CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T21.10323] Nota bodembeheer 2021-2031

Commissie Ruimte 12 april 2022, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Geactualiseerde Bodemnota en Bodemkwaliteitskaart40.106 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

4.21 UITGEVOERD NEN 5740 ONDERZOEK EN GEBRUIK ONTGRAVINGSKAART Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd maar geen specifieke onderzoeksstrategie (zie ŝ 4.19), bijvoorbeeld ter plaatse van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie, geldt het volgende: Binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeente vindt het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. De gemeente staat het daarom toe dat, als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de gehalten van de stoffen voldoen aan de 80-percentielwaarde19 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4, kolom 80P), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt.

Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de 80-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de DCMR.

4.22 TOEPASSEN GROND VANUIT DE BODEMLAAG DIEPER DAN 2 METER BENEDEN HET MAAIVELD Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast (zie ŝ 6.2.1). Uitzondering op dit beleid vormen de graafwerkzaamheden bij tijdelijke uitname van grond bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen: de zintuiglijk niet verontreinigde bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte.

19 80ŵ van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 42/59

4.23 TOEPASSEN CHLORIDE-HOUDENDE GROND EN BAGGERSPECIE OP EN IN DE LANDBODEM (BODEMLAAG 0-2 M-MV) Gezien de ligging van het bodembeheergebied aan de Noordzee, het Haringvliet, het Grevelingenmeer, de Maasmond en het opkwellend brak grondwater, is de vrijkomende grond rondom deze wateren (gemeenten Goeree-Overflakkee, Maassluis, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen) die wordt toegepast soms belast met zout, waaronder chloriden. De vrijkomende grond dieper dan 2 meter beneden het maaiveld en afkomstig uit gemeenten rondom deze wateren moet vanwege opkwellend brak grondwater aanvullend op chloride worden onderzocht. Chloriden komen van nature voor in de bodem, verspreiden zich makkelijk in de bodem en zijn nauwelijks giftig voor mens en dier. Te veel chloride in de bodem heeft nadelige invloeden op planten en gewassen (onder meer verminderde groei en sterfte van (delen van) de plant of gewas). Om de bodem ter plaatse van (toekomstige) gewasteelt te beschermen voor een te hoog gehalte aan chloride stelt de gemeente een maximaal gehalten vast voor verschillende bodemgebruikstypen (zie tabel 4.4). Deze chloridegehalten zijn gebaseerd op een eerder opgestelde notitie van de DCMR[32]. Tabel 4.4: Maximale gehalten chloride in toe te passen grond/baggerspecie bij verschillende bodemgebruikstypen.

BODEMGEBRUIKSTYPE

MAXIMAAL GEHALTE AAN CHLORIDE (IN MG/KG DS)

- Natuur, Landbouw en Wonen - Industrie met zoutgevoelige bomen in groenzones

200

- Industrie zonder zoutgevoelige bomen in groenzones - Graslanden waar (melk)vee graast en/of gras wordt geoogst als veevoer

500

4.24 NIEUW ONDERKENDE VERONTREINIGINGSBRONNEN Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen, nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht, et cetera. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling van het in deze nota bodembeheer geformuleerde grondstromenbeleid.

4.25 MOGELIJKHEDEN TOEPASSEN GROND VOORAFGAAND KWALITEITSONDERZOEK Op basis van het Besluit en de Regeling en de gehanteerde Rotterdamse toetsingsnormen (hoofdstuk 2 en ŝ 4.3) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 5 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Vanwege de verschillende bodemfuncties in een aantal bodemkwaliteitszones, verschillen ook de toepassingseisen (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toepassingskaart’). Om te beoordelen of een grondtoepassing is toegestaan, wordt de ontgravingskwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die is vastgesteld voor de ontvangende bodem. Als de kwaliteit van de toe te passen grond vergelijkbaar of beter is dan de toepassingseis, dan

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 43/59

kan de grond worden toegepast (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toetsing toepassen grond’). Dus grond met de ontgravingskwaliteit ‘Wonen’ mag worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Grond met de ontgravingskwaliteit ‘Industrie’ mag alleen worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Industrie’ (zie ook hoofdstuk 5).

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 44/59

\\S|) 5 HET TOEPASSEN VAN GROND MET DE BODEMKWALITEITSKAART ALS BEWIJSMIDDEL De bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen voor locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook ŝ 2.1.1 van bijlage 2). Wordt de grond niet nuttig toegepast, dan wordt de grond als een afvalstof gezien. Dat geldt óók voor schone grond. In dat geval is toepaasen niet toegestaan en moet alsnog een nuttige toepassing worden gevonden of moet de grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een grondbank) worden gebracht. Als aan deze basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: — De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ (rood op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 4) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 5).

— De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ (licht bruin/ oranje op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 4) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk licht bruin/ oranje en rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 5). — De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw’ (geel op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 4) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Landbouw’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk geel, licht bruin/oranje en rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 5). Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (zie ŝ 4.18 en ŝ 4.19). Als uit een onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem beter of slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijke gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (zie ŝ 4.18 en ŝ 4.20).

Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de gehalten voldoen aan de 80-percentielwaarden20 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4), mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (zie ŝ 4.18 en ŝ 4.21). Grond van binnen de gemeente Lansingerland moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 5) én de gedefinieerde toepassingseisen voor PFAS-verbindingen (zie ŝ 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59). Grond van buiten de gemeente Lansingerland, moet voldoen aan de generieke toepassingseisen van het Besluit (zie de kaartbijlagen 6) én de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen (zie ŝ 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59). Uitzondering hierop zijn de moes- en volkstuin(complex)en ^200 m2), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen waar voor zware metalen, PCB, PAK en minerale olie strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit gelden. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (zie ŝ 4.4.2).

20 80ŵ van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 45/59

6 ONDERZOEKSINSPANNING VOORAFGAAND AAN HET GRONDVERZET 6.1

HISTORISCH ONDERZOEK

Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging nietverdachte locaties en/ of locaties onderdeel uitmaken van een geldige bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, Arbeidsomstandighedenwet en -besluit en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of — er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); — de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). — de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit). Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of — sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag in het kader van de Wet bodembescherming.

In dat geval moet minimaal een BUS-melding en -evaluatie worden ingediend; — de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit); — de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit). Het historisch onderzoek moet worden uitgevoerd met behulp van het vragenformulier historische gegevens (zie bijlage 7). Dit formulier moet volledig worden ingevuld. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het BRL 2000 - protocol 2001[33] met een ministeriële erkenning. De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- en toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het omliggende terrein tot een maximum van 25 meter. Onderdeel van het historisch onderzoek is een rapportage van het digitale archief van de DCMR die de gegevens van de gemeente beheert: http://dcmr.gisinternet.nl/. Aanvullende informatie kan worden achterhaald op de website en https://www.dcmr.nl/vooronderzoek.

Ook moet aandacht worden besteed aan: — informatie van (voormalige) terreineigenaren over (voormalige) bodembedreigende activiteiten zoals bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten en (ondergrondse) tanks; — de kans op het voor komen van PFAS-verbindingen, waaronder PFOA en PFOS en GenX21; — of de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit; zie ook ŝ 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); 21 GenX: HFPO-DA (2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluoropropoxy)propaanzuur (FRD903) en het ammoniumzout ammonium 2,3,3,3-tetrafluor2(heptafluorpropoxy)propanoaat (FRD-902) die vrijkomen bij het GenX proces. Een vervangende technologie als vervanging van PFOA om coatings (fluorpolymeren) te maken.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 46/59

— of de ontgravings- en toepassingslocatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. Is dat niet zo, dan moet de kwaliteit van de toe te passen grond én van de ontvangende bodem worden vastgesteld (zie ŝ 4.14.1 en ŝ 6.2); — of het grondverzet plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (zie ŝ 4.14) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (zie ŝ 2.1.6 van bijlage 2). Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen én de locatie onderdeel uitmaakt van een geldige bodemkwaliteitskaart, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond (zie hoofdstuk 5). Als historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. In ŝ 4.18 is nader ingegaan op al uitgevoerde bodemonderzoeken en de bruikbaarheid van onderzoeksresultaten.

Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen lokale bron (puntbron) aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten of een locatie die in het Kadaster is geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking ‘Ernstig’). Als de ontgravings- en/ of toepassingslocatie nabij het spoor is gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locatie in eigendom is van ProRail of NS-Vastgoed. Als de ontgravings- en toepassingslocaties nabij de metro zijn gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met de RET (www.ret.nl) om te achterhalen of op deze locaties aanvullende eisen van toepassing zijn.

6.2 ONDERZOEK TOE TE PASSEN GROND EN ONTVANGENDE BODEM 6.2.1 ONDERZOEK TOE TE PASSEN GROND De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: — ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; — afkomstig is uit een gebied dat is uitgesloten van de eigen of geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (gespecificeerd in de betreffende rapportage); de vrijkomende grond dieper dan 2 meter beneden het maaiveld en afkomstig uit de gemeenten Goeree-Overflakkee, Maassluis, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen moet aanvullend op chloride worden onderzocht (zie ŝ 4.22 en ŝ 4.23); — op de ontgravingslocatie een bodemverontreiniging door een lokale bron (puntbron) is vastgesteld; — afkomstig is van een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in ŝ 4.12 zijn beschreven; — onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, bodemvreemde materialen, kleur, geur); — afkomstig is van buiten de gemeente Lansingerland of de gemeenten Goeree-Overflakkee, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen (zie ŝ 4.2). — wordt toegepast op moesVvolkstuin(complex)en ^200 m2), schooltuinen of op onverharde kinderspeelplaatsen (zie ŝ 4.4.2); — al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in ŝ 4.18 en ŝ 4.19 of ŝ 4.21.

De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL 1000 - protocol 1001 of een specifiek onderzoek van de NEN 5740 22 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft. Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het BRL 2000 - protocol 20181341.

22

Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 47/59

Indicatief bodemonderzoek vrijkomende onderhoudsgrond afkomstig van onverharde (wegfspoorfmetro)bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Als grond van een (weg/spoor/metro^erm met de bodemfunctie ‘Industrie’ weer wordt toegepast in een onverharde (weg/ spoorZmetro)berm met de bodemfunctie ‘Industrie’ moet voorafgaand aan de toepassing een indicatief bodemonderzoek conform een passende onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 2000 - protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Bij de (weg/ spoorZmetro)bermgrond wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte en een de diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte. Ten aanzien de eventueel te onderscheiden partijen grond in de onverharde (spoor)wegbermen sluit de gemeente aan bij de nadere toelichting hierover in het BRL 1000 - protocol 1001. De grondmonsters moeten worden geanalyseerd op het standaard NEN 5740 stoffenpakket én PFAS-verbindingen (Advieslijst Bodem+; GenX hoeft niet te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is).

Aanvullend onderzoek van eerder onderzochte partijen grond Partijen grond die al eerder conform het Besluit zijn gekeurd, maar nog niet zijn onderzocht op PFAS-verbindingen, moeten alsnog worden onderzocht op deze stofgroep. De gemeente biedt in die situatie de initiatiefnemer de mogelijkheid om dit onderzoek met een verminderde onderzoeksinspanning uit te voeren: de partijkeuring mag bestaan uit een bemonsteringsinspanning van 2x6 grepen (a-select) en 2x grondanalyses op PFAS-verbindingen (Advieslijst Bodem+; GenX hoeft niet te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 1000 - protocol 1001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast.

6.2.2 ONDERZOEK ONTVANGENDE BODEM De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als: — de toepassingslocatie is gelegen in een gebied dat is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2); — op de toepassingslocatie mogelijk een bodemverontreiniging door een lokale bron (puntbron) is vastgesteld; — al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in ŝ 4.18. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 23 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL 2000 - protocol 2001 gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft.

23 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: ONV, ONV-GR, ONB,TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 48/59

7 PROCEDURES 7.1

OPVRAGEN INFORMATIE VOORAFGAAND AAN HET GRONDVERZET

Voorafgaand aan het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (zie ŝ 6.1). De resultaten van het historisch onderzoek (locatie van ontgraven bij tijdelijke uitname, ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (zie ŝ 7.2) worden ingeleverd. In onderstaande paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet.

7.2 MELDEN TIJDELIJK OPSLAAN EN TOEPASSEN VAN GROND 7.2.1 ALGEMEEN De melding van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen (zoals sloten en plassen) en de door de Keur beschreven beschermingszones, is dat het Hoogheemraadschap van Delfland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De gemeente is op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijnen mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit.

Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook ŝ 1.5 en ŝ 1.6). In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 49/59

7.2.2 TOEPASSEN VAN GROND De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van: — de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; — het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; — het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; — het toepassen van schone grond in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. De DCMR kan namens gemeente, en ondanks de ontheffing van de meldplicht, wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie.

7.2.3 TIJDELIJKE OPSLAG De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: — De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname. — De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. — De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. In tabel 7.1 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen. Tabel 7.1: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden

Voorwaarden van het Besluit Vorm van tijdelijke opslag

Maximale duur van de opslag

Kwaliteitseisen

Meldingsplicht

Kortdurende opslag

6 maanden

-

Ja1’

Tijdelijke opslag op landbodem

3 jaar

Kwaliteit moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen

Ja1», met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie over aangrenzend perceel

3 jaar

Ja1), met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Opslag tijdelijke uitname

Looptijd van de Nee werkzaamheden 1) Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 50/59

7.3 REGISTRATIE EN ARCHIVERING VAN DE MELDINGEN De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) wordt door de DCMR en namens de gemeente bij binnenkomst geregistreerd en gearchiveerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing (zie ook ŝ 1.5. en ŝ 1.6). Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de DCMR namens de gemeente nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit.

7.4 BEOORDELING VAN DE MELDING De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeente wordt door de DCMR namens de gemeente beoordeeld. Bij de beoordeling van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond en de toepassingseis in deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt getoetst aan de bodemfunctieklassenkaart (kaartbijlage 1). Ten slotte kan andere wet- en regelgeving van invloed zijn (zie ŝ 2.1.6 van bijlage 2) of kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar.

7.5 TRANSPORT VAN GROND Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie ook ŝ 7.7). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.

7.6 REPETERENDE VRACHTEN EN OMVANGRIJKE GRONDTOEPASSINGEN Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. De gemeente verplicht de initiatiefnemer om voor het werk een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de DCMR. Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct aan de DCMR worden gemeld.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 51/59

7.7 GRONDTRANSPORTEN MET DE BODEMKWALITEITSKAART ALS BEWIJSMIDDEL Als grond wordt getransporteerd met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer van het landelijke meldpunt bodemkwaliteit vermeld worden. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn die in het Besluit is erkend.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 52/59

8 VRIJSTELLING BODEMONDERZOEK BIJ OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG 8.1

BODEMONDERZOEK BIJ OMGEVINGSVERGUNNINGSAANVRAAG ACTIVITEIT BOUWEN

Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is het in het in artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geregeld dat deze niet eerder inwerking treedt nadat: — is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of — met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of — een BUS-melding is gedaan en de bijbehorende vijfdagentermijn of de vijfwekentermijn is verstreken. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen moet dus bodeminformatie worden verzameld. Als geen bodeminformatie bekend is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouw is geen bodemonderzoek nodig wanneer: — het een bouwwerk is wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; — het bouwwerk de grond niet raakt; — in het bouwwerk minder dan 2 uur per dag dezelfde mensen verblijven. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. In de bouwverordening is geregeld dat de gemeente vrijstelling kan verlenen van bodemonderzoek, onder voorwaarden kan hiervoor de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden.

8.2 BODEMONDERZOEK BIJ OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT RUIMTELIJKE PLANVORMING In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane en/of toekomstige gebruiksfuncties. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond. Niet altijd is bij een bestemmingswijziging op voorhand een bodemonderzoek noodzakelijk. Wil men een klein bouwwerk bijvoorbeeld ten behoeve van nutsvoorzieningen realiseren? Of betreft het een verandering in gebruik waarbij er qua bodem geen (extra) risico's zijn voor het beoogde gebruik en/of uitvoerbaarheid van het plan? Dan is bodemonderzoek waarschijnlijk niet noodzakelijk. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de betreffende gemeente. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 53/59

De bodemkwaliteitskaart is een instrument om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming.

8.3 VOORWAARDEN VRIJSTELLING BODEMONDERZOEK BIJ AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT BOUWEN EN ACTIVITEIT RUIMTELIJKE PLANVORMING De gemeente biedt de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) ter plaatse van de locatie achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op betreffende locatie. De voorwaarden hiervoor zijn: — De locatie is niet gelegen in een door de provincie aangewezen beschermingsgebied (zie ŝ 4.14.2). — De locatie is niet gelegen in een voor de bodemkwaliteitskaarten uitgesloten gebied. — Het uitgevoerde historisch onderzoek conform de NEN 5725^ (aanleiding A ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’) of de volledig ingevulde vragenformulier (zie bijlage 7) heeft als resultaat dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt.

Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag voor de omgevingsvergunning (bouwen en ruimtelijke planvorming) geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de DCMR (Toezicht en Handhaving; voor de gemeente) of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is erkend voor het BRL 2000 - protocol 2001. — Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouwen en ruimtelijke planvorming ter plaatse van grotere verharde oppervlaktes, moet het vooronderzoek uitsluitsel geven over de funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij het ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek. Wanneer een locatie (mogelijk) verdacht is maar aangetoond of gevalideerd kan worden dat deze verdenking niet leidt tot (het vermoeden van) een ernstig geval van bodemverontreiniging of tot beperkingen van de uitvoerbaarheid van het plan, dan is vervolgonderzoek niet noodzakelijk.

Bij (nog niet eerder of onvoldoende onderzochte) verdachte locaties en uitgesloten locaties en gebieden is normaliter een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) noodzakelijk, en indien van toepassing aangevuld met een verkennend onderzoekasbest (conform de NEN 5707). Vrijstelling kan alleen verleend worden als de randvoorwaarden in deze paragraaf zijn opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening. Het historisch onderzoek moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de betreffende gemeente worden ingediend waarin de locatie is gelegen en omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd. De DCMR beoordeelt het historisch onderzoek/vooronderzoek/verkennend bodemonderzoek of gebruik kan worden gemaakt van de vrijstellingsregeling.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 54/59

\\S|) 9 MANDATEREN BEVOEGDHEDEN VAN DE GEMEENTERAAD AAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS 9.1

INLEIDING

Voordat het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid van kracht kan worden, moet deze nota bodembeheer, conform artikel 44 van het Besluit, door de gemeenteraad worden vastgesteld. Bij het vaststelling van deze nota bodembeheer stelt de gemeenteraad ook de bodemkwaliteitskaarten en de bodemfunctieklassenkaart vast. Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de gemeenteraad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid. De gemeenteraad besluit om een bij haar rustende bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders over te dragen (Hoofdstuk 10, Afdeling 10.1.1, van de Algemene wet bestuursrecht ). Op deze manier kan de werkdruk van de gemeenteraad beheerst worden en kunnen besluiten die enkel uitvoerend van karakter zijn, worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Na het vaststellen van de nota bodembeheer is er alle reden om de gemeenteraad te ontlasten en een aantal uitvoerende besluiten te mandateren. Het vaststellen van nieuw of gewijzigd gebiedsspecifiek beleid (Lokale Maximale Waarden of afwijkende percentages bijmenging bodemvreemd materiaal) kan conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit niet worden gemandateerd.

In de onderstaande paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden de gemeenteraad bevoegdheden naar het college van burgemeester en wethouders heeft overgedragen.

9.2 AANPASSEN BODEMFUNCTIEKLASSENKAART EN TOEPASSINGSKAARTEN Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifieke beleid zoals in deze nota bodembeheer vastgelegd, is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart en de toepassingskaarten. De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel/gebied en heeft effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. Er worden vier functieklassen onderscheiden. Te weten ‘Industrie’, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ en ‘Natuur’, zie kaartbijlage 1. Op de toepassingskaarten wordt vastgelegd aan welke kwaliteitsklasse de toe te passen grond moet voldoen. De vaststelling van deze kaarten is bij het zogenoemde gebiedsspecifieke kader van het Besluit een bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad besluit haar bevoegdheid tot het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten, zoals opgenomen in deze nota bodembeheer, aan het college van burgemeester en wethouders te mandateren. Dit is alleen aan de orde na het vaststellen van een formele wijziging van de bestemming van een gebied door de gemeenteraad c.q. het vaststellen van een wijziging van een bestemmingsplan.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 55/59

9.3 AANVULLENDE BODEMINFORMATIE 9.3.1 UITGESLOTEN LOCATIES EN GEBIEDEN Een aantal locaties en gebieden zijn nu uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2) omdat deze locaties en gebieden onder een ander bevoegd gezag vallen, of door een andere organisatie worden beheerd en/ of dat te weinig bodemgegevens beschikbaar zijn om een goede uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit. Als in de looptijd van de bodemkwaliteitskaart alsnog voldoende gegevens beschikbaar komen om deze gebieden te zoneren, mandateert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders deze gebieden desgewenst toe te voegen aan bodemkwaliteitskaart en het bodembeheergebied. Voorwaarde hierbij is dat de indeling van de bodemkwaliteitszones niet wijzigt.

9.3.2 RESULTATEN BODEMONDERZOEK OP EEN VERDACHTE LOCATIE Van voor bodemverontreiniging verdachte locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. In de situatie dat er op een verdachte locatie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 is uitgevoerd, mandateert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders de verdachte locatie toe te voegen aan de bodemkwaliteitskaart en de omliggende bodemkwaliteitszone als de resultaten van het bodemonderzoek aangeven dat de grond voldoet aan de gebiedseigen kwaliteit. De gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als de 80-percentielwaarden24 van de betreffende bodemkwaliteitszone. Daarna kunnen de bodemkwaliteitskaarten worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op de locatie, mét het uitgevoerde bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel.

9.4 ACCEPTATIE BODEMKWALITEITSKAART ANDERE GEMEENTE/GEBIEDEN ALS BEWIJSMIDDEL BIJ GRONDVERZET De gemeente accepteert de bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel bij het toepassen van grond uit de gemeenten Goeree-Overflakkee, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. De gemeente kan besluiten nog meer bodemkwaliteitskaarten te accepteren als bewijsmiddel bij het grondverzet. Hiermee worden de mogelijkheden vergroot om grond van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart nog niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de toe te passen grond. Het besluiten tot acceptatie van een bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel moet worden gedaan door de gemeenteraad. Dit besluit mandateert de gemeenteraad aan het college.

De acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten kan alleen onder de volgende voorwaarden als: — de bodemkwaliteitskaart en eventueel bijbehorende nota van het uitbreidingsgebied moet bestuurlijk zijn vastgesteld door de betreffende gemeenteraad (of gemandateerd/gedelegeerd college) of het college, het algemeen bestuur van een Waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; — de eventueel opgenomen Lokale Maximale Waarden (LMW) en (gewichts)percentage bodemvreemd materiaal voor de vastgestelde bodemkwaliteitszones mogen niet hoger zijn dan de LMW en het vastgestelde (gewichts)percentage zoals opgenomen in deze nota bodembeheer; — de bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; — de milieuhygiënische kwaliteit is uitgedrukt op klasseniveau, uitgezonderd PFAS-verbindingen;

24 80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De benoemde percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur' is gelegen, wordt de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur' als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 56/59

— de kwaliteitsklasse kan worden gebaseerd op de 80-percentielwaarden van de bodemkwaliteitszones; — de bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan 5 jaar.

9.5 BESTUURLIJK VASTSTELLEN BODEMFUNCTIEKLASSENKAART EN BODEMKWALITEITSKAART Zoals in S 1.4 al is aangegeven, wordt de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt vastgesteld of aanpassingen van de kaarten of één van beide kaarten noodzakelijk is. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn (zie artikel 4.3.5 van de Regeling). De gemeenteraad mandateert deze bestuurlijke vaststelling aan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke beleid.

9.6 PROCEDURE Het voorgaande laat onverlet dat op de gedelegeerde besluiten de procedure voor vaststellingen door het college uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10) van toepassing is.

9.7 RAPPORTAGE GEMANDATEERDE BEVOEGDHEDEN Het college van burgemeester en wethouders rapporteert aan de gemeenteraad als zij van de gemandateerde bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. Dit gebeurt in het kader van de actieve informatieplicht van een college van burgemeester en wethouders.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 57/59

\\S|) BRONVERMELDINGEN [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] [15]

[16] [17] [18] [19] [20] [21]

[22] [23] [24] [25] [26] [27] [28] [29] [30] [31] [32] [33] [34] [35] [36]

Bodemkwaliteitskaart gemeente Lansingerland, projectcode 11K088, CSO Adviesbureau voor Milieu­ onderzoek B.V., herzien definitief, 11 oktober 2013. Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007. Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen. Activiteitenbesluit, publicatie Staatsblad, nummer 415, 2007 en latere wijzigingen. Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, publicatie Staatsblad, nummer 570, 24 december 2009 en latere wijzigingen Wet ruimtelijke ordening, publicatie Staatsblad, nummer 15, 22 maart 2007 en latere wijzigingen. Waterwet, publicatie Staatsblad, nummer 489, 24 november en latere wijzigingen. Keur van Delfland, Hoogheemraadschap van Delfland, 19 februari 2015. Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, 25 november 2015. Wet milieubeheer, publicatie Staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, publicatie Staatsblad nr. 434, 28 september 2006, en latere wijzigingen. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, voormalig Ministerie van VROM en van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en latere wijzigingen. Nota Actief Bodem- en Baggerbeheer Rotterdam 2013, bestuurlijk vastgesteld 20 juni 2013.

Lood in bodem en gezondheid, aanvullend advies met informatie voor GGD-adviseurs gezondheid en milieu, GGD GHOR Nederland, 29 januari 2016. Toelichting - Lood in bodem en gezondheid, Landelijke GGD-werkgroep bodem, 23 maart 2020. Arbeidsomstandighedenwet, publicatie Staatsblad nr. 450, 25 oktober 1999 en latere wijzigingen. Arbeidsomstandighedenbesluit, publicatie Staatsblad nr. 263, 26 juni 1997 en latere wijzigingen. Nederlandse norm NEN 5707 (nl), Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. Nederlandse norm NEN 5897 (nl), Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013. Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399, 8 juli 2019; geactualiseerd op 29 november 2019 en 2 juli 2020. De richtlijn voor risicogestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem, Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van decentrale overheden, bedrijfsleven, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie SZW en Rijkswaterstaat Bodem+, 30 april 2020. CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017.

Individuele partijen grond Milieuhygiënische keuring van individuele partijen grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit: BRL 9335 - protocol 9335-1. Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond BRL 9335. Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie BRL 7500. Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) Besluit Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. Regeling Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006en latere wijzigingen. Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen, Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos & Geofoxx milieuexpertise, 14 oktober 2019. Nederlandse norm NEN 5740, incl. A1 (nl), Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, BRL 1000 - protocol 1001. Notitie Onderbouwing normering Bbk/Rbk voor chloride in grond (Nota ABB, bijlage C), DCMR, 22 april 2010. Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, BRL 2000 - protocol 2001. Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, BRL 2000 - protocol 2018. Nederlandse norm NEN 5725 - Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek.

Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO 2018 R10825,

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 58/59

[37] [38] [39] [40] [41] [42] [43]

15 augustus 2018. Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, publicatie Staatscourant, nummer 207, 27 oktober 2004 en latere wijzigingen. Handreikingen bodem voor gemeenten, Overzicht gemeentelijke bodemtaken, Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 1 augustus 2013. Milieuhygiënisch grondonderzoek PFAS-verbindingen gemeente Lansingerland, documentcode: SOB012160.RAP001, 18 december 2020. Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEP-R98/283.IPO/TNO, 1998. Model Beleid toepassen PFAS-houdende grond, opgesteld in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, kenmerk: 1248710-044 C04, TAUW, 10 januari 2020. Milieuhygiënisch bodemonderzoek, Verzamelen aanvullende gegevens bodemkwaliteitskaart gemeente Lansingerland, documentcode: SOB012160.RAP003, 13 april 2021. Indicatieve niveaus voor ernstige bodem- en grondwaterverontreiniging (iNEV’s) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX, RIVM, 15 januari 2020.

SOB012160 - Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland

WSP 10 augustus 2021 pagina 59/59

\\S|) OVERZICHT BIJLAGEN Bijlage 1 — Begrippenlijst Bijlage 2 — Wet- en regelgeving Bijlage 3A — Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Bijlage 3B — Specificatie uitbijters Bijlage 4A — Statistische parameters bodemkwaliteitszones (standaard bodem) Bijlage 4B — Statistische parameters PFAS (gemeten waarden) Bijlage 5 — Mogelijkheden vrij grondverzet (grondstromenmatrix) Bijlage 6 — Onderbouwing Lokale Maximale Waarden (toetsnormen classificatie bodemkwaliteit) Bijlage 7 — Vragenformulier historische gegevens

BIJLAGE

1

BEGRIPPENLIJST

BIJLAGE 1: BEGRIPPENLIJST Aangrenzend perceel Van een aangrenzend perceel is sprake in de situatie dat er een feitelijke relatie bestaat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waarop de verspreiding plaatsvindt. Het “in verbinding staan” van watergangen (zelfde watersysteem, peilniveau) is niet altijd voldoende om uit te gaan van aangrenzendheid (Uitspraak Raad van State 201401123/1/A1, 4 februari 2015). In aanvulling op de uitspraak van de Raad van State en mede gebaseerd op artikel 60 lid 2 van het Besluit, stelt de gemeente dat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waar de baggerspecie wordt verspreid, niet gescheiden mag worden door bijvoorbeeld een lint- of aaneengesloten bebouwing, een weg breder dan één rijstrook, een spoorweg, een waterkering of een dijk. Naar verwachting wordt het begrip ‘aangrenzend perceel’ bij de eerst volgende wijziging van het Besluit bodemkwaliteit vervangen. De normen van de maximale kwaliteit van de baggerspecie die mag worden verspreid (of gebruikt in weilanddepots) wordt afgestemd op de normen voor de voedselveiligheid. Voor de herkenbaarheid voor de omgeving (omwonenden; duidelijk waar bagger vandaan komt) wordt vanaf de exacte locatie van baggeren een afstandscriterium van 10 kilometer gehanteerd. De zorgplicht, artikel 7 van het Besluit, blijft te allen tijde van kracht.

Algemene (stedelijke) bodemkwaliteit De algemene (stedelijke) bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden) in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).

Frequentieverdeling

140 120

50-perc gemiddelde

100 80

95-perc

60 40 20

Gehalten (mg/kg)

Bagger(specie) Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Baggerspecie die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeente heeft voor het toepassen op of in de landboden hiervoor strenger beleid vastgesteld.

Bijlage 1: Begrippenlijst

pagina 2/13

Barium Voor barium bestaat op dit moment geen norm. De destijds voor deze stof geldende normen zijn per 4 april 2009 (Staatscourant nr. 67, publicatie 7 april 2009) ingetrokken omdat de interventiewaarde lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Dit blijft gehandhaafd. De onderzoeksgegevens over barium moeten wel in de bodemkwaliteitskaarten worden meegenomen, aangezien barium onderdeel uitmaakt van het stoffenpakket, met dien verstande dat geen eisen worden gesteld aan het aantal waarnemingen. Deze gegevens kunnen namelijk een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen. Als verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrondwaarden worden aangetroffen als gevolg van een menselijke activiteit, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds (bij standaardbodem lutum 25%, organisch stof 10%). Bodembeheergebied bodemkwaliteitskaart Het bodembeheergebied voor de bodemkwaliteitskaart bestaat uit het grondgebied van de gemeente Lansingerland. Bodembeheergebied gemeentelijk grondstromenbeleid Het bodembeheergebied voor het gemeentelijke grondstromenbeleid bestaat uit het grondgebied van de gemeente Lansingerland.

De gemeente accepteert de geldige bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel bij grondverzet van de gemeenten Goeree-Overflakkee, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ en ‘Natuur’. Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten: 1. Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden. 2. De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast). De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. 3. De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen). Bodemkwaliteitsklasse De bodemkwaliteitsklasse bepaald samen met de bodemfunctie de toepassingseis. De bodemkwaliteitsklasse is gebaseerd op de 80-percentiel van een zone en getoetst aan de Lokale Maximale Waarden uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam. De toetsmethodiek voor de bodemkwaliteitsklasse en de ontgravingsklasse is gelijk.

De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in één van de vier verschillende bodemkwaliteitsklassen: — ‘Natuur’. — ‘Landbouw’. — ‘Wonen’. — ‘Industrie’. Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’. Bodemkwaliteitszone Een deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Wanneer een bodemkwaliteitszone uit meerdere gebieden bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten bodemkwaliteitszone’.

Bijlage 1: Begrippenlijst

pagina 3/13

Bodemvreemd materiaal Onder bodemvreemd materiaal vallen alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij ontgraving al in de bodem aanwezig zijn. Deze bijmenging mag niet opzettelijk zijn toegevoegd aan de partij of het gevolg zijn van onzorgvuldige ontgraving of sloopwerkzaamheden. Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanwege andere wet- en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld. Deelgebied Deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het bodembeheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken.

In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is er voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten deelgebieden’. Ernstig verontreinigde grond Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden van de Wet bodembescherming overschrijden. Gebiedseigen kwaliteit Gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als het gehalte van een stof voldoet aan de 80-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4 van de nota bodembeheer). Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als volgt: ‘Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.’ Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd.

Grond die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeente heeft voor het toepassen op of in de landboden hiervoor strenger beleid vastgesteld. Heterogeniteit Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de bodemkwaliteitskaart in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar mening van de gemeente dan een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=cb113061-c255-4cfe-967d-c1889f1f51bb