CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T23.00324] Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340” te Berkel en Rodenrijs

Gemeenteraad 30 maart 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan "Noordeindseweg 340" te Berkel en Rodenrijs28.839 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet In de Waterwet zijn acht oude waterwetten samengebracht: de Wet op de waterhuishouding, de Wet op de waterkering, de Grondwaterwet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904), de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (het zogenaamde 'natte gedeelte'), de Waterstaatswet 1900 en de Waterbodemparagraaf uit de Wet bodembescherming.

De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidi­ ge bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

25

De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomge­ bied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

5.1.2 Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe de provincie samen met haar partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al provinciaal beleid dat te maken heeft met water samen in 1 document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak van de provincie en laat de

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

26

samenhang tussen de verschillende onderwerpen duidelijk zien. Provinciale Staten waren onder de indruk hiervan en hebben het regionaal waterprogramma unaniem vastgesteld. Bij de uitwerking van het regionaal waterprogramma is intensief samengewerkt met een groot aantal belanghebbende partijen, waaronder de 7 Zuid-Hollandse waterschappen, drinkwaterbe­ drijven, omgevingsdiensten en gemeenten. Daarnaast hebben 23 partijen een zienswijze ingediend op het ontwerp-regionaal waterprogramma. Het regionaal waterprogramma wordt iedere 6 jaar geactualiseerd en als het nodig is vaker.

5.1.3 Regionaal beleid Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbe­ heerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kernta­ ken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraad­ schap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank.

Handreiking wate^oets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan; structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de nieuwe planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. De watertoets is gebaseerd op twee uitgangspunten: 1. Standstill-beginsel: dit houdt in dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen in elk geval niet mag verslechteren. Negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem moeten worden voorkomen; 2. Verbetering: veranderingen in de inrichting van een gebied bieden ook mogelijkheden om het watersysteem te verbeteren.

Kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen worden benut. Standstill-beginsel Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

27

van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechte­ ring optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterkeringen vallen onder de regels van de Keur en Algemene regels van het Hoogheemraadschap van Delfland. In deze verordening van het waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het waterschap. De Legger van het waterschap is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichti­ gen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de Legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriende­ lijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is.

Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen Delfland geeft met de Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen invulling aan zijn bevoegdheid om voorwaarden te stellen voor het medegebruik van de ruimte in, op, boven, over en onder regionale waterkeringen. De beleidsregel vormt het toetsingskader voor vergunningverlening op basis van de Waterwet en de Keur Delfland, vanaf het moment van inwerkingtreding. Met de Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen maakt Delfland voor alle betrokkenen intern en extern transparant op welke manier het medegebruik van de ruimte in, op, boven, over en onder de regionale waterkeringen wordt beoordeeld. Voor Delfland staat de veiligheid van de waterkering voorop. Een voorwaarde voor het toestaan van medege­ bruik is dat Delfland in het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd door het medege­ bruik. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst.

5.1.4 Gemeentelijk beleid Waterplan Lansingerland Op 29 april 2010 is het Waterplan Lansingerland vastgesteld. Het doel van het Waterplan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden. Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderde­ len hiervan zijn: a. een samenhangende beschouwing van de ambities, ruimtelijke ontwikkelingen en (water)problemen; b. een integrale (ruimtelijke) visie op het grondwater, oppervlaktewater en de riolering; c. een concreet maatregelenpakket voor de realisatie van maatregelen. De doelgroep van het stedelijk Waterplan bestaat uit bestuurders (van de gemeente en de hoogheemraadschappen), bewoners, beleidsmakers en beheerders. Het Waterplan heeft geen wettelijke status, maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over watermaatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. In het uitvoeringsprogramma 2016­ 2017, dat op 25 januari 2016 is vastgesteld, zijn concrete maatregelen benoemd die bijdragen aan de uitvoering van het Waterplan.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

28

Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afval- en hemelwater en heeft ook een zorgplicht voor het grondwater. Met dit Gemeentelijk Rioleringsplan 2021­ 2025 leggen we het rioleringsbeleid van Lansingerland voor de komende planperiode vast. Daarnaast wordt een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Het areaal is in de afgelopen periode sterk toegenomen met de nieuwbouwlocatie Westpolder. Dit zal met de ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie Wilderszijde verder uitbreiden. Het GRP geeft de visie en strategie van de gemeente weer voor de invulling van het rioolbeheer in de gemeente. Daarbij is ook gekeken naar de kosten die uitvoering van activiteiten met zich meebrengt en naar het effect hiervan op de rioolheffing. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het GRP leggen we vast wat wij willen bereiken ten aanzien van stedelijk afval-, hemel-, en grondwater en wat de rol van burgers en bedrijven hierin is. Het GRP vervult hiermee vier hoofdfuncties: ^ Kader gemeentelijke zorgplichten; ^ Interne afstemming; ^ Externe afstemming; • Continuïteit en voortgangsbewaking.

5.2

Onderzoek Huidige situatie Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit lichte klei. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse varieert grofweg tussen -3,5 en -4,5 m NAP. Het plangebied ligt in de deelpolder Nieuwe droogmaking, die ligt binnen de Polder Berkel. Ter plaatse van het plangebied heeft het hoogheemraadschap een peilafwijking binnen het peilgebied bepaald, met een bekend waterpeil van -5,35 m NAP. Waterkwantiteit Zoals te zien op de leggerkaart in afbeelding 5.1, wordt het plangebied aan de noord-, oost- en zuidoostzijde begrensd door een watergang. Deze zijn allen aangeduid als secundair water. Ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Noordeindseweg, is het primaire waterlichaam van de Noordeindsevaart aanwezig. Vanuit deze watergang loopt ook een inlaat het plangebied in, ter hoogte van de toegangsweg en tot halverwege het perceel. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels bebouwd en verhard, met name door de kassen die een groot deel van het perceel beslaan. Ook de erftoegangsweg bestaat uit verharding. Rondom de kassen zijn enkele onverharde groenstroken aanwezig.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

29

Afbeelding 5.1: uitsnede Legger Wateren Hoogheemraadschap van Delfland (het plangebied is globaal rood gestippeld aangeduld).

Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. De Noordeindsevaart, ten westen van het plangebied is wel aangewezen als KRW-waterlichaam. Veiligheid en waterkeringen Uit afbeelding 5.1 blijkt dat het plangebied deels binnen de beschermingszone van de waterke­ ring langs de Noordeindsevaart ligt. De zoneringen ‘Waterstaatswerk’ en ‘Beschermingszone’ zijn tezamen opgenomen in het vigerende bestemmingsplan als de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwa­ ter wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd.

Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigin­ gen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

30

Toekomstige situatie Waterkwantiteit De bestaande watergangen langs de noord-, oost- en zuidoostgrens van het plangebied worden door de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast en blijven in de toekomstige situatie behouden. Ook tast de ontwikkeling de inlaat die het plangebied inloopt niet aan. Voor de Noordeindsevaart ten westen van het plangebied is bescherming van de waterkering geborgd door het overnemen van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ in het plangebied. Zoals blijkt uit afbeeldingen 2.2 en 2.3, neemt het verhard oppervlak in het plangebied in de toekomstige situatie beduidend af. Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee nieuwe woningen op het perceel, ter plaatse van de bestaande kassen. Daartoe wordt het kassencom­ plex, dat een groot deel van het plangebied beslaat, geheel gesloopt. Het voormalige ketelhuis blijft als bijgebouw (bedrijfsruimte) wel behouden. De bestaande bedrijfswoning op het perceel en de verharde erftoegangsweg blijven in de toekomstige situatie behouden. De overige gronden worden hoofdzakelijk ingericht als tuin en erfterrein. Om het effect te bepalen van de ontwikkeling op de verharding binnen het plangebied, hoeven alleen de gronden te worden beschouwd waar daadwerkelijk ontwikkelingen c.q. wijzigingen in verharding zijn voorzien.

Hieronder wordt ingegaan op de verharde oppervlakten die ten opzichte van de bestaande situatie in de toekomstige situatie zullen verdwijnen, en worden toegevoegd. Tabel 5.1 toont hiervan een overzicht. Het bestaande kassencomplex is geheel verhard, en beslaat een oppervlakte van circa 5.825 m2. Deze verharding (exclusief het voormalige ketelhuis) wordt in de toekomstige situatie geheel gesloopt. Ten behoeve van de nieuwe woningen zijn in dit bestemmingsplan twee bouwvlakken opgenomen. Deze kunnen geheel worden bebouwd, en kennen een gezamenlijk oppervlak van 352 m2. Voor het overige deel van de gronden bij de woningen (de bestemmin­ gen ‘Wonen’ en ‘Tuin’) is te verwachten dat dit gedeeltelijk verhard zal worden, ofwel met erfbebouwing ofwel met bestrating et cetera. Hierbij kan de vuistregel worden gehanteerd dat bij vrijstaande woningen 25% van het uitgeefbare kavel verhard wordt. Zoals blijkt uit tabel 5.1 betekent dit een verwachte verharding van circa 2.063 m2. Omdat op de overige gronden binnen het plangebied (de bestaande woning, erftoegangsweg en het voormalige ketelhuis) geen ontwikkelingen zijn voorzien, zal hier het verhard oppervlak niet veranderen. Ontwikkeling verharding van bestaande naar toekomstige situatie Type verharding:

Berekening:

Te verwilderen: kassencomplex

100% van 5.825 m2

Oppervlakte in m2: Ontwikkeling verharding: 5.825 m2

- 5.825 m2

Nieuw: Bouwvlakken nieuwe woningen

100% van 352 m2

352 m2

+ 352 m2

Nieuw: Overige bestemming ‘Wonen’

25% van 4675 m2

1.169 m2

+ 1.169 m2

Nieuw: Bestemming ‘Tuin’

25% van 3.575 m2

894 m2

Ontwikkeling verharding

+ 894 m2 - 3.410 m2

Tabel 5.1: Overzicht te verwijderen en nieuwe verharde oppervlakten in het plangebied.

Uit de berekening in tabel 5.1 volgt dat het verhard oppervlak in het plangebied naar verwach­ ting afneemt met circa 3.410 m2. Gezien deze ruime afname in verharding is het realiseren van een wateropgave ter compensatie van een toename in verharding en/of de gevolgen van klimaatverandering niet benodigd. Deze waterparagraaf en berekening van de watercompensatie is voor advies aan het Hoog­ heemraadschap van Delfland voorgelegd. De opmerkingen zijn verwerkt. Tevens is op verzoek van het Hoogheemraadschap van Delfland de watersleutel ingevuld. Deze is opgenomen als bijlage 7. Ook hieruit blijkt dat watercompensatie niet benodigd is.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

31

Veiligheid Zoals blijkt uit afbeelding 5.1 ligt een deel van het plangebied aan de westzijde binnen de beschermingszone van een waterkering, langs de Noordeindsevaart. Ter bescherming is de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ onverminderd overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Binnen de beschermingszone zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien; de bouwvlakken voor de nieuwe woningen liggen niet binnen de dubbelbestemming. Riolering Bij de nieuwe ontwikkeling moet het afvalwater worden aangesloten op de riolering. Het huishoudelijk afvalwater (droogweerafvoer; DWA) zal aangesloten worden op het bestaande (druk)rioleringssysteem van de gemeente Lansingerland. Het hemelwater moet worden afgekoppeld. Hemelwater dat op daken en verharding van het perceel valt wordt afgekoppeld van DWA. De afvoermogelijkheden in het plangebied voor het verwerken van hemelwater in voorkeursvolgorde zijn: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in-)filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; De lozer dient er voor te zorgen dat het hemelwater bij de afstroming niet onnodig vervuild en indien nodig maatregelen te treffen om dit te voorkomen. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omge­ ving) tegengegaan.

De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het Hoogheemraadschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkering. Het onderhoud van de waterkering en hoofd- en boezemwatergangen is tevens de verantwoor­ delijkheid van het Hoogheemraadschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Voor de secundaire watergangen langs het plangebied geldt, dat er voor inspectie, onderhoud en beheer ruimte vrij gehouden moet worden.

In de leggertekst “Wateren” staat, dat er aan beide zijden van deze watergangen een ruimte van 1,5 meter breed en 2 meter hoog vrijgehouden moet worden. Echter, vanwege groot onderhoudsmaterieel is aan te raden meer ruimte vrij te houden. Het Hoogheemraadschap van Delfland adviseert een ruimte van 4 meter breed en 3,5 meter hoog vanwaar onderhoud plaatsvindt. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal Bleiswijk dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

32

Klimaatadaptatie In de afgelopen jaren is steeds meer aandacht gekomen voor klimaatverandering, en onder­ werpen als hitte, droogte en wateroverlast. Naast de overheid kunnen ook particuliere initiatie­ ven bijdragen aan het klimaatbestendiger inrichten van het terrein door creatieve, simpele en efficiënte oplossingen om waterbergende of -vasthoudende maatregelen toe te passen. Hierbij valt te denken aan open of halfverharding bij parkeerplaatsen of watervasthoudende maatrege­ len zoals de aanleg van wadi’s, groene daken en het afkoppelen van hemelwaterafvoer (regentonnen).

5.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan en de voorgenomen ontwikkeling. Het bestemmingsplan is voor advies aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd. De opmerkingen zijn verwerkt.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

33

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Archeologie

6.1.1 Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoorde­ lijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomge­ ving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die, naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken: ^ Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; ^ Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; ^ Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 7 maart 2017 is de geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden.

De gemeente beschikt al sinds maart 2013 over eigen archeologisch beleid. Daarmee heeft de gemeente Lansingerland invulling gegeven aan haar archeologische taak en de daarbij horende verantwoordelijkheden. Dit beleid is bij de actualisatie op enkele punten herzien. Vooral wat betreft de archeologische beleidskaart was deregulering mogelijk. Teveel gebieden hadden een hoge archeologische verwachting, terwijl uit archeologisch onderzoek bleek dat deze verwachting naar laag of afwezig kon worden bijgesteld. Op basis van deze geactuali­ seerde nota en beleidskaart kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is.

6.1.2 Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan ‘Lint Noord’ (2013) kent het westelijk deel van het plange­ bied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’. In de bijbehorende regeling is een onderzoeksplicht opgenomen voor ingrepen groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte van dieper dan 0,5 m -mv. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente (2016) zijn aan het plangebied twee archeologische verwachtingswaarden toegekend, zoals te zien in afbeelding 6.1. Een deel is aangeduid als ‘Zone VI’ met een vrijstellingsgrens van 1.000 m2 en 2,5 -mv, een deel valt binnen de ‘Zone III’ met een vrijstellingsgrens van 100 m2 en 0,3 m -mv. Dit betekent dat ontwikkelingen groter dan 1.000 m2 respectievelijk 100 m2, én met bodemverstoringen dieper dan 2,5 m respectievelijk 0,3 m onder maaiveld, niet uitgevoerd mogen worden zonder uitvoering van archeologisch onderzoek. Het noordoostelijke deel van het plangebied kent geen archeologische verwachting.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

34

Afbeelding 6.1: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Lansingerland (2016). Het plangebied is globaal zwart omcirkeld.

In dit kader is door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 3. Doel van dit onderzoek is vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is een bureauonderzoek verricht, waarbij voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Op basis daarvan is een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het plangebied ligt in het historisch bebouwingslint van de Noordeindseweg waar vanaf de Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd mogelijk sprake is geweest van bebouwing langs de weg, en waar zich in de diepere ondergrond mogelijk nog archeologische waarden bevinden uit het Mesolithicum / Neolithicum. De exacte methode van funderen is nog niet bekend, maar aangenomen mag worden dat er gebruik wordt gemaakt van heipalen. Deze heipalen reiken tot in het dieper gelegen niveau met mogelijke waarden uit het Mesolithicum / Neolithicum, op ca. 4 m -mv. De gemeente Lansingerland hanteert echter ten aanzien van heipalen geen voorschriften met betrekking tot de archeologie.

De impact van heipalen voor woningen met een dergelijk beperkt oppervlak op een eventuele archeologische vindplaats zal zeer klein zijn. De overige ingrepen ten behoeve van de fundering zullen boven het niveau van 4 m -mv blijven; ook bij een eventuele kelder tot ca. 3 m -mv reikt de ingreep nog steeds boven het archeologisch niveau.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

35

Blijft nog over de archeologische verwachting op het aantreffen van resten uit de Late Middel­ eeuwen I Nieuwe tijd. Vergelijking van het inrichtingsplan met de Kadasterkaart laat zien dat de geplande nieuwbouw op behoorlijke afstand van zowel de weg als de destijds aanwezige bebouwing in de zuidwesthoek ligt. De kans op de aanwezigheid van resten van historische bebouwing op de twee bouwlocaties wordt daarom als laag ingeschat; bovendien zijn de twee bouwlocaties nu bebouwd met kassen die voor de nodige verstoringen hebben gezorgd. Op basis van het archeologisch onderzoek constateert Vestigia geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek ten aanzien van de nieuwbouw. De archeologische verwach­ ting voor resten uit het Mesolithicum I Neolithicum blijft wel bestaan, daarom kan de archeolo­ gische dubbelbestemming niet worden verwijderd. Voor het geheel verwijderen van de dubbelbestemming, dient in eerste instantie een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen te worden uitgevoerd. In de zuidwesthoek van het plangebied (momenteel onbebouwd en begroeid met gras) is aantoonbaar sprake van historische bebouwing. Het verdient de voorkeur om eventuele archeologische resten op die locatie niet te verstoren en ‘in situ’ te behouden.

Wanneer het voornemen bestaat om deze zone verder te ontwikkelen in de vorm van nieuwbouw, dan dienen zoveel mogelijk de richtlijnen gevolgd te worden voor archeologievriendelijk bouwen zoals weergegeven in de handreiking van de RCE. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan is vervolgonder­ zoek noodzakelijk. Om dergelijke resten van historische bebouwing te kunnen karteren en waarderen is niet een booronderzoek, maar een proefsleuvenonderzoek de meest geëigende methode. Hiervoor dient dan eerst een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. Indien een ingreep binnen deze zone bestaat uit de aanleg van kabels en leidingenIriolering etc. dan dient mogelijk een archeologische begeleiding van de werkzaamheden plaats te vinden, waarvoor eveneens een PvE vereist is. Het archeologisch onderzoek en daarin geformuleerde advies is door de gemeente beoordeeld, ten aanzien van de zones waarbinnen mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn. De ‘Zone III’ van de beleidskaart met een vrijstellingsgrens van 100 m2 en 0,3 m -mv, kan op basis van het uitgevoerde onderzoek worden verkleind. De ligging van ‘Zone VI’ van de beleidskaart met een vrijstellingsgrens van 1.000 m2 en 2,5 -mv, wordt aangepast en de diepte van de vrijstellingsgrens wordt verruimd naar 3,7 m -mv. In de overige delen van het bestemmingsplangebied worden geen archeologische waarden verwacht.

Hier geldt wel de meldingsplicht indien er toch archeologische waarden worden aangetroffen. De zones met archeologische waarden staan verbeeld op afbeelding 6.2. De twee zones zoals aangeduid in afbeelding 6.2 zijn in dit bestemmingsplan vertaald in de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde - Archeologie 2’. Op de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien, is in enkel de bestemming ‘Tuin’ opgenomen. De zuidelijke nieuwe woning bevindt zich binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Met de nieuwbouw wordt de vrijstellingsgrens echter niet overschreden.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

36

Zone, onderzoek nodig bij verstoring I Zone III, groter dan 100 m2 S dieper dan 0,3m -mv I Zone IV, groter dan 1000 m2 S dieper dan 3,7m -mv Afbeelding 6.2: bijgestelde zones en vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek.

6.1.3 Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek zijn in het bestemmingsplan twee verschillende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Op deze gronden zijn geen ontwikkelingen voorzien die de vrijstellingsgrenzen overschrijden. Het aspect archeologie vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

6.2

Cultuurhistorie

6.2.1 Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. De CHS dient als informatiebron voor beleid op het gebied van erfgoed en ruimtelijke ontwikkeling, van zowel de provincie als de gemeenten. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

37

Deze cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland, in de vorm van een digitale atlas, geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen of cultuurlandschappen, historische verdedigingslinies, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De CHS kent drie verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Gebiedsprofielen (Kwaliteitskaart provincie Zuid-Hoiiand) De voormalige Regioprofielen Cultuurhistorie zijn opgegaan in de gebiedsprofielen, die een regionale doorvertaling zijn van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland. De gebied­ sprofielen beschrijven en visualiseren kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregio­ naal belang zijn, en bevatten in die hoedanigheid ook cultuurhistorische elementen. Als onderdeel van het omgevingsbeleid van de provincie is dit reeds in paragraaf 3.2 besproken. Voorliggend plangebied maakt geen deel uit van een specifiek gebiedsprofiel. Nota Cultuurhistorie Plus - Lansingerland De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is.

Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld.

6.2.2 Onderzoek Cultuurhistorische hoofdstructuur Op basis van de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland bevindt zich ten westen van het plangebied een historisch-landschappelijke lijn (zie afbeelding 6.2). Het betreft hier de Noordeindsevaart, die is gekenmerkt als een historisch-landschappelijke lijn (poldergrens) met een redelijk hoge waarde. Deze landschappelijke lijn valt buiten het plange­ bied van dit bestemmingsplan. De nieuwe woningen worden gerealiseerd op het perceel aan de Noordeindseweg 340, ten oosten van de vaart aan de overzijde van de Noordeindseweg. De cultuurhistorische waarde van deze landschappelijke lijn wordt met de voorgenomen ontwikke­ ling dan ook niet aangetast.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

38

Afbeelding 6.2: Uitsnede van de provinciale culturele verwachtingskaart. Het plangebied is globaal zwart omcirkeld.

Nota Cultuurhistorie Plus In deze nota wordt de Noordeindseweg als een bijzonder historisch polderlint omschreven. Er heeft hier door de eeuwen heen verdichting plaatsgevonden, maar het lint heeft beter dan andere linten zijn oorspronkelijk karakter behouden. Er zijn nog betrekkelijk veel doorzichten op het achterland en er is meer historische, verspreid gelegen, bebouwing bewaard gebleven dan in de andere polderlinten. Een deel daarvan staat dan ook op de (concept) gemeentelijke monumentenlijst. Het lint heeft het welstandsniveau ‘bijzonder’ gekregen. Aan de Noordeindseweg staan relatief veel historische boerderijen, soms met een nieuwe functie. Daartussen staan (historische) woonhuizen, bedrijfsgebouwen, nieuwbouw en een gemaal. Nogal wat panden zijn dan ook op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Naar het noorden toe is meer bedrijfsbebouwing aanwezig in de vorm van loodsen en kassen. Soms is nieuwbouw, bijvoorbeeld villa’s, in series gebouwd. De bebouwing is dan ook uiterst divers. Wel volgt de meeste bebouwing de richting van de kavelsloten, waardoor de panden met de voorgevel op de weg zijn georiënteerd. Typerend is dat er meestal pand voor pand is gebouwd, door of in opdracht van de eigenaren zelf. Daardoor zijn de panden onderling heel verschillend.

Ze dateren uit verschillende tijden, zijn in verschillende stijlen gebouwd, de grootte verschilt en de dakcontour verspringt. Ook de kaprichting varieert, zowel parallel aan als haaks op de weg komt voor. Het gaat om boerderijen, tuinderswoningen, allerlei soorten woonhuizen en bedrijfsgebouwen. Ook materiaal- en kleurgebruik kan per pand verschillen. Diversiteit is daarmee karakteristiek voor dit gebiedstype. Ondanks de doorgaande verkeersfunctie en de relatief grote bouwstroom van de afgelopen decennia heeft de Noordeindseweg nog steeds de uitstraling van een historisch lint. Op verschillende plekken zijn nog doorzichten aanwezig en de recente bebouwing voegt zich over

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

39

het algemeen goed in de voor de Noordeindseweg kenmerkende historische verkavelingsstructuur. De beoogde nieuwe woningen tasten de uitstraling van het bebouwingslint langs de Noordeind­ seweg niet aan. De situering van de woningen sluit aan bij de historische verkavelings- en bebouwingsstructuren. Qua schaal en bouwstijl zal rekening worden gehouden met de bestaande bebouwing in de omgeving. Een concreet bouwplan is momenteel nog niet voorhan­ den, en zal te zijner tijd ook worden getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota.

6.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestem­ mingsplan.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

40

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De ontwikkeling van twee nieuwe woningen op het perceel aan de Noordeindseweg 340 wordt niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Gezien de beperkte omvang, de aard en kenmerken van de ontwikkeling, het huidige gebruik en de omgeving van het gebied wordt de voorgenomen ontwikkeling niet als een stedelijk ontwikkelingsproject beschouwd. Hierdoor is het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet benodigd. Los daarvan zijn in het vervolg van dit hoofdstuk voor verscheidene omgevingsaspecten de milieueffecten van de ontwikkeling nader onderzocht en afgewogen.

7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgeno­ men in het Besluit bodemkwaliteit.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

41

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 1 oktober 2010) heeft effect op de Wbb en de Woningwet (WW): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de WW) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeen­ ten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In het daaraan gekoppelde Bodembeheerplan is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. Ook moet in dat kader rekening worden gehouden met de door gemeente Lansingerland vastgestelde bodembeleidsnotitie, als het gaat om grensoverschrijdend grondverzet.

7.3.2 Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden waarop de nieuwe woningen zijn voorzien bestemd als ‘Agrarisch’, met de functieaanduiding ‘kas’. Voor deze gronden kan niet zonder meer gesteld worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie, namelijk wonen. Bodemonderzoek is daarom noodzakelijk. Verkennend bodemonderzoek In dit kader heeft ABO-Milieuconsult in 2022 een vooronderzoek en verkennend bodemonder­ zoek conform NEN 5725 en 5740 uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 4, de resultaten uit het onderzoek zijn hieronder samengevat. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: - De bovengrond is (plaatselijk) sterk verontreinigd met lood en zink en licht verontreinigd met een aantal individuele parameters van de zware metalen en organochloorbestrijdingsmiddelen en de parameter PAK. - Ter plaatse van de meest verdachte laag van de gedempte watergang zijn alle gehalten van de onderzochte parameters lager dan de achtergrondwaarden.

- Ter plaatse van de schuur (ketelhuis, substraatruimte en bestrijdingsmiddelenopslag) zijn maximaal lichte verontreinigingen in de grond aangetroffen van een aantal individuele pa­ rameters van de zware metalen en organochloorbestrijdingsmiddelen; - In het grondwater zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetroffen met nikkel en molybdeen; - Op de locatie is zowel op het maaiveld als in het opgeboorde materiaal visueel geen asbest aangetroffen. De hypothese “de onderzoekslocatie met betrekking tot de volledige locatie is onverdacht” dient, op basis van het licht verhoogde gehalte aan individuele parameters van de zware metalen en organochloorbestrijdingsmiddelen en de parameter PAK in de boven- en ondergrond en de licht verhoogde concentraties aan nikkel en molybdeen in het grondwater, verworpen te worden. De hypothese “de onderzoekslocatie met betrekking tot de gedempte sloot en de schuur is verdacht” dient, op basis van de licht verhoogde gehaltes aan individuele parameters van de zware metalen en organochloorbestrijdingsmiddelen in de grond en de licht verhoogde concentraties aan nikkel in het grondwater, aanvaard te worden.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

42

Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat de vastgestelde bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen) omdat de verontreiniging (met lood) is aangetroffen ter plaatse van het perceel behorend bij de bestaande woning waar niet gebouwd en/of gegraven gaat worden. De aangetroffen licht verhoogde gehaltes in de bovengrond en in het grondwater ter plaatse van de twee locaties waar de woningen gebouwd gaan worden zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Asbestonderzoek Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn op het maaiveld of in de vrijkomende grond geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op het voorkomen van asbesthoudende materialen. Volgens de beoordeling van het onderzoek door DCMR is niet aangetoond dat het kassencom­ plex op het perceel na 1995 is gebouwd. Naar aanleiding daarvan heeft afstemming plaatsge­ vonden tussen DCMR en ABO-Milieuconsult. In overleg is overeengekomen welke inspanning noodzakelijk is voor de twee kavels waarop nieuwbouw zal plaatsvinden. Om na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is, is daarom een indicatief asbestonderzoek (afgeleid van de NEN 5707+C1/C2) uitgevoerd.

De doelstelling van het onderzoek was om uitsluitsel te geven over de aan- of afwezigheid van asbest in grond op beide kavels. Ter plaatse van de kavel waar zich de bestaande woning en grasland (voor geiten) bevinden is asbestonderzoek niet noodzakelijk. De rapportage met de volledige resultaten van het indicatieve asbestonderzoek is terug te vinden in bijlage 11. Uit de analyseresultaten blijkt dat ter plaatse van beide kavels in het traject van 0,0-0,5 m -mv geen asbest in de grond wordt aangetroffen. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat de grond geen asbest bevat en daarmee geen belemmering vormt voor de voorgenomen werkzaamheden.

7.3.3 Conclusie Op basis van de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de vastgestelde bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. De aangetroffen verontreiniging (met lood) bevindt zich ter plaatse van het perceel bij de bestaande woning waar bouw- of graafwerkzaamheden zijn voorzien. De aangetroffen licht verhoogde gehaltes ter plaatse van de nieuwe woningen zijn dermate gering dat deze geen aanleiding geven tot nader bodemonderzoek. Op basis van een indicatief asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de te ontwikkelen kavels de grond geen asbest bevat en daarmee geen belemmering vormt voor de voorgenomen werkzaamheden.

7.4

Geluid

7.4.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen. Onderzoekszone Behalve langs 30 km/uur-wegen en woonerven, bevindt zich volgens artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) aan weerszijden van iedere weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojec­ teerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied).

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

43

De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: - stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; - buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom, dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Normstelling Wanneer er nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen een zone van een weg, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Hogere waardenbeleid gemeente Lansingerland In de situatie dat woningen een geluidsbelasting ondervinden die hoger is dan de voorkeurs­ grenswaarde moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de gemeentelijke geluidsnota ‘Beleidsnota Hogere Waarden’. De Wgh schrijft een aantal onderzoeksverplichtingen voor: - Er moet een akoestisch onderzoek worden ingesteld naar de geluidsbelasting.

Indien van toepassing wordt tevens de doeltreffendheid van de benodigde maatregelen onderzocht; - De voorkeurswaarde moet in acht worden genomen; - Wanneer de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moeten maatregelen worden onderzocht waarmee deze waarde alsnog kan worden bereikt. Bij het vaststellen van een hogere waarde wordt op grond van artikel 110a Wgh rekening gehouden met cumulatie van geluid. In het beleid is aangegeven dat de cumulatieve geluidsbelas­ ting per aanvraag wordt beoordeeld.

7.4.2 Onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is terug te vinden in bijlage 5, de resultaten zijn in deze paragraaf samengevat. De nieuwe woningen liggen binnen de in de Wgh vastgelegde onderzoekszone van de Noordeindseweg en Abraham Molenweg. Op grond van de Wgh is om deze reden onderzoek noodzakelijk. De 30 km/uur weg Noordersingel is gelegen op circa 170 meter afstand van het plangebied aan dezelfde zijde als de Noordeindseweg. De verkeersintensiteit op deze weg is dermate laag dat de geluidbelasting ruim onder de voorkeursgrenswaarde blijft. Deze weg heeft daardoor geen enkele invloed op de cumulatieve geluidbelasting en is daarom niet in het onderzoek betrokken. Verder ligt de ontwikkellocatie niet in de onderzoekszone van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar railverkeers- en industrielawaai is daarom niet aan de orde. Uit de resultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde door het verkeer op de Noordeindseweg wordt overschreden op één woning. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 49 dB zodat een hogere waarde procedure moet worden doorlopen. De Abraham Molenweg veroorzaakt geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.

Verder blijkt dat maatregelen niet doelmatig zijn en dat de woning voldoet aan de voorwaarden die in het hogere waarden beleid zijn beschre­ ven, zodat de hogere waarde kan worden vastgesteld. De eerste stap van deze hogere waarde procedure is dat het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde ter inzage wordt gelegd gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

44

7.4.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat bij één woning de voorkeursgrenswaarde wordt overschre­ den, waardoor een hogere waarde moet worden vastgesteld. Het ontwerpbesluit hiertoe wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

7.5

Luchtkwaliteit

7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Lucht­ kwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgeno­ men die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 gg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 gg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 gg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.

Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechte­ ring van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 gg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschre­ den; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

7.5.2 Onderzoek Voor het aspect luchtkwaliteit moet worden nagegaan of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslech-

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

45

tering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 gg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De realisatie van twee woningen is een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ bijdragend aan de verslechte­ ring van de luchtkwaliteit. Onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast wel aandacht besteed aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen nabij het plangebied. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties luchtver­ ontreinigende stoffen bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (Noordersingel en Noordeindseweg) de jaargemiddelde concen­ traties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 7.1 zijn deze concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020.

Uit de afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het projectgebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 gg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 gg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM^s, peiljaar 2020 (opgelichte punten zijn opgenomen in de tabel) (Bron: NSL-monitoringstool).

7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

7.6

Milieuzonering

7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de

Bestemmingsplan “Noordeindseweg 340' Toelichting Vast te stellen 30 maart 2023

46

handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. milieucategorie

richtafstand tot omgevíngstype rustige woonwijk

richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0 m

2

30 m

10 m

3,1

Sū m

3Ū m 50 m

3.Z

100 m

4.1

200 m

100 m

4.2

30Ū rm

200 m

S.1

Sūū rm

3ŪO m

5.2

700 m

500 m

S.3

l.ūūū m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Afbeelding 7.2: Richtafstanden VNG-brochure.

7.6.2 Onderzoek Bij een bestemmingsplan dient voor nieuwe situaties rekening te worden gehouden met de richtafstanden van de VNG-handreiking. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk, wat geldt als gevoelige functie. Het plangebied bevindt zich aan de Noordeindseweg, die zich kenmerkt als een lint met gemengde bestemmingen. In de omgeving van het plangebied komen in het lint verschillende functies voor. In het vigerende bestem­ mingsplan ‘Lint Noord’ zijn in de directe omgeving onder andere de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Bedrijf’ en ‘Gemengd’ aanwezig. In de toelichting van dat bestemmingsplan is ook beschreven dat het plangebied kan worden gezien als een gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. Daarnaast volgt uit de VNG-handreiking dat ook lintbebouwing in het buitenge­ bied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid als gemengd gebied kan worden beschouwd. Gezien de verschillende functies en bestemmingen in de directe omgeving kan het plangebied zodoende als ‘gemengd gebied’ worden aangemerkt. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende bedrijven en (bedrijfs-) bestem­ mingen aanwezig. Op de relevante bedrijven en bestemmingen wordt hieronder nader ingegaan.

Bestemming ‘Agrarisch’ (noordzijde) Ten noorden en direct grenzend aan het plangebied bevindt zich de bestemming ‘Agrarisch’, met daarop de functieaanduiding ‘museum’. Deze gronden zijn bestemd voor verschillende agrarische grondgebonden bedrijfsactiviteiten en glastuinbouwbedrijvigheid, met uitzondering van intensieve veehouderijen, en ter plaatse van de aanduiding tevens een museum in agrarische artikelen. In de feitelijke situatie is hier de Stichting Molenaars Oude Tractoren Collectie gevestigd aan de Noordeindseweg 344. In de VNG-richtafstandenlijst is een museum gekwalificeerd als milieucategorie 1. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtastand van 0 m, waar zodoende aan wordt voldaan. Bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ (oostzijde) Ten oosten van het plangebied is in het aangrenzende bestemmingsplan ‘Noordpolder 2013’ de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ opgenomen. Het betreft hier het kassencomplex aan de Abraham Molenaarweg. Voor kassen (met of zonder verwarming) geldt op grond van de VNGlijst milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 m. Aan deze afstand wordt gemeten tot aan de nieuwe woningen ruim voldaan. Bij kassen is in het bijzonder het aspect assimilatiebelichting van belang. Hiervoor zijn in het Activiteitenbesluit specifieke regels opgenomen. Zo is onder meer in art.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=ef13ff1e-a2b3-4f50-bcbb-c8ce14c46e8d