CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T22.04152] Verordening Sociaal Domein 2023 inclusief nieuw hoofdstuk 9 SMI

Gemeenteraad 24 november 2022, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein 202343.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Dit betekent dat in relatie tot een therapiesessie van 1 uur nog maximaal 15 minuten aan indirect cliëntgebonden tijd mag worden gedeclareerd. Artikel 5.3.11 Aanvullende criteria individuele voorziening dierentherapie Belangrijk uitgangspunt voor de vergoeding van dierentherapie is dat de begeleider of behandelaar effectief is. De inzet van een dier is hierbij instrumenteel aan het behandel of begeleidingsplan. De gemeente hanteert daarom ook hetzelfde tarief voor dierentherapie als voor behandeling of begeleiding waarbij geen dier wordt ingezet ter ondersteuning van de behandelaar of begeleider.

87/131

Artikel 5.3.12 Zeventien en een half-jarigen Dit artikel waarborgt een soepele overgang, indien van toepassing, tussen ondersteuning vanuit de Jeugdwet en de Wmo 2015. Op grond van artikel 1.2, lid 1, aanhef en onder a Jeugdwet is het niet toegestaan om een inwoner die valt onder de Jeugdwet alvast een Wmo voorziening te verstrekken. Wel volgt uit Artikel 2.1.2, lid 4, aanhef en onder e Wmo 2015 dat de gemeente in haar plan aandacht moet besteden aan een soepele overgang vanuit het oogpunt van continuïteit. In artikel 2.1.3, lid 1 Wmo 2015 is bepaald dat ter uitvoering van het plan bij verordening regels moeten worden gesteld. Met deze bepaling wordt hierin voorzien.

Paragraaf 5.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 5.4.1 Verzoek Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de inwoner of zijn ouder de jeugdhulpvoorziening “in natura” krijgt. De gemeente kan een jeugdhulpvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner of zijn ouders in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner of zijn ouders met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook veilig is voor de inwoner en zijn omgeving en die beter is dan wat de gemeente kan bieden via een gecontracteerde aanbieder. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een jeugdhulpvoorziening moet ook het zorgplan als bedoeld in artikel 5.4.7 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode.

Artikel 5.4.2 Pgb plan Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner of zijn ouders zien dat hij er bewust voor kiest om de jeugdhulpvoorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb. De inwoner of zijn ouders moet hierin aangeven waarom hij het “in natura” aanbod van de gemeente niet passend vindt (artikel 8.1.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Jeugdwet). Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoordelijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren. Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen. Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb en een motivering waarom het “in natura” aanbod niet passend zou zijn (a), een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c).

Ook wordt van de inwoner of zijn ouders verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze leverancier/jeugdhulpverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d). Hiernaast zal de inwoner of zijn ouders aan moeten geven welke kostprijs de beoogde leverancier/jeugdhulpverlener hanteert (e) en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorgovereenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f). Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen hulp. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan 88/131

diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de leverancier/jeugdhulpverlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de jeugdhulpverlener/leverancier weet wat hij moet doen (h). Ook wordt van de inwoner of zijn ouders, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 5.4.7 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de leverancier/jeugdhulpverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l). Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier/jeugdhulpverlener naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen. Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden. Artikel 5.4.3 Beheer Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner of zijn ouders als door een derde namens de inwoner of zijn ouders (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner of zijn ouders, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren.

Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld. Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/hulpverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavingsproblematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren. Een fraudeverleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG (e). Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f). Lid 2: Op het moment dat de inwoner of zijn ouders zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner of zijn ouders doet.

Deze derde kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (bewindvoerder, curator of mentor), of iemand die door de inwoner of zijn ouders zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b). Hij zal dit met de inwoner en zijn ouders moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner of zijn ouders (d) of tussen hem en de leverancier/ondersteuningsverlener (e) zijn; die het uitvoeren van deze taak zouden kunnen verstoren. In het kader van een te nauwe band met de leverancier/ondersteuningsverlener kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een nauwe familierelatie (tot de vierde graad) of een zakelijke relatie waarbij de Pgb-beheerder tevens de boekhouder van de leverancier/ ondersteuningsverlener is.

Het is aan de gemeente om dit in de individuele situatie te beoordelen. In het eerste en tweede lid is bewust de keuze gemaakt om de combinatie waarin ouders het Pgb beheren en

89/131

tevens (een deel van) de hulp leveren wel toe te staan, hoewel ook hier gesproken zou kunnen van onverenigbare rollen (CRvB 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761). Lid 3: Om te voorkomen dat Pgb verzoeken waarbij de inwoner en zijn ouders zelf niet in staat zijn om het beheer op zich te nemen langdurig blijven liggen, omdat de inwoner of zijn ouders niet in staat is om een geschikte beheerder in zijn netwerk aan te wijzen, bevat het derde lid een beperking met betrekking tot het opnieuw aandragen van een andere Pgb-beheerder. Op het moment dat de inwoner er niet in slaagt om een geschikte beheerder aan te dragen wordt het verzoek om een Pgb afgewezen. De inwoner krijgt dan de jeugdhulpvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier. Artikel 5.4.4 Hoogte Persoonsgebonden budget In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte van het tarief wordt bepaald en worden ook de informele tarieven vastgelegd. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.

In artikel 8.1.1, vierde lid, onderdeel a, van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeente een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de hulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening die de gemeente zelf heeft ingekocht. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Om in aanmerking te komen voor het formele tarief moet bovendien aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Dit is ook terug te vinden in artikel 5.4.2, lid 3. De genoemde tarieven betreffen de maximale tarieven. Op het moment dat uit de bij het Pgb-plan ingediende offerte blijkt dat de leverancier/jeugdhulpverlener van de inwoner een lager tarief hanteert dan volgt de gemeente dat lagere tarief. Voor het informele uurtarief wordt aangesloten bij het wettelijk minimumuurloon, met een kleine afronding naar boven. Bij de tarieven voor kortdurend verblijf, waarbij dus geen continue begeleiding plaatsvindt, is een splitsing gemaakt tussen een dagdeel (ochtend/middag circa 4 uren) en een etmaal (24 uur). Artikel 5.4.5 Niet in het tarief Het Pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van jeugdhulp. Eventuele kosten die verbonden zijn aan het beheren van het Pgb, als gevolg van de vrijwillige keuze voor een Pgb, komen voor rekening van de inwoner of zijn ouders zelf.

Het Pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel. Artikel 5.4.6 Gebruik pgb Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.4.7 Zorgplan Van de inwoner of zijn ouders en zijn hulpverlener wordt verwacht dat zij een zorgplan opstellen en dit actueel houden. Dit zorgplan moet ook binnen drie maanden (dezelfde termijn als waarbinnen het Pgb op grond van artikel 5.4.6 moet worden aangewend) aan de gemeente worden toegezonden. Het is de bedoeling dat dit zorgplan ook wordt bijgehouden, zodat dit bij een eventueel heronderzoek of bij een verzoek om verlenging van de indicatie kan worden bekeken om te zien hoe de hulpverlening is verlopen en wat het resultaat daarvan is geweest.

90/131

Artikel 5.4.8 Weigering pgb Het Pgb wordt logischerwijs geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarden om voor een Pgb in aanmerking te komen. Voordat een Pgb wordt toegekend moet dan ook door de gemeente getoetst worden aan de in artikel 8.1.1, lid 2 van de Jeugdwet opgenomen criteria. In dit artikel wordt dan ook aandacht besteed aan deze criteria. Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van de gemeente geborgd is. In dat kader moet de gemeente, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZbehandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik.

Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. In lid 3 is bepaald dat een SKJ- of BIG-registratie niet altijd vereist is. Afwijking van deze eis is mogelijk, mits dat past binnen de Norm van de Verantwoorde Werktoedeling. Artikel 5.4.9 Opschorting betaling uit het pgb Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 5.5 Nadere uitwerking Artikel 5.5.1 Nadere regels stellen Dit artikel spreekt voor zich.

91/131

Hoofdstuk 6.

Werk en re-integratie

Paragraaf 6.1 Algemene bepalingen De gemeente heeft een brede taak bij het ondersteunen van haar inwoners op het gebied van reintegratie/arbeidsinschakeling (artikel 10 Participatiewet; artikel 36 IOAW; artikel 36 IOAZ). Deze paragraaf bevat algemene, globale regels met betrekking tot die taak. Re-integratie vraagt om maatwerk en leent zich daarom niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom bieden deze regels ruimte om op een aantal punten afwegingen te maken in individuele situaties.

Bij verordening moeten regels worden vastgesteld ten aanzien van re-integratie/arbeidsinschakeling op de volgende punten (artikel 8a, lid 1, aanhef en onder a, c, d en e; lid 2, aanhef en onder a en b van de Participatiewet):  de voorwaarden waaronder personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a en artikel 10, eerste lid van de Participatiewet, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en in de verordening omschreven voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling en hoe deze rekening houden met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld;  het aanbod van scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de Participatiewet;  de premie voor het verrichten van onbeloonde additionele werkzaamheden, waarbij in elk geval de hoogte van de premie moet worden bepaald in relatie tot de armoedeval, bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet; en  het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet.

Artikel 6.1.1 Begrippen De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet. Het betreft personen: die algemene bijstand ontvangen; als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdeel b, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend; als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); zonder uitkering; en die volgens de gemeente voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door de gemeente 92/131

aangeboden voorziening. De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Met het oog op een evenwichtige verdeling van het budget over de doelgroep wordt een onderscheid gemaakt tussen inwoners met een grote afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt en inwoners met een korte afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de (reguliere) arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt. Onder een grote afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt wordt verstaan dat een inwoner redelijkerwijs niet binnen een half jaar geschikt is voor deelname aan de (reguliere) arbeidsmarkt. Onder een korte afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt wordt verstaan dat een inwoner redelijkerwijs binnen een half jaar geschikt is voor deelname aan de (reguliere) arbeidsmarkt.

Artikel 6.1.2 Afwegingskader De gemeente biedt voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 6.2.1 (werkstages), 6.2.3 (detacheringsbanen), 6.2.4 (scholing en training), 6.2.8 (persoonlijke ondersteuning) en 6.2.10 (financiële ondersteuning) aan, aan inwoners met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. De gemeente biedt voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 6.2.1 (werkstages), 6.2.2 (sociale activering), 6.2.4 (scholing en training), 6.2.5 (participatieplaats), 6.2.6 (beschut werk), 6.2.7 (ondersteuning bij leer-werktraject), 6.2.8 (persoonlijke ondersteuning) en 6.2.9 (proefplaatplaatsing) aan, aan inwoners met een grote afstand tot de (reguliere) arbeidsmarkt. Op grond van artikel 8a, tweede lid, sub a, van de Participatiewet moet de gemeente bij het stellen van regels in de verordening over de verdeling van de voorzieningen over de doelgroep rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen. Hierin ligt besloten dat ook rekening wordt gehouden met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In lid 3 van dit artikel wordt hieraan uitvoering gegeven. Daarbij streeft de gemeente ernaar om de voorzieningen zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de specifieke ondersteuningsbehoefte van de inwoner. Dus niet de gebruikelijke effecten van de voorzieningen staan centraal, maar de manier waarop een individuele inwoner de beoogde doelen kan bereiken met een bepaalde voorziening. Sommige voorzieningen kunnen dus zowel ingezet worden voor mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, als voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Onder omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon vallen bijvoorbeeld de volgende factoren: medische en psychische gesteldheid, gezinssituatie, kennis en vaardigheden, zorgtaken en financiële mogelijkheden. Het gaat dan ook om factoren die gelegen zijn in, maar ook buiten de persoon. De mate waarin deze factoren beïnvloedbaar zijn, speelt ook een rol. De gemeente doet onderzoek naar 93/131

deze factoren en op basis daarvan kan de gemeente voorzieningen inzetten die effectief leiden tot reintegratie/arbeidsinschakeling. Het vierde lid geeft aan dat de gemeente een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. De voorziening kan bijvoorbeeld beëindigd worden als de persoon de inlichtingenplicht niet nakomt. Onder beëindigen valt ook het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rb. Arnhem 14 september 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Artikel 6.1.3 Budget- en subsidieplafonds Om te zorgen dat de beschikbare middelen evenwichtig worden verdeeld kan de gemeente een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Per voorziening wordt dan een plafond ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat een andere voorziening wordt aangeboden. Dit artikel geeft de bevoegdheid om plafonds in te stellen.

Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bijdragen die bijvoorbeeld in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd. Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die de gemeente doet in het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (artikel 4:27, eerste lid, Awb). De grondslag voor het instellen van een budgetplafond kan worden gevonden in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, laatste zinsdeel van de Participatiewet. Voor de in artikel 6.2.6 genoemde voorziening Beschut werk geldt dat de Rijksoverheid bepaalt wat de gemeente minimaal moet verstrekken. Deze taakstelling kan niet worden beperkt door het instellen van een plafond door de gemeente zelf.

Paragraaf 6.2 Voorzieningen Deze paragraaf bevat een overzicht van de voorzieningen die de gemeente aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan aanbieden. Artikel 6.2.1 Werkstage Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten, zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer (Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019). Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. 94/131

De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden. Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkstage kan twee doelen hebben. In de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. In de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of - rechtmatig ontslag om dringende redenen.

Ook mogen de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed door het plaatsen van een inwoner voor een werkstage bij een onderneming. In het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin wordt expliciet het doel van de stage opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. Artikel 6.2.2 Sociale activering Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt (Kamerstukken II 2002-03, 28 870, nr. 3, p. 35).

De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Voor een beroep op de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te 95/131

maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400). De duur van activiteiten in het kader van sociale activering is niet vastgelegd, maar kan in het individuele geval nader worden bepaald. Uit het tweede lid volgt de verplichting voor de gemeente om deze duur af te stemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een inwoner. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk te bepalen zijn. Artikel 6.2.3 Detacheringsbaan De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In deze verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. De gemeente zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven.

In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. De plaatsing op een detacheringsbaan mag niet leiden tot onverantwoorde beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen of verdringing op de arbeidsmarkt. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 6.2.1. Artikel 6.2.4 Scholing en training De gemeente kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aanbieden. Om hiervoor in aanmerking te kunnen komen zijn er een aantal voorwaarden in deze verordening opgenomen waaraan moet worden voldaan. Het uitgangspunt is dat iemand zo snel mogelijk en (zoveel mogelijk) op eigen kracht deelneemt aan het arbeidsproces. Het aanbieden van een scholings- of trainingstraject zal slechts in bijzondere situaties aan de orde zijn. Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt (een Havo of Vwo-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) niveau twee), moet de gemeente aan deze persoon scholing of opleiding aanbieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet gericht zijn op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.

De gemeente hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. In artikel 6.2.5 van deze verordening is daarvoor de voorziening participatieplaats geregeld. Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Zij zijn daarom uitgesloten van deze voorziening.

96/131

Artikel 6.2.5 Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid van de Participatiewet). De gemeente kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt door de gemeente beoordeeld of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd.

Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van de gemeente voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt niet met de uitkering verrekend op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag.

Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007-08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 100,- per zes maanden. De gemeente heeft volgens de jurisprudentie de nodige vrijheid bij het bepalen van de hoogte van dit bedrag (CRvB 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1406). Deze premie is niet is te beschouwen als loon in de zin van art. 7:610 lid 1 BW en met het plaatsen van een inwoner op een participatieplaats die aan de voorwaarden voldoet komt dan ook geen arbeidsovereenkomst tot stand (Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746). Artikel 6.2.6 Beschut werk De gemeente biedt ambtshalve of op verzoek de voorziening beschut werk aan, aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dit aanbod vindt alleen niet plaats wanneer de vastgestelde aantallen beschut werkplekken in een jaar zijn bereikt (Kamerstukken II 2016/17, 34 578, nr. 3, p. 20-22). Voor deze voorziening is geen leeftijdsgrens opgenomen. Indien een persoon van 16 of 17 jaar voldoet aan de voorwaarden dan heeft ook hij recht op deze voorziening.

Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk en de wijze waarop dit is geregeld, wordt in dit artikel ook aangegeven welke voorzieningen voor de arbeidsinschakeling worden ingezet om 97/131

deze dienstbetrekking mogelijk te maken en welke voorzieningen worden ingezet tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk begint. Het proces op grond van dit artikel is als volgt: Stap 1: advies inwinnen Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk wint de gemeente advies in bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Met dit advies vraagt de gemeente om een oordeel of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dit advies kan ook door persoon zelf, of door derden, ingewonnen worden. Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen adviseert de gemeente met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Stap 3: besluit gemeente Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 113, p. 3).

Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk' Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 107, p. 66). In het derde lid worden een aantal ondersteunende voorzieningen genoemd die door de gemeente ingezet kunnen worden op de voorziening beschut werk mogelijk te maken. De gemeente bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk naar aanleiding van wat hierover is voorgeschreven in de ministeriële regeling. Om dit aanbod te kunnen bieden, voert de gemeente overleg met mogelijke partners. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf.

Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 107, p. 115-116 en Kamerstukken II 2016-17, 34 578, nr. 3, p. 21). Beschutte werkplekken worden aangeboden op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. Er wordt daarnaast geen ander onderscheid gemaakt in de doelgroep. Als het aantal beschikbare plekken voor beschut werk in een jaar is vervuld, dan biedt de gemeente in dat jaar niet de voorziening beschut werk aan. Aan deze personen wordt in het daaropvolgende jaar met voorrang een plek aangeboden (Kamerstukken II 2016-17, 34 578, nr. 3, blz. 6-7).

98/131

Personen met een indicatie beschut werk kunnen veelal niet direct starten op de beschutte werkplek, omdat er tijd nodig is om de beschutte werkplek te realiseren. Het is ook van belang dat de werkplek past bij de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Gedurende deze periode kan de gemeente een werkstage aanbieden aan personen met een indicatie beschut werk. Artikel 6.2.7 Ondersteuning bij leer-werktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten. Een leer-werktraject en ondersteuning om dat traject te kunnen volgen moeten dan wel nodig zijn volgens de gemeente (artikel 10; artikel 10f van Participatiewet). Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt ook dat de gemeente uitsluitend ondersteuning bij een leerwerktraject kan aanbieden aan personen: - van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of - van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van 16 of 17 jaar oud die dreigen uit te vallen op school, maar middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden.

Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet betekent dit dat de gemeente vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat de gemeente onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan 18 jaar en aan personen van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet.

Artikel 6.2.8 Persoonlijke ondersteuning In artikel 6.2.8 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een tijdelijke of langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning, dat wil zeggen ondersteuning met specifieke leerdoelen en/of vaardigheidsdoelen en/of gedragsverbeteringen die worden beoogd. Afhankelijk van de individuele werknemer en diens werksituatie zal ofwel langere tijd ondersteuning nodig zijn, ofwel een tijdelijke, kortere periode van ondersteuning volstaan. Voor beide situaties moet jobcoaching worden ingezet en is het belangrijk dat met alle betrokkenen een inschatting gemaakt wordt van de benodigde duur van de ondersteuning. Zo nodig kan deze worden bijgesteld, als betrokkenen merken dat langdurigere ondersteuning nuttig blijkt. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat 99/131

een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. (Kamerstukken II 2013-14, 33 161, nr. 107, p. 115). Artikel 6.2.9 Proefplaatsing De gemeente kan aan een persoon uit de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een proefplaatsing aanbieden. De voorwaarden hiervoor zijn:  De proefplaatsing wordt alleen ingezet als het echt nodig is en duurt zo kort mogelijk.  Een proefplaatsing is niet toegestaan na afloop van een leerwerkplek/arrangement c.q. stage bij dezelfde werkgever.  Het is niet toegestaan dat na de proefplaatsing een proeftijd wordt opgenomen in het contract.  De te verrichten werkzaamheden zijn niet loonvormend en de persoon ontvangt geen vergoeding of beloning voor de te verrichten werkzaamheden.  Een consulent kan één maand proefplaatsing inzetten als de werkgever de intentie heeft om kandidaat daarna een contract aan te bieden van minimaal 6 maanden. Deze voorwaarden zijn ook opgenomen in de Beleidsregels Sociaal Domein. De proefplaatsing verschilt van een werkstage uit artikel 6.2.1 omdat de proefplaatsing tot doel heeft om bij wijze van proef werkervaring op te doen. De persoon kan tijdens de proefplaatsing kijken of de werkzaamheden bij hem passen én in het geval de werkgever ook de intentie heeft om hem een contract aan te bieden.

De werkstage kan meerderen doelen dienen, waaronder ook het leren van basale werknemersvaardigheden. Bij een proefplaatsing wordt verondersteld dat de kandidaat die al heeft. Ook geldt dat deze voorziening alleen kan worden aangeboden aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, de werkstage kan aangeboden worden aan zowel personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt als personen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt. Artikel 6.2.10 Financiële ondersteuning Inwoners kunnen allerlei praktische belemmeringen hebben om aan het werk te gaan. Zij kunnen bijvoorbeeld te weinig geld hebben voor werkschoenen of voor de reiskosten die zij moeten maken om naar hun werkplek te gaan. De gemeente kan indien nodig deze belemmeringen wegnemen door deze kosten (tijdelijk) te betalen voor de inwoners die algemene bijstand ontvangen. De consulent van de gemeente beoordeelt welke financiële ondersteuning is. Voor een reiskostenvergoeding bestaan wel een aantal voorwaarden:  De inwoner moet in het kader van een re-integratietraject frequent een opleidingsinstituut, reintegratiebedrijf of werklocatie bezoeken. Onder frequent wordt verstaan minimaal één keer per week gedurende minimaal een maand, en  De reisafstand van de inwoner naar de locatie per fiets is meer dan 10 kilometer of de inwoner volgt het traject Werkacademie Zoetermeer.

De financiële ondersteuning is er alleen voor personen uit doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. Deze voorziening wordt namelijk pas ingezet wanneer uitstroom naar een baan in zicht is.

100/131

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=f4c0aa8e-6422-40a7-9f51-d6b3af6cc3d7