondersteuning wordt verstrekt als subsidie, als bedoeld in het tweede lid onder c, is in afwijking van het eerste lid geen keurmerk Register Jobcoach van de beroepsvereniging Noloc nodig. Bij deze vorm van jobcoaching geeft de gemeente voorkeur aan een jobcoach in dienst bij een werkgever of jobcoach-organisatie die beschikt over het Blik op Werkkeurmerk of het OVAL-keurmerk. 5. Indien de jobcoaches niet over een (h)erkende kwaliteitstandaard beschikt, gaat de gemeente in overleg om minimale waarborgen af te spreken. 6. Een jobcoach als bedoeld in het vierde lid mag geen directe collega of leidinggevende van de werknemer zijn. 7. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de voorwaarden zoals vermeld in de instrumentengids Dennis. Artikel 6.2.8b

Artikel 6.2.8b Interne werkbegeleiding 1. De gemeente kan, ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking, een subsidie verlenen aan een werkgever voor de aantoonbare meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van interne werkbegeleiding, indien de persoon voor het kunnen verrichten van zijn werk is aangewezen op begeleiding, die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat. 2. De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt uitsluitend verleend indien: a. de noodzaak hiertoe is gebleken uit een objectieve loonwaardemeting; b. de intern werkbegeleider een training heeft gevolgd, die hem in staat stelt werkbegeleiding te bieden aan een persoon met een arbeidsbeperking; en c. de intern werkbegeleider op vaste tijden beschikbaar is. 20/28

3. De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt afgestemd op de behoefte van de werknemer, maar bedraagt maximaal zes maanden. 4. Indien de werknemer, na de periode als bedoeld in het vorige lid, nog niet in staat is zijn werkzaamheden, zonder onder-steuning van een intern werkbegeleider te verrichten, kan deze eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden. 5. De voorwaarden voor deze voorziening zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in de instrumentengids Dennis. 6. Om de werkgever of medewerkers in dienst van deze werkgever in staat te stellen de werkbegeleiding te bieden, kan de gemeente deze werkgever of medewerkers in dienst van deze werkgever een training aanbieden. Artikel 6.2.9

Artikel 6.2.9 Proefplaatsing Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan de gemeente persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van tijdelijke, langdurige of structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

Artikel 6.2.9 Proefplaatsing 1. De gemeente kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van maximaal twee maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. De gemeente maakt daarbij geen gebruik van de wettelijke mogelijk-heid tot verlenging met maximaal vier maanden. 2. Het doel van een proefplaatsing is de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. de gemeente verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het 21/28

vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. De gemeente weigert de toestemming als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. Artikel 6.2.12

Artikel 6.2.12 Uitstroompremie 1. De gemeente kan op verzoek eenmalig een uitstroompremie van € 500,00 toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand. 2. Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. 3. Onder duurzaam in de zin van het eerste lid wordt verstaan een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden waaruit tenminste een inkomen wordt ontvangen waardoor geen recht meer bestaat op een bijstandsuitkering. 4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt binnen drie maanden nadat is voldaan aan de voorwaarden ingediend op

Artikel 6.2.12 Uitstroompremie 1. De gemeente kan op verzoek eenmalig een uitstroompremie van € 500,00 toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een bijstandsuitkering van de gemeente. 2. Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. 3. Onder duurzaam in de zin van het eerste lid wordt verstaan een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden waaruit tenminste een inkomen wordt ontvangen waardoor geen recht meer bestaat op een bijstandsuitkering. 4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt binnen drie maanden nadat is voldaan aan de voorwaarden ingediend op 22/28

de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel 6.2.12a

de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel 6.2.12a Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 1. De gemeente kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 6.4.3, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste percentage 50% van de loonkosten gedurende maximaal 12 maanden respectievelijk 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare respectievelijk de uiterst kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; en b. geen startkwalificatie bezit; en c. ouder is dan 40 jaar; of d. alleenstaande ouder is met thuiswonende kinderen. 4. Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 18 maanden werkloos is geweest. 5. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 6.

De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 23/28

Artikel 6.4.3

Artikel 6.4.3 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. De gemeente verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkosten-subsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. [Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.] 4. De gemeente stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5.

De gemeente neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

24/28

Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 7. Inkomen Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald.

Artikel 7.1.2

Paragraaf 7.2 Artikel 7.2.2

Bestaande tekst Artikel 7.1.2 Langdurig laag inkomen en vermogen 1. Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 36, lid 1 Participatiewet als zijn inkomen gedurende de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) niet hoger was dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm en zijn vermogen gedurende deze periode niet hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Onder inkomen wordt verstaan, inkomen zoals bedoeld in de Participatiewet en inkomen uit algemene bijstand. 2. In afwijking van het eerste lid kan de individuele inkomenstoeslag ook worden verstrekt indien er sprake is van een incidentele overschrijding van de inkomensgrens van maximaal € 150,00 gedurende maximaal 2 maanden en/of er sprake is van een marginale overschrijding van de inkomensgrens met enkele eurocenten.

Nieuwe tekst Artikel 7.1.2 Langdurig laag inkomen en vermogen 1. Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 36, lid 1 Participatiewet als zijn inkomen gedurende de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) niet hoger was dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm en zijn vermogen gedurende deze periode niet hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Onder inkomen wordt verstaan, inkomen zoals bedoeld in de Participatiewet en inkomen uit algemene bijstand. 2. In afwijking van het eerste lid kan de individuele inkomenstoeslag ook worden verstrekt indien er sprake is van een incidentele overschrijding van de inkomensgrens van maximaal € 150,00 gedurende maximaal 2 maanden en/of er sprake is van een marginale overschrijding van de inkomensgrens met enkele eurocenten.

Paragraaf 7.2 Individuele studietoeslag

Paragraaf 7.2 Studietoeslag

Artikel 7.2.2 Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

Artikel 7.2.2 Eenmaal per studiejaar studietoeslag verlenen Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een studietoeslag.

25/28

Artikel 7.2.3

Artikel 7.2.3 Hoogte individuele studietoeslag De hoogte van de individuele studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en bedraagt: a. € 300,00 netto per maand voor een inwoner van 21 jaar en ouder; b. € 240,00 netto per maand voor een inwoner van 20 jaar; c. € 180,00 netto per maand voor een inwoner van 19 jaar; d. € 150,00 netto per maand voor een inwoner van 18 jaar.

Artikel 7.2.3 Hoogte studietoeslag De hoogte van de studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en komt overeen met het op dat moment geldende bedrag wat de rijksoverheid hanteert.

Artikel 7.2.4

Artikel 7.2.4 Betaling individuele studietoeslag Een individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

Artikel 7.2.4 Betaling studietoeslag De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

26/28

Was-wordt-tabel Wijziging Hoofdstuk 10. Slotbepalingen Toelichting In de ‘nieuwe tekst’ zijn de woorden en zinnen waaraan iets verandert, cursief gezet en vetgedrukt. Weglatingen in de ‘oude tekst’ zijn doorgehaald.

Artikel 10.2.3

Bestaande tekst Artikel 10.2.3 Overgangsrecht 1. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 2. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten die op grond van de oude verordening zijn genomen, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening die hiervoor zijn geldigheid behoudt. 3. Voor de in deze verordening en de oude verordening opgenomen tarieven geldt dat het op het moment van aanvraag geldende tarief wordt gehanteerd. Indien een Pgb wordt toegekend dan is het oude tarief, indien dit hoger ligt dan het tarief op grond van deze verordening, voor maximaal 6 maanden van toepassing. 4. Een inwoner behoudt zijn recht op een lopende voorziening, welke is verstrekt op grond van de oude verordening, totdat de gemeente een nieuw besluit heeft genomen. De gemeente neemt hierbij een redelijke overgangstermijn van zes maanden in acht, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen. 5. De artikelen 4:15a t/m 4:15e van de oude verordening, inzake de blijverslening, behouden hun geldigheid voor lopende leningen voor zolang de looptijd die lopende lening nog niet is verstreken. 6. 6.

Sociaal medische indicaties (SMI) die uiterlijk 31 december 2022 aflopen worden ambtshalve verlengd voor de duur van zes maanden. Binnen deze periode vindt een herbeoordeling van de indicatie plaats door

Nieuwe tekst Artikel 10.2.3 Overgangsrecht 1. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 2. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten die op grond van de oude verordening zijn genomen, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening die hiervoor zijn geldigheid behoudt. 3. Voor de in deze verordening en de oude verordening opgenomen tarieven geldt dat het op het moment van aanvraag geldende tarief wordt gehanteerd. Indien een Pgb wordt toegekend dan is het oude tarief, indien dit hoger ligt dan het tarief op grond van deze verordening, voor maximaal 6 maanden van toepassing. 4. Een inwoner behoudt zijn recht op een lopende voorziening, welke is verstrekt op grond van de oude verordening, totdat de gemeente een nieuw besluit heeft genomen. De gemeente neemt hierbij een redelijke overgangstermijn van zes maanden in acht, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen. 5. De artikelen 4:15a t/m 4:15e van de oude verordening, inzake de blijverslening, behouden hun geldigheid voor lopende leningen voor zolang de looptijd die lopende lening nog niet is verstreken.

27/28

het CJG. Belanghebbenden met een SMI worden hierover uiterlijk 31 december 2022 geïnformeerd. Na afloop van deze verlenging vindt een overgangsperiode van drie maanden plaats waarin het SMI-beleid van vóór 1 januari 2023 nog van toepassing is, zodat belanghebbenden kunnen wennen aan een eventuele nieuwe situatie.

28/28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=eb94071e-18f8-4978-8acf-e45220246e43