CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T23.00324] Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” te Berkel en Rodenrijs (T23.00324)

Commissie Ruimte 14 maart 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan "Noordeindseweg 340" te Berkel en Rodenrijs28.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

47

wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn. Aan deze regels moet worden voldaan, ongeacht de ontwikkeling. De lichtuitstraling die met inachtneming van die regels eventueel resteert is aanvaardbaar. Daarbij wordt een afstand van 10 m tot aan de woningen gerespecteerd, en zijn in redelijkheid ook geen andere maatregelen te treffen. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat bij de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is, en het bedrijf door de ontwikkeling niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd wordt. Ten zuiden van het plangebied ligt de bestemming ‘Gemengd’. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor agrarische grondgebonden bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten (overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren met uitzondering van een paardenhouderij, een manege, een paardenfokkerij en/of een intensieve veehouderij), weilanden en/of landbouwgronden, agrarisch landschapsbeheer, water en recreatie. Verder mogen wegen en paden maximaal 15% van de bestemming beslaan, en mag het bestemmingsvlak niet meer dan 5% worden bebouwd. In de toelichting bij het vigerende bestemmingsplan is aangegeven dat deze bestemming is opgenomen voor percelen die volgens de structuurvisie “Het Lint” als ‘groen’ zijn aangeduid.

Het perceel ten zuiden van het plangebied is voornamelijk in gebruik als weidegrond, en een kleine paardenbak. Agrarische bedrijvigheid met een richtafstand die een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling vindt hier feitelijk niet plaats. Hoewel de gronden hier momenteel niet voor worden gebruikt is binnen de bestemming wel agrarische bedrijvigheid toegestaan. In dit kader kan worden gesteld dat de zuidelijke nieuwe woning tenminste op 20 m uit de perceelsgrens wordt gerealiseerd, geborgd middels het bouwvlak. Daarmee wordt in ieder geval voldaan aan de richtafstand voor categorie 2-bedrijvigheid in gemengd gebied (10 m). Gezien de kleinschaligheid van de locatie, lijkt het aannemelijk dat de hier toegestane bedrijvigheid daaraan naar aard en omvang gelijk te stellen zal zijn. Daarnaast bevindt de bebouwing – die vanuit milieuoogpunt met name van belang is – zich verder weg van de nieuwe woning aan de zuidwestkant van het perceel. Bovendien zijn de ontwikkelingsmogelijkheden van het perceel voor bedrijvigheid al beperkt, gezien het feit dat de planologisch toegestane 5% bebouwing al grotendeels is ingevuld met de bestaande bebouwing. Ook bevindt zich direct grenzend aan de westzijde van de bestemming ‘Gemengd’ als een woonbestemming.

Zodoende kan worden beargumenteerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen verdere belemmering vormt voor de planologische mogelijkheden van het naastgelegen perceel. 7.6.3 Conclusie Gezien het bovenstaande worden geen belemmeringen verwacht en is nader onderzoek niet benodigd. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

7.7

Externe veiligheid

7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

48

gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol.

Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk en stof. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt.

Het invloedsgebied is afhankelijk van de afstand van de 1% letaliteitsgrens van de verschillende stoffen over de transportroute. Voor de meest bepalende stofcategorie GF3 (zoals LPG) is dat 355 meter, gemeten vanaf de as van de transportroute. Binnen het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht GR wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het GR.

7.7.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig: - CO2 leiding van Ocap Trading B.V; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de N470 en de rijksweg A12.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

49

Buisleiding Op de risicokaart is te zien dat ten noorden van het plangebied een CO2 leiding van Ocap Trading B.V. is gelegen. Het Bevb is van toepassing op CO2 leidingen. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2 leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico's en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico's en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter vanuit het hart van een ondergrondse buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24-08-2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recenter onderzoek aan CO2 leiding (Tebodin, documentnummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. Deze buisleiding vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Wel dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van toxische stoffen is afhankelijk van de stofcategorie maximaal 4.000 meter. Het plangebied bevindt zich buiten het verantwoordingsgebied van N470 en de rijksweg A12, maar binnen het invloedsgebied van toxische stoffen.

Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’ voor de N470 en de rijksweg A12. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen aanwezig zijn. Door een incident op de weg kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied in het geval van ammoniak opgemerkt worden door de herkenbare geur. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.

Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een E-Alert wordt ingezet. Risicocommunicatie naar toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur/koopcontract voor een woning kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Voor de voorlichting kan gebruik gemaakt worden van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand” en de website www.rijnmondveilig.nl.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

50

7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het bestemmingsplan voor advies voorgelegd aan de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond heeft laten weten dat er met betrekking tot dit plan geen relevante fysieke veiligheidsaspecten zijn geconstateerd.

7.8

Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland Ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging van luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” zijn technische installaties en systemen op en in de omgeving van het luchtvaartterrein aanwezig. Deze zogenaamde Communicatie, Navigatie en Surveillance (CNS)-infrastructuur maakt gebruik van radiogolven die uitgezonden en/of ontvangen worden door antennesystemen. Obstakels, zowel vast (gebouwen, windmolens, et cetera) als mobiel (bouwkranen, heistellingen, et cetera) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Verstoring van de apparatuur maakt de CNS apparatuur minder betrouwbaar of zelfs geheel onbruikbaar waardoor direct de veiligheid van het luchtverkeer wordt beïnvloed. Het is daarom in het belang van de veiligheid van de luchtvaart alles in het werk te stellen om de diverse systemen tegen verstorende obstakels te beschermen.

Aan de hand van de internationale burgerluchtvaartcriteria dient beoordeeld te worden of de voorgenomen bouwplannen en werktuigen van invloed zijn op de correcte werking van CNS-hulpmiddelen. Het plangebied bevindt zich buiten het toetsingsvlak van de CNS-apparatuur (afbeelding 7.4). Het is dan ook niet nodig om in dit bestemmingsplan een beschermende regeling op te nemen.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

51

Afbeelding 7.4: toetsingsvlakken ILS 24.

Akoestiek Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” speelt ook het aspect ‘akoestiek’ een rol. De maatgevende contour, waarbinnen geen geluidgevoelige bebouwing (zoals woningen) mag worden gerealiseerd, is weergegeven middels de zogenaamde 35 KE-contour. Voorliggend plangebied is gelegen buiten de geluidszones van de luchthaven. Er gelden ten aanzien van geluidhinder als gevolg van de luchthaven binnen voorliggend plangebied geen restricties. VOR/DME Het plangebied bevindt zich nabij het toetsingsvlak behorende bij de VOR/DME RTM (Rotterdam). Een VOR (VHF Omni-Directional Radiorange) geeft een vliegtuig koersinformatie en een DME (Distance Measuring Equipment) geeft een vliegtuig afstandsinformatie. Het toetsingsvlak van de VOR/DME kent een 600 m vrije straal gemeten vanaf de basis van de antenne op maaiveldhoogte. Binnen deze straal van 600 m geldt een toetsingshoogte van 0 m; elk op te richten object kan verstoring veroorzaken. Vanaf het 0 meter vlak loopt het toetsingsvlak trechtervormig omhoog tot een hoogte van 46,07 m (NAP) op een afstand van 3 km (zie onderstaande afbeelding 7.5). Het plangebied ligt niet binnen het genoemde toetsingsvlak VOR/DME van 3 km. Er is om die reden ook geen vrijwaringszone opgenomen op de verbeelding.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

52

Afbeelding 7.5: toetsingsvlak VOR/DME.

Invliegfunnel Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” hoort een aanvliegroute (invliegfunnel). In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken tot de aangegeven hoogtes. Zoals blijkt uit afbeelding 7.6 ligt het plangebied niet binnen een zone waarvoor een toetsingshoogte geldt. Het is daarom niet nodig dat er voor de invliegfunnel een beschermende regeling in het plan wordt opgenomen.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

53

Afbeelding 7.6: uitsnede kaart hoogtebeperkingen invliegfunnel Rotterdam The Hague Airport.

7.9

Duurzaamheid

7.9.1 Kader Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het Klimaatakkoord dat op 26 juni 2019 door het kabinet is gepresenteerd staan afspraken met verschillende sectoren om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en de doelen uit de Klimaatwet te kunnen halen. Deze afspraken zijn ingedeeld per sector: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Zo is voor de gebouwde omgeving afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn, en in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor gemeentes, en wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd.

Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

54

worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%). Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid Holland In oktober 2018 heeft een groot aantal partijen in Zuid-Holland het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend, waaronder provincie, gemeenten, waterschappen, bouwbedrijven, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars.

Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Met het convenant is de ambitie vastgelegd dat nieuwbouwlocaties in ZuidHolland zoveel mogelijk klimaatadaptief worden gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. De urgentie hiervan is ingegeven door het Deltaprogramma in combinatie met de grote bouwopgave in Zuid-Holland. Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat daarnaast voor een grote woningbouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. De procesafspraken uit het convenant zijn vervolgens vertaald in een ‘Minimaal Programma van Eisen’, dat op 13 september 2019 aan de Deltacommissaris is overhandigd. Dit programma dient als voorlopige maatregel, totdat een instrumentarium ontwikkeld is waarmee de klimaatbestendigheid van nieuwbouwprojecten kan worden beoordeeld. Het programma biedt praktische en concrete eisen die partijen in Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn nieuwbouwplannen klimaatbestendig te ontwikkelen. Het is bedoeld om vooraf ruimtelijke plannen en ontwerpen aan te toetsen. De eisen zijn ingedeeld in zes thema’s: - Wateroverlast; - Droogte; - Hitte; - Bodemdaling; - Biodiversiteit; - Overstromingen.

Hierbij is eveneens een Leidraad klimaatadaptief bouwen opgesteld. Dit dient als hulpmiddel ter ondersteuning bij het concretiseren van de klimaatambities en het beoordelen van de gebiedsontwikkeling op de zes klimaatthema’s. In de leidraad worden de thema’s inhoudelijk uitgewerkt. De thema’s zijn verbonden door de vaste stappen in het proces. De leidraad bestaat uit twee delen. Het eerste deel beschrijft per thema welke stappen genomen moeten worden om de ambities vast te leggen in eisen en te beoordelen. Het tweede geeft meer context aan en toelichting op het geheel. Lansingerland Duurzaam (Duurzaamheidsvisie) De gemeente Lansingerland heeft de ambitie vastgesteld om in 2050 een CO2-neutrale gemeente te zijn. Hiertoe is de duurzaamheidsvisie ‘Lansingerland duurzaam’ opgesteld, die op 18 juli 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. Door een inzet op de thema’s energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie wil de gemeente ook voor de toekomst de kwaliteit

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

55

van wonen en onze aantrekkelijke leefomgeving behouden en de impact op het milieu en het klimaat te minimaliseren. Dat betekent de overgang van fossiele bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen, gesloten grondstofkringlopen met een zo hoog mogelijk behoud van waarde en de aanpassing aan klimaatverandering om de negatieve effecten hiervan op te vangen, zodat een zekere mate van klimaatbestendigheid ontstaat. Daarbij geeft de gemeente zelf het goede voorbeeld, maar vraagt de gemeente ook iets van andere partijen. Lansingerland Duurzaam – Uitvoeringsagenda 2019-2022 Als praktische uitwerking van de duurzaamheidsvisie ‘Lansingerland duurzaam’, heeft de gemeenteraad van Lansingerland op 30 januari 2020 de Uitvoeringsagenda 2019-2022 vastgesteld. Deze uitvoeringsagenda geeft voor de periode tot en met 2022 aan welke keuzes de gemeente maakt en met welke projecten ze aan de slag is en nog gaat om de doelen in de visie te behalen. De uitvoeringsagenda bestaat uit een groot aantal concrete initiatieven die op de korte en lange termijn bijdragen aan het realiseren van de visie ‘Lansingerland Duurzaam’. De gemeente kan en wil dit niet alleen doen, maar samen met inwoners, bedrijven en andere overheden.

Het doel van het document is om de inhoud en aansturing van de initiatieven transparant te maken voor de raad, inwoners, bedrijven en andere betrokkenen binnen en buiten Lansingerland. Met de uitvoeringsagenda wordt een uitwerking gegeven van de hoofdthema’s uit de visie: Energietransitie, Circulaire economie en Klimaatadaptie. Het thema Energietransitie staat voor de transitie naar het gebruik van duurzame en hernieuwbare bronnen voor het opwekken van energie ter vervanging van fossiele bronnen. Circulaire economie betreft het optimaal sluiten van grondstoffen kringlopen, met een zo hoog mogelijk behoud van waarde, waarbij ingezet wordt op nieuwe vormen van consumptie zoals de ‘deeleconomie’. Klimaatadaptatie tenslotte gaat over de aanpassing aan klimaatverandering met als doel negatieve effecten hiervan op te vangen en zo een zekere mate van klimaatbestendigheid te bereiken. Per thema worden de verschillende initiatieven benoemd, tot welk domein deze behoren, of het een project, beleid of activiteit betreft, en of er toekomstige besluitvorming aan gekoppeld is. Energietransitie – Beleid / activiteit: Duurzame woningbouw Voor het thema Energietransitie wordt onder meer duurzame woningbouw als beleid / activiteit benoemd. De gemeente Lansingerland heeft een grote woningbouwopgave.

Deze woningbouw leidt nog vrijwel altijd tot een toename van de CO2-uitstoot, meer verharding en minder groen en nieuw materiaalgebruik. Voor gemeente Lansingerland is het de uitdaging om duurzaam te groeien in lijn met duurzaamheidsambities van CO2-neutraliteit, klimaatadaptie en een circulaire economie. In 2018 en 2019 zijn het Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling (kader DGO, zie hieronder) en de Leidraad Duurzame Inrichting Openbare Ruimte (DIOR) vastgesteld. In 2019 is het convenant klimaatadaptief bouwen ondertekend, zoals reeds beschreven in deze paragraaf. Deze beleidstukken past de gemeente doorlopend toe bij haar woningbouwprojecten en de inrichting van de openbare ruimte bij die woningen. Deze vormen de basis voor de onderwerpen duurzame energie, circulaire economie en klimaatadaptatie. Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling In het Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling (DGO) zijn de richtlijnen aangegeven voor alle ruimtelijke nieuwbouwprojecten, op de drie focusthema’s energie, circulaire grondstoffen en klimaatadaptatie. Per thema zijn de minimale criteria voor de te realiseren duurzaamheidsprestaties aangegeven. Daarbij is een ‘aanvullend niveau’ en ‘verbeterd aanvullend niveau’ aangegeven.

Hoewel het gaat om een richtlijn, dient per ontwikkelingsproject te worden bekeken (in de planontwikkeling of bijvoorbeeld een anterieure overeenkomst) hoe wordt aangesloten bij de in het DGO genoemde criteria en duurzaamheidsmaatregelen. Daarbij dient het ‘verbeterd aanvullend niveau’ het streven te zijn, maar tenminste op het minimale niveau tel worden ontwikkeld.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

56

7.9.2 Onderzoek en conclusie Voor wat betreft de nieuwe woningen wordt in ieder geval toepassing gegeven aan de wettelijke verplichtingen op het gebied van duurzaamheid. Zo zullen de woningen onder meer zonder gasaansluiting worden gerealiseerd en voldoen aan de BENG-eisen. Daarnaast zal in het definitieve ontwerp van de nieuwe woning rekening gehouden worden met het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid zoals uiteengezet in deze paragraaf.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

57

8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld die tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Met betrekking tot voorgenomen ontwikkeling wordt door de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van exploitatieplan is niet noodzakelijk. De economische uitvoerbaarheid van het plan wordt zodoende voldoende gewaarborgd geacht.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in de realisatie van twee nieuwe vrijstaande woningen op de locatie van een bestaand kassencomplex. Met het nieuwbouwplan wordt een ruimtelijke kwaliteitsverbetering gerealiseerd door het vervangen van de kassen en het toevoegen van een aantrekkelijke nieuwe woonomgeving. De ontwikkeling wordt ingepast in het bestaande bebouwingslint, en sluit aan bij de geleidelijke verkleuring van het lint dat door de jaren heen steeds verder is en wordt ingevuld met (kleinschalige) woningbouw. Daarnaast wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het Rijk, de provincie en gemeente, zoals afgewogen in deze toelichting. Daarnaast wordt in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook hoofdstuk 9 van deze toelichting). Gezien het bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.

8.3

Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

58

Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. De handhaafbaarheid van een wijzigingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling Door middel van het opnemen van flexibiliteitsbepalingen (binnen de bestemmingen en door middel van (algemene) afwijkings- en wijzigingsregels) wordt ingespeeld op de toekomstige ontwikkelingen. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn, tot slot, zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

59

9

Procedure

9.1

Voorbereidingsfase Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In dit kader is het vooroverlegbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de verschillende belanghebbende instanties. De ontvangen vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord in een Nota vooroverleg en staat van wijzigingen, die als bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd. Van de DCMR en het Hoogheemraadschap van Delfland is een inhoudelijke overlegreactie ontvangen. De DCMR heeft in haar overlegreactie de milieuaspecten en -onderzoeken beoordeeld. Naar aanleiding daarvan is het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai aangevuld. Voor de uitkomsten had dit geen gevolgen. Bij de beoordeling van het verkennend bodemonderzoek werd geconcludeerd dat nog niet voldoende was aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Na afstemming tussen ABO-Milieuconsult en DCMR is overeengekomen aanvullend een indicatief asbestonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is uitgevoerd en in het bestemmingsplan verwerkt.

Verder is in de paragraaf van de m.e.r.beoordeling een tekstuele wijziging doorgevoerd. Voor het overige zijn de milieuaspecten voldoende in het plan uitgewerkt en waren er geen aanpassingen benodigd. Naar aanleiding van de overlegreactie van het hoogheemraadschap, is de waterparagraaf op enkele punten aangevuld.

9.2

Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen en/of aanvullingen volgend uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, evenals ambtshalve wijzigingen. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 Awb) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is in de Staatscourant geplaatst en ook via elektronische weg gebeurd. Tevens is de kennisgeving toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, het waterschap en belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 1 september tot en met 12 oktober 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook zijn de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties toegezonden (artikel 3:13 Awb), en is aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving). Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn twee zienswijzen ingediend.

De ontvangen zienswijzen zijn samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien in de Nota zienswijzen en staat van wijzigingen, die als bijlage 12 bij deze toelichting is opgenomen.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

60

9.3

Vaststellingsfase De aanpassingen die volgen uit de zienswijzen zijn doorgevoerd. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging dient de gemeenteraad te beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen een besluit omtrent vaststelling staat rechtsreeks beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De termijn om beroep in te dienen bij de ABRvS vangt aan met ingang van de dag nadat het vaststellingsbesluit ter inzage is gelegd. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking en kunnen vergunningen worden afgegeven.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” Toelichting Vast te stellen 17 januari 2023

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 ABO-Milieuconsult (24 maart 2022) Flora- en faunaonderzoek Noordeindseweg 340 – Berkel en Rodenrijs

FLORA- EN FAUNAONDERZOEK NOORDEINDSEWEG 340 BERKEL EN RODENRIJS

Opdrachtgever

:

KuiperCompagnons T.a.v. de heer R. Kool Postbus 13042 3004 HA Rotterdam

Vestiging

:

ABO-Milieuconsult B.V. Curieweg 19 2408 BZ Alphen aan den Rijn tel. +31 (0)172 449827

Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage

: : :

ANL21-5769 februari 2022 24 maart 2022

Veldmedewerker:

De heer R.F.M. Sluijs (Ecoloog)

Projectadviseur:

De heer D.D.C.A. Bijl

Handtekening:

Dhr. R.J. van der Helm General Business Unit Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doel van het onderzoek .................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ....................................................................................................................................... 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................................ 4 2.1 Bureaustudie ................................................................................................................................... 4 2.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 4 2.3 Effectenbeoordeling ........................................................................................................................ 4 3.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................... 5 3.1 Ligging plangebied.......................................................................................................................... 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied .................................................................................... 6 4. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................. 7 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten .................................................................................. 7 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland ...................................................... 8 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING .................................................................................. 9 5.1 Vleermuizen .................................................................................................................................... 9 5.2 Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................................... 10 5.3 Vaatplanten ...................................................................................................................................

10 5.4 Vogels ........................................................................................................................................... 10 5.5 Amfibieën en reptielen .................................................................................................................. 11 5.6 Overige beschermde soorten ....................................................................................................... 11 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL ............................................................... 12 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 .......................................................................... 12 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 .......................................................................... 12 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ............... 13 7. AANBEVELINGEN .............................................................................................................................. 14 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ................................................................................................ 18

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

2/18

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van KuiperCompagnons is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd op de locatie Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs. Aanleiding voor het uitvoeren van een flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot sloop van de vervallen kassen en de realisering van twee woningen binnen het plangebied. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot worden in hoofdstuk 7 aanbevelingen en in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.

Afbeelding 1: Bestaande situatie in het plangebied. De kassen op perceel A6211 worden gesloopt.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

3/18

2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 8 februari 2022 in de middag bij bewolkt weer en circa 10 graden Celsius. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.

De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.

Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

4/18

3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs. Het is gelegen te midden van glastuinbouwgebied met de ingang aan de doorgaande Noordeindseweg. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen geen Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot beschermde gebieden is het onwaarschijnlijk dat deze gebieden nadelig worden beïnvloed door de werkzaamheden.

Afbeelding 2: Ligging plangebied (rode cirkel midden) in een straal van circa 4 kilometer ten opzichte van omgeving. Bron: Provincie Zuid-Holland.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

5/18

3.2 Algemene beschrijving van het plangebied In het plangebied staan vervallen kassen van een voormalige teler. De kassen worden niet meer voor teelt gebruikt. Het onkruid wordt wel kort gehouden door de eigenaar, die hulp krijgt van schapen en geiten. De ruiten zijn op veel plaatsen kapot of verdwenen. Rond de kassen liggen smalle watergangen met een stijl talud, welke niet behoren bij het plangebied en waaraan ook niet gewerkt gaat worden. Er staan geen verdere opstallen en geen bomen in het plangebied.

Afbeelding 3: Foto-impressie van het plangebied en de directe omgeving

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

6/18

4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.

Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

7/18

4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: -a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; -(b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander, Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

8/18

5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek In het plangebied zijn gebouwen en geen bomen van voldoende grootte aanwezig, waardoor de aanwezigheid van verblijven van vleermuizen op voorhand kan worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek De kassen zijn ongeschikt bevonden als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen plaatsen waar vleermuizen veilig, rustig en zonder temperatuursverschillen kunnen hangen. Eveneens is het overdag nergens donker in de kas.

Afbeelding 4: In de kassen bevindt zich voornamelijk opslag van oude materialen.

Als foerageergebied heeft het plangebied geen functie, noch maakt het plangebied deel uit van een lijnvormig element. Conclusie vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Een lijnelement is niet aanwezig. Als foerageergebied heeft het plangebied geen essentiële functie. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

9/18

5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens en biotoop worden geen beschermde zoogdieren verwacht in het plangebied. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren of sporen van beschermde zoogdieren waargenomen. Algemene soorten zoogdieren soorten die voorkomen zijn waarschijnlijk muizen en mogelijk ratten, die afkomen op het voer van de verschillende huisdieren die aanwezig zijn. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren, of sporen hiervan, aangetroffen. Deze worden gezien het biotoop ook niet verwacht in de toekomst. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1). 5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens en biotoop kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De meeste beschermde planten zijn afhankelijk van een zeer specialistisch biotoop. Geconstateerd is dat het biotoop in het plangebied hiervoor niet geschikt is. Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan.

5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, worden niet verwacht vanwege het aanwezige biotoop. Resultaten veldbezoek Huismussen zijn niet waargenomen in het plangebied. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Vanwege de aanwezigheid van een kat, geiten en schapen, die zorgen voor verstoring is het uitgesloten dat algemene soorten in de rommel in de kassen gaan broeden. Huismussen zijn wel waargenomen bij het woonhuis, deze komen af op het voer van de kippen. De huismussen broeden mogelijk in het woonhuis, hoewel daarvan kort geleden het gehele dak is geïsoleerd. Mochten er huismussen broeden in het woonhuis, dan zullen ze van de sloopwerkzaamheden van de kassen geen hinder ondervinden tijdens het broeden. Het slopen is kortstondig en gebeurt zonder al te veel lawaai en zonder trillingen. Tijdens de bouwfase van de woningen zal verstoring van huismussen eveneens niet aan de orde zijn: de huizen worden gebouwd buiten de verstorende invloedsfeer. Conclusie vogels Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen.

Huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd, noch doet het plangebied dienst als (essentiële) foerageerplaats of schuilplaats voor huismussen. Vanwege afwezigheid van groen en de aanwezigheid van een kat is het uit te sluiten dat algemene soorten in het plangebied of binnen de verstorende invloedsfeer gaan broeden. Met het broedseizoen hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

10/18

5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek De aanwezigheid van beschermde soorten reptielen kan op basis van verspreidingsgegevens, biotoop en ligging ten opzichte van hun dichtstbijzijnde natuurlijke habitat worden uitgesloten. Wat betreft amfibieën komt de rugstreeppad voor in de verre omgeving van het plangebied. Deze zijn niet binnen een straal van 1km van het plangebied waargenomen. De rugstreeppadden zijn warmteminnend en komen daarom vooral voor in gebieden waarvan de bodem vaak sterk opwarmt en waarin ze kunnen graven. De rugstreeppad is vooral een soort die voorkomt op terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is bouwmateriaal om onder te schuilen een voorwaarde. Water dat snel opwarmt en waarin ze kunnen zitten, moet eveneens in de buurt zijn. Resultaten veldbezoek In het plangebied zijn vanwege de tijd van het jaar geen amfibieën waargenomen. Het plangebied is geschikt landbiotoop voor de rugstreeppad, omdat los zand dat snel opwarmt aanwezig is in de kassen. Als aquatisch biotoop is het ongeschikt: poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan voor voortplanting zijn niet aanwezig.

De aangrenzende watergangen zijn ongeschikt als voortplantingswater, omdat het talud van de slootjes veel te stijl is voor amfibieën en rugstreeppad in het bijzonder. Dit talud, de Noordeindseweg en alle kassen die tussen het plangebied en de natuurlijke habitat van rugstreeppad liggen, vormen te grote barrières voor rugstreeppad om het plangebied te bereiken. Conclusie amfibieën en reptielen Reptielen kunnen op basis van verspreidingsgegevens en biotoop worden uitgesloten. Voor de rugstreeppad geldt dat geschikt waterhabitat ontbreekt. Bovendien is het plangebied onbereikbaar vanuit de omgeving. Vanwege de afwezigheid van de beschermde rugstreeppad, is nader onderzoek naar het voorkomen van de rugstreeppad en maatregelen met betrekking tot de rugstreeppad niet noodzakelijk. Voor eventueel aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht, zie §6.1. 5.6 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek De verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Wet natuurbescherming zijn aanwezig in een ander biotoop dan het plangebied. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefomgeving. Meldingen van deze soorten in het plangebied zijn er niet, het verspreidingsgebied ligt buiten het plangebied.

Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen en vlinders, vanwege het ontbreken van poeltjes of waardplanten voor ei-afzetting. Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Maatregelen met betrekking tot deze soortgroepen hoeven niet te worden genomen.

Flora- en faunaonderzoek, Noordeindseweg 340 te Berkel en Rodenrijs, ANL21-5769

11/18

6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Het onderdeel gebiedsbescherming heeft vanwege de afstand tot beschermde gebieden geen invloed op de voorgenomen werkzaamheden. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Zodra een in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Invulling zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 In verband met het ontbreken van broedgelegenheid voor vogels hoeft met het broedseizoen geen rekening te worden gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=b1fc0324-b6b1-4ebc-91db-c2695a78c533