T21.04338 Beantwoording technische vragen fractie Leefbaar 3B over raadsvoorstel invoering Omgevingswet (BR2100033)
Tekst van het document
FORMULIER BEANTWOORDING TECHNISCHE VRAGEN TER VOORBEREIDING COMMISSIE BESPREKING T21.04338 Betreft commissie
Ruimte dd. 18 mei 2021
Nummer en naam agendapunt:
Invoering Omgevingswet
Vraag van (fractie en cie lid invullen)
Leefbaar 3B, Wouter Hoppenbrouwer
Vragen:
01: Raadsvoorstel 1.2: Wat wordt bedoeld met de passage: De verwachte (maatschappelijke) baten van het werken …………… pas inzichtelijk/ gerealiseerd? ( Ik snap niet wat hier staat) Graag een nadere verklaring; 02. kanttekeningen (4) De financiële effecten van de omgevingswet zijn niet opgenomen in de projectbegroting. Ook hier snap ik niet wat wordt bedoeld te zeggen. Graag een nadere toelichting? 03. Juridische aspecten. Wat zijn de grote gevolgen voor de gemeente m.b.t. de Wet kwaliteitsborging? 04. Bijlage 1 27 minimale acties In de 27 minimale acties lees ik – op het eerste oog – niets over de integratie met het Sociaal Domein. Onder welke actie(s?) komt de integratie met SD tot zijn recht? 05. Projectbegroting a. Wat is de % verdeling van onze projectbegroting over de navolgende onderdelen: Programmaondersteuning/bedrijfsarchitectuur, DSO, Kennisinstrumenten, Beheerskosten DSO, overige kosten Omgevingswet en onvoorzien b. Is de programmabegroting opgesteld o.b.v. de minimale acties of is er ruimer begroot? c. De inwerkingtreding van de omgevingswet loopt tot 2029. Waarom stopt de financiële planning t/m 2023. d. Wat is het nut en noodzaak om 600.000,00 (interne verrekening vast personeel) in de projectbegroting op te nemen.
Dit geld wordt toch al in een programmabegroting geraamd? Overall Het oorspronkelijk idee is dat de invoering van de omgevingswet budgetneutraal verloopt. De aanname is dat de gemeenten gemiddeld bijna twintig jaar nodig heeft om de invoeringskosten van de Omgevingswet terug te verdienen. 06. Hoe werkt dat? 07. Wat zijn de geraamde kosten per inwoner voor de invoering van de omgevingswet (t/m 2029)
Beantwoording:
Antwoord vraag 1: In het raadsvoorstel onder ‘Argumenten’ staat: “Over de kosten en baten van de Omgevingswet zijn interbestuurlijk afspraken gemaakt tussen minister, Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten. Wij zijn als gemeente zelf verantwoordelijk voor de invoeringskosten. Vanuit het rijk vindt daar geen compensatie voor plaats. De verwachte (maatschappelijke) baten van het werken met de Omgevingswet komen ten gunste van de betrokken partijen ter dekking van de invoerings- en transitiekosten. Deze worden echter na inwerkingtreding pas inzichtelijk / gerealiseerd”. Bij de start van de stelstelherziening was de verwachting dat deze voor de maatschappij als geheel een positief financieel effect zou opleveren. De maatschappij als geheel betreft inwoners en bedrijven maar ook overheden in hun rol als bevoegd gezag en initiatiefnemer. Het rijk heeft een Integraal Financieel Beeld laten opstellen. Daarin wordt geconstateerd dat er een positief financieel effect kan optreden. Het is aan overheden - en daarvoor is de decentrale ruimte ook bedoeld - om een eigen afweging te maken op basis van politiek bestuurlijke verantwoordelijkheid in de lokale context. Het effect daarvan kan zowel een financieel gunstig dan wel een financieel minder gunstig effect hebben.
Antwoord vraag 2: In het raadsvoorstel onder ‘Kanttekeningen’ staat daarover: “De financiële effecten van de Omgevingswet zijn niet opgenomen in de projectbegroting. Onze projectbegroting bevat een raming van de kosten die nodig zijn voor de invoering van de Omgevingswet. De verwachting is dat de invoering van de Omgevingswet en de plannen en keuzes die gemaakt worden tussen 2021-2029, ook financiële effecten kunnen hebben. Deze mogelijke effecten zijn geen onderdeel van onze projectbegroting. In onze afzonderlijke voorstellen maken wij deze zoveel als mogelijk inzichtelijk en stellen wij zo nodig voor deze in de reguliere begroting te verwerken”. De projectbegroting bedraagt € 2,3 miljoen voor 2021-2023. Dit betreft de kosten voor de invoering van de Omgevingswet. De (mogelijk) financiële effecten van de stelselherziening (zowel positief als negatief) zijn niet opgenomen in de projectbegroting. Antwoord vraag 3: In het raadsvoorstel staat onder ‘Juridische aspecten’: “Met de Omgevingswet komen verschillende wetten die van groot belang zijn voor de gemeentelijke praktijk te vervallen. Voorbeelden hiervan zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op basis waarvan de gemeente omgevingsvergunningen verleent en de Wet ruimtelijke ordening op grond waarvan de gemeenteraad bestemmingsplannen kan vaststellen. Het instrument omgevingsvergunning blijft bestaan.
De gemeente krijgt echter te maken met belangrijke veranderingen zoals de ‘knip’ van – kort gezegd – de bouwvergunning (omgevingsvergunning activiteit bouwen). Er komt een onderscheid tussen de technische bouwactiviteit en de ruimtelijke bouwactiviteit. Dit heeft gevolgen voor de vergunningverlening en werkprocessen. Hier komt de Wet kwaliteitsborging bouwen nog bij, ook met grote gevolgen voor de gemeente. Kortom, er verandert veel. Het instrument bestemmingsplan keert niet meer terug. Het Omgevingsplan is hiervan de rechtsopvolger”.
Minimale acties 13 betreft ‘Toezicht en handhaving aangepast aan de Wkb’. De Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) heeft als doel de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. De Wkb voert daarbij ook verschillende aanpassingen door in het Burgerlijk Wetboek om de positie van de opdrachtgever te versterken. De wet gaat gefaseerd in. Er wordt gestart met de eenvoudigere bouwprojecten, daarna volgen eventueel de meer complexere. Voor de gemeente betekent dit dat per 1-1-2022 de toezichtsen handhavingsprocessen bij bouwactiviteiten dienen te zijn aangepast aan de Wkb. Dit omvat de inrichting van processen, de informatievoorziening, de afspraken met private partijen en juridische/inhoudelijke aspecten. De Wkb brengt daarmee een groot aantal veranderingen bij toezicht en handhaving van bouwactiviteiten met zich mee. De gemeente blijft wel verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw en omgevingsveiligheid en blijft het bevoegd gezag. Bouwtoezicht voor categorie 1 bouwwerken (bijvoorbeeld een eengezinswoning) wordt echter primair belegd bij private kwaliteitsborgers. De toets op het bouwplan vooraf wordt vervangen door toetsing op het bouwwerk zoals gebouwd.
De gemeente toetst niet meer inhoudelijk aan bouwtechnische voorschriften, maar controleert of de opdrachtgever werkt met een toegelaten, geschikt instrument en een onafhankelijke kwaliteitsborger. Dit alles vraagt om een aanzienlijk aantal wijzigingen in processen, competenties en informatievoorziening die de gemeente dient te implementeren. Antwoord vraag 4: Onder minimale actie 19 ‘Omgevingsvisie in voorbereiding’. In het raadsvoorstel onder ‘Argumenten’ staat: “Een Omgevingsvisie is een integrale strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De integratie met het Sociaal Domen vindt in de Omgevingsvisie plaats. Naast de fysieke leefomgeving gaat de Omgevingsvisie ook in op een gezonde en veilige samenleving en hoe hier de ruimtelijke vertaling in te maken. Praktisch gezien betekent dit dat het Sociaal Domein actief participeert bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie. Antwoord vraag 5a: Verdeling projectbegroting over navolgende onderdelen Onderdelen projectbegroting Programmaondersteuning/bedrijfsarchitectuur DSO
Kosten
Percentage
€ 1.620.000
70%
€ 55.000
2%
Kennisinstrumenten:
Omgevingsvisie
€ 100.000
4%
Omgevingsplan
€ 110.000
5%
Vergunning
€ 130.000
6%
Beheerskosten DSO
€ 35.000
2%
Overige kosten Omgevingswet
€ 210.000
9%
Onvoorzien
€ 40.000
2%
€ 2.300.000
100%
Totaal
Antwoord vraag 5b: Het invoeringstraject van de Omgevingswet loopt vanaf de inwerkingtreding op 1 januari 2022 gefaseerd tot aan 31 december 2029. Grofweg zijn er twee fasen te onderscheiden: - Fase één: voorbereidingsfase tot inwerkingtreding, vooralsnog op 1 januari 2022. Op 1 januari 2022 moet de gemeente voor veel zaken meteen klaar staan. Daarvoor heeft de VNG een overzicht gemaakt van 27 ‘Minimale acties Omgevingswet voor gemeenten’. Denk aan diverse genomen raadsbesluiten, het kunnen ontvangen van aanvragen omgevingsvergunningen en meldingen en het wijzigen van het omgevingsplan. - Fase twee: transitiefase van 2022-2029. De gemeente beschikt vanaf 1 januari 2022 over nieuw instrumentarium. De gemeente krijgt tot 1 januari 2030 de tijd om een volwaardig Omgevingsplan op te bouwen. En tot 1 januari 2024 de gelegenheid om een Omgevingsvisie vast te stellen. De projectbegroting is gebaseerd op een: - kostenraming voor de uitvoering van het overzicht van de VNG van 27 “Minimale acties Omgevingswet voor gemeenten” voor kalenderjaren 2021/2022. De wetgever stelt ons verplicht de Omgevingswet in te voeren. Daar is een grote inspanning en zijn grote investeringen mee gemoeid dit jaar en de komende jaren. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet de gemeente voor veel zaken meteen klaar staan. - kostenraming voor de transitiefase vanaf inwerkingtreding 2022.
Zie voor meer informatie in onderstaand antwoord op vraag 5c. Antwoord vraag 5c: De projectbegroting geeft inzicht in de middelen die nodig zijn voor de invoering van de Omgevingswet in de aankomende jaren. Op basis van minimale actie 16 gaan wij de gemeenteraad een voorstel doen in welke stappen en in welk tempo wij het Omgevingsplan kunnen opbouwen. Dit is het plan van aanpak voor de transitiefase 2022-2029. Met de uitvoering van dat plan van aanpak volgt de komende jaren stap voor stap onder meer keuze en inzicht in de financiële gevolgen van de stelselwijziging tot 2030. Het gaat hierbij specifiek om keuzes in het Omgevingsplan zelf. Zoals het doorschuiven van onderzoeklasten naar initiatiefnemers en het veel of weinig opnemen van vergunningplichten (met gevolgen voor de legesinkomsten) of het volstaan met meer algemene regels (geen legesinkomsten). Bij de juridische inrichting van het Omgevingsplan beschikt de gemeente over veel knoppen waaraan gedraaid kan worden. En deze hebben financiële gevolgen. De maken wij tijdens de transitiefase zoveel als mogelijk inzichtelijk. En zo nodig stellen wij voor deze in de reguliere begroting te verwerken.
Antwoord vraag 5d: Dit betreft projectkosten zodat wij naast de projectwerkzaamheden voor de invoering van de Omgevingswet ook onze reguliere werkzaamheden in het kader van vergunningverlening, handhaving en toezicht kunnen blijven uitvoeren. Antwoord vraag 6: Zie ook de beantwoording van bovenstaande vragen 1 en 2: De verwachte (maatschappelijke) baten van het werken met de Omgevingswet komen ten gunste van de betrokken partijen ter dekking van de invoerings- en transitiekosten. Deze worden echter na inwerkingtreding pas inzichtelijk / gerealiseerd.
Antwoord vraag 7: Op basis van de projectbegroting gaat het om circa € 35 per inwoner (2,3 miljoen / 63.000 inwoners). Een antwoord op de volledige vraag (t/m 2029) is op dit moment nog niet mogelijk. Zie ook de beantwoording van bovenstaande vragen 1, 2 en 5: De verwachte (maatschappelijke) baten van het werken met de Omgevingswet komen ten gunste van de betrokken partijen ter dekking van de invoerings- en transitiekosten. Deze worden echter na inwerkingtreding pas inzichtelijk / gerealiseerd.