[T22.01200] Beleidskader zonne-energie 2022
Tekst van het document
Beleidskader zonne-energie Lansingerland
Vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 30 maart 2023
Inhoud
7 7
9
2
1
De opgave
1.1
Het Nederlandse Klimaatakkoord
Het Klimaatakkoord uit 2019 bepaalt in belangrijke mate de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs (2016). Hoofddoel is een reductie van de CO2-uitstoot in 2030 met 49% ten opzichte van 1990. In lijn met de Europese en internationale ontwikkelingen heeft het Kabinet eind 2021 in het nieuwe Coalitieakkoord opgenomen dat de nationale CO2-reductiedoelstelling is verhoogd van 49 procent uit het Klimaatakkoord naar minimaal 55 procent ten opzichte van 1990. Dit moet nog in de Klimaatwet opgenomen worden. Om het doel van het Klimaatakkoord te kunnen halen, wordt onder meer ingezet op duurzame elektriciteitsproductie. In 2030 moet er in Nederland liefst 84 Terawattuur (TWh) aan duurzame elektriciteit worden opgewekt. 49 TWh moet dan met windmolens op zee worden opgewekt en 35 TWh met zon of wind op land 1. Het Rijk voert zelf de regie over de opwek op zee. Voor de opwek op land heeft het Rijk de regie verplaatst naar 30 regio’s die Regionale Energie Strategieën (RES) opstellen. Deze energieregio’s maken plannen over hoe zij 35 TWh aan duurzame elektriciteitsproductie in 2030 zullen gaan realiseren.
1.2
Energiestrategie regio Rotterdam-Den Haag
Lansingerland maakt onderdeel uit van de RES Rotterdam-Den Haag. In de zomer van 2021 stelden alle 2 aan de RES deelnemende partijen de 1.0 versie vast. Zo ook de gemeenteraad van Lansingerland, op 3 juni 2021. Ten aanzien van duurzame opwek gaat de RES uit van een potentieel van 2.8 tot 3.2 TWh duurzame elektriciteitsproductie in 2030 3. In onze energie-regio zien we kansen om tot zo’n 9% van de nationale doelstelling op te lossen. Daarvoor wordt stevig ingezet op zonne-energie op daken en andere objecten die dubbel ruimtegebruik mogelijk maken. 40% van het geschikte dakoppervlak in de regio moet benut gaan worden voor zonne-energie. Daarnaast worden waterbassins benut voor drijvende zonnepaneel-installaties en wordt er ruimte gezocht voor extra windmolens.
1.3
Lansingerland duurzaam
In de visie ‘Lansingerland Duurzaam’ (2019) beschrijven we dat we in 2050 een CO2-neutrale gemeente zijn. Om dat te kunnen bereiken, stellen we onder meer het doel om in datzelfde jaar alleen nog maar duurzaam opgewekte elektriciteit te gebruiken, waarvan 25% binnen de gemeentegrenzen wordt opgewekt. Momenteel gebruikt Lansingerland 443 GWh elektriciteit 4. De verwachting is dat de elektriciteitsvraag van Lansingerland richting 2050 fors zal stijgen, tot ruim 789 GWh 5. De Uitvoeringsagenda Lansingerland Duurzaam (2021) bevat het opstellen van een afwegingskader zonne-energie. Daarin wordt met deze nota voorzien.
1 2 3 4 5
Het kabinet heeft de ambitie dit cijfer (naar boven toe) te herijken. Met uitzondering van de gemeenteraad van Brielle Zie o.a. de samenvatting van de RES 1.0 op https://www.resrotterdamdenhaag.nl/ Elektriciteitsverbruik in Lansingerland in 2020, door alle bedrijven, instellingen en woningen, volgens Klimaatmonitor. Geraadpleegd februari 2022. Volgens 'Factsheet Energiemix Lansingerland' van bureau OverMorgen, september 2017. Daarin wordt het Lansingerlandse electriciteitsverbruik in 2050 geschat op 2841 terajoule (TJ), wat gelijkstaat aan 789 GWh.
3
De opwek van duurzame elektriciteit is in opkomst in Lansingerland. Bij particuliere woningeigenaren neemt het enthousiasme toe om het dak van hun woning te voorzien van zonnepanelen, al dan niet gefinancierd met de gemeentelijke duurzaamheidslening. Ook bedrijven komen in beweging: er is een stijgende lijn in het aantal bedrijven dat naast het voeren van hun core business nadenken over een zonnepaneelinstallatie op hun dak. In 2019 was 8% van het elektriciteitsgebruik in de gemeente afkomstig uit lokale duurzame bronnen 6. We zijn trots op de stappen die gezet worden, maar er valt ook nog een hoop te winnen. Zo worden er nog veel (kleine en grote) daken niet benut voor zonne-energie en er zijn nog weinig drijvende zonnepanelen te vinden in een waterbassin van de glastuinbouw in Lansingerland.
1.4
Lokaal beleidskader
Om de ontwikkeling van zonne-energie te stimuleren, vinden we het belangrijk dat wij als gemeente duidelijk zijn over wat wij wel en niet als wenselijk zien. Zonne-energie kan namelijk op verschillende manieren worden toegepast en heeft ruimtelijke of landschappelijke consequenties. In dit beleidskader beschrijven we welke voorkeuren voor zonneenergie wij hebben. We willen zoveel mogelijk zonne-energie en indien er nadelige ruimtelijke of landschappelijke consequenties zijn (te verwachten) benoemen we kaders en uitgangs-punten. Dit doen we door zogenoemde ‘focusgebieden’ aan te wijzen. Bij de bepaling van die focusgebieden haken we aan bij de keuzes die eerder op regionaal niveau zijn gemaakt over de zoekgebieden voor elektriciteit. Ook zijn de kernkwaliteiten van Lansingerland, zoals verwoord in onze Omgevingsvisie 1.0, hierbij van groot belang geweest. Voorliggend document is voor een belangrijk deel een ruimtelijk beleidskader. Het is voor particulieren, bedrijven en ontwikkelaars het handelingsperspectief voor het opzetten van kleinere of grotere zonprojecten in Lansingerland. Aanvullend geven we aan welke activiteiten wij als gemeente zelf ontplooien om de ontwikkeling van zonne-energie te stimuleren.
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 vatten we kort samen wat er in dit beleidskader staat, door de belangrijkste keuzes weer te geven. Met hoofdstuk 3 schetsen we de belangrijkste beleidscontext, waarna we in hoofdstuk 4 de eerste beleidslijn beschrijven; die over waar wij de focus op leggen bij de ontwikkeling en stimulering van zonne-energie in Lansingerland. In hoofdstuk 5 geven we tot slot aan welke algemene uitgangspunten daarvoor gelden en wordt ingegaan op de acties die wij zelf ondernemen.
6
Volgens Klimaatmonitor. Geraadpleegd februari 2022.
4
2 Kaders om rekening mee te houden 2.1
Nationale omgevingsvisie
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020) is opgenomen dat zonnepanelen op daken of zonneweiden in landelijk gebied met lage landschappelijke, ecologische of landbouwkundige waarden de voorkeur hebben. Het Rijk acht het van belang dat gemeenten en provincies in hun eigen beleid een integrale afweging maken waarmee projecten beoordeeld kunnen worden. Het Rijk heeft op basis van deze algemene bepaling afspraken gemaakt met het Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en maatschap-pelijke organisaties over de voorkeursvolgorde, over het ontzien van landbouw- en natuur-gronden en het stimuleren van zon op daken. Wel stelt het Rijk vast dat, om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, het zo kan zijn dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties. Hoewel natuur- en landbouwgebieden daarbij niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiverings-installaties, vuilnisbelten, binnenwateren, overhoeken of bermen van spoor- en autowegen. Op 20 mei 2022 zond het Kabinet de zogenoemde ‘’Zonnebrief’’ naar de Tweede Kamer, waarmee het haar speerpunten en randvoorwaarden voor de verdere ontwikkeling van Zon-PV in Nederland uiteenzet.
Meer zon op dak, multifunctioneel ruimtegebruik en transport-capaciteit op het net zijn daarin belangrijke onderwerpen. Decentrale beleidskaders moeten een grote rol spelen bij het mogelijk maken van concrete zonprojecten.
2.2
Klimaatplan 2021 - 2030
Het klimaatplan geeft landelijke richtlijnen voor de ontwikkeling van zonnevelden. Een duurzaam energiesysteem vraagt meer ruimte dan een fossiel systeem. Ruimte is in Nederland, waar elke vierkante meter al een (of meer) bestemming(en) heeft, niet vanzelfsprekend. Een goede ruimtelijke aanpak van de transitie, inclusief het maken van de juiste ruimtelijke keuzen, is een voorwaarde voor het behalen van de klimaatdoelstellingen. Via efficiënte inpassing, bijvoorbeeld door verschillende functies op een plek te combineren en aan te sluiten bij bestaande ruimtelijke structuren en patronen, wordt het ruimtebeslag van de transitie beheersbaar. De decentrale overheden gebruiken de RES om maatschappelijke partijen en omwonenden bij de lokale planvorming te betrekken en draagvlak te vergroten. Gezamenlijk doel is dat uiterlijk op 1 januari 2025 alle aangevraagde benodigde vergunningen zijn verleend en dat in voorkomende gevallen tenders voor uitgifte van projecten zijn afgerond met het oog op de tijdige realisatie van de opgave. Om voldoende volume te waarborgen en uitval van projecten te compenseren, zal daarbij in de RES'sen en Omgevingsvisies meer ruimte worden gezocht en ingepland. Voor kostenreductie is het essentieel dat er een voortdurende, stabiele en voor-spelbare pijplijn aan projecten bestaat.
Het uitgangspunt is dat er in 2025 voor minimaal 35 TWh een SDE+-subsidie is aangevraagd. Participatie en acceptatie worden in het Klimaatplan van groot belang geacht voor de ruimtelijke inpassing en exploitatie van (grootschalige) energieprojecten. De initiatiefnemer van een energieproject doorloopt een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Het bevoegd gezag controleert dat marktpartijen en de omgeving hierover het gesprek aangaan. Afspraken met de omgeving worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Op basis hiervan wordt een projectplan gemaakt waarin wordt beschreven hoe binnen het project participatie optimaal wordt ingericht. Dit vertaalt zich in een evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving (burgers en bedrijven). 5
2.3
Provinciaal beleid zonne-energie
De provincie wil het opwekken van zonne-energie ondersteunen, maar ook het landschap en de onbebouwde ruimte in Zuid-Holland beschermen. De provincie heeft kaders opgenomen in de Provinciale Omgevingsvisie voor de inpassing in de omgeving. In de vergadering van 14 december 2022 hebben Provinciale Staten een module energietransitie als onderdeel van herziening van het Omgevingsbeleid vastgesteld. Met deze herziening wil de provincie de energietransitie faciliteren en waar mogelijk versnellen. Tekst in dit beleidskader zonne-energie is geactualiseerd voor zover nodig. Zonne-energie binnen bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil het gebruik van zonne-energie actief faciliteren en ondersteunen, omdat zonneenergie een groeiende bijdrage levert aan de productie van hernieuwbare energie. Voorop staat de voorkeur voor meervoudig ruimtegebruik, zoals het benutten van daken en overige geschikte functies. In een provincie waarin onbebouwde ruimte een schaars en waardevol goed is, is een terughoudende benadering van zonnevelden in die open ruimte op zijn plaats, in combinatie met een stimulerende benadering voor zonnepanelen en warmte-collectoren op daken.
In de bebouwde omgeving ziet de provincie naast de daken meer kansen voor meervoudig ruimtegebruik, zoals parkeerterreinen, sport- en recreatievoorzieningen (bermen van) wegen of terreinen waar bestemmingen wel zijn vastgelegd maar vooralsnog niet zijn gerealiseerd. Zonne-energie buiten bestaand stads- en dorpsgebied Zonnevelden sluiten andere functies op dezelfde plaats nagenoeg uit. Ze hebben in beginsel een duidelijke invloed op de kwaliteit van het landschap en beperken de ruimte voor voedselproductie. De provincie heeft een terughoudende benadering van zonnevelden in die open ruimte. Er worden proeven gedaan met zonnevelden boven kwekerijen, maar dit is nog geen gemeengoed. Zonnevelden buiten bestaand stads- en dorpsgebied vindt de provincie in beginsel toelaatbaar op een aantal type locaties: • Agrarische bouwblokken. Zij hebben een bebouwingsbestemming. Het is derhalve logisch om naast benutting van daken ook ruimte te bieden voor zonnepanelen op het nog voor bebouwing onbenutte deel van het bouwblok. • Locaties die vallen onder de bestemming infrastructuur. Het betreft hier bermen en taluds van rijks- en provinciale wegen, spoorwegen en parkeerplaatsen. Zonnepanelen en infrastructuur sluiten door hun ‘technische’ uitstraling goed op elkaar aan, zeker bij geluidschermen. • Voormalige stortplaatsen, waterbassins (bijvoorbeeld bij kassen), slibdepots en spaarbekkens.
Zij bieden kansen voor meervoudig ruimtegebruik in combinatie met zonnevelden of (drijvende) zonnepanelen. Daarnaast biedt de provincie in beperkte mate en onder voorwaarden mogelijkheden voor zonnevelden op de volgende locaties: • Locaties in glastuinbouwgebied. Realisering van een zonneveld is mogelijk, mits aangetoond is dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. Dit sluit tevens aan bij de provinciale ambitie om de energiehuishouding in de glastuinbouwgebieden in grote mate verder te verduurzamen. • Locaties in stads- en dorpsranden In stads- en dorpsranden liggen kansen voor zonnevelden nabij het energienetwerk. Dit geldt ook voor het tijdelijk benutten van locaties waar een stedelijke functie is bestemd, maar waar die bestemming om diverse redenen vooralsnog niet wordt gerealiseerd.
6
•
Locaties in combinatie met een windturbinepark. Een zonneveld in combinatie met een windturbinepark kan technisch en economisch gunstig zijn vanuit energieopwekking, -opslag en – distributie. Windparken en zonnevelden hebben verschillende ruimtelijke effecten en grondgebruik.
Sloop en circulair De provincie zet in op een 100% circulaire economie in 2050. Dit geldt ook voor de energietransitie. Als een zonneveld op de vergunde plek niet meer gewenst of nodig is, moet deze worden verwijderd. De provincie stimuleert het terugwinnen en opnieuw inzetten van grondstoffen uit zonnepanelen. Ruimtelijke kwaliteit De provincie heeft een handreiking opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit van zonneenergieprojecten te borgen. Deze handreiking wordt in de komende periode geactualiseerd en uitgebreid als het gaat om de inrichting en het beheer van zonnevelden, waarbij biodiversiteit zoveel mogelijk gestimuleerd zal worden. Verder start de provincie een onderzoek om inzichtelijk te maken of en onder welke voorwaarden zonnepanelen kunnen worden ingezet als teeltondersteunende voorziening. De resultaten van dit onderzoek kunnen interessant zijn voor de glastuinbouw in de gemeente Lansingerland. Tot slot heeft de provincie in paragraaf 3-1-4 van de vastgestelde herziening omgevingsbeleid module energietransitie het streven naar lokaal eigendom uitgewerkt. In hoofdstuk 4 bij het onderwerp participatie komt deze uitwerking aan de orde.
2.4
Energiestrategie Regio Rotterdam Den Haag
In de RES 1.0 heeft de opwek van duurzame elektriciteit door middel van zon een prominente rol gekregen. De volledige opgave valt niet alleen op daken te realiseren waardoor een deel ook op land en water een plek zal moeten krijgen. Duurzame opwek van elektriciteit met zon legt daarmee een ruimtelijke claim op de toch al schaarse ruimte. Toch zijn er kansen. Door het slim combineren van functies, zoals zonnepanelen op waterbassins naast kassen en het overkappen van parkeerplaatsen, is een aanzienlijke bijdrage aan de regionale ambitie te realiseren. Om richting te geven aan de zoektocht naar geschikte locaties, benoemt de RES enkele kansrijke gebieden. Het is aan de gemeenten die partij zijn in de RES om deze – nog vrij abstracte – zoekgebieden door te vertalen naar lokaal beleid. In Lansingerland leggen we daarvoor in eerste instantie de koppeling tussen de RES en onze eigen Omgevingsvisie, en maken we vervolgens een concretiseringslag met voorliggend beleidskader.
2.5
Convenant energietransitie glastuinbouw 2022-2030
In het kader van het Klimaatakkoord van 2019, het landelijke Coalitieakkoord van 2022 en het huidige nationale en Europese klimaatbeleid is in november 2022 de glastuinbouwparagraaf van het Klimaatakkoord uitgewerkt en vastgelegd in het “Convenant energietransitie glastuinbouw 2022-2030”. Dit convenant geldt tot en met 31 december 2030 en is gericht op realisatie van het voorlopige restemissiedoel voor 2030 met een bandbreedte van 4,3 tot 4,8 Mton CO2equivalenten. Hierbij gaat het om circa 20% energiebesparing, circa 30 PJ duurzame alternatieven en minimaal 2 Mton alternatieve CO2-voorziening. Verder is in het convenant opgenomen dat het programma “Kas als energiebron” een belangrijk instrument blijft en zal worden uitgebreid met extra aandacht voor duurzame energieopwekking. 7
Duurzame energie in de glastuinbouw kan onder meer gerealiseerd worden door de aanleg van een zonneveld binnen een restperceel binnen de glastuinbouw en door de installatie van zonnepanelen op waterbassins van de glastuinbouw. Hierover volgt later meer informatie in dit beleidskader zonne-energie.
2.6
Omgevingsvisie Lansingerland
In de Omgevingsvisie van Lansingerland staan enkele belangrijke ambities, kernwaarden en ruimtelijke uitgangspunten die richting moeten geven aan de ontwikkeling van Lansingerland op lange termijn. De keuzes die we met de Omgevingsvisie gemaakt hebben, werken direct door in de keuzes die we maken over zonne-energie. Zo benoemen we in de Omgevingsvisie enkele gebieden waarvan we het groene en open karakter willen behouden, en/of de natuurlijke en recreatieve waarden ervan willen versterken. Zonne-energie valt hier niet of nauwelijks in te passen. Dat geldt ook voor een groot deel van de linten. Tegelijkertijd benoemen we in de Omgevingsvisie op hoofdlijnen ook waar we wél mogelijkheden zien voor zon: met name op daken en waterbassins. Op die uitgangspunten wordt voortgeborduurd in dit beleidskader.
8
3 Beleidslijn 1: Focusgebieden voor zonne-energie Bij de voorbereiding van de 1.0 versie van de RES is in de zoektocht naar zoekgebieden onder andere gekeken naar de draagkracht van het landschap. Het landschappelijke karakter van de steden, dorpen en de omliggende gebieden is het vertrekpunt, waarbij open landschappen worden ontzien. 7
Ten tijde van de raadsbehandeling van de RES 1.0 in Lansingerland constateerden we dat er veel raakvlak is tussen de voorkeuren die onze inwoners hebben voor de inpassing van zonne-energie in onze gemeente, en de RES zoekgebieden voor zonne-energie die binnen onze gemeentegrenzen liggen. De ontwikkeling van zonne-energie in Lansingerland moet ruimtelijk verantwoord zijn, en moet logisch volgen uit de in de Omgevingsvisie beschreven kernkwaliteiten van onze gemeente. Dat betekent onder meer dat we het groen in onze omgeving naar een hoger niveau brengen, en daar erg zuinig op zijn. In de visie beschrijven we op hoofdlijnen ook een voorkeursvolgorde: eerst zon op dak en pas als het echt niet anders kan, wijken we onder vooraf vastgestelde voorwaarden uit naar grondgebonden zon. We kijken naar wat er mogelijk is, en stellen niet onze elektriciteitsvraag voorop. Dat betekent dat we vanuit het genoemde draagkrachtprincipe kijken naar wat er wel en niet mogelijk is in onze gemeente. Daarnaast zoeken we aansluiting bij de opvattingen die onze inwoners hebben over de ruimtelijke mogelijkheden die onze gemeente biedt voor dit vraagstuk. Draagvlak voor de energietransitie is namelijk onmisbaar voor het welslagen daarvan. In het verlengde van het voorgaande komen wij tot een viertal ‘focusgebieden’, met een totaal opwekpotentieel van 153,5 Gigawattuur (GWh).
In deze focusgebieden zien wij de grootste kans voor de ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling van zonne-energie: -
op daken, zowel de kleine particuliere daken als de grote bedrijfsdaken; opwekpotentieel: 132 GWh op waterbassins in het glastuinbouwgebied; opwekpotentieel: 2,1 GWh langs infrastructurele lijnen; opwekpotentieel: 14,7 GWh op parkeerplaatsen; opwekpotentieel: 4,7 GWh
-
3.1
Zon op dak
Lansingerland kent naast particuliere woningdaken veel (grote) bedrijfsdaken die nu nog niet benut worden voor de opwek van zonne-energie 8. Zon op dak is het meest voor de hand liggende voorbeeld van dubbel ruimtegebruik, waar wij in dit dichtbebouwde gebied zeker de voordelen
7 8
bij raadsvoorstel BR2100007 dd. 3 juni 2021 waren gevoegd de resultaten van het BurgerPanel Lansingerland Peilt (T21.02662) en de resultaten van de Swipocratie app (T21.02661), waarmee inzichten over voorkeuren van inwoners over de inpassing van zon en wind werden opgehaald. uit onderzoek van stichting Energieke Regio (november 2021) blijkt dat er in Lansingerland 850 onbenutte daken zijn, waar minimaal 40 zonnepanelen op geplaatst kunnen worden.
9
van zien. De Lansingerlandse gemeenteraad committeert zich met de vaststelling van de RES 1.0 aan de regionale ambitie om 40% van het geschikte dakoppervlakte in 2030 benut te hebben voor zonne-energie. Voor Lansingerland betekent dit dat van de 330 GWh totale potentie, wij 132 GWh als ambitie voor 2030 aanhouden. Voor daken zijn zonnepanelen geschikt, maar ook zonneboilers zijn mogelijk. Hiermee kan warmte worden opgewekt. Ook een combinatie van opwek van elektriciteit en warmte is denkbaar met een PVT-paneel.
3.2
Zon op waterbassins
Lansingerland kent een omvangrijk glastuinbouwgebied. Veel van de kassen in onze gemeente zijn voorzien van een waterbassin, waarin regenwater wordt opgevangen. Deze bassins liggen verhoogd en bieden kansen voor drijvende zonnepaneelinstallaties, zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de uitstraling van het gebied. In Lansingerland hebben we circa 46.000 m2 waterbassins. 30% daarvan schatten we in als bruikbaar, waarmee het opwekpotentieel voor dit focusgebied uitkomt op 2,1 GWh.
3.3
Zon langs infrastructuur
Door de industriële uitstraling van (rijen) zonnepanelen, zijn deze om landschappelijke redenen niet overal gewenst. We vinden dat deze uitstraling echter wel kan passen bij de functionele uitstraling van de infrastructurele lijnen in Lansingerland. Daarbij gaat het om de hoofdinfrastructuur, te weten de A12, N-wegen, het HSL-tracé en gemeentelijke hoofdwegen. Het gedeelte van de verlengde A16 dat binnen onze gemeentegrenzen valt, valt buiten de scope. Daar wordt namelijk waar mogelijk al voorzien in zonnepanelen, om de tunnelbak energieneutraal te maken. Van de vier focusgebieden is dit de meest diverse, in die zin dat er meerdere toepassingen denkbaar zijn voor de opwek van zonne-energie langs infrastructurele lijnen. We onderscheiden er vier, voorzien van een indicatie van de opwekpotentie: zon op veld / grondgebonden zon; opwekpotentieel: 6,6 GWh zon op talud; opwekpotentieel: 0,3 GWh zon op geluidscherm; opwekpotentieel: 1,9 GWh zon op water; opwekpotentieel: 5,9 GWh Zon op veld Groenstroken langs wegen, zoals het groen in klaverbladen, oksels van snelwegen, in wegbermen en op overige restruimtes langs infrastructuur lenen zich voor het plaatsen van grondgebonden opstellingen van zonnepanelen. Deze grond is veelal functioneel in gebruik als groenvoorziening, groene buffer tussen infrastructuur en bebouwing of agrarische grond.
Middenbermen lijken maar beperkt mogelijkheden te bieden voor zonnepanelen. Middenbermen op rijkswegen zijn vaak niet breed genoeg en gemeentelijke middenbermen zijn vaak voorzien van bomen en in bepaalde gevallen ingericht als ecologische zone. Afhankelijk van het type weg/spoor is een bepaalde afstand tot infrastructuur nodig. Geleiderails bieden als voordeel t.o.v. een obstakelvrije ruimte 10
dat zonnepanelen dichter op de weg geplaatst kunnen worden en het benutbare oppervlak dus groter is. Voor grootschalige grondgebonden zon (zonneweides) is maar beperkt ruimte in Lansingerland. In onze linten en groengebieden sluiten we die volledig uit. Als gemeente in het midden van de Randstad worden wij geconfronteerd met veel ruimtevragende maatschappelijke opgaven, terwijl de beschikbare ruimte zeer schaars is. Dat betekent keuzes maken. Voor zonne-energie vinden we het dan logischer om te sturen op dubbel ruimtegebruik, en grote zonneweides passen daar niet bij. Zon op talud Wanneer wegen of spoorlijnen verhoogd of verdiept aangelegd zijn, ontstaan taluds welke zich – mits juist georiënteerd ten opzichte van de zon en met een gunstige hellingshoek – lenen om te bedekken met zonnepanelen. Deze vaak lange en smalle taluds, kennen in de regel geen andere functie, waardoor de combinatie met zonnepanelen hier steeds vaker wordt toegepast. Ook geluidswallen naast infrastructuur kennen gelijke fysieke kenmerken. De hoogteligging bepaalt mede wat er mogelijk is aan ruimtelijke inpassing van zonne-panelen. Bij verdiepte wegligging zal net als bij zon op restruimtes een geleiderail of obstakelvrije zone nodig zijn. Panelen zorgen mogelijk voor schittering en kunnen de verkeersveiligheid negatief beïnvloeden.
Bij een verhoogde ligging van de infrastructuur speelt dit niet, maar zijn de panelen voor de omgeving juist zichtbaar. Zon op geluidsscherm Veel infrastructuur is uitgerust met objecten ten behoeve van het verhogen van de verkeersveiligheid (vangrails, verlichting) of juist om de overlast van geluid of zicht op spoor- of wegverkeer voor de omgeving te beperken (geluidsschermen). Omdat het realiseren van een zonne-energiesysteem op geluidsschermen afhankelijk is van de vervanging of het toevoegen van nieuwe locaties met geluidsschermen, hangt de haalbaarheid grotendeels af van de medewerkingsbereidheid van de weg- of railinfrabeheerder. Zon op water Drijvende zonnestroomsystemen zijn in Nederland na zon op dak en grondgebonden zon de meest voorkomende toepassing van opwek van zonne-energie. Deze techniek wordt steeds vaker toegepast en kent doorgaans een gunstige businesscase. Ook is er nog volop aandacht voor innovaties. Binnen het nationaal consortium Zon op Water wordt er veel kennis opgedaan en uitgewisseld over deze toepassing met als doel een versnelling aan te brengen aan de innovatie en implementatie van zon op water. Zo worden bijvoorbeeld de effecten op de biodiversiteit en natuurwaarden onderzocht, de levensduur en betrouwbaarheid van systemen getest en het multifunctionele ruimtegebruik van drijvende zonneparken verder verkend.
Het betreft hier enkel de waterpartijen die naar ligging of naar functie horen bij een infrastruc-turele lijn in de gemeente. In deze categorie vallen dus niet de waterbassins die we apart beschrijven. Ook natuuren recreatieplassen vallen buiten scope.
11
3.4
Zon op parkeerplaatsen
Parkeerplaatsen hebben een functioneel karakter waar de industriële uitstraling van zonnepaneelinstallaties passend bij kan zijn. Daarnaast zijn parkeerplaatsen steeds vaker gebieden die gebruikt worden om groen een plek te geven en zo bij te dragen aan de omgevingskwaliteit en klimaatadaptatie. We zien kansen om de grotere parkeerterreinen in de gemeente te overkappen met een zonnepaneelinstallatie. Lansingerland kent zo’n 254.000 m2 aan openbare parkeerplaatsen die groter zijn dan 500 m2. 30% van dit oppervlakte achten we benutbaar voor de realisatie van zonne-energie. Daarvan ambiëren we dat 40% wordt voorzien van zonnepanelen. Dit maakt het opwekpotentieel voor dit focusgebied 4,7 GWh. Voor zon op parkeerplaatsen benadrukken we dat wij de realisatie daarvan op korte termijn niet van de grond zien komen. Dat heeft te maken met een tweetal zaken: 1) de business case en 2) landschappelijke voorwaarden. Ten aanzien van de business case merken we op dat er slechts een handvol overkapte parkeerterreinen in Nederland voor de opwek van zonne-energie zijn gerealiseerd 9. Voor de rentabiliteit zijn grote parkeerterreinen nodig, en de constructie waarop de panelen komen te liggen is kostbaar. Naast de business case zien wij potentiële landschappelijke bezwaren.
Voordat wij medewerking gaan verlenen aan initiatieven, willen wij door middel van een separaat toetsingskader duidelijk maken onder welke landschappelijke voorwaarden zon op een parkeerplaats kan worden toegestaan.
9
Merosch en CEDelft leverden in juni 2021 in opdracht van RVO het onderzoeksrapport 'De zonnige kant van parkeren Een inspirerend inzicht in de mogelijkheden die parkeerruimtes bieden voor de opwekking van zonnestroom' op, te vinden via https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/08/De-zonnige-kant-van%20parkeren-definitieve-rapportage.pdf
12
4 Beleidslijn 2: Algemene uitgangspunten 4
Beleidslijn 2: Algemene uitgangspunten
We hebben in het vorige hoofdstuk focusgebieden aangewezen. Daar zien wij in Lansingerland de grootste kansen voor de ontwikkeling van zonne-energie. Het is echter niet zo dat zonne-energie in die focusgebieden in alle situaties zonder meer kan worden toegestaan. Wij hanteren de volgende algemene uitgangspunten die niet alleen moeten helpen de kwaliteit van een concreet initiatief te bepalen, maar ook richting moeten geven aan het eigen gemeentelijke handelen bij het stimuleren van de bredere ontwikkeling van zonne-energie. Deze uitgangspunten passen wij toe wanneer een initiatief in strijd is met het bestemmings-plan, en er een omgevingsvergunning nodig is. Voor zonprojecten die vergunningvrij zijn (zon op dak) 10 of in overeenstemming met het bestemmingsplan dan wel het omgevingsplan, is toepassing van deze uitgangspunten niet aan de orde. Sturen op gebouw- en objectgebonden zonne-energie In Lansingerland is onbebouwde ruimte schaars. Als gemeente willen we dat de opwek van zonneenergie zoveel mogelijk plaatsvindt op daken. Ook zien we vormen van opwek van zonne-energie die zijn geïntegreerd in objecten als wenselijk, bijvoorbeeld in of op gevels.
Met deze uitgangspunten stimuleren we dubbel ruimtegebruik, combineren we functies en zetten we de zeer beperkt beschikbare ruimte in Lansingerland zo goed mogelijkheid om meerdere maatschappelijke opgaven het hoofd te kunnen bieden. Sturen op ruimtelijke kwaliteit en functioneel grondgebruik Als gemeente hechten we veel belang aan het behoud van ruimtelijke kwaliteit. We definiëren ruimtelijke kwaliteit als de combinatie van belevingswaarde, functionele waarde en toekomstwaarde. Daar waar er sprake is van een initiatief voor grondgebonden zon, willen wij de negatieve effecten zoveel als mogelijk beperken, door te eisen dat: - het zonneveld naast het opwekken van energie in een nevenfunctie voorziet; - minimaal 10% van het oppervlak van het zonneveld bestemd is voor landschappelijke inpassing van het zonneveld, waarbij de inpassingsrand rondom is minimaal 7,5 meter breed is; - de bodem dusdanig beschermd wordt dat de grond na 25 jaar weer bruikbaar is voor andere doeleinden, waaronder voedselproductie; - voor de inpassing wordt gebruik gemaakt van inheemse beplanting en kruiden. De zoom draagt bij aan herstel van de insectenstand in de gemeente, iets waar wij als bij-vriendelijke gemeente veel waarde aan hechten.
Zonneweides ongewenst in waardevolle natuur-, recreatie,- en agrarische gebieden De gemeente Lansingerland kent meerdere hoogwaardige natuur-, recreatie, - en agrarische gebieden. In onze Omgevingsvisie benoemen we deze gebieden 11, en geven daarvoor aan dat we het groene en open karakter ervan willen behouden, en/of de natuurlijke en recreatieve waarden ervan willen versterken. Gebieden die in de Omgevingsvisie 1.0 staan aangemerkt als waardevol 10 11
Onder de Omgevingswet blijft dit zo. Voor meer info: https://iplo.nl/thema/bouw/bouwen-vergunning-melding/zonnecollectoren-zonnepanelen-dak/. Hier komt bij dat het mogelijk zal zijn om in het omgevingsplan meer bouwwerken zoals zonnepanelen vergunningsvrij te maken. Bij het opstellen van het omgevingsplan zal dit onderzocht worden. Zie o.a. het kaartmateriaal op pagina's 43 en 63, en ook de teksten in paragraaf 3.2.2, van de Omgevingsvisie 1.0.
13
door het groene en open karakter, willen we zo houden. Daar staan we dus geen (grote of kleinere) zonneweides toe. Daarnaast benoemen we in de Omgevingsvisie enkele specifieke gebieden: Rottezoom, Bleiswijkse Fles, Bleiswijkse Zoom, Groenzoom, Hoge en Lage Bergse Bos, Hoeksepark Oost en West en de Landscheiding. Deze gebieden bieden naar onbebouwd oppervlakte weliswaar mogelijkheden voor zonneweides, maar toch willen wij deze gebieden hiervan vrijwaren. De ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van deze gebieden is immers zeer hoog. De realisatie van zonnevelden leidt hier tot een onwenselijke afname van deze kwaliteit. De effecten van zonnevelden zijn in deze gebieden niet (voldoende) te beperken of te compenseren. Zonneweides ongewenst in de linten Voor de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van onze gemeente hechten wij grote waarden aan de linten. Het zijn vanuit de cultuurhistorie de dragers van de ruimtelijke structuur van onze gemeente en het ontstaan van de drie kernen. In de Omgevingsvisie 2.0 worden de linten meer specifiek opgenomen en worden deze aangemerkt als waardevol door het groene karakter en cultuurhistorische betekenis. Dat willen we zo houden en daarom zijn (grote of kleinere) zonneweides hier niet toegestaan.
Reststroken Reststroken zijn stukken grond waarvoor het moeilijk dan wel onmogelijk is daaraan een hoogwaardige en functionele invulling te geven. Door het karakter of de situering van die grond, speelt het geen belangrijke rol (meer) meer in ordening- en inrichtingvraagstukken. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer een stuk grond ingeklemd ligt tussen andere functies of bebouwing, of wanneer over, op of langs de grond (energie)infrastructuur loopt, waarvoor richtafstanden gelden. Op reststroken zijn zonneweides onder voorwaarden mogelijk. Netcongestie De netbeheerder heeft te maken met steeds meer schaarste op het elektriciteitsnet. Daarnaast is er sprake van een aantal afhankelijkheden, zoals de plan- en strategievorming van TenneT, het tempo van de energietransitie en schaarste in eigen personeel, middelen en tijd. Om netcongestie zoveel mogelijk te voorkomen is het nodig om nieuwe projecten efficiënt aan te sluiten, door deze bijvoorbeeld te ontwikkelen nabij aansluitpunten of door het aftoppen van pieken. Dat wat lokaal opgewekt wordt, dient bij voorkeur ook lokaal verbruikt te worden. Zo wordt voorkomen dat de elektriciteit alsnog getransporteerd moet worden met extra belasting op het net als gevolg. Op projectniveau is het van belang om in een vroeg stadium de details van het project te bespreken met de netbeheerder, met name over de aansluitbaarheid.
Zo houden we het geheel planbaar en investeerbaar. Groen en ecologie De in onze Omgevingsvisie omschreven waarden van groen en ecologie, betekent ook dat wij vinden dat de installatie van zonnepanelen op geen enkele wijze afbreuk mag doen aan de vastgestelde groenstructuur, bomenstructuur en ecologische netwerken van Lansingerland. Voor
14
ieder initiatief dat zich bevindt in een gebied dat onderdeel uitmaakt van deze structuren, zal bepaald worden of van afbreuk al dan niet sprake is. Uit het voorgaande volgt ook dat met dit beleidskader een eerder door het college ingenomen 12 beleidsuitgangspunt herbevestigd wordt: de aanwezigheid van zonnepanelen of de wens deze aan te brengen is geen reden voor het kappen of het drastische snoeien van vitale bomen. Gemeentelijke grond De situatie dat gemeentelijke gronden beschikbaar komen en geschikt worden geacht voor de installatie van grondgebonden zonnepanelen komt maar beperkt voor. Slechts op gronden waarvoor geen andere passende invulling wordt gevonden, bijvoorbeeld met het oog op bereikbaarheid of omdat het een zogenoemde ‘reststrook’ is, wordt nagedacht over grondgebonden zonnepanelen. Naast de voornoemde uitgangspunten ten aanzien groen, ecologie en verkeersveiligheid, hanteren we nog de volgende uitgangspunten bij het bepalen of een infinitief voor zonnepanelen op gemeentegrond kan worden toegestaan: * Ondergrondse infrastructuur moet altijd bereikbaar blijven. * Borging sociale veiligheid; sociale zichtlijnen mogen niet belemmerd worden door zonnepanelen. * Machinaal onderhoud moet veilig en goed kunnen worden uitgevoerd. Er dient dus voldoende werkgang aanwezig te zijn en versnippering van groenstroken moet worden voorkomen.
Verkeersveiligheid Onder geen enkele omstandigheid mag de verkeersveiligheid in het geding komen door de plaatsing van zonnepaneelinstallaties langs infrastructurele lijnen in Lansingerland. Dit speelt met name wanneer zonnepanelen op maaiveldniveau worden geïnstalleerd en door schittering voor afleiding kunnen zorgen. Daarnaast dient er bij alle wegen een obstakelvrije zone in acht te worden genomen (minimale vrije ruimte vanaf de rijbaan), waarbij we uitgaan van de ASVVrichtlijnen en mogen zonnepanelen in het geval van een calamiteit de bereikbaarheid van de infrastructuur voor hulpdiensten niet belemmeren. Ook mogen zonnepanelen, als gevolg van totale bouwhoogte inclusief constructie of hun situering, de zichtlijnen die noodzakelijk worden geacht voor de verkeersveiligheid niet belemmeren. Participatie In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over participatie. Het primaire doel van deze afspraken is het verkrijgen van draagvlak en acceptatie voor hernieuwbare elektriciteits-projecten op land. We onderscheiden twee vormen van participatie: procesparticipatie en financiële participatie/lokaal eigendom. Met procesparticipatie bedoelen we dat de initiatiefnemer actief aan de slag gaat met participatie van de omgeving van het zonproject. Dit stellen we als voorwaarde, wanneer een ruimtelijke procedure moet worden doorlopen om een project mogelijk te maken.
12
Zie o.a. collegebesluit BW1400313 dd. 18-02-2014.
15
In dit beleidskader geeft gemeente Lansingerland kaders mee voor lokaal eigendom en aanvullende financiële participatie/toegevoegde waarde voor de omwonenden in duurzame energieprojecten in de gemeente. Het gaat hier niet om burgerparticipatie over de locatie van een project. In deze paragraaf komt dit na het onderdeel financiële participatie. Financiële participatie en lokaal eigendom Doel Via lokaal eigendom en aanvullende financiële participatie/toegevoegde waarde voor omwonenden, wil gemeente Lansingerland de maatschappelijke acceptatie van hernieuwbare energieprojecten vergroten. Daarnaast wil gemeente Lansingerland daarmee zorgen dat inwoners zeggenschap hebben bij de ontwikkeling en exploitatie van energieprojecten in hun omgeving. En dat een deel van de opbrengsten van de projecten terugvloeien in de lokale gemeenschap. Zowel financieel als maatschappelijk. Definitie van lokaal eigendom Lokaal eigendom gaat over eigenaarschap en over de belangen van de omgeving. Bij lokaal eigendom zijn lokale partijen (mede-)eigenaar van een energieproject. Onder lokale partijen verstaan we in ieder geval direct omwonenden en inwoners die al dan niet verenigd zijn in een (energie)coöperatie. Lokaal eigendom geeft de lokale omgeving zeggenschap over de ontwikkeling en landschappelijke inpassing van energieprojecten en over de revenuen, die voortkomen uit die projecten.
Door de lokale omgeving zeggenschap te geven, kan er binnen het project ook een eerlijke verdeling van de lusten en lasten worden afgesproken. Dit alles draagt bij aan de maatschappelijke acceptatie van energieprojecten. Gemeente Lansingerland vindt maatschappelijke acceptatie van hernieuwbare energieprojecten van groot belang. Om dat te bereiken, wil gemeente Lansingerland dat de baten en lasten van hernieuwbare energieprojecten goed verdeeld zijn. Dit kan via lokaal eigendom, maar ook via aanvullende financiële participatie of andere vormen van toegevoegde waarde voor de omwonenden. De vormen van financiële participatie worden hierna beschreven. Van belang is om te benadrukken dat financiële participatie van gemeentezijde niet afdwingbaar is en vaak alleen mogelijk is wanneer een park voldoende opbrengsten genereert, wat meestal alleen bij grotere zonnevelden het geval is.
16
In paragraaf 3-1-4 van de herziening omgevingsbeleid module energietransitie heeft de provincie de volgende 4 vormen van financiële participatie onderscheiden, waarbij de gemeente Lansingerland zich aansluit: 1. Mede-eigenaarschap Omwonenden profiteren mee als mede-eigenaar van een wind- of zonneproject via een vereniging of (energie)coöperatie. Lokaal eigendom is mede-eigenaarschap (risicodragend, met zeggenschap) voor de lokale omgeving van een energieproject; 2. Financiële deelneming Omwonenden nemen risicodragend deel aan een project, bijvoorbeeld door aandelen, certificaten of obligaties; 3. Omgevingsfonds Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan maatschappelijke doelen in de buurt, zoals een sportclub of een wijkvereniging; 4. Omwonendenregeling Met een omwonendenregeling ontvangen mensen, die in de directe omgeving wonen een voordeel. Bijvoorbeeld met korting op stroom afkomstig uit het project, een financiële compensatie of door investeringen in het verduurzamen van hun woning. Wat is het verschil tussen lokaal eigendom en aanvullende vormen van financiële participatie? Lokaal eigendom onderscheidt zich van andere vormen van financiële participatie door het feit dat één of meer lokale partijen voor een deel risicodragend eigenaar wordt van een energieproject en daarmee ook zeggenschap heeft over het project in de ontwikkel- en exploitatiefase.
Lokaal eigendom betekent dus ook risico dragen. Niet iedereen wil of kan mede-eigenaar zijn van een energieproject. Daarom wordt lokaal eigendom gecombineerd met aanvullende vormen van financiële participatie/toegevoegde waarde voor omwonenden. Denk aan een gebiedsfonds waarmee maatschappelijke projecten kunnen worden uitgevoerd, een investering in een stuk natuur, grondvergoedingen en/of financiële deelneming. Zo kunnen ook omwonenden die geen risico willen dragen lusten en baten ervaren van het energieproject, wat de maatschappelijke acceptatie verder vergroot. In lijn met het Klimaatakkoord streeft de gemeente Lansingerland naar 50% lokaal eigendom van de productie van zonne-energie op land in 2030 en dat hierbij in een gebied door de partijen gelijkwaardig wordt samengewerkt in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een energieproject. Dit is de eerstgenoemde vorm van financiële participatie. Welke vorm(en) per project in welke mate worden gebruikt zal variëren en is de uitkomst van het gesprek met de omgeving. Het kan in bepaalde gevallen voorkomen dat de lokale omgeving afziet van de mogelijkheid voor lokaal eigendom.
17
Kernpunten lokaal eigendom en aanvullende financiële participatie gemeente Lansingerland De kernpunten van lokaal eigendom en aanvullende financiële participatie voor gemeente Lansingerland zijn: 1.
Verdeling van baten en lasten: er wordt een voor de omgeving acceptabele verdeling van baten en lasten afgesproken en het project draagt bij aan maatschappelijke acceptatie van energieprojecten: • Zeggenschap: De lokale omgeving krijgt mede zeggenschap over de ontwikkeling en landschappelijke inpassing van de projecten en de opbrengsten; • Verdeling van opbrengsten; • Collectief eigenaarschap: de inwoner krijgt de kans om mee te doen.
2. 3.
De aanpak van energieprojecten: naast marktbelangen moeten de belangen van de omgeving een rol spelen in de realisatie van en participatie in energieprojecten; Toegevoegde waarde voor omgeving: Het project moet naast financiële opbrengsten ook waarde toevoegen voor de lokale omgeving (landschappelijk, maatschappelijk en bijdragen aan de energietransitie).
Daarom streeft gemeente Lansingerland naar minimaal 50% lokaal eigendom per project in combinatie met (daarbovenop) aanvullende vormen van financiële participatie of toegevoegde waarde voor de omgeving. Daarbij: - Verwacht gemeente Lansingerland dat initiatiefnemers de gedragscode voor zon op land ondertekenen en volgen. - Voert gemeente Lansingerland regie op hoe aanvullende vormen van financiële participatie en toegevoegde waarde voor de omgeving een plek krijgen binnen lokale energieprojecten. Zie toelichting onder kopje participatieproces. Participatieproces van de omgeving Gemeente Lansingerland vindt een zorgvuldig participatieproces over hernieuwbare energieprojecten van groot belang voor het maken van goede afspraken over lokaal eigenaarschap. Dit vraagt inspanningen van de initiatiefnemer. Deze moet tijdens de planvorming in gesprek met de lokale omgeving in een participatietraject. Dit gesprek gaat dan om zowel de ruimtelijke inpassing als de (financiële) participatie en mede-eigenaarschap. Wat onder 'lokale omgeving' wordt verstaan, wordt bepaald per project, waarbij gemeente Lansingerland graag ziet dat de lokale omgeving ten minste bestaat uit omgevingspartijen, zoals lokale inwoners of bewonersgroepen, lokale bedrijven, lokale verenigingen en lokale overheden.
Gemeente Lansingerland vraagt de initiatiefnemer van een energieproject om in een vroeg stadium van de planvorming een participatietraject te starten met de lokale omgeving om zo een goed beeld te krijgen van de wensen van de lokale omgeving, onder andere ten aanzien van financiële participatie en toegevoegde waarde van het project voor het gebied. In een participatieplan beschrijft de initiatiefnemer van een energieproject hoe dit participatieproces met de lokale omgeving wordt gevoerd. De initiatiefnemer legt de gezamenlijk gemaakte afspraken over van financiële participatie en toegevoegde waarde van het project voor het gebied vervolgens vast in een omgevingsovereenkomst. 18
Voor de invulling van participatie verwijzen we naar de concept- participatienota. Daarin zijn kaders en uitgangspunten opgenomen voor het proces voor het samenwerken met de inwoners. Deze nog vast te stellen visie en de ontwikkelingen op dat vlak zijn op deze nota van toepassing. Aan initiatiefnemers vragen wij een participatieplan op te stellen. Dit participatieplan maakt onderdeel uit van het concept van het integrale plan voor de ontwikkeling, dat aan de gemeente in de vorm van een principeverzoek zal worden voorgelegd. De gemeente zal dit beoordelen en aangeven of daarmee het proces van verdere uitwerking kan worden gestart. In het participatieplan moet in ieder geval worden ingegaan op welke wijze het proces om te komen tot zo veel mogelijk acceptatie wordt georganiseerd. Hierbij gaat het om de volgende elementen: • Welke inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties als lokale omgeving deelnemen aan het participatieproces en waarom; Daarbij maken we onderscheid tussen locatie en deelnemen als eigenaar of andere vorm van financiële participatie. • Op welke wijze de lokale omgeving deelneemt aan het participatieproces met een vooruitblik naar participatie tijdens de bouw- en exploitatiefase; Ook hier is onderscheid tussen locatie en financiële participatie.
• Hoe de lokale omgeving op de hoogte wordt gehouden van het project en waar informatie over het hernieuwbare energieproject beschikbaar is; zowel over de omgeving van de locatie als over eigenaarschap • Op welke wijze wordt verkend wat de wensen en grenzen van de lokale omgeving ten aanzien van financiële participatie en toegevoegde waarde voor de omgeving zijn; • Hoe de initiatiefnemer zich inspant om met de lokale omgeving tot afspraken te komen over financiële participatie en toegevoegde waarde van het project voor de omgeving; • Hoe de initiatiefnemer de afspraken met de lokale omgeving wenst vast te leggen en hoe alle partijen kunnen toezien op de naleving van de afspraken; Ook hierin onderscheid tussen de omgevingscommunicatie en -participatie van de locatie en de financiële participatie. In het plan moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de omgeving van de locatie en het deelnemen als eigenaar of andere vorm van financiële participatie. De initiatiefnemer dient bij de vergunningaanvraag aan te tonen dat er een passend traject is geweest van communicatie en participatie. In het communicatie- en participatieverslag wordt door de initiatiefnemer weergegeven wat er is georganiseerd, wat de reacties waren van omwonenden en andere belanghebbenden en hoe de initiatiefnemer daarmee is omgegaan.
De initiatiefnemer geeft in het participatieverslag een toelichting en verantwoording tot welke afspraken over de hiervoor genoemde vormen van financiële participatie dit heeft geleid. De initiatiefnemer geeft inzicht welk financieel aanbod is gedaan, hoe belanghebbenden hebben gereageerd en tot welke vorm van financiële participatie is gekomen. De gemeente legt verantwoording af door rapportage over de inspraak bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning.
19
5 Beleidslijn 3: Stimulering en ondersteuning Het zijn vooral onze inwoners, bedrijven, de lokale energiecoöperatie en commerciële ontwikkelaars die over gaan tot de realisatie van zonprojecten in Lansingerland. De gemeente is geen ontwikkelaar en ziet zichzelf vooral als aanjager, facilitator en verbinder in de context van deze opgave. Vanuit die rol ontplooien wij zelf wel activiteiten die bij moeten dragen aan de bredere ontwikkeling van zonne-energie in Lansingerland. Langs de lijn van de in hoofdstuk 3 beschreven focusgebieden ontplooien wij de volgende activiteiten, waarbij wij het evenwicht trachten te bewaren tussen de minimaal noodzakelijk geachte inzet enerzijds en de beperkt beschikbare ambtelijke capaciteit anderzijds:
5.1 Gemeentelijke inzet voor zon op dak Duurzaamheidslening Sinds maart 2021 is de duurzaamheidslening actief. Dit is een revolverend fonds waaruit particuliere woningeigenaren een laagrentende lening kunnen verkrijgen ter verduurzaming van hun woning. Ook zonnepanelen kunnen hiermee gefinancierd worden. Sinds de open-stelling van de regeling zien we dat het leeuwendeel van de verstrekte leningen bedoeld zijn voor zonnepaneelinstallaties op particuliere daken. We voorzien met de duurzaamheidslening in een behoefte en continueren die dan ook de komende jaren. Waar nodig en mogelijk, breiden we de regeling uit. Bedrijfsdaken De gemeentelijke inzet ter ondersteuning van ondernemers bij het realiseren van zonnepaneelinstallaties staat nog in de kinderschoenen. De aanwezigheid van grote distributie-centra biedt kansen om veel zonnepanelen op daken te installeren. Ook al zien we veel enthousiasme onder ondernemers om daarmee (vrijwel autonoom, los van overheidsinzet) aan de slag te gaan, is er ook nog veel onbenut dakpotentieel. Eigenaren van onbenutte daken benaderen we actief. We bieden hen ondersteuning aan bij het verkrijgen van inzicht in de (financiële) mogelijkheden die hun dak biedt. Uit de brief van de Minister voor Klimaat en Energie d.d.
20 mei 2022 over stimulering van duurzame energieproductie blijkt dat het kabinet ernaar streeft om vanaf 2025 de volgende verplichting op te leggen: nieuwe utiliteitsgebouwen met een dakoppervlak groter dan 250 m2 moeten het volledige dak gebruiken of laten gebruiken voor de opwek van hernieuwbare energie zoals zonne-energie (zonnestroom, zonnewarmte of een combinatie daarvan). Onder utiliteitsgebouwen worden alle gebruiksfuncties verstaan behalve woningen. Daarnaast heeft het Kabinet het voornemen om gemeentes bij bestaande utiliteitsbouw de volgende mogelijkheid toe te kennen: in het omgevingsplan kan de gemeenteraad de verplichting opnemen dat daken met een oppervlak van 250 m2 of meer volledig benut worden voor zonnepanelen. De streefdatum van inwerkingtreding van deze bevoegdheid is 2024. Op korte termijn zijn er dus geen verplichtingen (mogelijk) voor zonnepanelen op daken en blijven wij ons richten op ontzorging en enthousiasmering. Gemeentelijke daken Als gemeente willen we een concrete bijdrage leveren aan het lokaal opwekken van energie. Naast het scheppen van (beleidsmatige) randvoorwaarden om andere partijen hiertoe in staat te stellen, willen we hier ook een praktische bijdrage aan leveren door ons gemeentelijk vastgoed te (laten) gebruiken voor het opwekken van zonne-energie.
20
Daken die in eigendom én beheer van de gemeente zijn, zijn op dit moment niet meer beschikbaar voor zonne-energie. De bestaande daken die daarvoor geschikt zijn, zijn namelijk reeds voorzien van zonnepanelen die worden gebruikt voor de energievoorziening van het betreffende pand. Het potentieel van onze daken wordt op dit moment dus volledig benut. Ook eventuele nieuwe gemeentelijke daken worden in de regel voorzien van zonnepanelen ten behoeve van het eigen energieverbruik van het betreffende pand. Wij verwachten dan ook dat nieuwe gemeentelijke daken in de toekomst maar zeer beperkte mogelijkheden bieden voor de exploitatie van zonnepanelen door derden. De situatie dat er in de toekomst een gemeentelijk dak beschikbaar komt voor derden, valt echter niet uit te sluiten. Om te bepalen hoe wij de dan beschikbare ruimte aan willen wenden voor zonne-energie, hanteren wij het volgende afwegingskader. Voor geschikt dakoppervlak geldt het specifieke uitgangspunt dat we deze zoveel als mogelijk (laten) benutten voor de opwek van duurzame energie door middel van zonnepanelen. Een gemeentelijk dak is geschikt als de draagconstructie berekend is op extra belasting als gevolg van de zonnepanelen en de installatie van de panelen financieel-economisch verantwoord is.
Dit laatste betekent in ieder geval dat er voldoende dakoppervlakte beschikbaar is en dat het installatiemoment van de zonnepanelen in relatie tot de levensduur van de bestaande dakbedekking niet leidt tot onevenredig hoge vervangings- of installatiekosten voor de gemeente. Om te bepalen wie er in aanmerking komt om zonnepanelen te leggen en te exploiteren op gemeentelijke daken hanteren wij een voorkeursvolgorde. In eerste instantie installeren wij als gemeente zelf zonnepanelen met als doel te voorzien in het eigen elektriciteitsverbruik van het betreffende complex. Zo blijven we werken aan de bredere verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed. Indien wij als gemeente ervoor kiezen een geschikt dak niet zelf van zonnepanelen te voorzien, dan stellen we deze beschikbaar aan onze inwoners. Zo bevorderen we de lokale opwek van duurzame energie, ook door mensen die zelf wellicht geen geschikt dak hebben. Beschikbaarstelling van het dak aan bewoners doen we alleen indien die inwoners zich hebben verenigd (bijvoorbeeld als coöperatie) en in die hoedanigheid voldoende panelen kunnen installeren en exploiteren zodat het betreffende gemeentelijke dak ten volle benut wordt. Dat wil zeggen dat er na beschikbaarstelling geen onbenut geschikt dakoppervlakte over kan blijven.
In het geval gemeente noch bewoners een gemeentelijk dak wil of kan voorzien van zonnepanelen, dan overwegen wij deze beschikbaar te maken voor commerciële exploitatie. Dit heeft onze laatste voorkeur maar zal wel worden overwogen indien het onbenut blijven van geschikt dakoppervlakte anders een reëel risico is.
21
5.2
Gemeentelijke inzet voor zon op waterbassins
Wij zijn aangesloten bij een regionaal opgezette projectstructuur om te komen tot pilotprojecten voor zon op waterbassins. Greenport West-Holland en Energie Samen werken samen met de glastuinbouwgemeenten uit onze RES-regio aan een breed gedragen versnellingsaanpak. We dragen onder andere financieel bij aan de inhuur van een programmanager, die richting geeft aan de ontplooiing van activiteiten om gefaseerd (eerst pilotprojecten, daarna doorontwikkeling) te komen tot circa 300 regionale projecten zon op waterbassins in 2030. We hebben bekeken in hoeverre gemeentelijke regelgeving, waaronder de diverse bestemmingsplannen, in de weg staan aan deze ontwikkeling. Naar voren is gekomen dat meestal een aanvraag Omgevingsvergunning ingediend moet worden voor het realiseren van zonnepanelen op een waterbassin, tenzij er voldaan wordt aan een aantal voorwaarden die beschreven staan in het landelijke Besluit omgevingsrecht. In het kader van de Omgevingswet wordt bekeken of en op welke wijze actualisatie van gemeentelijke regelgeving nodig is. Actualisatie wordt dan opgenomen in het op te stellen Omgevingsplan. Binnenkort wordt de regionale rapportage over de pilotfase van zon op waterbassins opgeleverd. Deze pilotfase is een onderzoek, dat de RES-regio Rotterdam/Den Haag heeft uitgevoerd in samenwerking met Energie Samen Zuid-Holland.
In het afgelopen jaar is onderzoek uitgevoerd naar zon op waterbassins bij vier locaties. Daarbij is gekeken naar de technische, financiële en ruimtelijke haalbaarheid. Geconstateerd is dat het in de praktijk regelmatig voorkomt dat de daken in glastuinbouwgebieden bedekt zijn met zonnepanelen, maar dat het verbruik nog niet volledig gedekt wordt en dat er nog beschikbare capaciteit is op de hoofdaansluiting. Er zijn dus relatief veel daken bedekt met zonnepanelen, maar de waterbassins worden nog weinig benut voor de opwekking van stroom door zonne-energie. Als tuinders hun eigen verbruik nog niet hebben gedekt en nog netcapaciteit beschikbaar hebben, kunnen zij met zonnepanelen op het waterbassin bijna hetzelfde rendement behalen als met de zonnepanelen op het dak. Dit is zeker het geval als gebruik wordt gemaakt van de provinciale subsidieregeling “Zonnig Zuid-Holland”. Op hoofdlijnen zijn de onderzoeksresultaten als volgt: • Ontheffing voor verlening Omgevingsvergunning is bij de uitgevoerde pilotprojecten mogelijk; • Er zijn diverse subsidiemogelijkheden die elkaar versterken; • De terugverdientijd voor ondernemers is 2-10 jaar, afhankelijk van de situatie.
De verschillen in terugverdientijd worden vooral bepaald door de afstand van het waterbassins tot de aansluiting op het elektriciteitsnet en door de wijze van financiering; • Bij de aangepaste subsidiebedragen van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking kunnen er rendabele business cases voor energiecoöperaties ontstaan. In de verkenning is voor de pilots gerekend met een bijdrage vanuit de provinciale regeling “Zonnig Zuid Holland”, die tot december 2023 van kracht is. Het regionale doel is om in 2023 te komen tot 10 investeringsbeslissingen voor projecten van zonne-energie op waterbassins door tuinbouwondernemers en/of energiecoöperaties. Binnenkort wordt in regionaal verband in samenwerking met Energie Samen en Greenport West-Holland besloten op welke wijze dit gerealiseerd zal worden. Gemeente Lansingerland zal conform eerder
22
gemaakte afspraken bijdragen aan het stimuleren van zon op waterbassins.
5.3
Gemeentelijke inzet voor zon langs infrastructuur
Voor het gedeelte van de rijksweg A12 dat in Lansingerland ligt, bekijken we samen met andere gemeenten of de A12 onderdeel gemaakt kan worden van het zogenoemde OER-programma van Rijkswaterstaat. Met dit programma wil RWS haar areaal onder voorwaarden beschikbaar maken voor de energietransitie. Ten aanzien van het HSL-tracé zien wij potentie, maar achten die niet op de korte en middellange termijn realiseerbaar omdat hier recent afspraken over nieuwe geluidwerende schermen zijn gemaakt met de spoorbeheerder. Voor het resterende gedeelte van de Lansingerlandse infrastructuur wachten wij initiatieven van derden af, faciliteren die waar mogelijk en toetsen die aan de hand van de uitgangspunten uit dit beleidskader.
5.4
Gemeentelijke inzet voor zon op parkeerplaatsen
In RES verband zijn meerdere parkeerplaatsen in onze gemeente geïdentificeerd die potentie herbergen om te overkappen en te voorzien van zonnepanelen. De business case voor zon op een parkeerterrein is in de meeste gevallen slecht, waardoor er weinig interesse voor is. Voor bestaande overkappingen geldt in veel gevallen dat de constructie niet geschikt is voor de installatie van zonnepanelen. Nieuw op te richten constructies hebben een forse impact op de lokale beeldkwaliteit. Wij willen eerst meer inzicht in welke locaties financieel, landschappelijk en stedenbouwkundig ontwikkelbaar zijn, voor we hier een actieve inzet op plegen en initiatieven toestaan. Concreet betekent dit dat we gaan werken aan een separaat toetsingskader voor zon op parkeerplaatsen.
5.5
Communicatie en samenwerking
Communicatie Naast deze activiteiten die specifiek gericht zijn op bepaalde focusgebieden, ontplooien wij als gemeente ook meer ‘overstijgende’ of algemene activiteiten. Het gaat in eerste instantie over een communicatiestrategie die wij voor de bredere energietransitie inzetten. Deze is erop gericht om onze inwoners en ondernemers blijvend enthousiast te maken voor dit onderwerp, hen te informeren over financiële en technische mogelijkheden en hen aan te zetten tot actie. Deze communicatie gaat dus over veel onderwerpen, maar ook over het stimuleren van zonne-energie in de gemeente. Energiecoöperatie Goed om te benadrukken is de samenwerking met de lokale energiecoöperatie Nieuwe Lansinger Stroom (NLS). Al jaren werken gemeente en NLS samen op meerdere onderwerpen die de energietransitie raken. NLS is ook actief ontwikkelaar van eigen zonprojecten. Daar waar mogelijk ondersteunen wij NLS bij hun activiteiten en beschouwen hen als een partij die ook een ontwikkelende rol kan vervullen bij de ontwikkeling van zonprojecten op grote daken, waterbassins en parkeerterreinen en in die gevallen waar de eigenaar daar zelf geen interesse in heeft maar wel bereid is het object beschikbaar te stellen aan derden. Andersom vervult NLS (onder andere online, maar ook via een fysieke Energiewinkel) een waardevolle rol in het communiceren over de energietransitie.