[T21.10240] Vast te stellen bestemmingsplan Hoogspanningsverbinding Zuidpolder-Lansingerland
Tekst van het document
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstukl 1.1 1.2 1.3 1.4
8 8 8
Beleidskader
14
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal / regionaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie beleidskader
14 14 17 18 19
Juridische planopzet
Inleiding Regels
Hoofdstuk6 6.1 6.2
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding Milieueffectrapportage Bedrijven en milieuzonering Luchtkwaliteit Geluid Bodem Ecologie Stikstofdepositie Externe veiligheid Niet Gesprongen Explosieven Magneetvelden Verkeer en parkeren Water Archeologie Kabels en leidingen Conclusie
Hoofdstuk5 5.1 5.2
4 4 6 7
Planbeschrijving
Hoofdstuk4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16
4
Beschrijving huidige situatie Beschrijving toekomstige situatie
Hoofdstuk3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Inleiding
Aanleiding en doelstelling Ligging en begrenzing plangebied Vigerende bestemmingsplannen Leeswijzer
Hoofdstuk2 2.1 2.2
3
20 20 20 21 21 22 23 23 26 27 29 30 30 30 33 34 35
36 36 36
Uitvoerbaarheid
38
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
38 39
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 2 van 39
Toelichting
SWECOŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 3 van 39
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en doelstelling
TenneT, de beheerder van het hoogspanningsnet in Nederland en regionale netbeheerders Liander en Stedin werken aan de uitbreiding van het hoogspanningsnet in de Zuidplaspolder en in de provincie Zuid-Holland. Op korte termijn behoeft de bestaande energie-infrastructuur in de Zuidplaspolder een netuitbreiding, mede vanwege een sterke groei van het aantal en de omvang van de reeds aanwezige logistieke bedrijven, glastuinbouw en woningbouw en het verder (willen) vormgeven van de energietransitie. Deze netuitbreiding voorkomt verdere congestie in het net voor deze regio en waarborgt bovendien een betrouwbare robuuste energievoorziening door het bijtijds inspelen op de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen. De netuitbreiding omvat de realisatie van twee nieuwe hoogspanningstations in Bleiswijk (gemeente Lansingerland) en nabij Zevenhuizen (gemeente Zuidplas) en de aanleg van een 150kV-verbinding tussen deze twee hoogspanningstations. Het nieuwe station in Bleiswijk, wordt gebouwd naast het bestaande hoogspanningstation op het terrein dat in eigendom is van TenneT. Het nieuwe station Bleiswijk binnen gemeente Lasingerland past binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan Hoefweg-Zuid 2016 (onherroepelijk, vastgesteld 13 mei 2018).
De drie netbeheerders hebben ervoor gekozen om één nieuw gezamenlijk 150^0kV-hoogspanningstation te realiseren in de Zuidplaspolder nabij Zevenhuizen. Hiervoor is een separaat bestemmingsplan vastgesteld (d.d. 29 juni 2021). Vanuit de nieuwe hoogspanningsstations worden de kabeltracés richting de klanten aangelegd. Ter plaatse van het beoogde tracé van de 150kV-verbinding dient het bestemmingsplan te worden herzien. Voorliggend facetbestemmingsplan is opgesteld met als doelstelling de 150kV-verbinding juridisch-planologisch mogelijk te maken op het grondgebied van de gemeente Lansingerland. Voor het gedeelte van de ondergrondse verbinding binnen de gemeente Zuidplas is een separaat bestemmingsplan opgesteld. Beide plannen worden gelijktijdig in procedure gebracht. Het bestemmingsplan 'Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder Lansingerland' bestaat uit drie delen: een (digitale) verbeelding, waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels, waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen, en een toelichting, waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het (juridisch) bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het ontwikkelgebied betreft het poldergebied tussen het bestaande 380kV hoogspanningsstation Bleiswijk aan de Violierenweg in Bleiswijk (gemeente Lansingerland) aan de westzijde en aan de oostzijde het bedrijventerrein Distripark A12 in Waddinxveen. Het betreft grotendeels een open poldergebied met agrarische functies, kassencomplexen en verspreid aanwezige bebouwing. Het totale plangebied voor de netuitbreiding ligt zowel ten noorden van de A12 als ten zuiden ervan en ligt deels in de gemeente Lansingerland en deels in de gemeente Zuidplas. Onderstaande afbeelding toont de globale ligging van de totale ontwikkeling.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 4 van 39
WËĒĒĚim;'Zo.ętėrhageJBM ‘*caie~sťe ŕ I .Duemaŗispou iírrřir *
' .
* x"
\- i
' Noordeinde
?n:
'A' .
^Ä'SiLv.erD:r-
m-n ļ
IS
1 'í
G.r.oenswaard
aï^îMįį
■gr
ţŗ
* *ŵk'
V
'
. 1 ' Iďinxvėen
lí :,:EESL r?Gm\
-n ^ ļ3n^”í... .Èíįļj .1 ttį Noordeinde
■Distripärk aíf
ÌÄįř- ' - -v, X1 *.ń
ĩi
-To-hl
m-iii l Boĩtemererffl afe?
Dino Eİ
Afbeelding 1.1: Uitbreiding hoogspanningsnet Lansingerland en Zuidplas (plangebied: rood omlijnd, bron: Google Maps) Dit bestemmingsplan heeft enkel betrekking op de netuitbreiding op het grondgebied van de gemeente Lansingerland (westzijde van het plangebied). Voor het gedeelte van de ondergrondse verbindingen en het beoogde hoogspanningsstation op het grondgebied van de gemeente Zuidplas, is een separaat bestemmingsplan opgesteld, dat door de gemeenteraad van Zuidplas wordt vastgesteld. Beide plannen worden gelijktijdig in procedure gebracht. Navolgende afbeelding toont de globale begrenzing van het plangebied voor onderhavig bestemmingsplan in de gemeente Lansingerland. SäM
-V'
.rř-stíţ Afbeelding 1.2: Globale begrenzing plangebied Lansingerland (plangebied: wit omkaderd, bron: Google Maps) Voor de exacte locatie en begrenzing van het plangebied kan de digitale verbeelding behorende bij het bestemmingsplan worden geraadpleegd.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 5 van 39
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Voor onderhavig plangebied zijn in de huidige situatie de volgende bestemmingsplannen vigerend:
Bestemmingsplan
IMRO
Bevoegd gezag
Hoefweg-Zuid 2016, vastgesteld (31 mei 2018) NL.IMRO.1621.BP016 Gemeente Lansingerland 4-VAST Rottezoom, onherroepelijk (27 september 2012)
NL.IMRO.1621.BP009 Gemeente Lansingerland 4-VAST
Klappolder, onherroepelijk (29 oktober 2009)
NL.IMRO.16210000B P0081-
Parapluherziening parkeernormering Lansingerland, vastgesteld (30 maart 2017)
NL.IMRO.1621.BP017 Gemeente 3-VAST Lansingerland
Gemente Lansingerland
Tabel 1.1: Overzicht vigerende bestemmingsplannen Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen ter plaatse. I+ +I
+444 + + 4j
4 +XT
f +J
+ 4- 4-
n* * X+ + Á ‘4 „4 4 4'
4- +1
4- 4 4*
+ Z+ 4-
4 4 414
^t I + +
4 + 44-/44 x va*
4 4 4'4u
4,4 4
Afbeelding 1.3: Uitsnede vigerende bestemmingsplannen (plangebied: rood omkaderd, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan De netuitbreiding past niet binnen de vigerende bestemmingsplannen. Er is sprake van verschillende strijdigheden met de vigerende bestemmingsplannen.
Bestemmingsplan
Strijdigheid met bestemming
Hoefweg-Zuid 2016
De gronden zijn niet bestemd voor ondergrondse hoogspanningsverbinding
Rottezoom
De gronden zijn niet bestemd voor ondergrondse hoogspanningsverbinding
Klappolder
De gronden zijn niet bestemd voor ondergrondse hoogspanningsverbinding
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 6 van 39
Parapluherziening parkeernormering Lansingerland
Geen strijdigheid
Tabel 1.2: Overzicht strijdigheden met vigerende plannen Voor de gronden van het tracé voor de ondergrondse hoogspanningsverbinding zijn diverse enkel en dubbelbestemmingen van toepassing. Omdat de beoogde ontwikkeling, de aanleg van een ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding, niet binnen de betreffende bestemmingsplannen past, is onderhavig facetplan opgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van de ondergrondse hoogspanningsverbinding in de gemeente Lansingerland juridisch-planologisch mogelijk.
1.4
Leeswijzer
Na hoofdstuk 1, inleiding, staat hoofdstuk 2 in het teken van de huidige en toekomstige situatie in het plangebied. Hierin wordt een beschrijving van het planvoornemen gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevant ruimtelijk beleid op zowel nationaal, provinciaal als lokaal niveau. In hoofdstuk 4 wordt, mede aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken, de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. In hoofdstuk 5 is de juridische planopzet beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan, zowel economisch als maatschappelijk.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 7 van 39
Hoofdstuk 2
2.1
Planbeschrijving
Beschrijving huidige situatie
De gronden waarin de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding beoogd is, bestaan grotendeels uit agrarische gronden. In de huidige situatie worden de gronden ook gebruikt voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding die vanaf het hoogspanningsstation aan de Violierenweg in Bleiswijk in oostelijke richting de A12 kruist. Het beoogde ondergrondse tracé komt grotendeels overeen met dit tracé.
2.2
Beschrijving toekomstige situatie
Nut en noodzaak voor de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation en bijhorende kabelverbinding In de Zuidplaspolder zijn, naast netbeheerder TenneT, twee regionale netbeheerders actief; Liander en Stedin. Zij leveren elektriciteit aan huishoudens en bedrijven in de omgeving. Het is de verwachting dat Stedin op termijn onvoldoende capaciteit beschikbaar heeft om aan aanvragen van bestaande en nieuwe klanten te kunnen voldoen. Het gaat hier bijvoorbeeld om de aansluiting van nieuw te ontwikkelen woonwijken, nieuw ontwikkelde bedrijfslocaties, bestaande bedrijven met uitbreidingsplannen en zonneparken in gemeente Zuidplas en wijde omgeving. Liander heeft reeds onvoldoende capaciteit beschikbaar om aan nieuwe aanvragen te kunnen voldoen. Dit is met name voor bedrijven in dit gebied een lastige situatie. Het bestaande hoogspanningsstation Zevenhuizen van netbeheerder Liander heeft inmiddels de maximale capaciteit bereikt. Dit station voorziet de kernen Zevenhuizen, Moerkapelle, Boskoop en een industrieterrein in gemeente Hazerswoude-dorp van elektriciteit. Daarnaast is capaciteit van de huidige kabelverbindingen van netbeheerders Stedin en TenneT in de gemeenten Gouda, Zoetermeer en Lansingerland op termijn niet toereikend om in de groeiende elektriciteitsvraag te voorzien. TenneT, Liander en Stedin werken aan de uitbreiding van het hoogspanningsnet in de Zuidplaspolder.
Deze netuitbreiding voorkomt verdere congestie in het net voor deze regio en waarborgt bovendien een betrouwbare robuuste energievoorziening door het bijtijds inspelen op de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen. De netuitbreiding omvat de realisatie van twee nieuwe hoogspanningsstations, één bij het bestaande hoogspanningsstation in Bleiswijk en één in gemeente Zuidplas (hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder). Laatst genoemde hoogspanningsstation dient gevoed te worden door het nieuw te bouwen station in Bleiswijk. Hiervoor moet een ondergrondse 150kV-kabelverbinding, bestaande uit drie circuits, tussen de hoogspanningsstations worden aangelegd. Onderbouwing voorkeurstracé ondergrondse 150kV-verbinding In opdracht van TenneT is in 2019 een haalbaarheidsstudie uitgevoerd naar de haalbaarheid van een ondergrondse 150kV-verbinding die het hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder moet voeden (bijgevoegd als bijlage bij Bijlage 1). Uit deze studie kwamen de haalbare tracévarianten tussen Bleiswijk en het nieuwe hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder naar voren. In de verrichte haalbaarheidsstudie zijn showstoppers beschreven en is een aantal varianten afgevallen.
Naar aanleiding van gesprekken met de omgeving en ruimtelijke ontwikkelingen die nog niet bekend waren tijdens de haalbaarheidsstudies, zijn in een afwegingsnotitie alle varianten uit de haalbaarheidsstudie afgewogen om te komen tot een voorkeurstracé (Bijlage 1).
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 8 van 39
In onderstaande afbeelding zijn de tracévarianten uit de verrichte haalbaarheidsstudie weergegeven. Tiacò varianten Legend*
JBĮOįtwiļŢ
Fl241ĩm1
EŞSÜ íiā»?
RTE-0121 kV verbinding
cwinv
Fomri
30000
TenneT Afbeelding 2.1: Weergave mogelijke haalbare tracévarianten tussen hoogspanningsstation Bleiswijk en hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder Naar aanleiding van gesprekken met stakeholders is informatie naar voren gekomen die van invloed is geweest op de haalbaarheid van de tracévarianten. Het gaat om diverse ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied, waaronder: 1. 2. 3. 4.
Bleizo; Swanladriehoek; Knibbelweg Oost; uitbreiding tuincentrum.
De ontwikkelingen zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 9 van 39
Deelgebied 1 Deelgebied
Deelgebied 3
^OS Zeve t huizen/Zuidplaspalder
__ Afbeelding 2.2: Weergave ruimtelijke ontwikkelingen in het zoekgebied A Bleizo, B= Swanladriehoek, C= Knibbelweg Oost, D= uitbreiding tuincentrum) Aan de hand van de ruimtelijke ontwikkelingen zijn de tracévarianten in deelgebied 1 en deelgebied 4 geoptimaliseerd. De geoptimaliseerde tracévarianten zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
W'jfi
Dealgebied 1 Deelgebied 2
Deelgebie
riá
Deelgebied 3
#OS Zevenrützen^ijid
Afbeelding 2.3: Weergave geoptimaliseerde tracévarianten in het zoekgebied De afwegingen die per deelgebied zijn gemaakt zijn weergegeven in onderstaande tabel. Op basis van de afwegingen per deelgebied is gekomen tot een voorkeursvariant.
In onderstaande tabel is beschreven hoe de haalbare tracévarianten per deelgebied zijn afgewogen om te komen tot een voorkeursalternatief.
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 10 van 39
Deelgebied
Haalbare Afweging haalbare varianten per deelgebied varianten
Gekozen variant per deelgebied
Deelgebied I Variant 1 (gemeente Lansingerland)
Binnen deelgebied I is sprake van één haalbare Variant 1 tracévariant die besproken is met gemeente Lansingerland en Bleizo. Door de vele ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied is er één haalbare variant overgebleven.
Deelgebied II (gemeente Lansingerland en gemeente Zuidplas)
Variant 2a
Variant 2a Z variant 2b: Zowel variant 2a als variant 2b zijn afgestemd met de gemeente Lansingerland.
Deelgebied III (gemeente Zuidplas)
Variant 3y
Variant 2b
Variant 2b
Er wordt gestreefd naar een zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik, waarbij - waar mogelijk - wordt gebundeld met bestaande infrastructuur. Bij de tracering binnen de gemeente Lansingerland is het bundelingsprincipe dominant. Er is al een belemmering van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. De kabel kan in de bestaande ZRO-strook van de bovengrondse verbinding worden gepland waardoor er geen nieuwe belemmering ontstaat. Dit is mogelijk bij variant 2b. De lengte van het ondergrondse hoogspanningsverbinding in variant 2a is langer en neemt daardoor meer ruimte in beslag in de gemeente Lansingerland. TenneT heeft de verplichting om de maatschappelijke kosten laag te houden.
Uit de haalbaarheidsstudie volgen in dit deelgebied Geen drie haalbare varianten, te weten de varianten 3y, 3c en 3x. Variant Doordat in deelgebied 4 de afweging is gemaakt dat 3c het noordelijke tracé de voorkeur heeft, sluit het tracé aan op variant 2b. Hierdoor hoeft er geen tracé meer gevonden te worden in deelgebied 3. Dit Variant 3x betekent dat in deelgebied 3 geen afweging meer hoeft te worden gemaakt.
SWECOÖ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 11 van 39
Deelgebied IV (gemeente Zuidplas)
Variant 3a
De varianten 3a, 3b en 3c zijn afgewogen aan de Variant 3a hand van de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied.
Variant 3b
De gemeente Zuidplas heeft TenneT als aandachtspunt meegegeven voor de afweging of zo Variant 3c veel rekening te houden met een zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik in verband met de ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied. Hierom hebben TenneT en de gemeente Zuidplas de voorkeur voor variant 3a, de noordelijke variant. Deze variant heeft het minste ruimtebeslag, omdat deze parallel aan de A12 is gesitueerd en geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen doorkruist. Daarbij is tracélengte van de noordelijke variant kleiner dan de zuidelijke varianten als de totale lengte (alle deelgebieden) van het tracé wordt beschouwd. Tabel 2.1: Afweging tracévarianten
Bovenstaande afwegingen leiden tot het in onderstaande afbeelding weergegeven voorkeurstracé van de 150kV-verbinding.
Deelgebied 1 Deelgebied 2
-m Deelgebied 3
lied 4
'ŕ
X-*03
ifļiZuídplaspoīder
r-jįif '
iŵ'
Afbeelding 2.4: Weergave voorkeursalternatief, blauw is open ontgraving en geel is horizontaal gestuurde boring Het tracé van de voorkeursvariant verlaat het nieuw te bouwen hoogspanningsstation Bleiswijk, gelegen aan de zuidzijde van de A12 westelijk van de N209 in de gemeente Lansingerland, in eerste instantie in westelijke richting naar het bestaande station Bleiswijk. Vanaf daar gaat het tracé met lange gestuurde boringen in noord/oostelijke richting naar de noordzijde van de A12. Hierbij worden achtereenvolgens het terrein van Bleizo, de N209 (Hoefweg), het Craenenborgpad,
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 12 van 39
het spoor Gouda-Den Haag en de A12 inclusief op- en afritten gekruist. Vanaf daar volgt het tracé de bovengrondse hoogspanningslijn langs het fietspad parallel aan de A12 in oostelijke richting waarbij de watergang 'De Rotte' met horizontaal gestuurde boringen wordt gekruist, waarna het tracé in oostelijke richting wordt vervolgd. Ter hoogte van hoogspanningsmast 37 buigt het tracé in noord/oostelijke richting af en gaat dan in horizontale boringen ten noordelijk langs het autobedrijventerrein aan het Noordeinde langs. Hierbij worden achtereenvolgens een watergang en het Noordeinde en de Julianaweg gekruist. Na deze kruising buigt het tracé af in zuidelijk richting naar de A12 en vervolgt vervolgens weer in oostelijk richting langs de randen van de percelen parallel aan de A12. Vervolgens worden een watergang, waterbassins, zoetwaterinfiltratieAonttrekkingssysteem en de Noordelijke Dwarsweg gekruist met horizontaal gestuurde boringen. Het tracé buigt dan af in zuidelijke richting met horizontaal gestuurde boringen. Hierbij worden de A12 inclusief op- en afritten gekruist, het spoor Gouda-Den Haag en een drietal watergangen waaronder de Vierde Tocht (NNN-gebied). Het tracé gaat dan verder in horizontaal gestuurde boringen langs de randen van de percelen parallel aan de Vierde Tocht en sluit dan aan op het hoogspanningsstation Zevenhuizen/Zuidplaspolder.
Hierbij wordt dan nog de Vierde Tocht en de N219 gekruist. Het deel van het geoptimaliseerde voorkeurstracé dat binnen de gemeente Lansingerland valt, wordt planologisch geregeld met onderhavig bestemmingsplan. Het tracé wordt als facetbestemmingsplan opgenomen binnen de onderliggende vigerende bestemmingsplannen. Aan deze bestemmingsplannen wordt de dubbelbestemming Leiding-Hoogspanning toegevoegd. De onderliggende bestemmingsplannen worden met dit bestemmingsplan opnieuw van toepassing verklaard. Voor de breedte van de belemmeringenstrook wordt de zogenaamde zakelijkrechtstrook (ZRO-strook) gehanteerd. Deze verschilt per locatie, omdat delen van het tracé zowel in open ontgraving als als boring aangelegd worden.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 13 van 39
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Inleiding
In deze paragraaf wordt een analyse gegeven van het relevante beleidskader. De beleidsnota's die direct of indirect doorwerken in voorliggend bestemmingsplan, worden in deze paragraaf behandeld. Per bestuurslaag is een korte samenvatting gegeven van de meest relevante aspecten uit de verschillende beleidsnota's, alsmede de consequenties voor het voorliggende initiatief.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050, brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op en richting geven aan nationale belangen. Die komen samen in vier prioriteiten: » » « «
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: »
»
»
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Betekenis voor dit bestemmingsplan Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een NOVI-gebied. De ontwikkeling voorziet in ruimte voor energietransitie en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. Verder is het plan niet
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 14 van 39
in strijd met de NOVI.
3.2.2
Structuurvisie Infrastructuuren Ruimte (SVIR)
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. Deze visie vervangt verschillende bestaande nota's op het gebied van ruimtelijke ordening, waaronder de Nota Ruimte. Het Rijk stelt in de SVIR heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, leefbaar en veilig maakt, is volgens het Rijk een gewijzigde aanpak noodzakelijk. Het Rijk wil de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegenen brengen die het aangaan (burgers en bedrijven) en laat meer over aan gemeentes en provincies ('decentraal, tenzij - principe'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudige regelgeving. Op basis van de genoemde ambities komt het Rijk tot drie rijksdoelen: » « »
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Voor de hierboven genoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen geformuleerd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is. Het gaat hier om het volgende: »
« » » « » » « » « » « »
een excellente ruimtelijke-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; efficiënt gebruik van de ondergrond; een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Betekenis voor dit bestemmingsplan Met het bestemmingsplan wordt de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding mogelijk gemaakt. Hiermee draagt het bestemmingsplan bij aan één van de nationale belangen: het bieden van ruimte voor het hoofdnetwerk voor energievoorziening. Verder is het bestemmingsplan niet in strijd met één van de overige nationale belangen uit de SVIR.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 15 van 39
3.2.3
Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening
Het beleid dat in de SVIR is geformuleerd, is in het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (hierna: Barro) vastgelegd in regelgeving. In het Barro zijn nationale belangen vastgelegd waar provincies en gemeenten rekening mee moeten houden bij het opstellen van inpassingsplannen en bestemmingsplannen. De elektriciteitsvoorziening is aangemerkt als een nationaal belang. Wat betreft de elektriciteitsvoorziening zijn bestaande hoogspanningsverbindingen opgenomen. Voor hoogspanningsverbindingen, waaronder ook de schakel- en transformatorstations vallen, zijn de volgende regels opgenomen: » « »
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een hoogspanningsverbinding bevat het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het gebruik als hoogspanningsverbinding toe; een bestemmingsplan wijst geen ander tracé van de hoogspanningsverbinding aan; in afwijking van het tweede punt kan, na schriftelijk advies van de beheerder van het hoogspanningsnet, een ander tracé voor de hoogspanningsverbinding worden aangewezen, mits de hoogspanningsverbinding als zodanig in het bestemmingsplan wordt gehandhaafd, het bestemmingsplan het gebruik van dat gewijzigde tracé als hoogspanningsverbinding toelaat en het tracé aansluit op het tracé van de hoogspanningsverbinding in de naastliggende bestemmingsplannen.
Betekenis voor dit bestemmingsplan In het Barro wordt een verbinding van minstens 220kV gezien als een hoogspanningsverbinding. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150kV planologisch mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan is niet in strijd met de regels uit het Barro.
3.2.4
Besluit ruimtelijke ordening
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Het Besluit ruimtelijke ordening is op 1 juli 2017 gewijzigd. Met de wijziging van het Bro is ook een nieuwe ladder systematiek geïntroduceerd, waarbij de ladder geen treden meer bevat. Hierbij moet ten eerste de behoefte aan de ontwikkeling worden beschreven en ten tweede moet bij buiten stedelijke ontwikkelingen worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk plaats kunnen vinden. Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dan moet er getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien een project ziet op de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bij de beoordeling of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gekeken of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.
Daarvan is in beginsel sprake als een nieuw ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of volgens het voorheen geldende planologische regime kon worden gerealiseerd. Indien de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is moet worden beschreven in hoeverre de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Betekenis voor het bestemmingsplan Het Besluit ruimtelijke ordening stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden. In het voorliggende bestemmingsplan is sprake van een wijziging van het ruimtebeslag: een nieuwe, ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt in gebruik genomen. De ondergrondse verbinding stelt beperkingen aan de gebruiksmogelijkheden van de bovengrond, om de elektriciteitsvoorziening te beschermen. Deze bescherming wordt vastgelegd in dit plan, na een zorgvuldige afweging van de belangen.
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 16 van 39
De aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding geldt niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3
Provinciaal I regionaal beleid
3.3.1
Beleid provincie Zuid-Holland
Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) De Omgevingsvisie Zuid-Holland is het provinciaal beleidsplan van de fysieke leefomgeving. De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2019 en volgt daarmee de Visie Ruimte en Mobiliteit uit 2014 op. Met de Omgevingsvisie anticipeert de provincie op het in werking treden van de Omgevingswet. In de nieuwe Omgevingsvisie is het volledige omgevingsbeleid van de provincie vervat, zoals de Omgevingswet ook zal voorschrijven. In de Omgevingsvisie worden de huidige beleidsplannen in één document verenigd: « » » » «
de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
De provincie Zuid-Holland kiest hierbij voor een opgavegerichte aanpak, waarbij steeds samenhangende beleidsonderdelen worden vernieuwd waar dat nodig is. Het provinciale omgevingsbeleid is dus geen statisch (eind)document, maar een document waarmee voortdurend de dialoog wordt gezocht met de diverse ruimtelijke actoren: altijd klaar, maar nooit af. Hoofddoel van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De sturingsfilosofie van de omgevingsvisie betreft: 1. 2. 3. 4.
Ruimte bieden aan ontwikkelingen; Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijventerreinen, kantoren, winkels en mobiliteit; Allianties aangaan met maatschappelijke partners; Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.
Betekenis voor het bestemmingsplan Met het bestemmingsplan worden de aanleg en instandhouding van ondergrondse hoogspanningsverbindingen mogelijk gemaakt. Voornoemd initiatief past bij de grotere vraag naar elektriciteit in gemeente Lansingerland en omgeving. Dat komt enerzijds door de toegenomen vraag van de bedrijven in de omgeving en anderzijds door diverse projecten waarbij duurzame energie wordt opgewekt. Hiermee sluit de beoogde ontwikkeling aan bij de sturingsfilosofie zoals die is omschreven in omgevingsvisie Zuid-Holland, waaronder ruimte bieden aan ontwikkelingen en aansluiten bij de maatschappelijke vraag.
Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019) Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 17 van 39
Betekenis voor het bestemmingsplan De volgende onderdelen zijn relevant voor het bestemmingsplan: Artikel 6.24 Natuurnetwerk Nederland en strategische reservering natuur Binnen het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Provincie Zuid-Holland past geen externe werking toe. Volgens de Provincie Zuid-Holland geldt er geen speciaal beleid voor het NNN, maar dient er wel rekening gehouden te worden met de soortbescherming, gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden binnen de Wet natuurbescherming (voorheen de onderdelen FF-wet, Nbwet en Boswet). Daarom dienen de werkzaamheden buiten het NNN plaats te vinden. Er is dan geen noodzaak voor een compensatieplan. Deze aspecten zijn opgenomen in paragraaf 4.7 Ecologie Artikel 6.27 Archeologie en Romeinse Limes Bij de realisatie van het ondergrondse 150kV-kabeltracé is rekening gehouden met de archeologische waarden. Dit wordt beschreven in paragraaf 4.14 Archeologie Artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop Het plangebied maakt geen onderdeel uit van cultureel erfgoed. In de nabijheid van het plangebied zijn wel enkele molenbiotopen aangewezen waar het tracé vlak langs gaat. Omdat er met het tracé geen sprake is van (opgaande) bebouwing, is geen sprake van nadelige gevolgen met betrekking tot de molenbiotoop. De ontwikkeling heeft ook geen effect op andere cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
Wel is rekening gehouden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Dit wordt nog eens nader onderbouwd in paragraaf 4.14 Archeologie. Het plan sluit aan bij de uitgangspunten van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland.
3.4
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Lansingerland 2025 De Structuurvisie Lansingerland 2025 is een kader voor de gebieds- en ruimtelijke opgaven die de gemeente de komende jaren wil realiseren. De gemeente Lansingerland wil een gemeente zijn waar het aantrekkelijk is om suburbaan te wonen, waar volop ruimte is voor ondernemerschap en bedrijvigheid en aantrekkelijke recreatiemogelijkheden in een groene omgeving. Dit alles met een goede bereikbaarheid en oog voor milieu en duurzaamheid. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving wordt specifiek bepaald door de inkadering van de stedelijke omgeving in groene landschappen. De ambitie van de gemeente is gericht op de ontwikkeling tot een herkenbare, samenhangende gemeente, met oog voor leefbaarheid, zorgzaamheid met een eigen identiteit. Het vestigingsklimaat voor bedrijven en nieuwe inwoners moet aantrekkelijk blijven, door een goede balans tussen bedrijvigheid en leefbaarheid te creëren. Voor de woonkernen wordt gestreefd naar het bewaren van het aantrekkelijke woonklimaat en het behouden van de groene omgeving. Duurzaamheid en een goede ontsluitingsstructuur zijn daarbij randvoorwaarden. Betekenis voor dit bestemmingsplan Dit plan leidt niet tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
Door de ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding, wordt de levering van elektriciteit afgestemd op de toekomstige verwachting ten aanzien van de vraag naar elektriciteit. Voorts ligt het toekomstige tracé zoveel mogelijk in de buurt van bestaande ondergrondse en bovengrondse infrastructuur, waarmee de omgeving niet onevenredig gehinderd wordt door de ligging van het ondergrondse kabeltracé. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling ook bij aan het vestigingsklimaat: een leveringszekere energievoorziening is hierbij een basisvoorwaarde. Het planvoornemen past daarmee binnen de gemeentelijke structuurvisie.
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 18 van 39
3.5
Conclusie beleidskader
Het bestemmingsplan past binnen de beleidsdoelstellingen van alle overheidsniveaus met als belangrijkste doel het streven naar zuinig en duurzaam ruimtegebruik waarbij adequate en voldoende levering van elektriciteit in de toekomst kan worden geborgd.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 19 van 39
Hoofdstuk 4
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk volgt de verantwoording voor de realisatie van de ondergrondse 150-kV hoogspanningsverbinding aan de hand van de relevante milieu- en omgevingsaspecten.
4.2
Milieueffectrapportage
Relevant kader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een instrument om bij besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu het milieubelang een volwaardige plaats te geven. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage kan worden bepaald welke m.e.r.-procedure van toepassing is. Voor het bestemmingsplan is op grond van het Besluit milieueffectrapportage een vormvrije m.e.r. aanmeldingsnotitie noodzakelijk. Aanmeldingsnotitie Onderhavig plan omvat de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding. Hierdoor is het een project (kolom 4) in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. De ontwikkeling valt onder activiteit D24.2 uit het Besluit milieueffectrapportage: "de aanleg, wijziging, of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding". De drempelwaarden bij deze activiteit zijn: 1. een spanning van 150 kV of meer; en 2. een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er is sprake van het aanleggen van een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV. De aanleg vindt niet voor minstens 5 kilometer plaats in een gevoelig gebied. Hiermee worden de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage niet gehaald.
Voor de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding zal grondwater aan de bodem onttrokken worden. Daarmee is er ook sprake van de activiteit voor onttrekking van grondwater aan de bodem opgenomen onder categorie C15.1 en D 15.2 van het Besluit m.e.r. De drempelwaarden bij deze activiteit zijn: » «
Voor C15.1: in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 10 miljoen m3 of meer per jaar. Voor D15.2: in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar.
De onttrekking van grondwater voor de beoogde ontwikkeling blijft onder bovengenoemde drempelwaarden. Voor elk van de activiteiten die van toepassing zijn, wordt de drempelwaarde niet gehaald. Daarom kan worden volstaan met het doorlopen van vormvrije m.e.r. procedure. Voor dit bestemmingsplan is een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld. Deze aanmeldingsnotitie is bijgevoegd in Bijlage 2. Conclusie Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en de verwachte effecten,
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 20 van 39
zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Nadere analyse in een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk. Omgevingsdienst DCMR Rijnmond heeft het M.e.r.-beoordelingsbesluit afgegeven aan gemeente Lansingerland Bijlage 3. Zij concludeert eveneens dat geen MER behoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het project.
4.3
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen: « «
ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in het algemeen gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Betekenis voor het bestemmingsplan Met de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding is er geen sprake van een milieugevoelige functie.
Tevens heeft de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding geen betrekking op milieuhinderlijke functies. Een nadere toetsing voor bedrijven en milieuzonering is niet aan de orde.
4.4
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Alleen waar sprake is van in de Wm genoemde uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften (artikel 5.16, lid 2) èn deze uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, dient een toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaats te vinden. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: « » » «
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 30Zo van de grenswaarde voor NO2 en fijn stof (PM10 en PM2i5). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 21 van 39
project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Betekenis voor het bestemmingsplan Ten gevolge van dit bestemmingsplan zal het aantal verkeersbewegingen niet of nauwelijks toenemen. De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding genereren tijdelijk extra verkeer. In de gebruiksfase is de ondergrondse hoogspanningsverbinding onbemand en vinden enkel beperkt verkeersbewegingen plaats door toezicht en onderhoud. Een ondergrondse hoogspanningsverbinding stoot zelf geen stoffen uit die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan op basis van de gegevens van NSL-monitoring (nsl-monitoring.nl). De gemiddelde achtergrondconcentratie over 2020 voor NO2 varieert in het plangebied van 22,4 tot 30,4 gg/m3. Voor fijnstof PM10 ligt de gemiddelde achtergrondconcentratie over 2020 tussen de 17,5 tot 18,1 gg/mP en voor PM2,5 variëren de waarden tussen de 10.3 en 10.5 gg/mP.
De grenswaarden voor de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 zijn weergegeven in onderstaande tabel:
Stof
soort norm
concentratie
no2
jaargemiddelde
40 gg/mP
PM10
jaargemiddelde
40 gg/mP
PM2,5
jaargemiddelde
25 gg/mP
Voor elk van de concentratie (NO2, PM10 en PM2,5) wordt de grenswaarde niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.5
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Betekenis voor het bestemmingsplan De ondergrondse hoogspanningsverbinding betreft geen geluidsbelastende ontwikkeling of geluidsgevoelig object. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
SWECOŬ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 22 van 39
4.6
Bodem
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Betekenis voor het bestemmingsplan In verband met de netuitbreiding in de Zuidplaspolder is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Er is daarom een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). Op basis van de bevindingen uit het onderzoek kan voor het plangebied van de ondergrondse verbinding het volgende geconcludeerd worden: » » «
(Historisch) bodemgebruik: Agrarisch, (erven van) lintbebouwing, kassen. Bodemkwaliteitskaart: Grotendeels landbouw/natuur. Bodemonderzoeken: De meeste locaties zijn voldoende onderzocht of gesaneerd.
Over het algemeen zijn de agrarische percelen onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. De kans op het aantreffen van verontreinigingen in de grond en het grondwater is op basis van dit onderzoek het grootst nabij de lintbebouwing. Voor aanleg van de ondergrondse kabelverbinding is ter plaatse van de open ontgravingen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 (Bijlage 5). Dit deel heeft echter alleen betrekking op een deel van het tracé dat binnen de gemeente Zuidplas valt. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er voor de aanleg van het kabeltracé ter plaatse van open ontgraving 6, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen beperkingen te worden gesteld aan de geplande werkzaamheden. De bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied vormt geen belemmering voor de aanleg van het beoogde kabeltracé.
4.7
Ecologie
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast. Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden: a. b.
er zijn geen alternatieve oplossingen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 23 van 39
c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege: 1. 2.
argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan. Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.
Soortenbescherming De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten: a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten; Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen. b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn; Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen. c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten. Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.
Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan: a. b.
c.
er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk; de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daaropvolgende gebruik van het betreffende gebied; de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.
Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.
Houtopstanden Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 24 van 39
bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland (NNN). Betekenis voor het bestemmingsplan Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke effecten voor beschermde plant- of diersoorten en beschermde gebieden (Bijlage 6).
Gebiedsbescherming Er liggen twee Natura 2000-gebieden binnen 10 kilometer van het kabeltracé en de locatie van het nieuwe hoogspanningsstation in Zuidplas, namelijk De Wilck op circa 8,2 kilometer en Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein op circa 9,2 kilometer. Het eerstvolgende Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ligt op circa 13,3 kilometer. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging of verdroging. Negatieve effecten van geluid, beweging en trilling op de instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten. De werkzaamheden kunnen in de aanlegfase gepaard gaan met emissie van stikstof. Deze emissie kan zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden op Natura 2000-gebieden. Om de hoeveelheid stikstofdepositie tijdens de aanlegfase met zekerheid vast te stellen is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.8. De werkzaamheden voor het kabeltracé liggen deels binnen een ecologische verbindingszone die tevens is aangeduid als NNN-gebied. Deze verbindingszone bevindt zich echter binnen gemeente Zuidplas en ligt daarmee niet binnen de grenzen van onderhavig bestemmingsplan.
Binnen de grenzen van onderhavig plangebied is geen NNN aanwezig. Soortenbescherming Negatieve effecten op beschermde planten, overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn uitgesloten. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. De te slopen gebouwen en te kappen bomen zijn geen onderdeel van vaste rust- en voortplantingsplaatsen, belangrijk foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Wel is het noodzakelijk om verstoring van de mogelijk wel aanwezige vleermuizen te voorkomen. Gedurende de actieve periode van vleermuizen (april - november) dient tussen zonsondergang en zonsopkomst de gebruikte (bouw)verlichting niet gericht te zijn op groenstructuren en watergangen. De steenuil is waargenomen bij de Noordelijke Dwarsweg nr. 116, hier is een territorium vastgesteld. De steenuilen zullen niet verstoord worden indien er op deze locatie alleen overdag gewerkt wordt en buiten het broedseizoen. Bovendien ligt deze locatie in de gemeente Zuidplas op grote afstand van onderhavig plangebied in Lansingerland.
Algemene vogels kunnen op verschillende plekken gaan broeden in het plangebied, zowel op de grond in bermen en slootkanten als in struweel en bomen. De merel, koolmees, pimpelmees en ekster kunnen gebruik maken van bomen en struweel in en in de omgeving van het plangebied. Watervogels zoals de meerkoet en wilde eend kunnen gebruik maken van het riet langs de watergang en oevers om tussen te broeden. Alle in Nederland voorkomende broedvogels zijn beschermd gedurende het broeden. Bij uitvoering van verstorende werkzaamheden in het zomerhalfjaar (circa half maart - half juli) is een check op aanwezigheid van nesten of nestindicerende vogels nodig. Wanneer er één of meerdere nesten aanwezig zijn van algemene broedvogels dient er gewacht te worden tot de jongen het plangebied hebben verlaten deze klaar zijn met broeden voordat er gemaaid kan worden. Bij werkzaamheden die effect hebben op watergangen is het noodzakelijk om rekening te houden met dieren die in de watergang en omgeving voorkomen. In de sloten in het plangebied kunnen
swecoŹŚ
Hoogspanningsverbinding Zuidplaspolder-Lansingerland Pagina 25 van 39
algemene amfibieën en vissen voorkomen. Hierbij kan eraan gedacht worden aan het werken vanuit één richting, het verplaatsen van kikkerdril en eisnoeren en het wegvangen en verplaatsen van aanwezige dieren en het toepassen van een zachte start. In de omgeving van het plangebied kan de rugstreeppad voorkomen, binnen het plangebied is momenteel niet het juiste habitat aanwezig voor deze soort. Het bouwrijp maken resulteert mogelijk in een geschikt habitat voor deze soort. Om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd om een amfibieënscherm te plaatsen indien er in het voorjaar of zomer tijdelijk geschikt leefgebied aanwezig is. Alvorens de beoogde werkzaamheden worden uitgevoerd wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin de geadviseerde mitigerende maatregelen nader worden uitgewerkt. Met toepassing van de mitigerende maatregelen vormen gebieds- en soortenbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Stikstofdepositie
Een (wijziging van een) bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Dit is het geval indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen is net als bij projecten meestal een passende beoordeling nodig en tenminste een voortoets. Als uit de passende beoordeling (of voortoets) blijkt dat significante gevolgen zijn uitgesloten, of als de ADC-toets met succes is doorlopen, mag het bestemmingsplan vastgesteld worden. De Wet natuurbescherming staat dan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. In afwijking van voornoemde hebben Rijk en provincies recent een beleidslijn afgesproken dat projecten met tijdelijke stikstofdeposities van transport en mobiele werktuigen in de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar als vergunningvrij afgedaan kunnen worden voor de Wet natuurbescherming.